Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBLIM:2020:8465

Instantie
Rechtbank Limburg
Datum uitspraak
02-11-2020
Datum publicatie
03-11-2020
Zaaknummer
03/700388-18
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

Straatroof met geweld van een portemonnee en een iPhone, in vereniging gepleegd. De rechtbank veroordeelt beide verdachten tot een gevangenisstraf van 6 maanden, waarvan 3 maanden voorwaardelijk met een proeftijd van 2 jaren. Vordering benadeelde partij gedeeltelijk toegewezen.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK LIMBURG

Zittingsplaats Maastricht

Strafrecht

Parketnummer: 03/700388-18

Tegenspraak

Vonnis van de meervoudige kamer d.d. 2 november 2020

in de strafzaak tegen

[verdachte] ,

geboren te [geboortegegevens] 1993 ,

wonende te [adres] .

De verdachte wordt bijgestaan door mr. P. van de Kerkhof, advocaat kantoorhoudende te Tilburg.

1 Onderzoek van de zaak

De zaak is inhoudelijk behandeld op de zitting van 19 oktober 2020. De verdachte en zijn raadsman zijn verschenen. De officier van justitie en de verdediging hebben hun standpunten kenbaar gemaakt.

2 De tenlastelegging

De tenlastelegging is als bijlage aan dit vonnis gehecht.

De verdenking komt er, kort en feitelijk weergegeven, op neer dat de verdachte al dan niet samen met een ander een telefoon en portemonnee heeft weggenomen met gebruik van geweld tegen het slachtoffer.

3 De beoordeling van het bewijs

3.1

Het standpunt van de officier van justitie

De officier van justitie heeft gerekwireerd tot bewezenverklaring van het tenlastegelegde medeplegen van diefstal met geweld.

3.2

Het standpunt van de verdediging

De raadsman heeft bepleit dat verdachte moet worden vrijgesproken van medeplegen van diefstal van de iPhone van aangever. Hij heeft hiertoe aangevoerd dat het oogmerk van wederrechtelijke toe-eigening ontbrak nu verdachte dacht dat het om zijn eigen telefoon ging en dat geen sprake was van een nauwe en bewuste samenwerking gericht op een beroving. De raadsman heeft voorts bepleit verdachte vrij te spreken van het tenlastegelegde medeplegen en het geweld ten aanzien van de portemonnee. De raadsman heeft hiertoe aangevoerd dat verdachte met het gebruikte geweld niet het oogmerk had om de diefstal van de portemonnee voor te bereiden of gemakkelijk te maken. De raadsman is van oordeel dat er onvoldoende verband is tussen het wegnemen van de portemonnee en het geweld om te kunnen concluderen dat bij het slaan al het oogmerk bestond om de portemonnee weg te nemen. Met betrekking tot het medeplegen heeft de raadsman aangevoerd dat het gebruikte geweld een eenmansactie was van verdachte en dat alleen door verdachte iets is weggenomen, waardoor van medeplegen geen sprake is.

3.3

Het oordeel van de rechtbank

Bewijsmiddelen 1

Op 30 september 2018, omstreeks 04:07 uur, vond er op de openbare weg, de Plaarstraat te Heerlen ter hoogte van een plaszuil, een straatroof plaats, waarbij geweld werd gebruikt Deze roof werd via cameratoezicht rechtstreeks waargenomen, waarop diverse verbalisanten op dit incident werden afgestuurd. Verbalisanten troffen op de plaats delict het nader te noemen slachtoffer [naam 1] aan. Hij deed aangifte van diefstal door middel van geweld. Hij bleek beroofd te zijn van zijn portemonnee en iPhone.2

Aangever [naam 1] heeft verklaard dat hij werd aangesproken door twee jongens die hem vroegen om een sigaret. Opeens zei een van de jongens “Je geeft me nu alles”. Vervolgens werd aangever tegen de muur geduwd. Hij kreeg een klap op zijn hoofd en hierna kan hij zich niks meer herinneren. Een van de jongens heeft toen alles uit zijn broekzakken gehaald, waaronder een iPhone en zijn portemonnee.3

