Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBLIM:2020:8678

Instantie
Rechtbank Limburg
Datum uitspraak
04-11-2020
Datum publicatie
18-11-2020
Zaaknummer
C/03/275179 / HA ZA 20-134
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

Verdeling wettelijke gemeenschap, pensioenrechten, uitleg bepaling notariële akte, Wet verevening pensioenrechten bij scheiding (WVS) van toepassing, geen rechtsverwerking door stilzitten, matiging en maximering dwangsommen.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
PR-Updates.nl PR-2020-0185
PJ 2021/21
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

vonnis

RECHTBANK LIMBURG

Burgerlijk recht

Zittingsplaats Maastricht

zaaknummer / rolnummer: C/03/275179 / HA ZA 20-134

Vonnis van 4 november 2020 (bij vervroeging)

in de zaak van

[eiseres] ,

wonende te [woonplaats 1] ,

eiseres,

advocaat mr. J.P.C.M. van Riet,

tegen

[gedaagde] ,

wonende te [woonplaats 2] ,

gedaagde,

advocaat mr. J. in 't Ven.

Partijen zullen hierna [eiseres] en [gedaagde] genoemd worden.

1 De procedure

1.1.

Het verloop van de procedure blijkt uit:

  • -

    de dagvaarding met producteis 1 tot en met 4

  • -

    de conclusie van antwoord met producties 1 tot en met 4

  • -

    de rolbeslissing van 6 mei 2020

  • -

    de separate akten ter rolle van partijen

  • -

    de conclusie van repliek met producties 1 en 2 (lees: 5 en 6)

  • -

    de conclusie van dupliek met producties 5 en 6.

1.2.

Ten slotte is vonnis bepaald.

2 De feiten

2.1.

[eiseres] en [gedaagde] zijn op 18 februari 1977 in wettelijke algehele gemeenschap van goederen gehuwd. Bij beschikking van de Rechtbank Maastricht van 2 mei 1996 is de echtscheiding tussen partijen uitgesproken. Op 12 juli 1996 is de echtscheidingsbeschikking ingeschreven in de registers van de burgerlijke stand van de gemeente Landgraaf, waarmee de huwelijksgemeenschap werd ontbonden.

2.2.

Bij notariële akte van verdeling (productie 1 dagvaarding), verleden op 10 april 1997 ten overstaan van notaris mr. Van de Weijer te Heerlen, zijn [eiseres] en [gedaagde] het volgende (voor zover thans relevant) overeengekomen:

“(...) VOOROPSTELLING

(...)

5. De waarde van de tot de ontbonden gemeenschap behorende goederen en schulden is in onderling overleg door partijen vastgesteld. (...)

De gemeenschap omvat:

Activa

1 (...)

2. De blote eigendom van het registergoed:

Woonhuis met ondergrond en aanhorigheden, te [plaats] , [adres] , kadaster [aanduiding] nummer [nummer] , groot twaalf aren vier en dertig centiaren.

(...)

WIJZE VAN EIGENDOMSVERKRIJGING (...)

Het registergoed omschreven onder activa sub 2. is door de comparante sub 1 [toevoeging rechtbank: [eiseres] ] en de volmachtgever sub 2 [toevoeging rechtbank: [gedaagde] ] in eigendom verkregen, onder voorbehoud van het levenslange recht van vruchtgebruik ten behoeve van de echtelieden [naam echtelieden] , bij akte van verkoop en levering op zeven en twintig januari negentienhonderd zes en tachtig verleden voor notaris Meester Leonard Delwaide, ter standplaats Reken-Lanaken (België). (...)

BEPALINGEN

Deze verdeling geschiedt onder de volgende bepalingen en bedingen: (...)

6.b. Het registergoed gelegen te [plaats] en omschreven onder Activa sub 2, blijft onverdeelde mede-eigendom van beide partijen;

de vordering die de comparante sub 1. heeft op de volmachtgever sub 2., in verband met het voldoen van terzake die verkrijging verschuldigde lasten en rechten met aan haar, de comparante sub 1. in privé-eigendom toebehorende gelden en bedragende zes en twintig duizend eenhonderd gulden (f 26.100,--) zal tussen partijen verrekend worden bij gelegenheid van de verdeling danwel verkoop en levering van dit registergoed.

