Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBLIM:2020:8758

Instantie
Rechtbank Limburg
Datum uitspraak
11-11-2020
Datum publicatie
11-11-2020
Zaaknummer
03.101091.20, 03.001313.20 en 03.700084.19 (ttzgev)
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

-

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK LIMBURG

Zittingsplaats Maastricht

Strafrecht

Parketnummer: 03.101091.20, 03.001313.20 en 03.700084.19 (ttzgev)

tegenspraak

Vonnis van de meervoudige kamer d.d. 11 november 2020

in de strafzaak tegen

[verdachte] ,

geboren te [geboorteplaats] op [geboortedatum] 1992,

wonende te [adresgegevens verdachte] ,

gedetineerd in P.I. Vught, PPC te Vught.

De verdachte wordt bijgestaan door mr. M.H.A. Horsch, advocaat kantoorhoudende te Maastricht.

1 Onderzoek van de zaak

De zaak is inhoudelijk behandeld op de zitting van 28 oktober 2020. De verdachte en zijn raadsman zijn verschenen. De officier van justitie en de verdediging hebben hun standpunten kenbaar gemaakt.

2 De tenlastelegging

De tenlastelegging is als bijlage aan dit vonnis gehecht.

De verdenking komt er, kort en feitelijk weergegeven, op neer dat de verdachte in de zaak met parketnummer 03.101091.20:

feit 1: [slachtoffer 1] heeft bedreigd;

feit 2: [slachtoffer 2] heeft bedreigd;

feit 3: [slachtoffer 3] heeft belaagd;

feit 4: [slachtoffer 3] heeft bedreigd;

feit 5: primair, laster heeft gepleegd ten aanzien van [slachtoffer 3] , subsidiair, [slachtoffer 3] heeft beledigd.

In de zaak met parketnummer 03.001313.20 wordt de verdachte verweten dat hij [slachtoffer 4] en [slachtoffer 5] heeft bedreigd.

In de zaak met parketnummer 03.700084.19 wordt de verdachte, na wijziging van de tenlastelegging, ten laste gelegd dat hij:

feit 1: [slachtoffer 5] heeft bedreigd en

feit 2: [slachtoffer 4] en/of [slachtoffer 5] heeft bedreigd.

3 De beoordeling van het bewijs

3.1

Het standpunt van de officier van justitie

De officier van justitie acht alle ten laste gelegde feiten bewezen gelet op de aangiftes, de screenshots van de berichten, de getuigenverklaringen en de bekennende verklaring van de verdachte bij de politie en ter terechtzitting.

Ten aanzien van de ten laste gelegde bedreiging in de zaak met parketnummer 03.001313.20 stelt de officier van justitie dat de noodkreet, zoals de verdachte zijn uitlatingen ziet, wel degelijk gekwalificeerd moet worden als een bedreiging. Er dient immers gekeken te worden naar de context waarin de uitlatingen zijn gedaan en het effect daarvan. Het slachtoffer heeft zich hierdoor bedreigd gevoeld en de verdachte is daadwerkelijk met een mes naar zijn moeder gegaan met de bedoeling om haar iets aan te doen.

Feit 2 in de zaak met parketnummer 03.1001091.20 kan bewezen worden op basis van de aangifte en de verklaring van de verdachte bij de politie. Daar verklaart hij dat het zou kunnen dat hij die bedreiging jegens [slachtoffer 2] heeft geuit. Ter terechtzitting nuanceert de verdachte dit en verklaart hij dat hij heeft gezegd: “val kapot”. De woorden ‘val kapot’ kunnen wat de officier van justitie betreft, gezien de context, ook gekwalificeerd worden als een doodsbedreiging.

3.2

Het standpunt van de verdediging

De raadsman heeft zich gerefereerd ten aanzien van de bedreiging van zijn ex en zijn moeder op 21 november 2019, feit 2 in de zaak met parketnummer 03.700084.19, de bedreiging van [slachtoffer 2] en van [slachtoffer 1] en de belaging van [slachtoffer 3] , feiten 1, 2 en 3 in de zaak met parketnummer 03.101091.20.

Ten aanzien van de bedreiging van zijn moeder op 28 november 2019, feit 1 in de zaak met parketnummer 03.700084.19, heeft de raadsman vrijspraak bepleit, vanwege het ontbreken van opzet, omdat de verdachte niet hoefde te vermoeden dat zijn moeder op de hoogte zou worden gesteld van zijn uitlatingen, omdat hij deze had gedaan tegenover zijn behandelaar die gebonden was aan een geheimhoudingsplicht.

In de zaak met parketnummer 03.001313.20, de bedreiging van zijn moeder en zijn ex op 2 januari 2020, heeft de raadsman erop gewezen dat de verdachte met de alarmcentrale 112 heeft gebeld, omdat hij hulp nodig had en bang was dat het verkeerd zou gaan. Het was een noodkreet van de verdachte. Hoewel de bewoordingen op zichzelf een bedreiging zouden kunnen zijn, leveren zij in deze zaak gezien de context geen redelijke vrees bij de slachtoffers op dat zij het leven zouden laten. Daarom verzoekt de raadsman de verdachte hiervan vrij te spreken. Dit zelfde geldt voor de uitlating die verwoord is in feit 4 in de zaak met parketnummer 03.101091.20, de voorwaardelijke bedreigingen van [slachtoffer 3] met onder meer: ‘als ik een pistool had (.), zou ik jullie neerschieten (…)’.

Ten aanzien van het belasteren of belediging van [slachtoffer 3] in feit 5 heeft de raadsman vrijspraak verzocht voor de primair ten laste gelegde laster, en zich gerefereerd ten aanzien van de subsidiair ten laste gelegde belediging.

3.3

Het oordeel van de rechtbank

Vrijspraak

De zaak met parketnummer 03.001313.20

In deze zaak wordt aan de verdachte verweten dat hij op 2 januari 2020 zijn ex-vriendin, [slachtoffer 4] , en zijn moeder, [slachtoffer 5] , heeft bedreigd.

Hij heeft op 2 januari 2020 vanuit zijn woning in [woonplaats 3] het alarmnummer 112 gebeld en de centralist medegedeeld dat hij op het punt stond door te draaien. Hij zei in dat gesprek dat als hij niet had gebeld, hij erheen was gereden en hij haar kapot had gestoken en ook zijn ex aan de beurt was gekomen. Als de centralist voorstelt de politie te sturen om met hem te prakten en te zorgen dat ze hem “richting hulpverlening kunnen krijgen”, stemt de verdachte daar mee in. Hij wil rustig worden. Ter terechtzitting heeft de verdachte verklaard dat hij hulp wilde inroepen, omdat hij voelde dat het niet goed ging met hem. Hij wilde graag opgenomen worden.

De rechtbank is, evenals de raadsman, van oordeel dat, gezien de context waarin de uitlatingen zijn gedaan (namelijk in een gesprek met het alarmnummer 112 waarin verdachte om hulp vroeg) en het voorwaardelijke karakter van de uitlatingen, niet is komen vast te staan dat de verdachte (voorwaardelijk) opzet heeft gehad op het ontstaan van redelijke vrees bij de slachtoffers dat zij het leven zouden kunnen verliezen of dat zij zwaar zouden kunnen worden mishandeld. Dit leidt ertoe dat dit feit niet is bewezen en dat de verdachte daarvan vrij zal worden gesproken.

Bewezenverklaring

De verdachte heeft bij de politie en ter terechtzitting alle ten laste gelegde feiten bekend.

Niettemin heeft de raadsman ten aanzien van een aantal feiten verweer gevoerd en vrijspraak verzocht. De rechtbank zal eerst de feiten behandelen waarin de raadsman geen verweer heeft gevoerd, om vervolgens in te gaan op de verweren van de verdediging.