Verbalisant [naam 2] heeft de camerabeelden bekeken en beschrijft daarop het volgende te hebben waargenomen. Aangever [naam 1] raakt in gesprek met een onbekende jongen, NN1. Kennelijk haalt [naam 1] een portemonnee uit zijn broekzak en kijkt daar openlijk in. [naam 1] loopt vervolgens de portiek in en gaat kennelijk met zijn handen in zijn broek. NN1 blijft voor de portiek staan. Nadat [naam 1] uit de portiek komt gelopen laat NN1 kennelijk iets aan [naam 1] zien op zijn GSM. Op een gegeven moment komt een andere onbekende jongen erbij staan, NN2. NN2 heeft iets in zijn hand dat hij overgeeft aan NN1. Er komt nog een onbekende jongen bij, NN3. NN1 en NN2 gaan kort om [naam 1] heen staan. Plotseling geeft NN2 met zijn rechterhand een klap tegen de linker gezichtshelft van [naam 1] . [naam 1] staat te wankelen op zijn benen als gevolg van de klap. NN1 en NN2 houden [naam 1] vast. Het lichaam van [naam 1] oogt verslapt. NN1 en NN2 zitten aan de broekzakken van [naam 1] . NN1 en NN2 trekken en duwen [naam 1] de eerder genoemde portiek in. NN1 houdt [naam 1] in een nekklem. NN2 trekt [naam 1] de portiek in. Zowel NN1 en NN2 graaien naar de broekzakken van [naam 1] . [naam 1] probeert zich meermaals los te rukken. NN1 en NN2 houden [naam 1] vast bij zijn nek en kleding en proberen hem de portiek in te trekken. [naam 1] komt uit de portiek. NN1 laat los. NN2 laat ook los en slaat hierop direct met zijn rechterhand nogmaals tegen het gezicht van [naam 1] . [naam 1] valt hierop achteruit op straat. Kennelijk is [naam 1] buitenwesten. NN1 en NN3 lopen rustig weg richting de rotonde aan de Akerstraat . NN2 gaat bij [naam 1] staan en buigt over hem heen, graait in de linker broekzak van [naam 1] en haalt er iets uit, hetgeen hij later in zijn jaszak stopt. NN2 loopt vervolgens ook weg in de richting van NN1 en NN3.4

De verdachte heeft verklaard zich te herkennen op de ter terechtzitting getoonde camerabeelden als zijnde de persoon beschreven als NN2.

Verbalisanten, doende met de aanhouding van verdachte, zagen dat hij tijdens zijn vlucht een portemonnee weg gooide. Deze portemonnee werd veilig gesteld en bleek later eigendom te zijn van aangever [naam 1] . Bij de fouillering werd bovendien in de jaszak van verdachte een iPhone aangetroffen die eigendom bleek te zijn van aangever [naam 1] .5

Bewijsoverwegingen

Uit het bewijsmiddelenoverzicht volgt dat verdachte (NN2) en medeverdachte [naam 3] (NN1) op 30 september 2018 in Heerlen een iPhone en portemonnee van aangever [naam 1] hebben weggenomen. Deze diefstal ging gepaard met geweld, waardoor de diefstal mogelijk werd gemaakt De rechtbank is van oordeel dat de samenwerking tussen verdachte en medeverdachte [naam 3] zo nauw en bewust was dat er sprake is van het in vereniging plegen van de diefstal met geweld. De rechtbank overweegt hiertoe als volgt.

Verbalisanten hebben – net als de rechtbank tijdens de zitting - op de camerabeelden waargenomen dat beide verdachten tezamen en in vereniging de diefstal met geweld hebben gepleegd. Op de camerabeelden is te zien dat beide verdachten meerdere malen graaiende bewegingen maken richting de broekzakken van aangever [naam 1] . Te zien is dat beide verdachten aangever [naam 1] vasthouden, dat verdachte aangever tegen het hoofd slaat en dat medeverdachte [naam 3] aangever in een nekklem houdt. Vervolgens is te zien dat verdachte aangever een tweede keer tegen het hoofd slaat, waarbij aangever op de grond valt. Verdachte buigt dan over hem heen, graait in de linker broekzak van aangever, haalt er iets uit en stopt het in zijn jaszak. Door verbalisanten, doende met de aanhouding van verdachte, wordt gezien dat hij tijdens de vlucht een portemonnee weggooit. Deze portemonnee bleek later eigendom te zijn van aangever [naam 1] . Ook wordt bij verdachte een iPhone aangetroffen die eigendom bleek te zijn van aangever [naam 1] .

