Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBLIM:2020:8832

Instantie
Rechtbank Limburg
Datum uitspraak
04-11-2020
Datum publicatie
19-11-2020
Zaaknummer
8227030 CV EXPL 19-8438
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

Verzorgen uitvaart/crematie, onbetaald gelaten restant factuurbedrag

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK LIMBURG

Burgerlijk recht

Zittingslocatie Maastricht

Zaaknummer 8227030 CV EXPL 19-8438

Vonnis van de kantonrechter van 4 november 2020

in de zaak van

de besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid BUL B.V. tevens handelend onder de naam BUDGET UITVAART LIMBURG B.V.,

gevestigd en kantoorhoudend aan de Heigank 7, 6373 KM Landgraaf,

eisende partij,

gemachtigde mr. R.P. Küffen,

tegen

[gedaagde] ,

wonend aan de [adres] , [woonplaats] ,

gemachtigde mr. S.A.H. Creusen.

Partijen zullen hierna BUL en [gedaagde] genoemd worden.

1 De procedure

1.1.

Het verloop van de procedure blijkt uit:

- de dagvaarding

- de conclusie van antwoord

- de conclusie van repliek

- de conclusie van dupliek

2 Het geschil

2.1.

BUL vordert dat [gedaagde] bij vonnis, uitvoerbaar bij voorraad, zal worden veroordeeld tot betaling van:

  • -

    € 945,20, bestaande uit € 800,00 aan onbetaald gelaten restant factuurbedrag en € 145,20 aan vergoeding buitengerechtelijke kosten inclusief btw althans een in goede justitie te bepalen bedrag, te vermeerderen met de wettelijke rente over € 800,00 vanaf 1 mei 2019 althans vanaf 29 juli 2019 althans vanaf de dag van dagvaarding tot de dag van algehele voldoening,

  • -

    de proceskosten en de nakosten, vermeerderd met de wettelijke rente.

2.2.

BUL legt aan haar vordering ten grondslag dat zij in opdracht van [gedaagde] de uitvaart c.q. crematie van wijlen zijn zoon - de heer [naam zoon] , geboren op [geboortedatum] en overleden op [overlijdensdatum] - heeft verzorgd. De kosten van de in verband hiermee verrichte werkzaamheden / diensten zijn middels factuur d.d. 15 april 2019 bij [gedaagde] in rekening gebracht, welke factuur deels (een bedrag van € 800,00) onbetaald is gebleven.

2.3.

[gedaagde] voert verweer.

2.4.

Op de stellingen van partijen zal hierna - voor zover relevant - nader worden ingegaan.

3 De beoordeling

3.1.

Met betrekking tot de stelling van [gedaagde] dat BUL niet-ontvankelijk verklaard dient te worden in haar vordering, omdat BUL geen exemplaar van de overeenkomst en geen bewijs van ontvangst van de beweerdelijke verzonden bescheiden in het geding heeft gebracht, heeft te gelden dat op het schenden van de in artikel 111 lid 3 Rv opgenomen substantiëringsplicht geen (wettelijke) sanctie staat. Het artikelonderdeel geeft de kantonrechter slechts de bevoegdheid te bevelen alsnog de ontbrekende stukken over te leggen. Daarvan is in het onderhavige geval overigens geen gebruik gemaakt. Niet gebleken is dat [gedaagde] aantoonbaar in zijn procesbelangen is geschaad. Artikel 21 Rv legt op partijen de verplichting zich te onthouden van het bewust achterhouden en verdraaien van de voor de beslissing belangrijke feiten. Een expliciete schending van deze verplichting door BUL is niet gebleken en daarmee niet aan de orde. Het vorenstaande brengt met zich dat de verweren van [gedaagde] geen doel treffen.

3.2.

De kantonrechter is van oordeel dat de eerst bij conclusie van dupliek in het geding gebrachte verklaring van de dochter van [gedaagde] als tardief dient te worden aangemerkt en in strijd met (de eis van concentratie van verweer en derhalve in strijd met) de eisen van een goede procesorde, nu BUL, gezien de stand van zaken in de procedure, daarop niet meer heeft kunnen reageren en het op de weg van [gedaagde] had gelegen dit reeds bij zijn conclusie van antwoord in het geding te brengen. De verklaring zal dan ook buiten beschouwing worden gelaten.

3.3.

