Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBLIM:2020:8677

Instantie
Rechtbank Limburg
Datum uitspraak
04-11-2020
Datum publicatie
18-11-2020
Zaaknummer
C/03/272393 / HA ZA 19-643
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

Verzet ontvankelijk; art 143 Rv.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

vonnis

RECHTBANK LIMBURG

Burgerlijk recht

Zittingsplaats Maastricht

zaaknummer: C/03/272393 / HA ZA 19-643

Vonnis in verzet bij vervroeging van 4 november 2020

in de zaak van

1 [oorspronkelijk eiseres in conventie, thans geopposeerde, verweerster in voorwaardelijke reconventie sub 1] ,

en
2. [oorspronkelijk eiser in conventie, thans geopposeerde, verweerder in voorwaardelijke reconventie sub 2],

beiden wonend te [woonplaats 1] ,

oorspronkelijk eisers in conventie, thans geopposeerden, verweerders in voorwaardelijke reconventie,

advocaat mr. R.H.J.G. Borger ;

tegen:

1. de commanditaire vennootschap

[gedaagde in conventie, thans opposant, eiser in voorwaardelijke reconventie sub 1] .,

gevestigd te [vestigingsplaats] ,
en

2. [gedaagde in conventie, thans opposant, eiser in voorwaardelijke reconventie sub 2],

wonend te [woonplaats 2] ,

oorspronkelijk gedaagden in conventie, thans opposanten, eisers in voorwaardelijke reconventie,

advocaat mr. J.M. Wolfs.

Oorspronkelijk eisers zullen hierna gezamenlijk [oorspronkelijk eisers] genoemd worden. Oorspronkelijk gedaagden zullen hierna gezamenlijk [oorspronkelijk gedaagden] en afzonderlijk [oorspronkelijk gedaagde sub 1] en [oorspronkelijk gedaagde sub 2] genoemd worden.

1 Het verloop van de procedure

1.1.

Het verloop van de procedure blijkt uit:

  • -

    de oorspronkelijke dagvaarding met producties 1 t/m 6;

  • -

    het verstekvonnis van 16 oktober 2019;

  • -

    de verzetdagvaarding, tevens houdende een voorwaardelijke vordering in reconventie, met producties 1 t/m 7;

  • -

    de akte houdende overlegging van producties 8 t/m 17, tevens akte houdende vermeerdering van eis van [oorspronkelijk gedaagden] ;

  • -

    de conclusie van antwoord in voorwaardelijke reconventie, tevens houdende akte voorwaardelijke vermeerdering van eis in conventie, met producties 7 t/m 31;

  • -

    het proces-verbaal van de comparitie na antwoord van 4 september 2020.

1.2.

Ten slotte is bepaald dat vonnis zal worden gewezen omtrent de vraag of het verzet tijdig is ingesteld.

2. De relevante feiten voor zover van belang voor de beoordeling van de tijdigheid van het verzet

2.1.

Bij verstekvonnis van 16 oktober 2019 zijn [oorspronkelijk gedaagden] in het incident veroordeeld om – zakelijk weergegeven – op straffe van verbeurte van een dwangsom stukken aan [oorspronkelijk eisers] te verstrekken als nader omschreven in het dictum onder 4.1. van dat vonnis. In datzelfde verstekvonnis zijn [oorspronkelijk gedaagden] – zakelijk weergegeven – in de hoofdzaak veroordeeld tot betaling van in hoofdsom € 57.423,75, te vermeerderen met contractuele rente, en proceskosten.

2.2.

Op 21 oktober 2019 (productie 7 van [oorspronkelijk eisers] ) heeft de raadsman van [oorspronkelijk eisers] dat vonnis als bijlage – aangeduid als “beschikking [oorspronkelijk eisers] | [oorspronkelijk gedaagde sub 1] .pdf” – bij een e-mail aan [oorspronkelijk gedaagde sub 2] gemaild. De inhoud van die e-mail luidt als volgt:

“Geachte heer [oorspronkelijk gedaagde sub 2] ,

Bijgaand treft u het tegen u gewezen vonnis van de rechtbank Maastricht aan.

Ik stel u hierdoor in de gelegenheid om binnen 5 dagen na dagtekening dezes vrijwillig aan de veroordelingen te voldoen.