De rechtbank stelt vast dat beide verdachten een min of meer gelijk aandeel hebben gehad in de beroving. Beide verdachten maakten graaiende bewegingen in de broekzakken van [naam 1] en beide verdachten hebben geweld gepleegd, hetzij door te slaan, hetzij door te duwen en trekken en aangever in een nekklem te houden. Vast staat dat door de verdachten gezamenlijk is geacteerd. De handelingen van beide verdachten waren op elkaar afgestemd en hadden duidelijk tot doel, welk doel ook is bereikt, aangever te bestelen van de inhoud van zijn broekzakken, die – naar achteraf bleek- bestond uit een iPhone en de portemonnee. Daarmee is naar het oordeel van de rechtbank zowel het oogmerk van de diefstal met geweld alsook de bewuste en nauwe samenwerking gegeven. Niet is gebleken dat het opzet niet (mede) was gericht op het wegnemen van de portemonnee én de iPhone. De suggestie dat verdachte aldus handelde omdat hij, naar later bleek ten onrechte verkeerde in de veronderstelling dat aangever in het bezit zou zijn van zijn telefoon volgt de rechtbank niet. Niet aannemelijk is gemaakt dat er een grond voor deze veronderstelling zou zijn. Ook uit de feitelijke gang van zaken, zoals weergeven bij de beschrijving van de camerabeelden, kan de rechtbank dit niet afleiden. Het verweer slaagt derhalve niet.

3.4

De bewezenverklaring

De rechtbank acht bewezen dat verdachte

op 30 september 2018 in de gemeente Heerlen, op de openbare weg, te weten de Plaarstraat , tezamen en in vereniging met een ander, een iPhone en een portemonnee (met inhoud),

toebehorende aan [naam 1] , heeft weggenomen met het oogmerk om het zich wederrechtelijk toe te eigenen, terwijl deze diefstal werd voorafgegaan, vergezeld en gevolgd van geweld tegen die [naam 1] , gepleegd met het oogmerk om die diefstal voor te bereiden of gemakkelijk te maken, hetzij het bezit van het gestolene te verzekeren, door die [naam 1] meermalen, tegen het hoofd te slaan en die [naam 1] in een nekklem te houden;

De rechtbank acht niet bewezen hetgeen meer of anders is ten laste gelegd. De verdachte zal daarvan worden vrijgesproken.

4 De strafbaarheid van het bewezenverklaarde

Het bewezenverklaarde levert het volgende strafbare feit op:

diefstal, voorafgegaan, vergezeld en gevolg van geweld, gepleegd tegen personen met het oogmerk om die diefstal voor te bereiden en gemakkelijk te maken, hetzij het bezit van het gestolene te verzekeren, terwijl het feit wordt gepleegd door twee of meer verenigde personen.

Er zijn geen feiten of omstandigheden aannemelijk geworden die de strafbaarheid van het feit uitsluiten.

5 De strafbaarheid van de verdachte

De verdachte is strafbaar, omdat geen feiten of omstandigheden aannemelijk zijn geworden die zijn strafbaarheid uitsluiten.

6 De straf en/of de maatregel

6.1

De vordering van de officier van justitie

De officier van justitie heeft gevorderd aan verdachte op te leggen een gevangenisstraf voor de duur van 12 maanden met aftrek van de tijd die verdachte in voorarrest heeft doorgebracht.