[gedaagde] betwist het bestaan van een overeenkomst. Dit verweer kan geen stand houden. Een overeenkomst komt tot stand door een aanbod en een aanvaarding van dat aanbod. Het aanbod en de aanvaarding kunnen in beginsel in iedere vorm geschieden en kunnen ook besloten liggen in gedragingen. Uit het verweer van [gedaagde] (randnummer 8 van zijn conclusie van antwoord) volgt dat hij BUL heeft ingeschakeld voor het verzorgen van de uitvaart c.q. crematie van wijlen zijn zoon en dat BUL de uitvaart en crematie ook heeft verzorgd. Aldus is er een overeenkomst tussen partijen tot stand gekomen.

3.4.

Vervolgens is de vraag aan de orde of partijen een prijsafspraak hebben gemaakt. Indien bij het sluiten van de overeenkomst geen prijs is bepaald is de opdrachtgever een redelijke prijs verschuldigd.

3.4.1.

Er is geen schriftelijke overeenkomst waaruit een afgesproken prijs blijkt. [gedaagde] heeft erkend de factuur van 15 april 2019 te hebben ontvangen. Hoewel de kantonrechter uit de stukken kan afleiden dat er wat “gezeur” over de prijs is geweest, hebben partijen niet nader toegelicht waar dat gezeur op zag. In ieder geval is niet gebleken dat [gedaagde] heeft geprotesteerd tegen de in de factuur opgenomen “prijsafspraak (…) € 3.500,00” welk bedrag is gematigd naar € 3.250,00. Het in deze procedure ingenomen standpunt dat er geen prijsafspraken zijn gemaakt, is van zodanige aard dat dit reeds direct bij ontvangst van de factuur, zonder nader onderzoek, had kunnen worden geconstateerd. [gedaagde] had aldus eerder bij BUL dienen te ageren tegen mogelijke onvolkomenheden in de factuur. Daarbij komt verder dat [gedaagde] op 13 mei 2019 een bedrag van € 1.298,00 en op 13 juni 2019 een bedrag van € 1.152,00 heeft voldaan, hetgeen allerminst voor de hand ligt als [gedaagde] het niet eens is met de in de factuur vermelde prijs. Het vorenstaande in onderlinge samenhang bezien brengt met zich dat voldoende is komen vast te staan dat BUL conform de prijsafspraak heeft gefactureerd.

3.4.2.

Voorts wordt nog opgemerkt - voor het geval er geen prijs zou zijn overeengekomen - dat gelet op de gemiddelde crematiekosten een bedrag van € 3.500,00 niet onredelijk is.

3.5.

Resteert de beoordeling van de verschuldigdheid van het restant openstaand factuurbedrag van € 800,00. Gelet op de betwisting van BUL en bij gebreke van een nadere onderbouwing door [gedaagde] (over de wijze van totstandkoming, wanneer en met wie die regeling is gesloten heeft [gedaagde] niks gesteld) is niet komen vast te staan dat partijen een samenwerkingsverband zijn aangegaan en [gedaagde] € 800,00 aanbrengprovisie ontving voor iedere klant die hij bij BUL zou aandragen.

3.6.

Bij conclusie van dupliek heeft [gedaagde] op door hem aangegeven gronden aanspraak gemaakt op een bedrag ad € 800,00 aan emotionele schade. Voor zover dit als een vordering in reconventie moet worden opgevat, moet deze buiten behandeling blijven, nu [gedaagde] deze vordering te laat - want, zoals gezegd, pas bij dupliek - heeft ingesteld. [gedaagde] had deze vordering volgens artikel 137 Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering dadelijk bij antwoord moeten instellen.

3.7.

Voorts beroept [gedaagde] zich bij conclusie van dupliek op opschorting dan wel verrekening met de vordering die hij op BUL stelt te hebben aan emotionele schade. Nog daargelaten dat dit als tardief dient te worden aangemerkt en in strijd met (de eis van concentratie van verweer en derhalve in strijd met) de eisen van een goede procesorde, nu BUL, gezien de stand van zaken in de procedure, daarop niet meer heeft kunnen reageren, slaagt dit verweer ook anderszins niet. Een beroep op een opschortingsrecht leidt niet tot verval van de verplichting tot betaling van de contractuele wederprestatie, doch enkel tot uitstel in afwachting van het resultaat van een door de opschortende partij in te stellen actie: een actie tot nakoming of ontbinding, al dan niet met schadevergoeding, dan wel tot omzetting en/of vervangende schadevergoeding. Nog daargelaten dat BUL betwist dat zij is tekortgeschoten in de nakoming van enige op haar uit de overeenkomst voortvloeiende verbintenis, is niet gebleken dat [gedaagde] BUL - eerder dan de datum van de conclusie van antwoord - op de hoogte heeft gesteld dat hij niet tevreden was over de wijze waarop BUL het lichaam van zijn overleden zoon heeft verzorgd en in de (te kleine) kist heeft gelegd (gepropt). Voorts zijn er geen bijzondere omstandigheden gesteld of gebleken waaruit volgt dat van [gedaagde] niet kon worden verwacht dat hij eerder een klacht bij BUL indiende. Derhalve heeft [gedaagde] langer gewacht met klagen dan hij had mogen doen. [gedaagde] komt dan ook geen beroep toe op opschorting van zijn betalingsverplichting jegens BUL. Een beroep op verrekening slaagt evenmin.

