Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBLIM:2020:8823

Instantie
Rechtbank Limburg
Datum uitspraak
13-11-2020
Datum publicatie
07-12-2020
Zaaknummer
AWB - 19 _ 2271
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

Vervolg op uitspraak van deze rechtbank van 10 april 2018 op het beroep dat is geregistreerd onder zaaknummer 16/4049.

Verweerder heeft aan eiser op grond van de Wet maatschappelijke ondersteuning 2015 (Wmo 2015) een maatwerkvoorziening in de vorm van een persoonsgebonden budget (pgb) voor individuele begeleiding en groepsbegeleiding (dagbesteding) toegekend voor de periode van 8 maart 2015 tot en met 7 maart 2017.

De rechtbank verklaart het beroep tegen het nieuwe besluit op bezwaar niet-ontvankelijk, omdat eiser naar het oordeel van de rechtbank geen procesbelang meer heeft. Het bestreden besluit heeft betrekking op een verstreken periode. Verder is niet aannemelijk dat een inhoudelijk oordeel over het nieuwe besluit op bezwaar van belang kan zijn voor een toekomstige periode. Hierbij is van belang dat verweerder besluiten heeft genomen over een latere periode dan de hier in geding zijnde periode. Zie in dit verband ook het beroep dat is geregistreerd onder zaaknummer 19/2272.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK limburg

Zittingsplaats Roermond

Bestuursrecht

zaaknummer: AWB/ROE 19/2271

uitspraak van de meervoudige kamer van 13 november 2020 in de zaak tussen

[naam eiser] , te [woonplaats] ,

eiser,

(gemachtigde: mr. M.M.J.P. Penners),

en

het college van burgemeester en wethouders van de gemeente Sittard-Geleen, verweerder,

(gemachtigde: mr. F. Jans-Rakers).

Procesverloop

Bij besluit van 3 februari 2016 (het primaire besluit) heeft verweerder aan eiser op grond van de Wet maatschappelijke ondersteuning 2015 (Wmo 2015) een maatwerkvoorziening in de vorm van een persoonsgebonden budget (pgb) voor individuele begeleiding, arrangement 8, toegekend voor de periode van 8 maart 2015 tot en met 7 maart 2017. Het toegekende pgb bedraagt € 1.029,17 per maand. Daarnaast heeft verweerder het toegekende pgb met toepassing van de hardheidsclausule voor het jaar 2015 eenmalig opgehoogd met € 3.342,-.

Bij besluit op bezwaar van 7 november 2016 heeft verweerder het tegen het primaire besluit gerichte bezwaar van eiser ongegrond verklaard.

Eiser heeft hiertegen beroep ingesteld.

Bij uitspraak van 10 april 2018 (geregistreerd onder zaaknummer 16/4049) heeft de rechtbank het beroep gegrond verklaard, het besluit op bezwaar van 7 november 2016 vernietigd en verweerder opgedragen een nieuw besluit op bezwaar te nemen.

Bij brief van 30 augustus 2019, door de rechtbank ontvangen op 4 september 2019, heeft eiser bij de rechtbank beroep ingesteld tegen het niet tijdig nemen van een nieuw besluit op zijn bezwaar.

Verweerder heeft ter uitvoering van de uitspraak van de rechtbank van 10 april 2018 op 1 oktober 2019 (het bestreden besluit) een nieuw besluit op bezwaar genomen. In dit besluit heeft verweerder het tegen het primaire besluit gerichte bezwaar van eiser deels gegrond en deels ongegrond verklaard, het primaire besluit herroepen voor wat betreft de hoogte van het toegekende pgb en eiser onder voorwaarden een maatwerkvoorziening in de vorm van een pgb toegekend voor begeleiding individueel en groepsbegeleiding. Het toegekende pgb voor individuele begeleiding bedraagt € 25.740,- per jaar oftewel € 2.145,- per maand voor 11 uur per week tegen een tarief van € 45,- per uur. Het toegekende pgb voor groepsbegeleiding (dagbesteding) bedraagt € 7.800,- per jaar oftewel € 650,- per maand voor 4 dagdelen per week tegen een tarief van € 37,50.