De te verstrekken informatie/stukken kunt u mij toezenden. De hoofdsommen en proceskosten tot betaling waarvan u veroordeeld bent, dient u binnen de gestelde termijn dan over te maken op de bankrekening van de Stichting Beheer Derdengelden TDH Advocaten te Maastricht (…). De wettelijke rente (die u ook dient te voldoen) zal vervolgens berekend worden en daar kom ik dan bij u op terug.

Mocht u niet aldus aan de veroordeling voldoen binnen de gestelde termijn, zal de deurwaarder worden ingeschakeld om over te gaan tot betekening, bevel en verdere executie. De kosten daarvan worden uiteraard op u verhaald.(…)”

2.3.

[oorspronkelijk gedaagde sub 2] heeft daarop geantwoord met een e-mail van 28 oktober 2019 (productie 8 van [oorspronkelijk eisers] ). De inhoud van die e-mail luidt als volgt:

“Geachte heer Borger ,

Hierbij deel ik u mede dat ik de door u gezonden e-mail in goede orde heb ontvangen.

De accountant zal u later vandaag een aantal documenten toesturen welke volgens ons in aanmerking komen voor verrekening.

Mijn huisarts zal de komende dagen contact opnemen met de [oorspronkelijk eisers] om te informeren of zij bereid zijn een gesprek aan te gaan over de huidige situatie. Een en ander in verband met mijn geestelijke gezondheid, grotendeels vanwege dit dossier met de [oorspronkelijk eisers] . Ik wilde hierover als aanspreekpunt wel van tevoren inlichten.(…)”

2.4.

De advocaat van [oorspronkelijk eisers] heeft daarop bij e-mail van 28 oktober 2019 (productie 9) gereageerd. Die e-mail heeft de volgende inhoud:

“Geachte heer [oorspronkelijk gedaagde sub 2] ,

Ik zie de stukken van de accountant dan tegemoet en zal daar zo nodig dan op reageren.

Voor wat betreft de aankondiging dat uw huisarts zou gaan bellen: dat is niet nodig, voegt niets toe en wordt ook niet op prijs gesteld.

Mocht u evenwel een betalingsvoorstel willen doen, dan gelieve u dat aan mij te richten; ik bespreek dat dan zo nodig met cliënten.(…)”

2.5.

Het verstekvonnis is op 6 november 2019 betekend aan [oorspronkelijk gedaagden]

2.6.

Op 4 december 2019 is de verzetdagvaarding aan [oorspronkelijk eisers] betekend.

3 Het geschil

Ten aanzien van de ontvankelijkheid van het verzet

3.1.

[oorspronkelijk eisers] stellen zich op het standpunt dat [oorspronkelijk gedaagden] niet-ontvankelijk moeten worden verklaard in hun verzet, omdat dat verzet te laat is ingesteld. Volgens [oorspronkelijk eisers] hebben [oorspronkelijk gedaagden] al op 28 oktober 2019 een – in de woorden van artikel 143 lid 2 Rv – daad gepleegd waaruit noodzakelijk voortvloeit dat het vonnis aan hen bekend is. Dat blijkt volgens [oorspronkelijk eisers] uit de inhoud van de hierboven geciteerde e-mail van 28 oktober 2019, nu [oorspronkelijk gedaagde sub 2] daarin verklaart dat hij de e-mail van 21 oktober 2019 in goede orde heeft ontvangen en dat hij daarin stelt dat de accountant later die dag een aantal documenten zal toesturen welke volgens [oorspronkelijk gedaagde sub 2] in aanmerking komen voor verrekening.

3.2.

Met de e-mail van 28 oktober 2019 bevestigden [oorspronkelijk gedaagden] volgens [oorspronkelijk eisers] niet alleen de ontvangst van de e-mail van 21 oktober 2019, maar gingen [oorspronkelijk gedaagden] ook inhoudelijk in op die e-mail, door aan te kondigen zich op verrekening te beroepen en nadere informatie aan te leveren. Feit is volgens [oorspronkelijk eisers] dat [oorspronkelijk gedaagden] het vonnis waarvan verzet, al op 21 oktober 2019 hebben ontvangen en als reactie daarop een beroep op verrekening hebben gedaan. Dit betreffen volgens [oorspronkelijk eisers] daden van bekendheid als bedoeld in artikel 143 lid 2 Rv. Op grond daarvan had de verzetdagvaarding uiterlijk op 25, dan wel 29 november 2019 moeten zijn betekend, althans in ieder geval vóór 4 december 2019, de dag waarop de verzetdagvaarding daadwerkelijk pas werd betekend.

3.3.