De zaak met parketnummer 03.700084.19 1

Feit 2

Met de officier van justitie acht de rechtbank feit 2, de bedreiging van

[slachtoffer 4] en [slachtoffer 5] op 21 november 2019, wettig en overtuigend bewezen gelet op:

  • -

    de bekennende verklaring van de verdachte ter terechtzitting van 28 oktober 2020,

  • -

    de aangifte van [slachtoffer 4]2,

- de aangifte van [slachtoffer 5] .3

De zaak met parketnummer 03.101091.20 4

Feit 1

Met de officier van justitie acht de rechtbank feit 1, de bedreiging van [slachtoffer 1] op 13 april 2020, wettig en overtuigend bewezen gelet op:

  • -

    de bekennende verklaring van de verdachte ter terechtzitting van 28 oktober 2020 en

  • -

    de aangifte van [slachtoffer 1]5.

Feit 2

Met de officier van justitie acht de rechtbank feit 2, de bedreiging van [slachtoffer 2] op 2 april 2020, wettig en overtuigend bewezen gelet op:

- de bekennende verklaring van de verdachte bij de politie6 en

- de aangifte van [slachtoffer 2]7.

Feit 3

Met de officier van justitie acht de rechtbank feit 3, de belaging van [slachtoffer 3] in de periode van 26 december 2019 tot en met 15 maart 2020, wettig en overtuigend bewezen gelet op:

  • -

    de bekennende verklaring van de verdachte ter terechtzitting van 28 oktober 2020,

  • -

    de aangifte van [slachtoffer 3]8 en

- het verhoor van aangeefster [slachtoffer 3]9.

Feit 4

[slachtoffer 3] , wonende te [woonplaats 1] , doet op 15 maart 2020 aangifte van onder andere bedreiging gepleegd door de verdachte. Hij, eveneens wonende te [woonplaats 1] , heeft op 1 maart 2020 een WhatsApp bericht verzonden aan aangeefster met de tekst: “als ik het geregeld kreeg om je kapot te maken zonder gevolgen was je al kapot geweest” en op 6 maart 2020 een openbaar Facebook bericht geplaatst met de woorden: “als ik het ongestraft kon doen had ik je allang vermoord”10.

[slachtoffer 3] verklaart op 7 april 2020 aanvullend over de uitlatingen van verdachte. Zij geeft aan dat hij op 5 februari 2020 via Facebook een bericht heeft verzonden aan zijn Facebookvrienden, waaronder het slachtoffer, met de woorden: “als ik een pistool had en voldoende kogels zou ik jullie neerschieten als de vrije vogels”11.

De verdachte heeft bij de politie en ter terechtzitting verklaard dat hij de bedreigingen inderdaad heeft geuit en bij de politie heeft hij verklaard dat hij het slachtoffer in twee jaar tijd misschien wel 150 keer beledigd en bedreigd heeft12.

De raadsman heeft betoogd dat uit de context en het voorwaardelijk karakter van deze uitlatingen kan worden afgeleid dat de verdachte niet de intentie had om het slachtoffer vrees aan te jagen.

De rechtbank volgt deze redenering niet en is van oordeel dat de ten laste gelegde uitlatingen als bedreiging in de zin van artikel 285 van het Wetboek van Strafrecht te kunnen worden aangemerkt. Duidelijk was dat de verdachte een grote wrok jegens haar koesterde gezien de omstandigheid dat de verdachte reeds meerdere malen het slachtoffer had bedreigd en belasterd via Facebook en andere media. Daardoor kon door deze uitlatingen, ook als het zo is dat deze een voorwaardelijk karakter hebben, bij het slachtoffer een redelijke vrees ontstaan dat zij het leven zou kunnen verliezen en dat was kennelijk ook de bedoeling van de verdachte.

De rechtbank acht dit feit dan ook wettig en overtuigend bewezen.

Feit 5

Op 15 maart 2020 doet [slachtoffer 3] aangifte van onder andere laster tegen de verdachte gepleegd in de periode van 26 december 2019 tot 15 maart 2020. De verdachte heeft in die periode openbare berichten op Facebook geplaatst en Facebookberichten naar zijn Facebookvrienden gestuurd met de volgende teksten:

- ' want he was alnontaslagennenvoreg vies mij haarbte contracteren. Vieze duivelse demon. God zal jullie leren mij met jullie coke handel te domineren. Want dat is iets wat ik zeker weet. Die gastjes die [slachtoffer 3] , [naam 1] en [naam 2] heet. Genoeg nut de industrie kennen deze namen’ en
- 'Dat is de maar een want er zijn er nog meer, zo weet ik via via dat [slachtoffer 3] van s er cliënten profiteerd. In plaats van hulp bieden coke verkopen. Dat niet helpen maar mensen slopen. Smerig dat dit via rader mogelijk is. En ik voor het huis van die ouwe moest eindige in een kist’ en
- En heel raarvdatvoor de [adres] niemand thuis is. Het huis dat deze achterlijke dommen coke hoer [slachtoffer 3] moest hebben. En ik dus dood moest blijven’. ‘Vieze bitch je bent zwaar gestoord’ en
- ‘een mindset die ze hebben OK met coke rond te lopen. En dat om gebruiken of om ge verdienen. Die kuthoer van een [slachtoffer 3] verhandeld dit net als kienen’ en
- 'Mij neer zetten als junk en dealer. Trek je eigen lades een open. [naam 2] [slachtoffer 3] [naam 3] [naam 4] [naam 5] , en zoek deze namens een op, en dan vind je een criminele organisatie en die is echt niet top’13.

De verdachte heeft bij de politie op 14 april 2020 verklaard dat hij deze leugens inderdaad heeft verspreid14.

De raadsman heeft vrijspraak bepleit ten aanzien van het primair ten laste gelegde, laster.

Hij heeft hierbij opgemerkt dat bij laster vast moet komen te staan dat de verdachte wist dat hetgeen hij had verspreid in strijd was met de waarheid. Voorwaardelijk opzet is in dat geval niet voldoende. De verdachte heeft ter terechtzitting verklaard dat hij niet wist dat het niet waar was. Hij had indertijd het gevoel dat het klopte.

De rechtbank overweegt hieromtrent als volgt. De verdachte heeft bij de politie verklaard dat het leugens waren, dat dit voor hem op dat moment de waarheid was en dat hij daar nu een heel andere kijk op heeft. Verdachte heeft nooit aangegeven welke reden hij had voor het doen van deze uitlatingen. Ook ter terechtzitting heeft verdachte daarover niet verklaard. Daarmee staat voor de rechtbank vast dat verdachte wel degelijk wist dat de uitlatingen die hij verspreid had in strijd waren met de waarheid.

De rechtbank is van oordeel, gelet op de wijze waarop de verdachte de uiting heeft gedaan, namelijk het op Facebook plaatsen van deze uitlatingen en/of het naar Facebookvrienden te sturen, dat is bewezen dat de verdachte heeft gehandeld met het kennelijke doel om aan het door hem ten laste gelegde feit ruchtbaarheid te geven, terwijl hij wist dat deze uitlatingen in strijd waren met de waarheid. Verdachte heeft daarbij, gelet op de maatschappelijke normen en waarden in het algemeen en de positie van het slachtoffer als ambulant begeleider in het bijzonder, opzettelijk haar goede eer en naam beschadigd.

De rechtbank acht daarmee wettig en overtuigend bewezen dat de verdachte [slachtoffer 3] heeft belasterd.

Partiële vrijspraak

De rechtbank acht niet bewezen dat de verdachte laster heeft gepleegd ten aanzien van hetgeen onder het laatste gedachtestreepje in de tenlastelegging is verwoord. Naar het oordeel van de rechtbank is het smadelijke karakter van deze uitlating niet komen vast te staan.

