Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBLIM:2020:8369

Instantie
Rechtbank Limburg
Datum uitspraak
21-02-2020
Datum publicatie
30-10-2020
Zaaknummer
C/03/220888 / HA ZA 16-282
Formele relaties
Hoger beroep: ECLI:NL:GHSHE:2021:42
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

Art. 843a Rv. bepaalbare bescheiden.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

vonnis

RECHTBANK LIMBURG

Burgerlijk recht

Zittingsplaats Maastricht

zaaknummer: C/03/220888 / HA ZA 16-282

Vonnis in het incident van 21 oktober 2020

in de zaak van

de besloten vennootschappen met beperkte aansprakelijkheid

1. [eiseres in hoofdzaak, eiseres in incident sub 1],

2. [eiseres in hoofdzaak, eiseres in incident sub 2],

3. [eiseres in hoofdzaak, eiseres in incident sub 3],

allen gevestigd te [vestigingsplaats 1] ,

en de naamloze vennootschap naar Belgisch recht

4. [eiseres in hoofzaak, eiseres in incident sub 4],

gevestigd te [vestigingsplaats 2] ,

eisers in de hoofdzaak, eisers (in conventie) in het incident ex art. 843a Rv,

hierna gezamenlijk aangeduid als: [eisers in hoofdzaak, eisers in incident] , en individueel als [eiseres in hoofdzaak, eiseres in incident sub 1] , [eiseres in hoofdzaak, eiseres in incident sub 2] , [eiseres in hoofdzaak, eiseres in incident sub 3] respectievelijk [eiseres in hoofzaak, eiseres in incident sub 4] ,

advocaat mr. Ph.W. Schreurs,

tegen:

1 [gedaagde in hoofdzaak, verweerder in incident sub 1] ,

2. BEHEERMAATSCHAPPIJ ARROS B.V.

3. [eiser in hoofdzaak, verweerder in incident sub 3],

4. [eiseres in hoofdzaak, verweerster in incident sub 4],

5. ROXX INTERNATIONAL B.V.,

6. NIMA N.V.,

allen wonende dan wel gevestigd te [plaats] ,

gedaagden in de hoofdzaak, verweerders in het incident ex art. 843a Rv,

hierna gezamenlijk aangeduid als [gedaagden in hoofdzaak, verweerders in incident] , en individueel als [gedaagde in hoofdzaak, verweerder in incident sub 1] , [eiser in hoofdzaak, verweerder in incident sub 3] , Arros, [eiseres in hoofdzaak, verweerster in incident sub 4] , Roxx en Nima,

advocaat mr. R.H.G.M. Kerckhoffs.

Wederom gezien de stukken, waaronder de in het incident genomen rolbeslissing van 22 april 2020. De Rechtbank zal in dit vonnis de nummering voortzetten van het vonnis van 30 januari 2019, het in deze zaak laatste gewezen vonnis.

7 De procedure

7.1

Nadat de rolbeslissing van 22 april 2020 is uitgesproken:

  • -

    heeft de deskundige bij brief van 17 juli 2020 zijn rapport van 16 juli 2020 aan de rechtbank doen toekomen;

  • -

    hebben [gedaagden in hoofdzaak, verweerders in incident] een provisionele vordering alsook akte na deskundigenbericht met productie 26 genomen;

  • -

    hebben [eisers in hoofdzaak, eisers in incident] een akte uitlaten n.a.v. deskundigenbericht genomen met productie 132;

  • -

    hebben [eisers in hoofdzaak, eisers in incident] een conclusie van antwoord in incident genomen.

7.2

Daarna is vonnis bepaald op heden.

