Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBLIM:2020:8821

Instantie
Rechtbank Limburg
Datum uitspraak
13-11-2020
Datum publicatie
07-12-2020
Zaaknummer
AWB - 19 _ 2272
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

Verweerder heeft aan eiser op grond van de Wet maatschappelijke ondersteuning 2015 (Wmo 2015) een maatwerkvoorziening in de vorm van een persoonsgebonden budget (pgb) voor individuele begeleiding en groepsbegeleiding (dagbesteding) toegekend voor de periode van 8 maart 2017 tot en met 7 maart 2020. Verweerder heeft hieraan twee voorwaarden verbonden.

De rechtbank is van oordeel dat eiser niet heeft onderbouwd waarom de door de adviseurs van Treve Advies geadviseerde 11 uur per week voor individuele begeleiding niet genoeg zou zijn. Deze beroepsgrond slaagt niet.

De rechtbank is verder van oordeel dat verweerder ten onrechte voorwaarden aan de toegekende maatwerkvoorziening voor individuele begeleiding en groepsbegeleiding heeft verbonden. Als verweerder van mening was dat niet aan een van de in artikel 2.3.6, tweede lid, van de Wmo 2015 genoemde voorwaarden voor het verstrekken van een pgb werd voldaan, had verweerder het pgb moeten weigeren.

Het beroep is gegrond en de rechtbank vernietigt het bestreden besluit. De rechtbank ziet aanleiding de rechtsgevolgen van het bestreden besluit in stand te laten, omdat de periode inmiddels voorbij is en er geen financieel belang meer is.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK limburg

Zittingsplaats Roermond

Bestuursrecht

zaaknummer: AWB/ROE 19/2272

uitspraak van de meervoudige kamer van 13 november 2020 in de zaak tussen

[naam eiser] , te [woonplaats] ,

eiser,

(gemachtigde: mr. M.M.J.P. Penners),

en

het college van burgemeester en wethouders van de gemeente Sittard-Geleen, verweerder,

(gemachtigde: mr. F. Jans-Rakers).

Procesverloop

Bij besluit van 5 april 2017 (het primaire besluit) heeft verweerder aan eiser op grond van de Wet maatschappelijke ondersteuning 2015 (Wmo 2015) een maatwerkvoorziening in de vorm van een persoonsgebonden budget (pgb) voor individuele begeleiding, arrangement 8, toegekend voor de periode van 8 maart 2017 tot en met 7 maart 2020. Het toegekende pgb bedraagt € 990,60 per maand.

Bij brief van 30 augustus 2019, door de rechtbank ontvangen op 4 september 2019, heeft eiser bij de rechtbank beroep ingesteld tegen het niet tijdig nemen van een besluit op zijn bezwaar tegen het primaire besluit.

Bij besluit van 31 oktober 2019 (het bestreden besluit) heeft verweerder het bezwaar van eiser deels gegrond en deels ongegrond verklaard, het primaire besluit herroepen voor wat betreft de hoogte van het toegekende pgb en eiser een maatwerkvoorziening in de vorm van een pgb toegekend voor individuele begeleiding en groepsbegeleiding. Het toegekende pgb voor individuele begeleiding bedraagt € 25.740,- per jaar oftewel € 2.145,- per maand voor 11 uur per week tegen een tarief van € 45,- per uur. Het toegekende pgb voor groepsbegeleiding (dagbesteding) bedraagt € 7.800,- per jaar oftewel € 650,- per maand voor vier dagdelen per week tegen een tarief van € 37,50. Verweerder heeft hieraan twee voorwaarden verbonden. De periode van 1 oktober 2019 tot en met december 2019 heeft verweerder als een overgangsperiode aangemerkt, waarin de huidige ondersteuning – zij het deels tegen een lager tarief - mag worden voortgezet.

Bij brief van 12 december 2019 heeft eiser de rechtbank bericht het niet eens te zijn met het bestreden besluit.

Verweerder heeft een verweerschrift ingediend.

Het beroep tegen het bestreden besluit is op 24 september 2020 gevoegd op een zitting behandeld met het beroep dat is geregistreerd onder zaaknummer ROE 19/2271.

Eiser heeft zich laten vertegenwoordigen door zijn gemachtigde. Verweerder heeft zich laten vertegenwoordigen door zijn gemachtigde, vergezeld van [naam 1] .