De zaak met parketnummer 03.700084.19 15

Feit 1

Op 28 november 2019 heeft getuige [getuige] een huisbezoek gebracht aan de verdachte in [woonplaats 2] . Tijdens dit huisbezoek heeft de verdachte verschillende uitspraken gedaan waarvan [getuige] schrok. Hij hoorde dat de verdachte onder meer zei: “ik leg mijn moeder om ”. Daarna is de verdachte plotseling weggelopen. Enige tijd heeft [getuige] voor de woning van de verdachte gewacht. Toen de verdachte terug kwam zei hij: “ze heeft geluk gehad”. [getuige] zag dat de verdachte zijn jas aan de kant deed en een slagersmes toonde die in zijn broekriem zat. Op de vraag wat de verdachte hiermee bedoelde antwoordde hij: “Mijn moeder, ze heeft gelukt dat ze niet thuis was. Ik ben naar mijn moeder gereden.”16

De moeder van de verdachte, [slachtoffer 5] , verneemt van verbalisant [verbalisant] dat haar zoon op 28 november 2019 met een groot mes terug kwam van de woning van zijn moeder en heeft verteld dat zijn moeder geluk had dat ze er niet was. Zij is hier erg van geschrokken en doet aangifte van bedreiging17.

De verdachte heeft ter terechtzitting van 28 oktober 2020 verklaard dat hij dit feit heeft gepleegd.

De raadsman heeft bepleit dat voor een bewezenverklaring van bedreiging als genoemd in artikel 285 van het Wetboek van strafrecht vereist is dat het slachtoffer op de hoogte is geraakt van de geuite bedreiging en daardoor vreesde haar leven te verliezen. Het opzet van de verdachte moet hierop gericht zijn. De verdachte heeft deze uitlatingen gedaan tegenover zijn begeleider, [getuige] , tijdens een vertrouwelijk gesprek. Zijn begeleider heeft een geheimhoudingsplicht ten aanzien van alles wat de verdachte tegen hem vertelt. De verdachte had daarom niet hoeven vermoeden dat deze uitlatingen bij het slachtoffer terecht zouden komen. Het ontbrak de verdachte dus aan opzet. De raadsman verwijst hierbij naar een uitspraak van het gerechtshof te Den Haag van 4 september 201918.

De vraag die de rechtbank moet beantwoorden is of de verdachte er vanuit mocht gaan dat hetgeen hij tegen zijn begeleider vertelde, tussen hen zou blijven.

De geheimhoudingsplicht van de begeleider van de verdachte kan doorbroken worden, indien er gevreesd moet worden voor de veiligheid van personen in kwestie. De verdachte heeft eerst aangekondigd dat hij onder andere zijn moeder zou omleggen en heeft vervolgens, na te zijn teruggekomen van een bezoek aan haar woning, gezegd dat ze geluk had gehad dat ze niet thuis was. Daarbij heeft hij zijn begeleider het mes getoond dat hij bij zich droeg.

De begeleider van de verdachte heeft zijn geheimhoudingsplicht doorbroken en dit gemeld, waardoor deze uitlatingen uiteindelijk zijn moeder ter ore zijn gekomen.

Gelet op de ernst van de verbale bedreigingen en het feit dat hij daadwerkelijk met een mes naar zijn moeder is gegaan, mocht de verdachte er niet meer vanuit gaan dat deze bedreigende woorden en gedragingen tussen hem en zijn begeleider zouden blijven. Hij heeft zijn woorden kracht bij gezet door bij terugkomst het mes te tonen.

Hij heeft zich daarmee willens en wetens blootgesteld aan de aanmerkelijke kans dat de bedreigingen terecht zouden komen bij degene op wie ze betrekking hadden en dat daardoor de redelijke vrees ontstaan dat de verdachte zijn bedreigingen ook daadwerkelijk zou gaan uitvoeren en die kans heeft hij gelet op zijn gedrag op de koop toegenomen. Dit geldt temeer nu de verdachte het slachtoffer een week daarvóór ook al had bedreigd.

Gelet hierop acht de rechtbank dit feit wettig en overtuigend bewezen.

3.4

De bewezenverklaring

De rechtbank acht bewezen dat de verdachte

in de zaak met parketnummer 03-101091-20

feit 1:

op 13 april 2020 in de gemeente Heerlen [slachtoffer 1] heeft bedreigd met enig misdrijf tegen het leven gericht, immers heeft verdachte opzettelijk dreigend via een (openbaar) bericht op Facebook een) tekst geplaatst, waarvan die [slachtoffer 1] kennis heeft genomen, te weten: "dan ben je uit nood hulpverlening, houd deze [naam 6] van zorggroep [naam 7] totaal geen rekening met de situatie. Nog eentje op het dode lijstje Jullie hopen allemaal op zelfmoord. Weer gewaarschuwd werk eerst me lijstje ad voor dat ik ga";

feit 2:

op 2 april 2020 in de gemeente Heerlen [slachtoffer 2] heeft bedreigd met enig misdrijf tegen het leven gericht, door die [slachtoffer 2] tijdens een telefoongesprek dreigend de woorden toe te voegen "ik maak je kapot";

feit 3:

in de periode van 26 december 2019 tot en met 15 maart 2020 in de gemeente Heerlen, wederrechtelijk stelselmatig opzettelijk inbreuk heeft gemaakt op de persoonlijke levenssfeer van [slachtoffer 3] , met het oogmerk die [slachtoffer 3] vrees aan te jagen, door:

- veelvuldig berichten aan die [slachtoffer 3] te sturen via berichtenservice Whatsapp en

- veelvuldig op zijn eigen (openbare) Facebook-pagina berichten te plaatsen waarin die [slachtoffer 3] wordt genoemd en een of meer foto’s van haar verblijfplaatsen te plaatsen;

feit 4:

in de periode van 26 december 2019 tot en met 15 maart 2020 in de gemeente Heerlen, telkens [slachtoffer 3] heeft bedreigd met enig misdrijf tegen het leven gericht, door die [slachtoffer 3] middels toegezonden whatsappberichten en openbare facebookberichten, waarvan die [slachtoffer 3] kennis heeft genomen, schriftelijk dreigend de woorden toe te voegen:

- " als ik een pistool had en voldoende kogels. Zou ik jullie neerschieten als de vrij vogels" en

- " als ik het ongestraft kon doen had ik je allang vermoord" en

- " als ik het geregeld kreeg om je kapot te maken zonder gevolgen was je al kapot geweest";

feit 5 primair:

in de periode van 26 december 2019 tot en met 15 maart 2020 in de gemeente Heerlen, telkens opzettelijk door het openlijk tentoonstellen van meerdere geschriften de eer en de goede naam van [slachtoffer 3] heeft aangerand door tenlastelegging van bepaalde feiten met het kennelijke doel daaraan ruchtbaarheid te geven, immers heeft verdachte met voormeld doel op zijn, verdachtes, openbare facebookpagina berichten geplaatst met daarin onder meer de tekst:

- ‘ want he was alnontaslagennenvoreg vies mij haarbte contracteren. Vieze duivelse demon. God zal jullie leren mij met jullie coke handel te domineren. Want dat is iets wat ik zeker weet. Die gastjes die [slachtoffer 3] , [naam 1] en [naam 2] heet. Genoeg uut de industrie kennen deze namen,’ en

- ‘ Dat is de maar een want er zijn er nog meer, zo weet ik via via dat [slachtoffer 3] van s er cliënten profiteerd. In plaats van hulp bieden coke verkopen. Dat niet helpen maar mensen slopen. Smerig dat dit via rader mogelijk is. En ik voor het huis van die ouwe moest eindige in een kist,’ en