8 De verdere beoordeling in het incident

8.1

Volgens [gedaagden in hoofdzaak, verweerders in incident] volgt uit HR 1 mei 2020, ECLI:NL:HR:2020:830 dat de rechtbank een misslag heeft begaan door de inzagevordering toe te wijzen (randnr. 1.2 provisionele vordering). Anders dan [gedaagden in hoofdzaak, verweerders in incident] ziet de rechtbank niet dat in het onderhavige geval de gebruikte zoektermen zodanig zijn geweest dat op dit moment kan en moet worden vastgesteld dat de bescheiden onvoldoende bepaald zijn. Dat de zoektocht langdurig en ingewikkeld is, betekent immers niet dat de bescheiden niet voldoende zijn bepaald. Zo is een speld in een hooiberg een voldoende bepaald bescheid, maar spreekwoordelijk niet eenvoudig te vinden. In zijn algemeenheid merkt de rechtbank nog op dat het vereiste in art. 843a Rv van bepaaldheid van bescheiden zo casuïstisch is dat dit van geval tot geval zal moeten worden beoordeeld. Jurisprudentie kan daarbij een hulpmiddel zijn. Een arrest als het net genoemde, waarin de Hoge Raad niet meer heeft meegedeeld dan dat het middel niet tot cassatie leidt zonder verdere motivering (toepassing van art. 81 lid 1 RO), terwijl ter toetsing voorlag een casuïstisch oordeel van het hof dat de bescheiden niet voldoende bepaald waren, biedt echter onvoldoende steun aan de stelling van [gedaagden in hoofdzaak, verweerders in incident] dat die uitspraak helderheid geeft over hoe met bewijsbeslagen moet worden omgegaan in een geval van een grote hoeveelheid digitale bestanden en dat de rechtbank moet terugkomen op een foute beslissing. Het terugkomverzoek wordt afgewezen. Het overige door [gedaagden in hoofdzaak, verweerders in incident] hieromtrent aangevoerde, zijn grieven tegen eerder door de rechtbank gegeven oordelen. Daarvoor bestaat het rechtsmiddel hoger beroep. Die grieven behoeven hier verder geen bespreking. Evenmin behoeven hier, in het kader van de terugkomvordering van [gedaagden in hoofdzaak, verweerders in incident] , bespreking de klachten van [gedaagden in hoofdzaak, verweerders in incident] voor zover gebaseerd op de wijze waarop de deskundige zijn onderzoek heeft uitgevoerd en de resultaten van het deskundigenonderzoek. Dit betreffen namelijk punten van inhoudelijke aard over het deskundigenrapport. Beoordeling daarvan past niet in het kader van de terugkom-problematiek.

8.2

[gedaagden in hoofdzaak, verweerders in incident] hebben verder middels provisionele vordering gevorderd dat de rechtbank de inzage zal opschorten en, meer subsidiair, dat de rechtbank hoger beroep zal openstellen tegen het tussenvonnis van 14 maart 2018 en de inzage en de bodemprocedure zal opschorten totdat in hoger beroep en eventueel cassatie is geoordeeld (randnrs. 2.89 en 2.90 van de provisionele vordering). Daargelaten het antwoord op de vraag of het verzoek om hoger beroep open te stellen tegen het tussenvonnis van 14 maart 2018 gedaan had moeten worden binnen de appeltermijn van drie maanden gerekend vanaf 14 maart 2018, ziet de rechtbank geen termen voor toewijzing. De onderhavige hoofdzaak is ingesteld bij dagvaarding van 4 mei 2016, ruim vier jaar geleden. Die hoofdzaak lijkt niet op korte termijn te kunnen worden afgerond, zodat op de voet van art. 20 Rv vertraging die tussentijds hoger beroep met zich brengt, niet acceptabel is. De overige bezwaren van [gedaagden in hoofdzaak, verweerders in incident] vloeien voort uit de door de wetgever gekozen hoofdregel zoals neergelegd in art. 337 lid 2 Rv en zijn onvoldoende zwaar van gewicht om de uitzondering toe te passen. De verzoeken tot opschorting en openstelling van hoger beroep worden dus afgewezen.

Het deskundigenrapport

8.3

De deskundige heeft een aantal verzoeken gedaan, waarop partijen hebben gereageerd zoals hierna vermeld.

Verzoek 1: De onderzoekinstructie voorziet niet in hercontrole en/of opvolgende hercontroles. Dient/dienen hercontrole(s) te worden ingericht en zo ja, voor welke duur?