Na de zitting is het beroep dat is geregistreerd onder zaaknummer ROE 19/2271 weer afgesplitst.

Overwegingen

Beroep tegen het niet tijdig nemen van een besluit op bezwaar

1. De rechtbank gaat uit van de volgende feiten en omstandigheden.

Bij brief van 26 april 2017, door verweerder ontvangen op 3 mei 2017, heeft eiser bezwaar gemaakt tegen het primaire besluit.

Bij brief van 27 augustus 2018 heeft eiser verweerder in gebreke gesteld vanwege het niet op tijd nemen van een besluit op zijn bezwaar.

Bij besluit van 17 juni 2019 heeft verweerder eiser de maximale dwangsom van € 1.260,- plus een bedrag van € 12,70 aan wettelijke rente wegens het niet tijdig nemen van een besluit op bezwaar toegekend.

Bij brief van 30 augustus 2019, door de rechtbank ontvangen op 4 september 2019, heeft eiser bij de rechtbank beroep ingesteld tegen het niet tijdig nemen van een besluit op zijn bezwaar.

Op 31 oktober 2019 heeft verweerder een besluit op bezwaar genomen.

Bij brief van 7 november 2019 heeft de rechtbank eiser gevraagd of hij het al dan niet eens is met het besluit op bezwaar van verweerder.

Bij formulier van 19 november 2019 heeft eiser het beroep tegen het besluit op bezwaar ingetrokken en de rechtbank verzocht om verweerder te veroordelen tot vergoeding van de kosten die hij in verband met de behandeling van het beroep redelijkerwijs heeft moeten maken.

2. Niet in geschil is – gelet op het dwangsombesluit van verweerder – dat niet tijdig is beslist op het bezwaar tegen het primaire besluit. De rechtbank ziet hierin aanleiding om verweerder te veroordelen in de door eiser gemaakte kosten voor het beroep tegen het niet tijdig nemen van een besluit op bezwaar.

Nu het beroep was gericht tegen het niet tijdig beslissen op het bezwaar zal de rechtbank de wegingsfactor 0,5 (licht) als bedoeld in het Besluit proceskosten bestuursrecht (Bpb) hanteren. De rechtbank stelt de kosten op grond van het Bpb voor de door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand vast op € 262,50 (1 punt voor het indienen van het beroepschrift niet tijdig, met een waarde per punt van € 525,- en wegingsfactor 0,5).

3. De rechtbank wijst er op dat verweerder, gelet op artikel 8:41, zevende lid, van de Algemene wet bestuursrecht (Awb), het door eiser betaalde griffierecht van € 47,- aan hem dient te vergoeden.

Beroep tegen het bestreden besluit

4. De rechtbank gaat uit van de volgende feiten en omstandigheden.

Eiser woont zelfstandig en alleen. Hij is bekend met chronische luchtwegproblematiek, vasculaire problematiek in de benen en psychische klachten in de vorm van stemmingsstoornis, persoonlijkheidsstoornis en psychiatrische problematiek.

Eiser ontving tot 2015 begeleiding op grond van de Algemene Wet Bijzondere Ziektekosten (AWBZ). Sinds de inwerkingtreding van de Wmo 2015 op 1 januari 2015 heeft eiser tegenover verweerder aanspraak op deze zorg.

Het beroep dat is geregistreerd onder zaaknummer ROE 19/2271 heeft betrekking op de periode van 8 maart 2015 tot en met 7 maart 2017. Onderhavig beroep gaat over de periode van 8 maart 2017 tot en met 7 maart 2020.

5. Bij het bestreden besluit heeft verweerder het tegen het primaire besluit gerichte bezwaar van eiser deels gegrond en deels ongegrond verklaard, het primaire besluit herroepen voor wat betreft de hoogte van het toegekende pgb en eiser een maatwerkvoorziening in de vorm van een pgb toegekend voor begeleiding individueel en groepsbegeleiding. Het toegekende pgb voor individuele begeleiding bedraagt € 25.740,- per jaar oftewel € 2.145,- per maand voor 11 uur per week tegen een tarief van € 45,- per uur. Het toegekende pgb voor groepsbegeleiding (dagbesteding) bedraagt € 7.800,- per jaar oftewel € 650,- per maand voor vier dagdelen per week tegen een tarief van € 37,50.