6.2

Het standpunt van de verdediging

De raadsman heeft verzocht om bij een bewezenverklaring van beroving, mede gelet op het tijdsverloop, het advies van de reclassering en de persoonlijke omstandigheden van verdachte, te volstaan met het opleggen van een straf gelijk aan het voorarrest met eventueel daarnaast een taakstraf. De raadsman heef verzocht aan verdachte geen bijzondere voorwaarden op te leggen.

6.3

Het oordeel van de rechtbank

Bij de bepaling van de op te leggen straf is gelet op de aard en ernst van hetgeen bewezen is verklaard, op de omstandigheden waaronder het bewezenverklaarde is begaan en op de persoon van de verdachte, zoals een en ander uit het onderzoek ter terechtzitting naar voren is gekomen.

Verdachte heeft zich, samen met medeverdachte [naam 3] , schuldig gemaakt aan een straatroof waarbij de iPhone en de portemonnee van aangever [naam 1] werden weggenomen. Deze diefstal ging gepaard met geweld tegen [naam 1] en vond plaats op de openbare weg, in het uitgaansgebied van Heerlen. Het uitgeoefende geweld bestond onder andere uit het meermalen slaan van het slachtoffer tegen het hoofd en het houden van het slachtoffer in een nekklem.

Verdachte heeft door zijn handelen gezorgd voor gevoelens van angst en onveiligheid bij het slachtoffer. Ook heeft een en ander zich afgespeeld in het uitgaansgebied waar velen ongewild getuige waren van deze straatroof. Dit alles rekent de rechtbank verdachte aan.

De rechtbank heeft bij de bepaling van de straf gekeken naar de LOVS-oriëntatiepunten voor straatroof. Voor dit feit is het uitgangspunt een onvoorwaardelijke gevangenisstraf voor de duur van zes maanden. Hierbij werkt strafverzwarend dat verdachte het feit in vereniging met medeverdachte [naam 3] heeft gepleegd. Voorts houdt de rechtbank ten nadele van verdachte rekening met het feit dat hij een groter aandeel heeft gehad in het geweldsgebruik. Ten voordele van verdachte houdt de rechtbank rekening met het feit dat verdachte blijkens zijn strafblad van 23 september 2020 niet eerder is veroordeeld voor soortgelijke strafbare feiten. Gelet op het vorenstaande acht de rechtbank in beginsel alleen een onvoorwaardelijke gevangenisstraf op zijn plaats.

De reclassering heeft op 16 september 2020 een rapport over verdachte opgemaakt. Daaruit blijkt dat er zowel beschermende factoren zoals werk, huisvesting en de huidige begeleiding aanwezig zijn, als ook risico’s in onopgeloste problemen. De reclassering heeft geadviseerd om aan verdachte een taakstraf op te leggen. Zij achten reclasseringsinterventies niet nodig en niet uitvoerbaar, mede omdat verdachte binnen het schorsingstoezicht van de voorlopige hechtenis in deze zaak onvoldoende heeft meegewerkt aan het reclasseringstoezicht. Het recidiverisico wordt daardoor ingeschat als gemiddeld. De reclassering is van mening dat een gevangenisstraf de opgebouwde stabiliteit van verdachte in gevaar zou brengen, waardoor de kans op recidive toe kan nemen. De reclassering acht het bij een bewezenverklaring daarom passend om aan verdachte een taakstraf op te leggen.

De rechtbank ziet in hetgeen door de reclassering ten grondslag is gelegd aan haar advies aanleiding om aan verdachte een voorwaardelijke straf op te leggen, om verdachte ervan te weerhouden zich in de toekomst wederom schuldig te maken aan strafbare feiten. De rechtbank zal daarom in het onderhavige geval afwijken van de eis van de officier van justitie, het advies van de reclassering en het uitgangspunt van oplegging van een onvoorwaardelijke gevangenisstraf en zal volstaan met het opleggen van een deels voorwaardelijke gevangenisstraf.

De redelijke termijn is weliswaar overschreden, maar die overschrijding bedraagt nog geen drie weken en is derhalve zo gering, dat de rechtbank volstaat met de constatering van deze overschrijding. Er zijn door de verdediging geen feiten of omstandigheden aangevoerd die tot een ander oordeel zouden moeten leiden.