- ‘ En heel raarvdatvoor de [adres] niemand thuis is. Het huis dat deze achterlijke dommen coke hoer [slachtoffer 3] moest hebben. En ik dus dood moest blijven’. ‘Vieze bitch je bent zwaar gestoord,’ en

- ‘ een mindset die ze hebben OK met coke rond te lopen. En dat om gebruiken of om ge verdienen. Die kuthoer van een [slachtoffer 3] verhandeld dit net als kienen,’ en

- ‘ Mij neer zetten als junk en dealer. Trek je eigen lades een open. [naam 2] [slachtoffer 3] [naam 3] [naam 4] [naam 5] , en zoek deze namens een op, en dan vind je een criminele organisatie en die is echt niet top,’ terwijl verdachte wist dat deze ten laste gelegde feiten in strijd met de waarheid waren;

in de zaak met parketnummer 03.700084.19:

feit 1:

op 28 november 2019 in de gemeente Heerlen zijn moeder [slachtoffer 5] heeft bedreigd met enig misdrijf tegen het leven gericht, door tijdens een gesprek met zijn hulpverlener [getuige] te zeggen: - 'ik leg mijn moeder om...” en vervolgens op een later moment op die dag die [getuige] een mes te tonen en daarbij te zeggen: “Ze heeft geluk gehad, dat ze niet thuis was.. ik ben naar mijn moeder gereden”, welke uitlatingen en gedragingen ter kennis zijn gekomen van voornoemde [slachtoffer 5] ;

feit 2:

op 21 november 2019 in de gemeente Heerlen [slachtoffer 4] en [slachtoffer 5] heeft bedreigd met enig misdrijf tegen het leven gericht, immers heeft verdachte opzettelijk dreigend op facebook en social media teksten geplaatst, welke teksten ter kennis zijn gekomen van voornoemde [slachtoffer 4] en [slachtoffer 5] te weten: ' (..) Nou ook jullie kunnen er vanuit gaan dat ik wraak zal nemen.(..) en voorheen suïcidaal maar dan zal ik jullie toch zeker eerst laten gaan', althans woorden van gelijke dreigende aard en strekking.

De rechtbank acht niet bewezen hetgeen meer of anders is ten laste gelegd. De verdachte zal daarvan worden vrijgesproken.

4 De strafbaarheid van het bewezenverklaarde

Het bewezenverklaarde levert de volgende strafbare feiten op:

in de zaak met parketnummer 03-101091-20:

feit 1:

bedreiging met enig misdrijf tegen het leven gericht;

feit 2:

bedreiging met enig misdrijf tegen het leven gericht;

feit 3:

belaging;

feit 4:

bedreiging met enig misdrijf tegen het leven gericht;

feit 5 primair:

laster;

in de zaak met parketnummer 03.700084.19:

feit 1:

bedreiging met enig misdrijf tegen het leven gericht;

feit 2:

bedreiging met enig misdrijf tegen het leven gericht, meermalen gepleegd.

Er zijn geen feiten of omstandigheden aannemelijk geworden die de strafbaarheid van de feiten uitsluiten.

5 De strafbaarheid van de verdachte

De psycholoog [naam psycholoog] en de psychiater [naam psychiater] hebben over de geestvermogens van de verdachte op 23 juli 2020 respectievelijk 31 juli 2020 gerapporteerd. Zij hebben zich uitgelaten over de feiten in de zaak met parketnummer 03.700084.19, de zaak met parketnummer 03.001313.20 en de feiten 1, 2 en 3 in de zaak met parketnummer 03.101091.20.

De bevindingen van de onderzoekers komen in belangrijke mate overeen, maar hun conclusies zijn niet gelijkluidend. Beiden stellen als diagnose een waanstoornis, een borderline persoonlijkheidsstoornis en ernstige stoornissen in het gebruik van verschillende middelen. [naam psycholoog] gaat daarnaast uit van ADHD. [naam psychiater] kan deze diagnose niet bevestigen, maar sluit dit niet uit. Hij rapporteert over het verband tussen de diagnose en het tenlastegelegde: “Motief imponeert als psychotisch. Hij is er door de waanstoornis van overtuigd dat hij wordt benadeeld, dat er een aanslag op hem is gepleegd, dat hij werd bestolen. Deze waangedachte is oncorrigeerbaar. Onderzochte is ervan overtuigd dat ook de politie en gemeente is betrokken. Daardoor voelt hij zich razend en wraaklustig. De waanwereld heeft een alles doordringende doorwerking in de hem tenlastegelegde feiten 1, 2 en 3 en was ook aanwezig ten tijde de hem tenlastegelegde feiten 1, 2 en 3. Niet goed helder is geworden in hoeverre de waanvorming een rol heeft gespeeld in de feiten 4, 5 en 6. Wat betreft feit 5 lijkt frustratie (ook) een rol te hebben gespeeld.

Hij adviseert de bedreigingen van zijn moeder en zijn ex in het geheel niet toe te rekenen. De waanvorming heeft bij de overige feiten ook een rol gespeeld, maar in welke mate is bij zijn onderzoek onvoldoende helder geworden.

[naam psycholoog] rapporteert over het verband tussen diagnose en delict:

Bij betrokkene is sprake van een uitgebreid en vertakt waansysteem, van een borderline persoonlijkheidsstoornis. Van ADHD en van ernstige stoornissen in het gebruik van verschillende middelen. Deze stoornissen waren ook aanwezig ten tijde van de tenlastegelegde feiten. Betrokkene is er door zijn wanen van overtuigd dat aangevers hem willen beschadigen en schaden. Zijn beperkte emotieregulatie- en probleemoplossende vaardigheden, samenhangend met zowel zijn persoonlijkheidsstoornis, als de ADHD en de stoornis in het gebruik van middelen, hebben hem niet afgeremd. Hij had echter nog wel enige controle over zijn handelen. Hij koos er echter voor de berichten op Facebook op "openbaar" te zetten omdat hij van mening was dat aangevers dat verdienden.”

[naam psycholoog] adviseert om de ten laste gelegde feiten in verminderde mate toe te rekenen aan de verdachte.

De rechtbank sluit zich aan bij dit laatste advies en zal hier bij de oplegging van de straf of maatregel rekening mee houden. Tevens acht de rechtbank de verdachte verminderd toerekeningsvatbaar voor de bedreiging en de laster van [slachtoffer 3] , die niet expliciet aan de deskundigen zijn voorgelegd. De rechtbank gaat ervan uit dat de stoornissen zoals hiervoor omschreven ook ten tijde van deze feiten aanwezig waren en zijn gedragskeuzes en gedragingen hebben beïnvloed, nu de bedreiging en belastering van [slachtoffer 3] door verdachte zich in dezelfde periode heeft afgespeeld als de belaging van [slachtoffer 3] .

De verdachte is strafbaar, omdat geen feiten of omstandigheden aannemelijk zijn geworden die zijn strafbaarheid uitsluiten.

6 De straf en/of maatregel

6.1

De vordering van de officier van justitie

De officier van justitie heeft op grond van hetgeen zij bewezen heeft geacht, gevorderd aan de verdachte op te leggen een ongemaximeerde TBS-maatregel met bevel tot verpleging. Mocht de rechtbank toch een TBS-maatregel met voorwaarden opleggen, dan vordert de officier van justitie dat de voorwaarden worden opgelegd zoals omschreven in het rapport van de reclassering d.d. 21 oktober 2020, alsmede de voorwaarde dat de verdachte zich niet zal begeven in de wijken Beersdal, Passart en Heerlerheide in Heerlen.