Verweerder heeft hieraan twee voorwaarden verbonden, namelijk (a) dat een ondersteuningsplan is ingediend uitgaande van de in het advies van Treve gestelde kwaliteitseisen dat door verweerder is goedgekeurd en (b) dat daadwerkelijk ondersteuning wordt verleend c.q. gebruikgemaakt wordt van reguliere dagbesteding die voldoet aan de in het advies van Treve gestelde kwaliteitseisen.

Voor de periode van 1 oktober 2019 tot en met 31 december 2019 geldt een overgangsperiode waarin de huidige ondersteuning mag worden voortgezet. Het toegekende pgb voor individuele begeleiding bedraagt in de maand oktober 2019 € 2.145,- (op basis van 11 uur per week tegen een tarief van € 45,- per uur). Het toegekende pgb voor individuele begeleiding bedraagt in de maanden november en december 2019 € 1.921,50 (op basis van 11 uur per week tegen een tarief van € 20,- per uur). Daarnaast heeft verweerder bepaald dat er over de periode van 8 maart 2017 tot 30 oktober 2019 een nabetaling plaatsvindt ten bedrage van € 3.600,- ter voldoening van de over juli en augustus 2017 bij de Sociale Verzekeringsbank op 6 september 2017 ingediende facturen.

Procesbelang

6.1.

Het bestreden besluit heeft betrekking op de periode van 8 maart 2017 tot en met 7 maart 2020. Omdat deze periode inmiddels voorbij is, heeft de rechtbank ter zitting de vraag aan de orde gesteld of eiser in deze zaak nog wel procesbelang heeft.

6.2.

De gemachtigde van eiser heeft hierover ter zitting desgevraagd verklaard dat alle openstaande nota’s over de periode van 8 maart 2017 tot en met 7 maart 2020 inmiddels zijn betaald. Ook de overgangsperiode van 1 oktober 2019 tot en met 31 december 2019 is geregeld. Toen bekend werd dat [naam begeleider] als begeleider was gecontracteerd, is in overleg het budget verhoogd. Zij heeft eiser van november 2019 tot april 2020 begeleid. Volgens de gemachtigde van eiser is er in deze zaak geen financieel belang meer. Eiser wil in verband met toekomstige aanspraken echter graag een oordeel van de rechtbank over het aantal toegekende uren voor individuele begeleiding, over de nodeloos bezwarende voorwaarden die verweerder aan het pgb heeft verbonden en of hij het toegekende budget voor groepsbegeleiding ook aan zijn bezoeken aan de Boeddhistische tempel in Huy (België) zou mogen besteden.

6.3.

Uit vaste rechtspraak van de Centrale Raad van Beroep (CRvB), bijvoorbeeld de uitspraken van 29 januari 2008, ECLI:NL:CRVB:2008:BC3264 en 22 juli 2020, ECLI:NL:CRVB:2020:1688, blijkt dat eerst sprake is van (voldoende) procesbelang als het resultaat dat de indiener van een bezwaar- of beroepschrift met het maken van bezwaar of het indienen van (hoger) beroep nastreeft, daadwerkelijk kan worden bereikt en het realiseren van dat resultaat voor deze indiener feitelijk betekenis kan hebben. Het hebben van een louter formeel of principieel belang is onvoldoende voor het aannemen van (voldoende) procesbelang. Als sprake is van een reeds verstreken periode, blijft procesbelang echter aanwezig als een inhoudelijk oordeel over het bestreden besluit van belang kan zijn voor een toekomstige periode.

6.4.

De rechtbank is van oordeel dat eiser voldoende procesbelang heeft bij een inhoudelijke beoordeling. De rechtbank acht het aannemelijk dat een inhoudelijk oordeel over het bestreden besluit van belang kan zijn voor een toekomstige periode. Zo heeft verweerder op 4 september 2020 een nieuw besluit genomen. Dit besluit gaat over de verlenging van eisers maatwerkvoorziening voor individuele begeleiding en groepsbegeleiding voor de periode van 8 maart 2020 tot en met 31 oktober 2020.

In het nieuwe besluit van 4 september 2020 wordt onder meer verwezen naar het rapport van Treve van 12 augustus 2019 waarin volgens verweerder staat welke ondersteuning voor eiser noodzakelijk is. Dit betreft in totaal 11 uur individuele begeleiding per week (waarvan twee uur onplanbare zorg) en vier dagdelen dagbesteding per week. Hierbij is het volgens verweerder van belang dat ondersteuning wordt geboden door ten minste twee begeleiders met aantoonbare GGZ-ervaring zoals omschreven in het rapport van Treve. Het bestreden besluit in onderhavige zaak is mede gebaseerd op hetzelfde rapport van Treve van

12 augustus 2019. Gelet hierop heeft eiser naar het oordeel van de rechtbank in deze zaak voldoende procesbelang.