(...)

PENSIOEN

Partijen zijn voorts overeengekomen dat zij op grond van het bepaalde in de artikelen 2 en 3 van de Wet verevening pensioenrechten bij scheiding over en weer recht hebben op uitbetaling van een deel van elk van de uit te betalen termijnen van het desbetreffende pensioen, mits binnen twee jaar na de inschrijving van de echtscheidingsbeschikking in de registers van de Burgerlijke Stand door een van beide echtgenoten mededeling is gedaan aan het uitvoeringsorgaan op de wijze zoals in artikel 2 lid 2 van die wet is bepaald. (...)”

2.3.

Gedurende het huwelijk heeft [eiseres] geen pensioenrechten opgebouwd.

2.4.

Door het overlijden van echtelieden [naam echtelieden] (oom en tante van [eiseres] ) is het vruchtgebruik dat op de woning in [plaats] rustte, inmiddels komen te vervallen. De woning is (al lange tijd) verhuurd aan een derde en partijen delen de maandelijkse huurprijs bij helfte.

3 Het geschil

3.1.

[eiseres] vordert – na vermindering van eis, waarbij van vordering sub 4 de eerste vier (zo begrijpt de rechtbank) worden ingetrokken onder handhaving van het vijfde en zesde gedachtestreepje – dat de rechtbank bij vonnis, voor zover mogelijk uitvoerbaar bij voorraad:

  1. voor recht verklaart dat de door [gedaagde] in de periode gelegen tussen 18 februari 1977 en 12 juli 1996 opgebouwde pensioenrechten onder de werking van de wet verevening pensioenrechten bij scheiding vallen;

  2. [gedaagde] veroordeelt al zijn medewerking te verlenen en informatie te verschaffen door het opvragen van de pensioenoverzichten bij de verschillende pensioeninstanties van het deel van het ouderdoms- evenals het nabestaandenpensioen, door [gedaagde] gedurende het huwelijk van partijen opgebouwd, en vervolgens [gedaagde] veroordeelt zijn medewerking te verlenen aan het nog zo mogelijk verevening dan wel verrekening van die pensioenrechten, zulks te bewerkstelligen binnen vier weken na betekening van het in deze te wijzen vonnis op straffe van een dwangsom ad € 500,00 per dag dat [gedaagde] hiermee in gebreke blijft;

  3. [gedaagde] veroordeelt alsdan, op het moment dat het pensioenorgaan overgaat tot het doen van de bedoelde bruto pensioen aan [gedaagde] , deze gehouden is 50% van dat bruto pensioen, als opgebouwd in de bovengemelde periode, met [eiseres] te verrekenen door storting van dit bedrag op een door [eiseres] op te geven bankrekeningnummer, welke verrekening dient plaats te vinden binnen drie dagen na ontvangst door [gedaagde] van dit bruto pensioen, een en ander op straffe van verbeurte van een dwangsom ad € 500,00 per maand indien [gedaagde] in gebreke blijft aan de inhoud van het vonnis te voldoen;

  4. Op voet van artikel 3:185 BW de verdeling ten aanzien van het in het lichaam van deze dagvaarding omschreven als navolgend vaststelt:

- dat [gedaagde] zijn medewerking zal verlenen aan het verlijden van de notariële akte

van levering van het bedoelde registergoed aan een derde, zulks op straffe van een dwangsom ad € 500,00 per dag dat [gedaagde] in gebreke blijft aan dit vonnis te voldoen;

- dat de verdeling van de opbrengst op de navolgende wijze zal plaatsvinden:

- dat van de uiteindelijke opbrengst, waarop in mindering de makelaars- en

andere kosten, de alsdan verkregen netto-opbrengst, aan [eiseres] toekomt een bedrag ad € 11.864,00, op grond waarvan het alsdan verkregen restantbedrag gelijkelijk bij helfte tussen partijen zal worden verdeeld;

5. [gedaagde] veroordeelt in de kosten van dit geding waaronder begrepen een bedrag van het salaris van de advocaat, zomede een bedrag voor de noodzakelijke verschotten en tevens [gedaagde] veroordeelt in de kosten ter executie van het in deze te wijzen vonnis en tevens in de nakosten begroot conform het liquidatietarief rechtbanken en hoven.