Bij brief van 12 november 2019 heeft eiser de rechtbank bericht het niet eens te zijn met het bestreden besluit.

Verweerder heeft een verweerschrift ingediend.

Het beroep tegen het bestreden besluit is op 24 september 2020 gevoegd op een zitting behandeld met het beroep dat is geregistreerd onder zaaknummer ROE 19/2272.

Eiser heeft zich laten vertegenwoordigen door zijn gemachtigde. Verweerder heeft zich laten vertegenwoordigen door zijn gemachtigde, vergezeld van [naam 1] .

Na de zitting is het beroep dat is geregistreerd onder zaaknummer ROE 19/2272 weer afgesplitst.

Overwegingen

Beroep tegen het niet tijdig nemen van een nieuw besluit op bezwaar

1. De rechtbank gaat uit van de volgende feiten en omstandigheden.

Bij uitspraak van 10 april 2018 heeft de rechtbank het beroep tegen het besluit op bezwaar van 7 november 2016 gegrond verklaard, dit besluit vernietigd en verweerder opgedragen een nieuw besluit op bezwaar te nemen. De rechtbank heeft hiervoor geen termijn gesteld.

Bij brief van 16 juli 2018 heeft eiser verweerder in gebreke gesteld vanwege het niet op tijd nemen van een nieuw besluit op bezwaar.

Bij besluit van 18 juni 2019 heeft verweerder eiser de maximale dwangsom van € 1.260,- plus een bedrag van € 12,70 aan wettelijke rente wegens het niet tijdig nemen van een nieuw besluit op bezwaar toegekend.

Bij brief van 30 augustus 2019, door de rechtbank ontvangen op 4 september 2019, heeft eiser bij de rechtbank beroep ingesteld tegen het niet tijdig nemen van een nieuw besluit op zijn bezwaar.

Op 1 oktober 2019 heeft verweerder ter uitvoering van de uitspraak van de rechtbank van 10 april 2018 een nieuw besluit op bezwaar genomen.

Bij brief van 10 oktober 2019 heeft de rechtbank eiser gevraagd of hij het al dan niet eens is met het nieuwe besluit op bezwaar van verweerder.

Bij formulier van 24 oktober 2019 heeft eiser het beroep tegen het nieuwe besluit op bezwaar ingetrokken en de rechtbank verzocht om verweerder te veroordelen tot vergoeding van de kosten die hij in verband met de behandeling van het beroep redelijkerwijs heeft moeten maken.

2. Niet in geschil is – gelet op het door verweerder genomen dwangsombesluit – dat verweerder na de uitspraak van de rechtbank niet tijdig opnieuw op het bezwaar heeft beslist. De rechtbank ziet hierin aanleiding om verweerder te veroordelen in de door eiser gemaakte kosten voor het beroep tegen het niet tijdig nemen van een nieuw besluit op bezwaar. Nu het beroep was gericht tegen het niet tijdig beslissen op het bezwaar zal de rechtbank de wegingsfactor 0,5 (licht) als bedoeld in het Besluit proceskosten bestuursrecht (Bpb) hanteren. De rechtbank stelt de kosten op grond van het Bpb voor de door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand vast op € 262,50 (1 punt voor het indienen van het beroepschrift niet tijdig, met een waarde per punt van € 525,- en wegingsfactor 0,5).

3. De rechtbank wijst er op dat verweerder, gelet op artikel 8:41, zevende lid, van de Algemene wet bestuursrecht het door eiser betaalde griffierecht van € 47,- aan hem dient te vergoeden.