Aantal uren begeleiding

7.1.

Eiser is van mening dat ook het nieuwe budget onvoldoende is om alle noodzakelijke zorg in te kunnen kopen. De omvang van de bijstand die eiser nodig heeft, is aanzienlijk omvangrijker dan de door verweerder gestelde twee uren per week voor dagelijkse praktische zaken. Tevens heeft eiser begeleiding nodig bij allerlei dagelijkse zaken zoals het schoonhouden van de woning en het doen van boodschappen. Hierdoor heeft hij een hoger pgb nodig.

7.2.

Verweerder heeft het bestreden besluit gebaseerd op het advies van Treve Advies. Dit advies bestaat uit een rapport van arts indicatie & advies [naam arts] ( [naam arts] ) van

24 mei 2019, antwoorden van [naam arts] op door verweerder gestelde vragen naar aanleiding van zijn advies en een rapport van indicatieadviseur [naam indicatieadviseur] van 12 augustus 2019.

Eiser heeft volgens de adviseurs begeleiding nodig voor: opvang en mogelijkheid voor ventilatie, structuur van activiteiten, activering en afleiding, ondersteuning bij formele zaken, toeleiding naar een structurele dagbesteding en toeleiding naar een professioneel ondersteuner / behandelaar. Bij aanvang is volgens de adviseurs dagelijkse begeleiding noodzakelijk. Er is een verhoogde kans op escalatie, verwaarlozing, verslaving en agressie. De begeleiding verliep tot nu toe niet gestructureerd en kwam op wisselende tijden. Structuur is echter noodzakelijk bij eiser. Het per week plannen van afspraken en het bijhouden van een agenda is zinvol. Volgens de adviseurs zal ook onplanbare zorg nodig zijn. Er zijn vaak situaties waarbij de stress oploopt en eiser agressief gaat reageren. Tijdig ingrijpen kan escalatie voorkomen.

Geadviseerd wordt:

- dagelijkse begeleiding 1 uur: 7 uur per week

- ongeplande zorg: 2 uur per week

- formele zaken regelen, woningvereniging, instanties bezoeken, behandelaars bezoeken:

2 uur per week

- dagbesteding: 2 dagen / 4 dagdelen per week.

Volgens de adviseurs moet een begeleider beschikken over aantoonbare GGZ-ervaring. Het dient een persoon te zijn die om kan gaan met verbaal agressief gedrag en overwicht moet kunnen bieden. Een begeleider uit het eigen netwerk is volgens de adviseurs niet aan te bevelen, omdat er een professional met aantoonbare GGZ-ervaring nodig is. Eiser wil per sé ondersteuning in de vorm van een pgb, omdat hij een persoon wil die bij hem past. Daar het een krachtig persoon dient te zijn, lijkt het moeilijk om iemand te vinden. Eiser zal hierbij geholpen moeten worden door een cliëntondersteuner, ervaringsdeskundige of zorgaanbieder. De begeleiding dient uitgevoerd te worden door meer dan één persoon. Voor resultaat is het noodzakelijk dat er continuïteit is, ook in het weekend, vakanties en bij uitval van een begeleider.

7.3.

Er is volgens de rechtbank geen aanleiding voor het oordeel dat dit advies van Treve niet zorgvuldig tot stand is gekomen of dat dit advies niet concludent of anderszins onjuist is. De arts heeft eiser thuis bezocht, hij heeft twee maal telefonisch overleg gehad met de huisarts van eiser en heeft vervolgens alle aanwezige medische informatie van eiser in zijn beoordeling betrokken. Ook de indicatieadviseur heeft eiser thuis bezocht en heeft verschillende keren met verschillende personen overleg gevoerd.

De rechtbank is van oordeel dat eiser niet heeft onderbouwd waarom de door de adviseurs van Treve Advies geadviseerde 11 uur per week voor individuele begeleiding niet genoeg zou zijn. Als hij heeft bedoeld te zeggen dat de door hem genoemde zaken zoals het schoonhouden van zijn woning en het doen van boodschappen niet van die 11 uur per week kunnen worden gedaan, dan merkt de rechtbank hierover op dat de toegekende maatwerkvoorziening voor individuele begeleiding voor 11 uur per week hiervoor niet bedoeld is. De beroepsgrond slaagt daarom niet.