[gedaagden in hoofdzaak, verweerders in incident] willen hercontrole; [eisers in hoofdzaak, eisers in incident] niet.

Verzoek 2: De onderzoekinstructie voorziet niet in anonimisering. Dient anonimisering plaats te vinden en zo ja, op welke wijze?

[gedaagden in hoofdzaak, verweerders in incident] willen anonimisering; [eisers in hoofdzaak, eisers in incident] niet.

Verzoek 3: Kan de productieset, als tot stand gekomen na beoordeling en verwerking door de deskundige van de reacties in controle door [gedaagden in hoofdzaak, verweerders in incident] , aan [eisers in hoofdzaak, eisers in incident] worden

verstrekt?

[gedaagden in hoofdzaak, verweerders in incident] willen dat hoger beroep wordt afgewacht voordat wordt beslist over verstrekking; [eisers in hoofdzaak, eisers in incident] wil thans verstrekking.

Verzoek 4: In vervolg op 8.1 - Het zoeken naar een in de onderzoekinstructie/het vonnis

aangegeven document als een vrachtbrief, terwijl op dat document (de vrachtbrief)

niet die duiding (‘vrachtbrief’) is vermeld, zal geen deel uitmaken van de productieset.

Hoe dient met dergelijke vraagstukken te worden omgegaan?

[gedaagden in hoofdzaak, verweerders in incident] stellen dat in dergelijke gevallen niet mag worden gezocht of er brieven zijn waarop het woord ‘vrachtbrief’ niet staat, maar die naar inhoud wel vrachtbrief zijn; [eisers in hoofdzaak, eisers in incident] menen dat inhoud boven vorm gaat.

Verzoek 5: In vervolg op 8.2 - Randnummer 3.33 van het vonnis van 14 maart 2018 voorziet niet in toepassing van synoniemen. Hoe dient met synoniemen te worden omgegaan?

Volgens [gedaagden in hoofdzaak, verweerders in incident] mag niet op synoniem worden gezocht omdat zoektermen voldoende specifiek moeten zijn; volgens [eisers in hoofdzaak, eisers in incident] mag op synoniemen worden gezocht.

Verzoek 6: [eisers in hoofdzaak, eisers in incident] doet in reactie het verzoek een quickscan te maken met inachtneming van de overige reactie van [eisers in hoofdzaak, eisers in incident] en een inschatting van het aantal

documenten dat moet worden toegevoegd aan de dataselectie. Indien een ruimere

dataset het gevolg is, dan acht [eisers in hoofdzaak, eisers in incident] het in de rede dat aan [gedaagden in hoofdzaak, verweerders in incident]

een aanvullende controleperiode van twee weken wordt geboden. Hoe dient met dit verzoek te worden omgegaan?

De rechtbank begrijpt dat als het zover komt, beide partijen van mening zijn dat een aanvullende controleperiode aan [gedaagden in hoofdzaak, verweerders in incident] wordt geboden. [gedaagden in hoofdzaak, verweerders in incident] willen daarvoor meer tijd dan twee weken.

8.4

In het hierna volgende geeft de rechtbank haar oordeel over de verzoeken.

Verzoek 1: De rechtbank acht geen termen aanwezig om nadat [gedaagden in hoofdzaak, verweerders in incident] een controle heeft uitgevoerd, nog een hercontrole mogelijkheid te geven. Er bestaan niet voldoende overtuigende argumenten waaruit de conclusie kan worden getrokken dat zodanig fouten zijn gemaakt door de deskundige dat een hercontrole noodzakelijk is.

Verzoek 2: Er bestaan geen voldoende steekhoudende redenen om tot anonimisering over te gaan.