Tevens vordert de officier van justitie de oplegging van een gevangenisstraf voor de duur van vijf maanden met aftrek van het voorarrest.

6.2

Het standpunt van de verdediging

Bij de oplegging van de straf heeft de raadsman de rechtbank verzocht rekening te houden met de verminderde toerekeningsvatbaarheid, de turbulente jaren die de verdachte achter de rug heeft en het feit dat het beter met hem gaat nu hij ingesteld is op juiste medicatie. Een langdurige behandeling is noodzakelijk, maar kan wat de raadsman betreft ook in het kader van voorwaarden bij een voorwaardelijke straf plaatsvinden. De verdachte heeft een hulpvraag en is bereid aan een klinische opname mee te werken. Op feiten zoals bedreiging en belaging staan, zelfs volgens de richtlijnen van het Openbaar Ministerie, geen onvoorwaardelijke gevangenisstraffen. In het geval de rechtbank strafverzwarende omstandigheden zou meewegen, kan ten hoogste een gevangenisstraf gelijk aan het voorarrest worden opgelegd. TBS is niet aan de orde en aan de criteria voor een ongemaximeerde TBS is niet voldaan.

6.3

Het oordeel van de rechtbank

Bij de bepaling van de op te leggen straf is gelet op de aard en ernst van hetgeen bewezen is verklaard, op de omstandigheden waaronder het bewezenverklaarde is begaan en op de persoon van de verdachte, zoals een en ander uit het onderzoek ter terechtzitting naar voren is gekomen.

De ernst van de feiten

De verdachte heeft gedurende langere tijd via WhatsApp, Facebook en verbaal zijn moeder, zijn ex-vriendin bedreigd. Dat verdachte met zijn handelen naar eigen zeggen geen kwaad in de zin had, is hoogstens een verduidelijking voor zijn handelen achteraf, maar neemt de angst van de aangeefsters in die periode niet meer weg. Geloofwaardig is het evenmin, getuige het feit dat de verdachte rondliep met een groot mes, zo ook tijdens zijn aanhouding op 13 april 2020. Zowel zijn moeder als zijn ex-vriendin, met wie hij twee kinderen heeft, hebben maanden in grote angst geleefd. Zijn moeder zei ervan overtuigd te zijn dat de verdachte ertoe in staat is om haar en zijn ex te doden. Zij durfde thuis geen licht meer aan te maken en durfde niet te slapen. Zijn ex-vriendin vreesde voor haar leven en dat van de kinderen.

Ook hulpverleners moesten het ontgelden. Ook zij werden bedreigd en in één geval ook nog belaagd en belasterd. Dit is niet alleen beangstigend maar ook een pijnlijke ervaring, omdat zij zich steeds hebben ingezet om de verdachte te helpen met de problemen waar hij mee kampt. Eén van hen, [slachtoffer 3] , beschreef haar angst in haar slachtofferverklaring.

“Ik keek dagelijks meerdere malen op facebook om te controleren of verdachte niet op dat moment iets heftigs postte en ik kon ook volgen waar hij was geweest. Als ik dat niet deed durfde ik niet alleen met de hond naar buiten, of naar mijn vriend te gaan. Toen hij in de teksten over mijn woning begon, had ik last van hyper alertheid en angst dat hij mijn woning in brand zou steken. Het gevoel van mijn veilige thuishaven was weg. Zelfs in huis was ik gespannen. Ik had angst dat hij zomaar voor de deur zou staan.” En: “Ik wil dat hij mij voortaan met rust laat, zodat ik weer een normaal leven kan leiden.”

De rechtbank neemt verdachte de gepleegde feiten dan ook erg kwalijk.

Straf of maatregel

De rechtbank zal gelet op de verminderde toerekeningsvatbaarheid een maatregel opleggen. Omdat deze maatregel niet voor het belasteren van [slachtoffer 3] kan worden opgelegd, ziet de rechtbank aanleiding om naast de maatregel een straf op te leggen.

De straf

De rechtbank is van oordeel dat gelet op de ernst van de feiten en de impact daarvan op de slachtoffers geen andere straf passend is dan een onvoorwaardelijke gevangenisstraf van beperkte duur. De rechtbank zal een gevangenisstraf voor de duur van vier weken opleggen met aftrek van de tijd die de verdachte in voorarrest heeft doorgebracht.

De maatregel

Beide deskundigen constateren ziekelijke stoornissen bij de verdachte, zien een hoog risico op gewelddadig gedrag en de noodzaak van een langdurige behandeling om dit risico tot een aanvaardbaar niveau terug te dringen. [naam psychiater] beschrijft in zijn risicotaxatie dat er sprake is van een waanstoornis die tot uiting komt in een paranoïde waansysteem dat zich toenemend uitbreidt, waardoor de verdachte steeds meer geïsoleerd raakt, steeds minder wordt gecorrigeerd, steeds wanhopiger wordt en steeds minder te verliezen heeft. De verdachte heeft de neiging om impulsief te handelen vanuit een ernstig gestoorde realiteitstoetsing. [naam psycholoog] acht het risico dat de verdachte zal overgaan op het gebruik van geweld als zeer hoog. De verdachte heeft suïcidale en homicidale ideaties. Hij ziet geweld als laatste toevlucht en er is sprake van risicovolle symptomen. Hij heeft wraakgedachten en paranoïde wanen over de aangevers. Hij is impulsief en er is sprake van een gebrekkige emotionele controle en middelenmisbruik. Beide deskundigen zien weinig tot geen ziektebesef bij de verdachte.

Beide deskundigen adviseren intensieve, langdurige, klinische behandeling.

Naar het oordeel van de rechtbank biedt een ambulante behandeling in het kader van een bijzondere voorwaarde bij een voorwaardelijke straf, zoals door de raadsman verzocht, onvoldoende waarborg dat de verdachte de vereiste behandeling zal ondergaan en voltooien. Gelet op het gebrek aan ziekte-inzicht, acht de rechtbank de kans aanzienlijk dat de verdachte zich niet aan de voorwaarden houdt, waarna slechtst de tenuitvoerlegging van de voorwaardelijk opgelegde straf resteert.

De rechtbank zal aan de verdachte de maatregel van ter beschikkingstelling (TBS) opleggen.

Aan de wettelijke eisen voor het opleggen van de maatregel van TBS is voldaan.

De bewezenverklaarde misdrijven, met uitzondering feit 5 in de zaak met parketnummer 03.101091.20, zijn misdrijven als bedoeld in artikel 37a, eerste lid, aanhef en onder 1o, van het Wetboek van Strafrecht (misdrijven waarop naar de wettelijke omschrijving een gevangenisstraf van vier jaren of meer is gesteld). Tijdens het begaan van deze strafbare feiten was er bij de verdachte sprake van waanstoornissen, een borderline persoonlijkheidsstoornis, ADHD en een stoornis in het gebruik van verschillende middelen. Naar het oordeel van de rechtbank eist de veiligheid van personen, gezien de ernst en de aard van de door verdachte geuite bedreigingen, het opleggen van de maatregel van TBS.

De vraag die de rechtbank vervolgens dient te beantwoorden is of een TBS met voorwaarden of een TBS met dwangverpleging passend is. Beide deskundigen adviseren een behandeling in het kader van TBS met voorwaarden, omdat de verdachte na een aantal weken antipsychotica te hebben gebruikt, aangaf bereid te zijn mee te werken aan voorwaarden, ook als dat inhield dat hij moest worden opgenomen en geen drugs meer mocht gebruiken.