Voorwaarden

8.1.

Eiser is van mening dat verweerder aan de toekenning van het pgb nodeloos bezwarende voorwaarden heeft verbonden, in die zin dat deze voorwaarden hem belemmeren om de voor hem noodzakelijke zorg te kunnen inkopen. Als verweerder “sterke personen met aantoonbare GGZ-ervaring” bedoelt, vindt eiser dit een veel te ruim criterium.

Eiser is verder van mening dat hij het toegekende budget van € 7.800,- per jaar voor groepsbegeleiding ook zou mogen besteden aan bezoeken aan de boeddhistische tempel in Huy (België).

8.2.

De rechtbank ziet zich naar aanleiding van deze beroepsgrond geroepen gebruik te maken van haar bevoegdheid om op grond van artikel 8:69, tweede lid, van de Awb de rechtsgrond aan te vullen naar de vraag of het überhaupt mogelijk is om voorwaarden als hier aan de orde te verbinden aan een pgb.

8.3.

Verweerder heeft aan de toegekende maatwerkvoorziening voor individuele begeleiding en groepsbegeleiding de volgende voorwaarden verbonden:

( a) dat een ondersteuningsplan is ingediend uitgaande van de in het advies van Treve gestelde kwaliteitseisen, dat door verweerder is goedgekeurd, en

( b) dat daadwerkelijk ondersteuning wordt verleend c.q. gebruikgemaakt wordt van reguliere dagbesteding die voldoet aan de in het advies van Treve gestelde kwaliteitseisen.

8.4.

In artikel 2.3.6, eerste lid, van de Wmo 2015 is bepaald dat indien de cliënt dit wenst, het college hem een pgb verstrekt dat de cliënt in staat stelt de diensten, hulpmiddelen, woningaanpassingen en andere maatregelen die tot de maatwerkvoorziening behoren, van derden te betrekken.

Op grond van het tweede lid van dit artikel wordt een pgb verstrekt, indien:

a. de cliënt naar het oordeel van het college op eigen kracht voldoende in staat is te achten tot een redelijke waardering van zijn belangen ter zake dan wel met hulp uit zijn sociale netwerk of van zijn vertegenwoordiger, in staat is te achten de aan een persoonsgebonden budget verbonden taken op verantwoorde wijze uit te voeren;

b. de cliënt zich gemotiveerd op het standpunt stelt dat hij de maatwerkvoorziening als persoonsgebonden budget wenst geleverd te krijgen;

c. naar het oordeel van het college is gewaarborgd dat de diensten, hulpmiddelen, woningaanpassingen en andere maatregelen die tot de maatwerkvoorziening behoren, veilig, doeltreffend en cliëntgericht worden verstrekt.

In het vierde lid van artikel 2.3.6 van de Wmo 2015 is bepaald dat bij verordening kan worden bepaald onder welke voorwaarden betreffende het tarief, de persoon aan wie een persoonsgebonden budget wordt verstrekt, de mogelijkheid heeft om diensten, hulpmiddelen, woningaanpassingen en andere maatregelen te betrekken van een persoon die behoort tot het sociale netwerk.

Op grond van het vijfde lid van dit artikel kan het college een persoonsgebonden budget weigeren:

a. voor zover de kosten van het betrekken van de diensten, hulpmiddelen, woningaanpassingen en andere maatregelen van derden hoger zijn dan de kosten van de maatwerkvoorziening of;

b. indien het college eerder toepassing heeft gegeven aan artikel 2.3.10, eerste lid, onder a, d en e.

8.5.