Alles overwegende zal de rechtbank verdachte veroordelen tot een gevangenisstraf voor de duur van 6 maanden, met aftrek van het voorarrest, waarvan 3 maanden voorwaardelijk, met een proeftijd van 2 jaren.

7 De benadeelde partij en de schadevergoedingsmaatregel

7.1

De vordering van de benadeelde partij

De benadeelde partij [naam 1] heeft een vordering ingediend met betrekking tot de geleden schade als gevolg van het ten laste gelegde feit. Hij heeft een schadevergoeding gevorderd van € 8.206,80 bestaande uit materiële en immateriële schade. Tevens heeft de benadeelde partij verzocht de schadevergoedingsmaatregel op te leggen en het bedrag te vermeerderen met de wettelijke rente over dat bedrag.

7.2

Het standpunt van de officier van justitie

De officier van justitie heeft gerekwireerd tot onverkorte toewijzing van voornoemde vordering. De officier van justitie heeft voorts verzocht de wettelijke rente en de schadevergoedingsmaatregel op te leggen.

7.3

Het standpunt van de verdediging

De raadsman heeft ten aanzien van de materiële schade verzocht de vordering voor wat betreft het eigen risico niet-ontvankelijk te verklaren, gelet op de bepleite vrijspraak voor de geweldscomponent. Voor wat betreft de kosten van de bezoeken aan de psycholoog heeft de raadsman eveneens verzocht de vordering niet-ontvankelijk te verklaren, nu het causale verband daarvan niet eenvoudig is vast te stellen en dit een onevenredige belasting van het strafproces zou opleveren. De raadsman heeft voorts verzocht de vordering niet-ontvankelijk te verklaren voor wat betreft de nog te maken kosten in verband met toekomstige behandelingen, nu uit de medische gegevens blijkt dat de houding van [naam 1] hierbij een rol speelt en het niet redelijk is dit op verdachte te verhalen. Met betrekking tot de studiekosten heeft de raadsman primair verzocht de vordering af te wijzen, nu het causale verband onvoldoende is onderbouwd. Subsidiair heeft de raadsman verzocht de vordering ten aanzien van de studiekosten niet-ontvankelijk te verklaren. De raadsman heeft voor wat betreft de kosten van informatieverstrekking door de huisarts verzocht de vordering af te wijzen nu een patiënt doorgaans gratis recht zou moeten hebben op kennisname en dit niet voor rekening van [naam 1] zou moeten komen.

De raadsman heeft ten slotte ten aanzien van de immateriële schade primair verzocht de vordering niet-ontvankelijk te verklaren, gelet op de summiere onderbouwing. Subsidiair heeft de raadsman verzocht de gevorderde immateriële schade aanzienlijk te matigen.

7.4

Het oordeel van de rechtbank

De rechtbank is van oordeel dat de vordering van de benadeelde partij gedeeltelijk voor toewijzing vatbaar is.

Materiële schade

De rechtbank is van oordeel dat de gevorderde materiële schade voor wat betreft het gevorderde eigen risico van € 385,- en de kosten van het opvragen van de medische gegevens bij de huisarts van € 41,80 voor toewijzing vatbaar zijn. Dit is schade die het direct gevolg is van het onrechtmatige handelen van verdachte. In totaal zal de rechtbank een bedrag van € 426,80 aan materiële schade toewijzen.

De rechtbank is van oordeel dat de overige gevorderde materiële schade niet-ontvankelijk moet worden verklaard, nu vooralsnog niet is gebleken van een causale verband tussen het bewezen verklaarde feit en deze schade. Een nader onderzoek daarnaar zou deze strafprocedure teveel belasten. Voor dit deel van de vordering zal [naam 1] dan ook niet ontvankelijk verklaard worden. Dat laat onverlet dat hij deze vordering nog bij de burgerlijke rechter kan aanbrengen.