Verzoek 3: Gelet op het vele materiaal dat, naar de rechtbank begrijpt, inmiddels al door de deskundige is gevonden dat valt binnen het bereik van de inzagevordering en de inmiddels lange duur van het geschil acht de rechtbank de tijd rijp om de deskundige thans toestemming te geven om het gevonden materiaal dat valt binnen het bereik van de zoektermen, aan partijen te verstrekken. De rechtbank weegt hierbij mee dat de kosten van de deskundige inmiddels circa € 44.500,- bedragen (nr. 2 akte uitlaten [eisers in hoofdzaak, eisers in incident] ). Het is dus alleszins redelijk om [eisers in hoofdzaak, eisers in incident] de kans te bieden om aan de hand van het thans beschikbare materiaal te beslissen of zij door willen gaan met het inzage-onderzoek met alle kosten van dien, dan wel of zij genoegen nemen met wat nu beschikbaar is. Ter voorkoming van discussies over de vraag of [eisers in hoofdzaak, eisers in incident] bepaalde informatie van derden hebben verkregen of hebben verkregen uit de inzagevordering, moet de deskundige dat materiaal zodanig verstrekken dat later bij hem kan worden vastgesteld of [eisers in hoofdzaak, eisers in incident] het materiaal al dan niet van hem heeft gekregen in verband met de inzagevordering.

Verzoek 4 en 5: de inzagevordering is één van de middelen om de materiële waarheid aan het licht te brengen. In dat kader gaat inhoud boven de vorm. Aan de hand van een concreet voorbeeld: een brief die naar inhoud een vrachtbrief is, behoort ter inzage te worden gegeven, ook als die brief niet het woord ‘vrachtbrief’ bevat (of per abuis ‘vrachtbief’ is geschreven). Aldus behoort de deskundige ook te zoeken op woorden die synoniem zijn met bijvoorbeeld het woord ‘vrachtbrief’ en, gelet op het grensoverschrijdende zakendoen van partijen, op vertalingen van bijvoorbeeld het woord ‘vrachtbrief’ in het Engels, Duits of Frans. De deskundige dient een en ander tijdig aan partijen mee te delen, zodat zij eventuele bezwaren kunnen uiten tegen hetgeen de deskundige als synoniem of als vertaling kwalificeert.

Verzoek 6: De rechtbank ziet geen bezwaren tegen het doen van een quickscan. Die mag dus worden gedaan. Indien sprake is van een ruimere dataset, dient die gecontroleerd te kunnen worden door [gedaagden in hoofdzaak, verweerders in incident] hebben niet voldoende uitgelegd waarom, bezien in het licht van de al lange duur van deze periode, zij niet in staat zouden zijn om dat binnen twee weken te doen. Zij behoren aldus twee weken de tijd te krijgen voor het doen van die betreffende controle.

8.5

De rechtbank ziet op dit moment onvoldoende gronden om op andere punten, bijvoorbeeld de al dan niet vernietiging van materiaal, te beslissen. Op al die punten blijft dus de status quo bestaan. Aldus wordt iedere verdere beslissing aanhouden.

9 De beslissing

De rechtbank

9.1

bepaalt dat geen termen aanwezig zijn om nadat [gedaagden in hoofdzaak, verweerders in incident] een controle heeft uitgevoerd, nog een hercontrolemogelijkheid te geven;

9.2

bepaalt dat geen voldoende steekhoudende redenen bestaan om tot anonimisering over te gaan;

9.3

geeft de deskundige toestemming om het gevonden materiaal dat valt binnen het bereik van de zoektermen, aan partijen te verstrekken;

9.4

bepaalt dat de deskundige bij zijn onderzoek ook mag zoeken op synoniemen of vertalingen in het Engels, Frans of Duits van de ‘zoekwoorden’;

9.5

bepaalt dat een quickscan mag worden gedaan en dat de resultaten daarvan door [gedaagden in hoofdzaak, verweerders in incident] kunnen worden gecontroleerd, waarvoor zij 14 dagen de tijd hebben, gerekend vanaf de dag na ontvangst van die resultaten;

9.6

verklaart dit vonnis tot zover uitvoerbaar bij voorraad;

9.7

houdt iedere verdere beslissing aan.

Dit vonnis is gewezen door mr. J.R. Sijmonsma, rechter, en in het openbaar uitgesproken op 21 oktober 2020.