Zij voert hiertoe aan dat partijen zijn overeengekomen dat de Wet verevening pensioenrechten bij scheiding (WVS) van toepassing is op de door [gedaagde] gedurende het huwelijk opgebouwde pensioenrechten. Partijen hebben de WVS niet uitdrukkelijk conform art. 2 lid 1 WVS uitgesloten in hun akte van verdeling. [eiseres] beroept zich op art. 2 lid 2 en lid 6: nu partijen niet binnen twee jaar het recht op verevening hebben gemeld bij een uitvoeringsorgaan, bestaat er tussen partijen recht op verrekening.

3.2.

[gedaagde] is van mening dat partijen in de notariële akte uitdrukkelijk hebben verklaard dat zij ter zake de verdeling niets meer van elkaar te vorderen hebben en elkaar zonder enig voorbehoud volledige kwijting hebben verleend. Daarbij komt volgens [gedaagde] dat ten tijde van de notariële akte partijen nog niet wisten of ze de pensioenrechten al dan niet wensten te verdelen en van hun recht op pensioenverevening al dan niet gebruik wensten te maken, reden waarom zij een “bedenktermijn van 2 jaar” als ontbindende voorwaarde in die akte hebben opgenomen.

3.3.

Op de stellingen van partijen wordt hierna, voor zover van belang, nader ingegaan.

4 De beoordeling

pensioen

4.1.

De finale kwijting over en weer die partijen in de notariële akte van verdeling zijn overeengekomen ziet, anders dan [gedaagde] veronderstelt, niet op de thans ter beoordeling voorliggende twee kwesties. Uit niets, ook niet uit de als productie 1 overgelegde akte van verdeling, blijkt dat deze twee goederen zijn verdeeld. De rechtbank gaat hieraan dan ook voorbij.

4.2.

Ingevolge art. 2 lid 1 WVS kunnen partijen – kort gezegd – de toepasselijkheid van deze wet uitsluiten bij huwelijkse voorwaarden of bij een bij geschrift gesloten overeenkomst met het oog op de scheiding. Partijen hebben genoemde wet niet uitgesloten bij huwelijkse voorwaarden. Uit de notariële akte van verdeling blijkt evenmin dat partijen de toepasselijkheid van de WVS hebben uitgesloten. In de akte zijn partijen immers expliciet overeengekomen dat zij op grond van de artt. 2 en 3 WVS over en weer recht hebben op uitbetaling van de opgebouwde pensioenen. Dit verweer van [gedaagde] faalt dan ook.

4.3.0.

Omdat beide partijen een andere uitleg geven aan de bepaling zoals opgenomen in de notariële akte van verdeling, zal deze moeten worden uitgelegd naar de bedoeling van partijen ten tijde van het sluiten van de overeenkomst.

4.3.1.

Zoals de Hoge Raad heeft overwogen in zijn richtinggevende arrest “Haviltex” (HR 13 maart 1981, NJ 1981,635) komt het bij de uitleg van een schriftelijke overeenkomst niet aan op een zuiver taalkundige uitleg van de bepalingen van het contract maar op de zin die partijen in de gegeven omstandigheden over en weer redelijkerwijs aan deze bepalingen mochten toekennen en op hetgeen zij te dien aanzien redelijkerwijs van elkaar mochten verwachten, waarbij mede van belang kan zijn tot welke maatschappelijke kringen partijen behoren en welke rechtskennis van hen kon worden verwacht. Op grond van latere jurisprudentie valt hieraan toe te voegen dat in deze zogenoemde “Haviltexnorm” besloten ligt dat afhankelijk van de omstandigheden van het geval meer of minder gewicht dient te worden toegekend aan de taalkundige betekenis van een contractsbepaling respectievelijk aan de betekenis die partijen daaraan zelf geven, waarbij in het geval van een bepaling die door één partij is opgesteld zonder dat daaraan onderhandelingen zijn voorafgegaan en die is bestemd om de rechtspositie van een (potentieel groot) aantal toekomstige contractspartijen te beïnvloeden, de aan objectieve aanknopingspunten ontleende argumenten (waaronder de taalkundige betekenis van de gebuikte bewoordingen) bij de uitleg zwaarder wegen. (Zie ook Asser-Hartkamp 4-II, 286a).