3.8.

Nu vaststaat dat partijen de overeenkomst hebben gesloten en niet gebleken is dat BUL harerzijds haar verplichtingen niet is nagekomen, is ook [gedaagde] gehouden aan zijn verplichtingen uit deze overeenkomst te voldoen, met name de betalingsverplichting. De gevorderde hoofdsom van € 800,00 zal dan ook worden toegewezen.

3.9.

BUL heeft diverse aanmaningen overgelegd, waarvan alleen de aanmaning van 9 juli 2019 en 13 augustus 2019 voldoet aan de eisen van artikel 6:96 BW. Een dergelijke aanmaning is aan te merken als een verklaring als bedoeld in artikel 3:37 lid 3 BW. Daarom heeft deze aanmaning pas werking indien deze de schuldenaar heeft bereikt. Nu [gedaagde] de ontvangst van deze veertiendagenbrief betwist dient BUL feiten en omstandigheden te stellen en zo nodig te bewijzen waaruit volgt dat die brieven door haar zijn verzonden naar een adres waarvan zij redelijkerwijs mocht aannemen dat [gedaagde] daar door BUL kon worden bereikt, en dat en op welke dag de brief daar is aangekomen (HR 25 november 2016 ECLI:NL:HR:2016:2704). BUL heeft in haar conclusie van repliek geen concrete feiten en/of omstandigheden gesteld ten aanzien van de ontvangst van de veertiendagenbrief. Aldus is niet komen vast te staan dat [gedaagde] de veertiendagenbrief heeft ontvangen. De vordering tot vergoeding van de buitengerechtelijke incassokosten dient dan ook afgewezen te worden.

3.10.

De gevorderde wettelijke rente ligt voor toewijzing gereed.

3.11.

[gedaagde] zal, als de grotendeels in het ongelijk gestelde partij, worden veroordeeld in de kosten van deze procedure. De kosten aan de zijde van BUL worden tot de uitspraak van dit vonnis begroot op:
- dagvaarding € 103,06

- griffierecht € 486,00
- gemachtigde salaris € 240,00 (2 punten x € 120,00)

Totaal € 829,06

3.12.

De gevorderde nakosten en de wettelijke rente over de proceskosten en nakosten zullen op de hierna onder 4.2. en 4.3. weergegeven wijze worden toegewezen.

4 De beslissing

De kantonrechter

4.1.

veroordeelt [gedaagde] om aan BUL tegen bewijs van kwijting te betalen € 800,00, vermeerderd met de wettelijke rente daarover vanaf 1 mei 2019 tot de dag van algehele voldoening,

4.2.

veroordeelt [gedaagde] in de aan de zijde van BUL gerezen proceskosten, welke worden begroot op € 829,06, bij gebreke van betaling binnen veertien dagen na de betekening van dit vonnis te vermeerderen met de wettelijke rente met ingang van de vijftiende dag na die betekening tot de dag van volledige betaling,

4.3.

veroordeelt [gedaagde] , onder de voorwaarde dat hij niet binnen twee weken na aanschrijving door [gedaagde] volledig aan de veroordelingen hiervoor voldoet, in de na dit vonnis ontstane kosten, begroot op:

- € 60,00 aan salaris gemachtigde, bij gebreke van betaling binnen veertien dagen na die aanschrijving te vermeerderen met de wettelijke rente met ingang van de vijftiende dag daarna tot de dag van volledige betaling,

- te vermeerderen, indien vervolgens betekening van dit vonnis heeft plaatsgevonden, met de kosten van dat exploot, bij gebreke van betaling binnen veertien dagen na die betekening te vermeerderen met de wettelijke rente met ingang van de vijftiende dag daarna tot de dag van voldoening,

4.4.

verklaart dit vonnis uitvoerbaar bij voorraad.

4.5.

wijst af het meer of anders gevorderde.

Dit vonnis is gewezen door mr. R.H.J. Otto en is in het openbaar uitgesproken.

CJ