De rapporteur van de reclassering heeft hierna op 21 oktober 2020 een rapport opgesteld en heeft zich negatief uitgelaten over de oplegging van een TBS met voorwaarden. Tijdens de gesprekken met de reclassering maakte de verdachte nog steeds een achterdochtige indruk, waarbij waanachtige beelden op de voorgrond stonden; meerdere personen uit zijn directe omgeving zouden erop uit zijn om hem kapot te maken en hij is nog niet klaar met ze. Ook uit de recente informatie van de behandelcoördinator van het PPC blijkt dit. Daarnaast is de verdachte boos op de PJ-rapporteurs die een, in zijn ogen, volstrekt onredelijk advies hebben gegeven. Hij ziet het ook helemaal niet zitten om naar een kliniek te gaan. Dit alles maakt dat de basis voor een TBS met voorwaarden ontbreekt.

Ter terechtzitting heeft de verdachte aangegeven weer wel gemotiveerd te zijn mee te werken aan behandeling en begeleiding. Hij zei echter ook dat hij graag terug zou gaan naar zijn woning en zijn hond, die voor hem het allerbelangrijkste was.

De rechtbank concludeert uit voorgaande dat de verdachte niet intrinsiek gemotiveerd is te gaan werken aan zijn problematiek. Bovendien is zijn motivatie niet consistent. Dit vormt dan ook geen goede basis voor een TBS met voorwaarden.

De rechtbank zal daarom naast de hiervoor genoemde gevangenisstraf tevens de maatregel van terbeschikkingstelling met verpleging van overheidswege opleggen.

De maximale duur van de TBS

De rechtbank beperkt de totale duur van de terbeschikkingstelling niet, omdat er sprake is van een misdrijf dat gevaar veroorzaakt voor de onaantastbaarheid van het lichaam van een of meer personen. Dit baseert de rechtbank op de volgende omstandigheden.

De verdachte is op 28 november 2019 na geuite bedreigingen met een mes op pad gegaan naar zijn moeder om haar iets aan te doen, zodat niet enkel sprake was van een verbale bedreiging. Hij heeft meermalen en gedurende een lange periode zijn moeder, ex-vriendin en hulpverleners bedreigd en liep rond met een slagersmes.

Gedragsbeïnvloedende of vrijheidsbeperkende maatregel ex artikel 38z Sr

De rechtbank zal tevens aan verdachte de gedragsbeïnvloedende en vrijheidsbeperkende maatregel als bedoeld in artikel 38z van het Wetboek van Strafrecht opleggen. Naar het oordeel van de rechtbank is de oplegging van deze maatregel in het belang van de bescherming van de veiligheid van anderen dan wel de algemene veiligheid van personen of goederen. De rechtbank is van oordeel dat het creëren van een mogelijkheid om de verdachte na de TBS langdurig onder toezicht te stellen noodzakelijk is om het recidiverisico in de toekomst naar een aanvaardbaar risico te kunnen terugdringen en vervolgens op een aanvaardbaar niveau te houden. Aan de wettelijke voorwaarden voor oplegging van de maatregel is dan ook voldaan.

De rechtbank wijst erop dat de maatregel pas kan worden tenuitvoergelegd na een daartoe strekkende vordering van het Openbaar Ministerie tegen het einde van de TBS als de noodzaak daartoe nog aanwezig wordt geacht en een daaropvolgende beslissing tot tenuitvoerlegging van de rechtbank.

7 De benadeelde partij en de schadevergoedingsmaatregel

7.1

De vordering van de benadeelde partij

De benadeelde partij [slachtoffer 3] vordert een schadevergoeding van € 551,68. Dit betreft

€ 1,68 materiële en € 550,- immateriële schade.

7.2

Het standpunt van de officier van justitie

De officier van justitie vordert de gehele toewijzing van de schadevergoeding, met de wettelijke rente en met toepassing van de schadevergoedingsmaatregel.

7.3

Het standpunt van de verdediging

De verdediging heeft zich gerefereerd ten aanzien van de materiële schade. Ten aanzien van de immateriële schade heeft de verdediging zich op het standpunt gesteld dat de benadeelde geen aanspraak kan maken op schadevergoeding, nu het opzet tot het toebrengen van dit letsel ontbreekt. Bovendien is er geen door de in de psychiatrie erkent ziektebeeld vastgesteld bij de benadeelde. De vordering tot schadevergoeding voor dit gedeelte dient dan ook afgewezen te worden, subsidiair dient dit bedrag gematigd te worden.

7.4

Het oordeel van de rechtbank

Materiële schade

De rechtbank is van oordeel dat de gevorderde reiskosten vergoed kunnen worden, nu deze voldoende zijn onderbouwd en hierop geen verweer is gevoerd.

Immateriële schade

Voor nadeel dat niet uit vermogensschade bestaat, heeft de benadeelde recht op een naar billijkheid vast te stellen schadevergoeding indien de benadeelde in zijn eer of goede naam is geschaad. In deze zaak heeft de verdachte de benadeelde partij bedreigd, belaagd en laster gepleegd. Daardoor is de benadeelde partij in haar eer en goede naam geschaad. Hierdoor heeft zij recht op schadevergoeding voor de immateriële schade die zij heeft geleden.

Uit de ter terechtzitting voorgehouden slachtofferverklaring blijkt welke impact de feiten op haar dagelijks leven hebben gehad en nog steeds hebben. De benadeelde leeft in constante angst, niet alleen voor haar eigen leven, maar ook voor dat van haar partner en haar pleegkinderen. Zij wordt op de werkvloer bovendien geconfronteerd met de lasterlijke uitlatingen van verdachte.

De rechtbank acht de gevorderde schadevergoeding van € 550,- passend en zal deze dan ook toewijzen.

Het totaal toe te wijzen bedrag, zijnde € 551,68, wordt vermeerderd met de wettelijke rente. De rechtbank zal tevens de schadevergoedingsmaatregel aan de verdachte opleggen ten behoeve van het innen van deze vordering.

8 De wettelijke voorschriften

De beslissing berust op de artikelen 36f, 37a, 37b, 38e, 38z, 57, 261, 262, 285, 285b van het Wetboek van Strafrecht, zoals deze artikelen luidden ten tijde van het bewezenverklaarde.

9 De beslissing

De rechtbank:

Vrijspraak

- spreekt de verdachte vrij van het in de zaak met parketnummer 03.001313.20 ten laste gelegde feit;

Bewezenverklaring

  • -

    verklaart de onder de parketnummers 03.101091.20, en 03.700084.19 ten laste gelegde feiten bewezen zoals hierboven onder 3.4 is omschreven;

  • -

    spreekt de verdachte vrij van wat meer of anders is ten laste gelegd;

Strafbaarheid

  • -

    verklaart dat het bewezenverklaarde de strafbare feiten oplevert zoals hierboven onder 4 is omschreven;

  • -

    verklaart de verdachte strafbaar;

Straf

  • -

    veroordeelt de verdachte tot een gevangenisstraf van vier weken;

  • -

    beveelt dat de tijd die door de veroordeelde vóór de tenuitvoerlegging van deze uitspraak in voorarrest is doorgebracht, bij de uitvoering van deze gevangenisstraf in mindering zal worden gebracht;

Maatregel

  • -

    gelast dat de verdachte ter beschikking wordt gesteld;

  • -

    beveelt dat de ter beschikking gestelde van overheidswege wordt verpleegd;

- legt aan de verdachte op de maatregel tot gedragsbeïnvloeding en vrijheidsbeperking;

Benadeelde partij en schadevergoedingsmaatregel

- wijst de vordering tot schadevergoeding van de benadeelde partij toe en veroordeelt de verdachte tot betaling aan de benadeelde partij, [slachtoffer 3] , van een bedrag van

€ 551,68, bestaande uit € 1,68 materiële schade en € 550,- immateriële schade, te vermeerderen met de wettelijke rente vanaf 15 maart 2020 tot aan de dag der algehele voldoening;

- veroordeelt verdachte tevens in de proceskosten door de benadeelde partij gemaakt, tot op heden begroot op nihil, en in de proceskosten die de benadeelde partij ten behoeve van de tenuitvoerlegging nog moet maken;

- legt aan de verdachte op de verplichting tot betaling aan de Staat ten behoeve van [slachtoffer 3] , van een bedrag van € 551,68, te vermeerderen met de wettelijke rente vanaf 15 maart 2020 tot aan de dag der algehele voldoening, bij gebreke van betaling en verhaal kan gijzeling worden toegepast van maximaal 11 dagen. De toepassing van deze gijzeling heft de hiervoor opgelegde betalingsverplichting niet op;

- verdachte is van zijn schadevergoedingsplicht jegens de benadeelde bevrijd voor zover hij heeft voldaan aan een van de hem opgelegde verplichtingen tot vergoeding van deze schade.