Immateriële schade

De roofoverval heeft lichamelijk letsel bij [naam 1] teweeggebracht, te weten een schaafwond in de nek en op het hoofd en een zwelling van de onderkaak. [naam 1] heeft hier blijkens de toelichting op zijn vordering enige tijd last en hinder van ondervonden. Gelet op het bepaalde in artikel 6:106 lid 1 sub b B.W. kan een vordering voor immateriële schade dus worden toegewezen. De omvang van het toe te wijzen bedrag, zal de rechtbank ex aequo et bono in redelijkheid begroten en vaststellen op een bedrag van € 500,00. De rechtbank heeft hier mede acht geslagen op wat in vergelijkbare gevallen in de jurisprudentie wordt toegekend. De rechtbank zal de vordering van [naam 1] voor het overige afwijzen.

Totale schade en wettelijke rente

De rechtbank zal de hiervoor genoemde schade aldus vaststellen op een bedrag van
€ 926,80. Verdachte is naar burgerlijk recht aansprakelijk voor deze schade. De rechtbank zal de verdachte daarom veroordelen tot betaling van dat bedrag, te vermeerderen met de wettelijke rente over dat bedrag, te rekenen vanaf 30 september 2018 tot de dag der algehele voldoening.

De rechtbank zal de vordering hoofdelijk toewijzen, nu verdachte de schade samen met medeverdachte [naam 3] heeft veroorzaakt.

Schadevergoedingsmaatregel

De rechtbank zal tevens aan verdachte de verplichting opleggen aan de staat een bedrag te betalen van € 926,80, te vermeerderen met de wettelijke rente over dat bedrag te rekenen vanaf 30 september 2018 tot de dag der algehele voldoening, bij gebreke van betaling en verhaal te vervangen door gijzeling voor de duur van 18 dagen, te betalen ten behoeve van [naam 1] , zoals hierna in het dictum genoemd.

Kostenveroordeling

De rechtbank zal over de vordering van de benadeelde partij, overeenkomstig het hiervoor overwogene, beslissen zoals hierna is vermeld, alsmede over de kosten die door de benadeelde partij zijn gemaakt, thans begroot op nihil.

8 De wettelijke voorschriften

De beslissing berust op de artikelen 14a, 14b, 14c, 36f en 312 van het Wetboek van Strafrecht, zoals deze artikelen luidden ten tijde van het bewezenverklaarde.

9 De beslissing

De rechtbank:

Bewezenverklaring

  • -

    verklaart het tenlastegelegde bewezen zoals hierboven onder 3.4 is omschreven;

  • -

    spreekt de verdachte vrij van wat meer of anders is ten laste gelegd;

Strafbaarheid

  • -

    verklaart dat het bewezenverklaarde het strafbare feit oplevert zoals hierboven onder 4 is omschreven;

  • -

    verklaart de verdachte strafbaar;

Straf

  • -

    veroordeelt de verdachte tot een gevangenisstraf van 6 maanden, waarvan 3 maanden voorwaardelijk, met een proeftijd van 2 jaren;

  • -

    beveelt dat de tijd die door de veroordeelde vóór de tenuitvoerlegging van deze uitspraak in voorarrest is doorgebracht, bij de uitvoering van deze gevangenisstraf in mindering zal worden gebracht;

  • -

    bepaalt dat de het voorwaardelijke gedeelte van de straf niet ten uitvoer zal worden gelegd, tenzij de rechter later anders mocht gelasten, omdat de veroordeelde voor het einde van een proeftijd van 2 jaren zich aan een strafbaar feit heeft schuldig gemaakt;

Benadeelde partij en schadevergoedingsmaatregel

  • -

    wijst toe de vordering van de benadeelde partij [naam 1] en veroordeelt verdachte om tegen bewijs van kwijting aan de benadeelde partij te betalen een bedrag van € 926,80, bestaande uit € 426,80 aan materiële schade en € 500,- aan immateriële schade, te vermeerderen met de wettelijke rente te berekenen over de periode van 30 september 2018 tot aan de dag van de volledige voldoening;

  • -

    verklaart de benadeelde partij niet-ontvankelijk voor zover de materiele vordering het bedrag ad € 426,80 te boven gaat en wijst de gevorderde immateriële schadevergoeding af voor zover die vordering een bedrag van € 500,00 te boven gaat.