4.4.

Uit de door [gedaagde] overgelegde brief van de notaris (productie 2) kan de rechtbank niets afleiden over de bedoeling van partijen ten tijde van het sluiten van de notariële akte. De notaris geeft in die brief enkel zijn eigen interpretatie met betrekking tot de betreffende zinsnede weer en verklaart niets te weten over de bedoeling van partijen. In zoverre faalt het verweer van [gedaagde] .

4.5.

Voor de stelling van [gedaagde] dat partijen een “bedenktijd van 2 jaar” hebben beoogd en dat partijen als zij in die 2 jaar geen actie zouden ondernemen, afzien van de toepasselijkheid van de WVS, heeft hij geen feiten en omstandigheden aangevoerd waaruit dat blijkt. De rechtbank stelt vast dat de bepaling in de notariële akte van verdeling (zie hiervoor nr. 2.2. onder “Pensioen”) vrijwel gelijkluidend is aan art. 2 lid 2 WVS (voor zover thans van belang) dat als volgt luidt:

“Ingevolge het in het eerste lid bedoelde recht op verevening ontstaat jegens het uitvoeringsorgaan een recht op uitbetaling van een deel van elk van de uit te betalen termijnen van het pensioen, mits binnen twee jaar na het tijdstip van scheiding van die scheiding en van het tijdstip van scheiding door een van beide echtgenoten mededeling is gedaan aan het uitvoeringsorgaan door middel van een formulier waarvan het model wordt vastgesteld door Onze Minister van Sociale Zaken en Werkgelegenheid en bekend gemaakt in de Staatscourant. Een recht op uitbetaling jegens het uitvoeringsorgaan sluit een recht op uitbetaling jegens de tot verevening verplichte echtgenoot uit. (...)”

De strekking van deze wettelijke bepaling is dat als partijen de pensioenuitvoerder binnen twee jaar na het tijdstip van scheiding informeren, de pensioenuitvoerder ervoor zorgt dat hij aan elke partij het die partij toekomend deel van het ouderdomspensioen na de pensioendatum uitbetaalt. Mochten partijen de pensioenuitvoerder niet binnen twee jaar informeren, dan moeten partijen de uitbetaling van het ouderdomspensioen na de pensioendatum zelf onderling regelen. Nu partijen de pensioenuitvoerder(s) niet binnen de overeengekomen twee jaar hebben geïnformeerd, moet worden geconcludeerd dat partijen zelf onderling de uitbetaling van het gedurende het huwelijk opgebouwde pensioen moeten regelen. Uit niets is af te leiden dat partijen de bedoeling hadden over en weer af te zien van het gedurende het huwelijk opgebouwde pensioen op het moment dat geen van hen binnen twee jaar na scheiding de pensioenuitvoerder(s) zou informeren. Hierbij weegt mee dat [eiseres] onweersproken heeft gesteld dat zij gedurende het huwelijk in het geheel geen pensioen heeft opgebouwd. Ook dit verweer van [gedaagde] faalt. [gedaagde] heeft al met al onvoldoende concrete feiten en omstandigheden aangevoerd om te kunnen concluderen dat zijn betwisting van de uitleg die [eiseres] geeft, zodanig voldoende is, dat [eiseres] bewijs moet leveren dat haar uitleg de juiste is.

4.6.

Uit het enkele feit dat [eiseres] [gedaagde] na de echtscheiding nimmer heeft aangesproken op verdeling dan wel verrekening van de gedurende het huwelijk opgebouwde pensioen, valt geen rechtsverwerking af te leiden. Enkel stilzitten levert geen rechtsverwerking op. Verder moet in acht worden genomen dat art. 3:178 BW bepaalt dat te allen tijde verdeling kan worden gevorderd. Dat [eiseres] pas bij het naderen van de pensioengerechtigde leeftijd aanspraak op de verrekening maakt, is niet onredelijk of onbillijk. Deze verweren van [gedaagde] falen eveneens.

4.7.