Op grond daarvan vorderen [oorspronkelijk eisers] dat [oorspronkelijk gedaagden] niet-ontvankelijk worden verklaard in hun verzet.

3.4.

[oorspronkelijk gedaagde sub 2] heeft ter comparitie verklaard dat hij wel kennis heeft genomen van de inhoud van de e-mail van 21 oktober 2019, doch niet van de inhoud van het als bijlage daarbij gevoegde vonnis. Van die bijlage heeft hij geen kennis genomen, omdat hij van slag was, hetgeen nog werd verergerd doordat [oorspronkelijk gedaagde sub 2] rechtsbijstandsverzekeraar had verklaard dat hij geen recht op rechtsbijstand had. Daarnaast heeft hij de bijlage niet geopend, omdat hij het nut daarvan niet inzag: naar aanleiding van eerdere correspondentie met de advocaat van [oorspronkelijk eisers] , daterend van augustus 2019, wist [oorspronkelijk gedaagde sub 2] dat er werk verricht moest worden en hij daarmee al bezig was en hij daarmee verder wilde gaan. Met het woord “verrekening” in de e-mail van 28 oktober 2019 heeft hij niet bedoeld dat hij een vordering van [oorspronkelijk gedaagde sub 1] op [oorspronkelijk eisers] wilde verrekenen met het bedrag dat [oorspronkelijk gedaagden] volgens het verstekvonnis verschuldigd zouden zijn, maar enkel het corrigeren van huurpenningen, voor zover hij het daarmee eens was, die al in eerdere correspondentie was genoemd.

4 De beoordeling

Ten aanzien van de ontvankelijkheid van het verzet

4.1.

Voorop gesteld wordt dat het verstekvonnis op 6 november 2019 is betekend en de verzetdagvaarding op 4 december 2019. Aldus is het verzet conform art. 143 lid 2, eerste zin, Rv binnen vier weken na de betekening van het verstekvonnis ingesteld. [oorspronkelijk eisers] voeren aan dat het verstekvonnis al voor 6 november 2019 bekend was bij [oorspronkelijk gedaagden] Wat die stelling betreft moet bij de beoordeling van de ontvankelijkheid van het ingestelde verzet tot uitgangspunt wordt genomen dat het voor het aanvangen van de verzettermijn niet voldoende is dat vaststaat dat de veroordeelde in persoon de beschikking heeft gekregen over het verstekvonnis, bijvoorbeeld doordat dit hem door de wederpartij is toegezonden. Met de woorden van de wet gezegd moet worden onderzocht of de bij verstek veroordeelde gedaagde heeft gepleegd “enige daad waaruit noodzakelijk voortvloeit dat het vonnis of de aangevangen tenuitvoerlegging aan hem bekend is” zoals is vermeld in art. 143 lid 2 Rv.

4.2.

De veroordeelde heeft onder meer enige daad gepleegd “waaruit noodzakelijk voortvloeit dat het vonnis of de aangevangen tenuitvoerlegging aan hem bekend is” als hij zelf een handeling heeft verricht waaruit ondubbelzinnig valt op te maken dat hij over voldoende gegevens met betrekking tot (de inhoud van) zijn veroordeling beschikt om zich daartegen tijdig en adequaat te kunnen verzetten. Voldoende is dat de gedaagde bekend is met de eiser(s), de vordering, de veroordeling jegens wie en het gerecht waardoor hij is veroordeeld.

4.3.

Kan worden vastgesteld dat de veroordeelde het vonnis of een stuk dat de hoofdinhoud daarvan weergeeft, heeft gelezen of aangehoord, dan levert zulks wel de vereiste daad van bekendheid op. Het moet gaan om een daad, een gedraging van de veroordeelde. Voorts is vereist dat de daad is gepleegd door de veroordeelde zelf.

4.4.

Onvoldoende is de omstandigheid dat de veroordeelde het verstekvonnis in ontvangst heeft genomen, ook al heeft de veroordeelde voor ontvangst getekend of bijvoorbeeld een automatische ontvangstbevestiging gezonden. Het in ontvangst nemen van het vonnis impliceert namelijk geen kennisneming van de inhoud ervan. Bekendheid met het vonnis moet ondubbelzinnig uit de naar buiten gerichte daad volgen.

4.5.