  • -

    bepaalt dat voor zover dit bedrag door medeverdachte [naam 3] is betaald, de verdachte niet gehouden is dit bedrag aan de benadeelde partij te betalen;

  • -

    veroordeelt de verdachte in de kosten door de benadeelde partij in het kader van deze procedure gemaakt en ten behoeve van de tenuitvoerlegging nog te maken, begroot tot heden op nihil;

  • -

    legt aan de verdachte de verplichting op tot betaling aan de Staat ten behoeve van het slachtoffer, [naam 1], van € 926,80, te vermeerderen met de wettelijke rente te berekenen over de periode van 30 september 2018 tot aan de dag van de volledige voldoening, bij niet betaling en verhaal te vervangen door 18 dagen gijzeling, met dien verstande dat deze gijzeling de betalingsverplichting niet opheft;

  • -

    bepaalt dat, indien de verdachte heeft voldaan aan de verplichting tot betaling aan de Staat daarmee de verplichting tot betaling aan de benadeelde partij in zoverre komt te vervallen en andersom dat, indien de verdachte heeft voldaan aan de verplichting tot betaling aan de benadeelde partij daarmee de verplichting tot betaling aan de Staat in zoverre komt te vervallen;

Dit vonnis is gewezen door mr. M.J.H. van den Hombergh, voorzitter, mr. M.M. Beije en mr. I.P. de Groot, rechters, in tegenwoordigheid van mr. M.H.C. van den Munckhof, griffier, en uitgesproken ter openbare zitting van 2 november 2020.

Buiten staat

Mr. I.P. de Groot is niet in de gelegenheid dit vonnis mede te ondertekenen.

De griffier is niet in de gelegenheid dit vonnis mede te ondertekenen.

BIJLAGE I: De tenlastelegging

Aan de verdachte is ten laste gelegd dat

1.

hij op of omstreeks 30 september 2018 in de gemeente Heerlen, op of aan de

openbare weg, te weten de Plaarstraat , tezamen en in vereniging met een of

meer anderen, althans alleen, een iPhone en/of een portemonnee (met inhoud),

in elk geval enig goed, dat geheel of ten dele aan een ander dan aan verdachte

en/of zijn mededader(s) toebehoorde, te weten aan [naam 1] , heeft

weggenomen met het oogmerk om het zich wederrechtelijk toe te eigenen,

terwijl deze diefstal werd voorafgegaan, vergezeld en/of gevolgd van geweld

en/of bedreiging met geweld tegen die [naam 1] , gepleegd met het oogmerk om die

diefstal voor te bereiden of gemakkelijk te maken, of om, bij betrapping op

heterdaad, aan zichzelf of andere deelnemers aan het misdrijf hetzij de vlucht

mogelijk te maken, hetzij het bezit van het gestolene te verzekeren, door

die [naam 1] meermalen, althans eenmaal, tegen het hoofd en/of het lichaam

heeft gestompt en/of geslagen en/of getrapt en/of geschopt en/of die [naam 1]

in een nekklem heeft gehouden en/of die [naam 1] (hardhandig) naar/op de grond

heeft gewerkt;

1 Waar hierna wordt verwezen naar paginanummers, wordt - tenzij anders vermeld - gedoeld op paginanummers uit het proces-verbaal van politie Eenheid Limburg, proces-verbaalnummer PL2300-2018149245-1 , gesloten d.d. 29 oktober 2018, doorgenummerd van pagina 1 tot en met pagina 156.

2 Het proces-verbaal van bevindingen van verbalisanten [naam 4] en [naam 5] d.d. 30 september 2018, p. 54-55.

3 Het proces-verbaal van aangifte van [naam 1] d.d. 30 september 2018, p. 23-24.

4 Het proces-verbaal van bevindingen van verbalisant [naam 2] d.d. 30 september 2018, p. 60-61.

5 Het proces-verbaal van bevindingen van verbalisanten [naam 4] en [naam 5] d.d. 30 september 2018, p. 54-55; Kennisgeving van inbeslagneming, p. 103.