Uit het vooroverwogene volgt dat in overeenstemming met hetgeen partijen in de notariële akte van verdeling zijn overeengekomen, de WVS van toepassing is op de door [gedaagde] in de periode gelegen tussen 18 februari 1977 en 12 juli 1996 opgebouwde pensioenrechten. Het door [eiseres] bij petitum sub 1 tot en met 3 gevorderde zal om die reden worden toegewezen, met dien verstande dat de rechtbank aanleiding ziet de gevorderde dwangsommen te matigen en te maximeren. Nu [eiseres] niets heeft gesteld over het nabestaandenpensioen, zal dat deel worden afgewezen.

woning aan de [adres] te [plaats]

4.8.

Uit de stukken is gebleken dat de woning inmiddels is verkocht. Nu [gedaagde] bij conclusie van dupliek heeft aangevoerd alle medewerking te zullen verlenen aan de levering aan de koper conform de koopovereenkomst, ligt het door [eiseres] bij petitum sub 4, gedachtestreepjes 5 en 6, voor toewijzing gereed, met dien verstande dat de rechtbank aanleiding zit de gevorderde dwangsom te matigen en te maximeren.

proceskosten

4.9.

In het feit dat partijen ex-echtelieden zijn, ziet de rechtbank aanleiding om de kosten van de procedure tussen hen te compenseren in die zin dat iedere partij haar eigen kosten dient te dragen.

5 De beslissing

De rechtbank

5.1.

verklaart voor recht dat de door [gedaagde] in de periode gelegen tussen 18 februari 1977 en 12 juli 1996 opgebouwde pensioenrechten onder de werking van de Wet verevening pensioenrechten bij scheiding vallen,

5.2.

veroordeelt [gedaagde] om al zijn medewerking te verlenen en informatie te verschaffen door het opvragen van de pensioenoverzichten bij de verschillende pensioeninstanties van het deel van het ouderdomspensioen, door [gedaagde] gedurende het huwelijk van partijen opgebouwd, en veroordeelt [gedaagde] zijn medewerking te verlenen aan het nog zo mogelijk verevenen dan wel verrekenen van die pensioenrechten op straffe van een dwangsom van € 50,00 per dag met een maximum van € 100.000,00 dat hij hiermee in gebreke blijft,

5.3.

bepaalt dat [gedaagde] , op het moment dat het pensioenorgaan overgaat tot het doen van de bedoelde bruto pensioen aan [gedaagde] , gehouden is 50% van dat bruto pensioen, als opgebouwd in de bovengemelde periode, met [eiseres] te verrekenen door storting van dit bedrag op een door [eiseres] op te geven bankrekeningnummer, welke verrekening dient plaats te vinden binnen drie dagen na ontvangst door [gedaagde] van het bruto pensioen, en veroordeelt hem hiertoe, op straffe van een dwangsom van € 500,00 per maand met een maximum van € 100.000,00 indien hij in gebreke blijft hieraan te voldoen,

5.4.0.

stelt op voet van art. 3:185 BW de verdeling ten aanzien van het in het lichaam van de dagvaarding omschreven registergoed (gelegen aan de [adres] te [plaats] ) als volgt vast:

5.4.1.

veroordeelt [gedaagde] om zijn medewerking te verlenen aan het verlijden van de notariële akte van levering van het voornoemde registergoed aan een derde op straffe van een dwangsom van € 500,00 per dag met een maximum van € 25.000,00 dat hij in gebreke blijft hieraan te voldoen,

5.4.2.

bepaalt dat van de uiteindelijke opbrengst, waarop in mindering wordt gebracht de makelaars- en andere kosten, de alsdan verkregen netto-opbrengst aan [eiseres] toekomt een bedrag van € 11.864,00, waarna het restantbedrag gelijkelijk bij helfte tussen partijen dient te worden verdeeld,

5.5.

verklaart dit vonnis, met uitzondering van hetgeen onder 5.1. staat, uitvoerbaar bij voorraad,

5.6.

compenseert de kosten van deze procedure aldus dat iedere partij haar eigen kosten draagt,

5.7.

wijst het meer of anders gevorderde af.

Dit vonnis is gewezen door mr. J.R. Sijmonsma en in het openbaar uitgesproken op 4 november 2020.1

1 type: JC