Dit vonnis is gewezen door mr. A.M. Schutte, voorzitter, mr. W.L.J. Voogt en mr. W. Loof, rechters, in tegenwoordigheid van J.G.A.M. Spijkers, griffier, en uitgesproken ter openbare zitting van 11 november 2020.

BIJLAGE I: De tenlastelegging

Aan de verdachte is ten laste gelegd dat hij

in de zaak met parketnummer 03-101091-20:

feit 1:
op of omstreeks 13 april 2020 in de gemeente Heerlen, althans in Nederland, [slachtoffer 1] heeft bedreigd met enig misdrijf tegen het leven gericht en/of met zware mishandeling, immers heeft verdachte opzettelijk dreigend via een (openbaar) bericht op Facebook een of meer woorden en/of (een) tekst(en) geplaatst, waarvan die Van [slachtoffer 1] kennis heeft genomen, te weten: "dan ben je uit nood hulpverlening, houd deze [naam 6] van zorggroep [naam 7] totaal geen rekening met de situatie. Nog eentje op het dode lijstje Jullie hopen allemaal op zelfmoord. Weer gewaarschuwd werk eerst me lijstje ad voor dat ik ga", althans woorden van gelijke dreigende aard of strekking;

feit 2:
op of omstreeks 2 april 2020 in de gemeente Heerlen, althans in Nederland, [slachtoffer 2] heeft bedreigd met enig misdrijf tegen het leven gericht en/ot met zware mishandeling, door die [slachtoffer 2] mondeling (tijdens een telefoongesprek) dreigend de woorden toe te voegen "ik maak je kapot", althans woorden van gelijke dreigende aard of strekking;

feit 3:
in of omstreeks de periode van 26 december 2019 tot en met 15 maart 2020 in de gemeente Heerlen, althans in Nederland, wederrechtelijk stelselmatig opzettelijk inbreuk heeft gemaakt op de persoonlijke levenssfeer van [slachtoffer 3] , in elk geval van een ander, met het oogmerk die [slachtoffer 3] , in elk geval die ander te dwingen iets te doen, niet te doen, te dulden en/of vrees aan te jagen, door:
- veelvuldig berichten aan: die [slachtoffer 3] te sturen via berichtenservice Whatsapp en/of
- veelvuldig op zijn eigen (openbare) Facebook-pagina berichten te plaatsen waarin die [slachtoffer 3] wordt genoemd en/of een of meer foto(s) van haar verblijfplaats(en)te plaatsen;

feit 4:
op een of meer tijdstippen in of omstreeks de periode van 26 december 2019 tot en met 15 maart 2020 in de gemeente Heerlen, althans in Nederland, (telkens) [slachtoffer 3] heeft bedreigd met enig misdrijf tegen het leven gericht en/of met zware mishandeling, door die [slachtoffer 3] middels toegezonden whatsappbericht(en) en/of (openbare) facebookbericht(en), waarvan die [slachtoffer 3] kennis heeft genomen, schriftelijk dreigend de woorden toe te voegen:
- als ik een pistool had en voldoende kogels. Zon ik jullie neerschieten als de vrij vogels (p.9)" en/of
- "als ik het ongestraft kon doen had ik je allang vermoord (p.121)" en/of
- "als ik het geregeld kreeg om je kapot te maken zonder gevolgen was je al kapot geweest (p.87)",
althans woorden van gelijke dreigende aard of strekking:

feit 5 primair:
op een of meer tijdstippen in of omstreeks de periode van 26 december 2019 tot en met 15 maart 2020 in de gemeente Heerlen, althans in Nederland, (telkens) opzettelijk door middel van verspreiding van (een) geschrift(en) en/of door het openlijk tentoonstellen van een of meerdere geschriften de eer en/of de goede naam van [slachtoffer 3] heeft aangerand door tenlastelegging van een of meer bepaald(e) feit (en) met het kennelijke doel daaraan ruchtbaarheid te geven, immers heeft verdachte (telkens) met voormeld doel op zijn, verdachtes, openbare facebookpagina een of meer berichten geplaatst met daarin onder meer de tekst:
- 'want he was alnontaslagennenvoreg vies mij haarbte contracteren. Vieze duivelse demon. God zal jullie leren mij met jullie coke handel te domineren. Want dat is iets wat ik zeker weet. Die gastjes die [slachtoffer 3] , [naam 1] en [naam 2] heet. Genoeg nut de industrie kennen deze namen (p. 105),’ en/of
- 'Dat is de maar een want er zijn er nog meer, zo weet ik via via dat [slachtoffer 3] van s er cliënten profiteerd. In plaats van hulp bieden coke verkopen. Dat niet helpen maar mensen slopen. Smerig dat dit via rader mogelijk is. En ik voor het huis van die ouwe moest eindige in een kist (p.120),’ en/of
- En heel raarvdatvoor de [adres] niemand thuis is. Het huis dat deze achterlijke dommen coke hoer [slachtoffer 3] moest hebben. En ik dus dood moest blijven’. ‘Vieze bitch je bent zwaar gestoord (p. 121),’ en/of
- ‘een mindset die ze hebben OK met coke rond te lopen. En dat om gebruiken of om ge verdienen. Die kuthoer van een [slachtoffer 3] verhandeld dit net als kienen (p.125),’ en/of
- 'Mij neer zetten als junk en dealer. Trek je eigen lades een open. [naam 2] [slachtoffer 3] [naam 3] [naam 4] [naam 5] , en zoek deze namens een op, en dan vind je een criminele organisatie en die is echt niet top (p. 131),’ en/of
- ‘Ooh [slachtoffer 3] hier ga jij lang voor op vakantie, en vertrouw me ik weet waar ik over praat. Oh begrijp je me al weer niet omdat ik degene bent met NAH. Heel raar dus ik heb NAH door jou toe doen, maar jij begrijp me hierdoor niet. (...) Mij slopen, gelukkig heb ik het allemaal overleeft en zal ik jullie via de officiële weg th terug pakken. Dus doei baan, doei huis van me ouwe en helemaal doei straat/contactverboden (p. 128),’
althans woorden van soortgelijke aard en/of strekking, terwijl verdachte wist dat dit/deze ten laste gelegde feiten) in strijd met de waarheid was/waren;
( art 261 lid 1 Wetboek van Strafrecht, art 262 lid 1 Wetboek van Strafrecht)

