Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBLIM:2020:8612

Instantie
Rechtbank Limburg
Datum uitspraak
04-11-2020
Datum publicatie
13-11-2020
Zaaknummer
8647551 \ CV EXPL 20-3397
Formele relaties
Hoger beroep: ECLI:NL:GHSHE:2021:1092
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

Provisionele vordering afgewezen, hoofdzaak toegewezen als gevorderd

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK LIMBURG

Burgerlijk recht

Zittingsplaats Maastricht

Zaaknummer: 8647551 \ CV EXPL 20-3397

Vonnis van de kantonrechter van 4 november 2020

in de zaak van:

[eiser] ,

wonende [adres 1] ,

[woonplaats 1] ,

eisende partij,

gemachtigde mr. B.H.A. Augustin,

tegen:

1 [gedaagde sub 1] ,
wonende [adres 2] ,
[woonplaats 2] ,

2. [gedaagde sub 2],
wonende [adres 2] ,
[woonplaats 2] ,

3. [gedaagde sub 3],
wonende [adres 3] ,
[woonplaats 3] ,

gedaagde partij,

gemachtigde mr. J.M.A. van Dijk.

1 De procedure

in de hoofdzaak en het incident

1.1.

Het verloop van de procedure blijkt uit:

- de dagvaarding tevens houdende provisionele vordering(en)

- het verzoek om uitstel van gedaagde partij.

1.2.

Ten slotte is vonnis bepaald.

2 De beoordeling

in de hoofdzaak

2.1.

Gedaagde partij heeft, na verkregen uitstel niet meer geantwoord. De vordering van eisende partij staat daarom als niet weersproken tussen partijen vast en behoort als onvoldoende betwist te worden toegewezen behoudens de gevorderde uitvoerbaarverklaring bij voorraad van de verklaring voor recht, welke zich hiertoe niet leent.

2.2.

Gedaagde partij zal worden veroordeeld in de kosten van de procedure. De kosten aan de zijde van eisende partij worden begroot op:

  • -

    dagvaarding € 207,99

  • -

    griffierecht € 83,00

  • -

    salaris gemachtigde € 120,00 (1 x tarief € 120,00)

totaal € 410,99

in het incident

2.3.

Ingevolge artikel 223 lid 1 Rv kan een voorlopige voorziening alleen worden getroffen als de bodemprocedure aanhangig is. De kantonrechter stelt vast dat de bodemprocedure thans niet meer aanhangig is, omdat bij dit vonnis in de hoofdzaak een eindbeslissing is gewezen. Daarom moet(en) de provisionele vordering(en) worden afgewezen.

2.4.

Eisende partij zal als de in het ongelijk gestelde partij worden veroordeeld in de kosten van het incident. Deze worden begroot op nihil.

3 De beslissing

De kantonrechter

in de hoofdzaak

3.1.

verklaart voor recht dat het gehuurde gebreken vertoont, welke gebreken in de risicosfeer van gedaagde partij vallen, weshalve sprake is van een tekortkoming in de nakoming van de tussen partijen gesloten huurovereenkomst, voor welke tekortkoming gedaagde partij jegens eisende partij aansprakelijk is voor alle geleden en nog te lijden schade, op te maken bij staat en te vereffenen volgens de wet,

3.2.

bepaalt dat de huursom per 1 januari 2020 tot het moment dat alle gebreken aan zowel het dak alsook de riolering verholpen zijn met 50% gematigd wordt,

3.3.

veroordeelt gedaagde partij in de kosten van de procedure aan de zijde van eisende partij gevallen en aan die zijde tot op heden begroot op een bedrag van € 410,99,

in het incident

3.4.

wijst de provisionele vordering af,

3.5.

veroordeelt eisende partij in de proceskosten, aan de zijde van gedaagde partij tot op heden begroot op nihil,

in de hoofdzaak en in het incident

3.6.

verklaart dit vonnis voor wat betreft de veroordelingen uitvoerbaar bij voorraad,

3.7.

wijst af het meer of anders gevorderde.

Dit vonnis is gewezen door mr. R.H.J. Otto en in het openbaar uitgesproken.

type: JEC