De rechtbank is van oordeel dat noch in de tekst noch in de geschiedenis van totstandkoming van artikel 2.3.6 van de Wmo aanknopingspunten kunnen worden gevonden voor het standpunt dat verweerder bevoegd is voorwaarden te verbinden aan een pgb, die verband houden met hetgeen bepaald is in het tweede lid onder a tot en met c van deze bepaling. Uit artikel 2.3.6, tweede lid, van de Wmo 2015 volgt dat een pgb moet worden verstrekt indien aan de in dat artikellid genoemde voorwaarden is voldaan. Het is aan verweerder om op grond van een daartoe strekkende aanvraag te beoordelen of aan de voorwaarden wordt voldaan en om daarna een besluit ter zake te nemen. De beoordeling of voldaan wordt aan de voorwaarden dient voorafgaand aan de toekenning van het pgb plaats te vinden en indien aan de voorwaarden wordt voldaan dient het pgb te worden verstrekt, en zo niet dan dient het pgb te worden geweigerd. De rechtbank is van oordeel dat de Wmo 2015 geen ruimte biedt voor een verstrekking van het pgb onder voorwaarden die erop neer komen dat volgens verweerder met hetgeen de aanvrager met het pgb wenst in te kopen niet wordt voldaan aan artikel 2.3.6, tweede lid, van de Wmo 2015. De rechtbank wijst in dit verband op de memorie van toelichting (Kamerstukken II, 33841, nr. 3, paragraaf 3.7 Persoonsgebonden budget, pagina’s 37-39 en op pagina 152). Hierin is vermeld waaraan een cliënt moet voldoen wil hij in aanmerking komen voor een maatwerkvoorziening in de vorm van een pgb. Uit deze passages volgt niet dat de wetgever het oog heeft gehad op het verbinden van voorwaarden aan het pgb ten einde te bewerkstelligen dat aan het bepaalde in artikel 2.3.6, tweede lid, van de Wmo 2015 wordt voldaan. Op pagina 152 van de memorie van toelichting staat:

“Het wetsvoorstel kent de mogelijkheid om een persoonsgebonden budget toegekend te krijgen, maar verbindt daaraan strenge voorwaarden. In het onderzoek, bedoeld in artikel 2.3.2, komt aan de orde in hoeverre de aanvrager in aanmerking kan komen voor een persoonsgebonden budget. Artikel 2.3.6, tweede lid, stelt het krijgen van een persoonsgebonden budget afhankelijk van drie voorwaarden; voorafgaand aan toekenning van het persoonsgebonden budget wordt getoetst of aan die voorwaarden is voldaan.”

8.6.

Gelet hierop is de rechtbank van oordeel dat verweerder ten onrechte voornoemde voorwaarden aan de toegekende maatwerkvoorziening voor individuele begeleiding en groepsbegeleiding heeft verbonden. Als verweerder van mening was dat niet aan een van de in artikel 2.3.6, tweede lid, van de Wmo 2015 genoemde voorwaarden voor het verstrekken van een pgb werd voldaan, had verweerder het pgb moeten weigeren.

9. Het beroep is gegrond en de rechtbank vernietigt het bestreden besluit. De rechtbank ziet aanleiding de rechtsgevolgen van het bestreden besluit in stand te laten, omdat de periode inmiddels voorbij is en er geen financieel belang meer is.

10. De rechtbank veroordeelt verweerder in de door eiser gemaakte proceskosten.

Deze kosten stelt de rechtbank op grond van het Bpb voor de door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand vast op € 1.050,- (1 punt voor het indienen van het beroepschrift tegen het bestreden besluit en 1 punt voor het verschijnen ter zitting, met een waarde per punt van € 525,- en een wegingsfactor 1).

Beslissing

De rechtbank:

- verklaart het beroep gegrond;

- vernietigt het bestreden besluit;

- bepaalt dat de rechtsgevolgen van het bestreden besluit in stand blijven;

- veroordeelt verweerder in de proceskosten van eiser tot een bedrag van € 1.312,50 (€ 262,50 voor het beroep niet tijdig en € 1.050,- voor het beroep tegen het bestreden besluit).

Deze uitspraak is gedaan door mr. M.A.H. Span-Henkens (voorzitter), en mr. F.A.G.M. Vluggen en mr. T. Dohmen, leden, in aanwezigheid van mr. M.H. Vonk-Menger, griffier.

De beslissing is in het openbaar uitgesproken op 13 november 2020 .

griffier voorzitter

Afschrift verzonden aan partijen op: 13 november 2020

Rechtsmiddel

Tegen deze uitspraak kan binnen zes weken na de dag van verzending daarvan hoger beroep worden ingesteld bij de Centrale Raad van Beroep. Als hoger beroep is ingesteld, kan bij de voorzieningenrechter van de hogerberoepsrechter worden verzocht om het treffen van een voorlopige voorziening of om het opheffen of wijzigen van een bij deze uitspraak getroffen voorlopige voorziening.