De rechtbank oordeelt in het licht van voormelde uitgangspunten als volgt. Niet staat vast dat [oorspronkelijk gedaagde sub 2] kennis heeft genomen van de inhoud van de bijlage, en daarmee van het verstekvonnis, op 21 oktober 2019 of op 28 oktober 2019. [oorspronkelijk gedaagde sub 2] betwist dat hij kennis heeft genomen van de inhoud van het vonnis. Er kan ook niet worden vastgesteld dat hij deze bijlage heeft geopend en daarmee kennis heeft genomen van het vonnis, dan wel moet worden geacht kennis te hebben genomen van het vonnis. De reactie van [oorspronkelijk gedaagde sub 2] op de e-mail van 21 oktober 2019 in de e-mail van 28 oktober 2019 impliceert niet zonder meer dat [oorspronkelijk gedaagde sub 2] kennis genomen heeft van die bijlage, nu diens reactie ook kan worden verklaard als reactie op de eerdere brief die de advocaat van [oorspronkelijk eisers] heeft gezonden, maar het kan ook duiden op kennis van de inleidende dagvaarding. De rechtbank verwijst in dat verband naar de brief van 27 augustus 2019 (productie 4 van [oorspronkelijk eisers] ) van de advocaat van [oorspronkelijk eisers] aan [oorspronkelijk gedaagden] , waarin [oorspronkelijk gedaagden] worden gesommeerd tot doorbetaling van geïncasseerde huurpenningen en waarin melding wordt gemaakt van door [oorspronkelijk gedaagden] beweerdelijk onterecht gedane verrekeningen. Ook zonder kennis te hebben genomen van de bijlage bij de e-mail van 21 oktober 2019 is de reactie van [oorspronkelijk gedaagde sub 2] bij e-mail van 28 oktober 2019 derhalve niet onbegrijpelijk. Er valt dus niet ondubbelzinnig op te maken dat hij over voldoende gegevens met betrekking tot (de inhoud van) zijn veroordeling beschikte om zich daartegen tijdig en adequaat te kunnen verzetten. Er kan dus onvoldoende onomstotelijk worden vastgesteld dat de bedoelde bijlage is geopend.

4.6.

Bij dit oordeel wordt meegewogen dat het recht om zich te mogen verdedigen (het beginsel van hoor en wederhoor) zo belangrijk is, dat geen al te zware eisen mogen worden gesteld aan de stelling dat geen kennis is genomen van de inhoud van het vonnis waartegen het verzet zich richt en dat juist wel zware eisen moeten worden gesteld aan de stelling dat daarvan wél kennis is genomen. In dit belangrijke kader van hoor en wederhoor zal, bij onvoldoende duidelijkheid hieromtrent, moeten worden geoordeeld dat het verzet tijdig is ingesteld. Anders gezegd: het risico van niet (zeker) weten zoals in het onderhavige geval ligt bij de oorspronkelijke eiser. Al met al kan dan ook niet worden geoordeeld dat [oorspronkelijk gedaagden] al eerder dan vier weken voor 4 december 2019 hebben gepleegd “enige daad waaruit noodzakelijk voortvloeit dat het vonnis of de aangevangen tenuitvoerlegging aan hun bekend is” in de zin van art. 143 lid 2 Rv.

4.7.

Nu het verstekvonnis op 6 november 2019 is betekend en de verzetdagvaarding op 4 december 2019, is het verzet tijdig ingesteld zodat [oorspronkelijk gedaagden] ontvankelijk moeten worden verklaard in hun verzet. Thans kan dan ook worden overgegaan tot een beoordeling van de vorderingen ten gronde die partijen over en weer hebben ingesteld.

4.8.

Omdat die vorderingen ter comparitie niet zijn behandeld in afwachting van het oordeel over de ontvankelijkheid van het verzet, zal de rechtbank een voortzetting van de comparitie bepalen ter behandeling van de vorderingen ten gronde en partijen verzoeken in dat verband hun verhinderdata op te geven.

5 De beslissing

De rechtbank:

5.1.

verklaart [oorspronkelijk gedaagden] ontvankelijk in hun verzet tegen het door deze rechtbank gewezen verstekvonnis van 16 oktober 2019, gewezen tussen partijen onder rolnummer C/03/268763 / HA ZA 19-471;

5.2.

verwijst de zaak naar de rol van 18 november 2020 voor opgave verhinderdata van partijen over de periode van 1 juni 2021 tot en met 1 oktober 2021;

5.3.

houdt iedere verdere beslissing aan.

Dit vonnis is gewezen door mr. J.R. Sijmonsma, rechter, en in het openbaar uitgesproken.1

1 type: MT