subsidiair althans, indien het vorenstaande niet tot een veroordeling mocht of zou kunnen leiden:
in of omstreeks de periode van 26 december 2019 tot en met 15 maart 2020 in de gemeente Heerlen, althans in Nederland, opzettelijk [slachtoffer 3] heeft beledigd door die [slachtoffer 3] bij toegezonden en/of aangeboden geschrift, te weten via whatsappberichten en/of (openbare) Facebookberichten, waarvan die [slachtoffer 3] kennis heeft genomen, de woorden toe te voegen:
- 'Ik ben van meing dat jij het gedrag hebt vertoond van een vieze smerige hoer" (...) “ met jullie smerige coke handel...'(p. 84) en/of
- 'want weet via via ook hoe jij doet dealen. Een beetje shit verkopen aan verloren zielen. Je eigen cliënten notabenen.Jp. 85) en/of
- 'vieze kuthoer...(..)'(p. 87) en/of
- ‘want he was alnontaslagennenvoreg vies mij haarbte contracteren. Vieze duivelse demon. God zal jullie leren mij met jullie coke handel te domineren. Want dat is iets wat ik zeker weet. Die gastjes die [slachtoffer 3] , [naam 1] en [naam 2] heet. Genoeg nut de industrie kennen deze namen (p. 105),’ en/of
- 'Dat is de maar een want er zijn er nog meer, zo weet ik via via dat [slachtoffer 3] van s er cliënten profiteerd. In plaats van hulp bieden coke verkopen. Dat niet helpen maar mensen slopen. Smerig dat dit via rader mogelijk is. En ik voor het huis van die ouwe moest eindige in een kist (p. 120),’ en/of
- ‘En heel raarvdatvoor de [adres] niemand thuis is. Het huis dat deze achterlijke do mm en coke hoer [slachtoffer 3] moest hebben. En ik dus dood moest blijven’. 'Vieze bitch je bent zwaar gestoord (p. 121),’ en/of
- 'een mindset die ze hebben OK met coke rond te lopen. En dat om gebruiken of om ge verdienen. Die kuthoer van een [slachtoffer 3] verhandeld dit net als kienen (p. 125),' en/of
- ‘Mij neer zetten als junk en dealer. Trek je eigen lades een open. [naam 2] [slachtoffer 3] [naam 3] [naam 4] [naam 5] , en zoek deze namens een op, en dan vind je een criminele organisatie en die is echt niet top (p. 131),’
- ‘Ooh [slachtoffer 3] hier ga jij lang voor op vakantie, en vertrouw me ik weet waar ik over praat. Oh begrijp je me al weer niet omdat ik degene bent met NAH. Heel raar dus ik heb NAH door jou toe doen, maar jij begrijp me hierdoor niet. (...) Mij slopen, gelukkig heb ik het allemaal overleeft en zal ik jullie via de officiële weg th terug pakken. Dus doei baan, doei huis van me ouwe en helemaal doei straat/contactverboden (p. 128),':

in de zaak met parketnummer 03-001313-20:

feit 1:

op of omstreeks 2 januari 2020 te Hoensbroek, gemeente Heerlen [slachtoffer 4] en/of [slachtoffer 5] heeft bedreigd met enig misdrijf tegen het leven gericht en/of met zware mishandeling, door op 02 januari 2020 in een telefoongesprek met de Centralist Operationeel Centrum politie te zeggen: "Ik sta op het punt van doordraaien. Als ik niet met jullie had gebeld was ik helemaal doorgedraaid, was ik erheen gereden en had ik haar kapot gestoken. Maar dan was mijn ex ook aan de beurt want die ruim ik ook op", althans woorden van gelijke dreigende aard of strekking, welke uitlatingen op 02 januari 2020 ter kennis zijn gekomen van voornoemde [slachtoffer 4] en/of [slachtoffer 5] ;
( art 285 lid 1 Wetboek van Strafrecht )

in de zaak met parketnummer 03.700084-19, na wijziging van de tenlastelegging,

feit 1:

op of omstreeks 28 november 2019 in de gemeente Heerlen zijn moeder [slachtoffer 5] heeft bedreigd met enig misdrijf tegen het leven gericht en/of met zware mishandeling, door tijdens een gesprek met zijn hulpverlener [getuige] te zeggen: - 'ik leg mijn moeder om...”, althans woorden van gelijke dreigende aard en/of strekking, en vervolgens op een later moment op die dag die [getuige] een mes te tonen en daarbij te zeggen: “Ze heeft geluk gehad, dat ze niet thuis was.. ik ben naar mijn moeder gereden”, welke uitlatingen en gedragingen ter kennis zijn gekomen van voornoemde [slachtoffer 5] ;

feit 2:

op of omstreeks 21 november 2019 in de gemeente Heerlen, althans in Nederland, [slachtoffer 4] en/of [slachtoffer 5] heeft bedreigd met enig misdrijf tegen het leven gericht en/of met zware mishandeling, immers heeft verdachte opzettelijk dreigend op facebook en/of social media een of meer woorden en/of (een) tekst(en) geplaatst, welke uitlatingen/teksten ter kennis zijn gekomen van voornoemde [slachtoffer 4] en/of [slachtoffer 5] te weten: ' (..) Nou ook jullie kunnen er vanuit gaan dat ik wraak zal nemen.(..) en voorheen suïcidaal maar dan zal ik jullie toch zeker eerst laten gaan', althans woorden van gelijke dreigende aard en/of strekking.

1 Waar hierna wordt verwezen naar paginanummers, wordt - tenzij anders vermeld - gedoeld op paginanummers uit het proces-verbaal van politie eenheid Limburg, proces-verbaalnummer PL2300-201988853, gesloten d.d. 30 november 2019, doorgenummerd van pagina 1 tot en met pagina 75.

2 Het proces-verbaal van aangifte van [slachtoffer 4] d.d. 29 november 2019, pagina 8.

3 Het proces-verbaal van aangifte van [slachtoffer 5] d.d. 29 november 2019, pagina 43 tot en met 46.

4 Waar hierna wordt verwezen naar paginanummers, wordt - tenzij anders vermeld - gedoeld op paginanummers uit het proces-verbaal van politie eenheid Limburg, proces-verbaalnummer PL2300-2020057514, gesloten d.d. 15 april 2020, doorgenummerd van pagina 1 tot en met pagina 260.

5 Het proces-verbaal van aangifte van [slachtoffer 1] d.d. 13 april 2020, pagina 3 tot en met 7.

6 Het proces-verbaal van verhoor van de verdachte d.d. 14 april 2020, pagina 52.

7 Het proces-verbaal van aangifte van [slachtoffer 2] d.d. 6 april 2020, pagina 49.

8 Het proces-verbaal van aangifte van [slachtoffer 3] d.d. 15 maart 2020, pagina 54 tot en met 153.

9 Het proces-verbaal van verhoor van aangeefster [slachtoffer 3] d.d. 7 april 2020, pagina 154.

10 Het proces-verbaal van aangifte van [slachtoffer 3] d.d. 15 maart 2020, pagina 54, 87 en 121.

11 Het proces-verbaal van verhoor van aangeefster [slachtoffer 3] d.d. 7 april 2020, pagina 154 en 215.

12 Het proces-verbaal van verhoor van de verdachte d.d. 14 april 2020, pagina 162.

13 Het proces-verbaal van aangifte van [slachtoffer 3] d.d. 15 maart 2020, pagina 54, met bijlagen pagina’s 105, 120, 121, 125 en 131.

14 Het proces-verbaal van verhoor van de verdachte d.d. 14 april 2020, pagina 162.

15 Waar hierna wordt verwezen naar paginanummers, wordt - tenzij anders vermeld - gedoeld op paginanummers uit het proces-verbaal van politie eenheid Limburg, proces-verbaalnummer PL2300-201988853, gesloten d.d. 30 november 2019, doorgenummerd van pagina 1 tot en met pagina 75.

16 Het proces-verbaal van verhoor van getuige [getuige] d.d. 28 november 2019, pagina 58 en 59.

17 Het proces-verbaal van aangifte van [slachtoffer 5] d.d. 29 november 2019, pagina 45.

18 ECLI:NL:GHDHA:2019:2358.