Beroep tegen het bestreden besluit

4. Bij het bestreden besluit heeft verweerder het tegen het primaire besluit gerichte bezwaar van eiser deels gegrond en deels ongegrond verklaard, het primaire besluit herroepen voor wat betreft de hoogte van het toegekende pgb en eiser een maatwerkvoorziening in de vorm van een pgb toegekend voor begeleiding individueel en groepsbegeleiding. Het toegekende pgb voor individuele begeleiding bedraagt € 25.740,- per jaar oftewel € 2.145,- per maand voor 11 uur per week tegen een tarief van € 45,- per uur. Het toegekende pgb voor groepsbegeleiding (dagbesteding) bedraagt € 7.800,- per jaar oftewel € 650,- per maand voor 4 dagdelen per week tegen een tarief van € 37,50.

5. Het bestreden besluit heeft betrekking op de periode van 8 maart 2015 tot en met 7 maart 2017. Omdat deze periode inmiddels voorbij is, heeft de rechtbank ter zitting de vraag aan de orde gesteld of eiser in deze zaak nog wel procesbelang heeft.

De gemachtigde van eiser heeft hierover desgevraagd verklaard dat alle openstaande nota’s over de periode van 8 maart 2015 tot en met 7 maart 2017 inmiddels zijn betaald. Er is geen financieel belang meer. De beroepsgrond over het niet toekennen van een proceskostenvergoeding in het bestreden besluit heeft de gemachtigde van eiser ter zitting ingetrokken.

6. Uit vaste rechtspraak van de Centrale Raad van Beroep (CRvB), bijvoorbeeld de uitspraken van 29 januari 2008, ECLI:NL:CRVB:2008:BC3264 en 22 juli 2020, ECLI:NL:CRVB:2020:1688, blijkt dat eerst sprake is van (voldoende) procesbelang als het resultaat dat de indiener van een bezwaar- of beroepschrift met het maken van bezwaar of het indienen van (hoger) beroep nastreeft, daadwerkelijk kan worden bereikt en het realiseren van dat resultaat voor deze indiener feitelijk betekenis kan hebben. Het hebben van een louter formeel of principieel belang is onvoldoende voor het aannemen van (voldoende) procesbelang. Als sprake is van een reeds verstreken periode, blijft procesbelang aanwezig als een inhoudelijk oordeel over het bestreden besluit van belang kan zijn voor een toekomstige periode.

7. De rechtbank is van oordeel dat eiser geen belang heeft bij een inhoudelijke beoordeling van het beroep tegen het bestreden besluit. Zoals gezegd betreft het geschil een beoordeling van een al verstreken periode. Verder is niet aannemelijk dat een inhoudelijk oordeel over het bestreden besluit van belang kan zijn voor een toekomstige periode. Hierbij is van belang dat verweerder besluiten heeft genomen over een latere periode dan de hier in geding zijnde periode. Het beroep dat is geregistreerd onder zaaknummer ROE 19/2272 gaat over de periode van 8 maart 2017 tot en met 7 maart 2020. Onder deze omstandigheden valt niet in te zien dat eiser nog procesbelang heeft in de hiervoor bedoelde zin.

8. Dit betekent dat het beroep tegen het bestreden besluit niet-ontvankelijk moet worden verklaard.

Beslissing

De rechtbank:

- verklaart het beroep tegen het bestreden besluit niet-ontvankelijk;

- veroordeelt verweerder in de proceskosten van eiser voor het beroep niet tijdig tot een bedrag van € 262,50.

Deze uitspraak is gedaan door mr. M.A.H. Span-Henkens (voorzitter), en mr. F.A.G.M. Vluggen en mr. T. Dohmen, leden, in aanwezigheid van mr. M.H. Vonk-Menger, griffier.

De beslissing is in het openbaar uitgesproken op 13 november 2020 .

griffier voorzitter

Afschrift verzonden aan partijen op: 13 november 2020

Rechtsmiddel

Tegen deze uitspraak kan binnen zes weken na de dag van verzending daarvan hoger beroep worden ingesteld bij de Centrale Raad van Beroep. Als hoger beroep is ingesteld, kan bij de voorzieningenrechter van de hogerberoepsrechter worden verzocht om het treffen van een voorlopige voorziening of om het opheffen of wijzigen van een bij deze uitspraak getroffen voorlopige voorziening.