Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBLIM:2020:8160

Instantie
Rechtbank Limburg
Datum uitspraak
23-10-2020
Datum publicatie
23-10-2020
Zaaknummer
03/134888-20
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

Een gevangenisstraf van 12 maanden waarvan 4 maanden voorwaardelijk met een proeftijd van 3 jaar voor het aanwezig hebben van cocaïne en ruim een kilo heroïne in een verborgen ruimte onder de auto. Onvoldoende bewijs voor het tezamen en in vereniging aanwezig hebben van de drugs. Ook onvoldoende bewijs dat verdachte de tenlastegelegde handel in drugs heeft begaan, nu daar geen verder onderzoek naar lijkt te zijn gedaan. Verdachte wordt hiervan vrijgesproken.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK LIMBURG

Zittingsplaats Roermond

Strafrecht

Parketnummer: 03/134888-20

Tegenspraak

Vonnis van de meervoudige kamer d.d. 23 oktober 2020

in de strafzaak tegen

[verdachte] ,

geboren te [geboorteplaats] op [geboortedatum 1] 1989,

thans gedetineerd in P.I. Sittard te Sittard.

De verdachte wordt bijgestaan door mr. D.N. de Jonge, advocaat, kantoorhoudende te Rotterdam.

1 Onderzoek van de zaak

De zaak is inhoudelijk behandeld op de zitting van 9 oktober 2020. De verdachte en zijn raadsvrouw zijn verschenen. De officier van justitie en de verdediging hebben hun standpunten kenbaar gemaakt.

2 De tenlastelegging

De tenlastelegging is als bijlage aan dit vonnis gehecht.

De verdenking komt er, kort en feitelijk weergegeven, op neer dat de verdachte:

Feit 1: al dan niet samen met een ander in het bezit was van 1055,73 gram heroïne en 6,16 gram cocaïne;

Feit 2: al dan niet samen met een ander heroïne en cocaïne naar het buitenland heeft gebracht, verkocht, afgeleverd, verstrekt of vervoerd.

3 De beoordeling van het bewijs

3.1

Het standpunt van de officier van justitie

De officier van justitie heeft zich op het standpunt gesteld dat beide tenlastegelegde feiten wettig en overtuigend kunnen worden bewezen. Verdachte heeft tezamen en in vereniging met [naam] de drugs aanwezig gehad en heeft de drugs ook tezamen en in vereniging met [naam] en anderen gedeald in de gehele tenlastegelegde periode. De officier van justitie heeft in dat verband gewezen op de leugenachtige verklaring van verdachte over het op naam zetten van de Renault Twingo, de aangetroffen drugs, de diverse meldingen dat er drugs worden gedeald vanuit de Renault Twingo en de Volkswagen Golf, de diverse registraties in het politiesysteem dat verdachte samen met [naam] rondrijdt in een drugsdealgebied in Kerkrade, de dacty- en DNA-sporen van verdachte op de goederen in de verborgen ruimte, de aangetroffen dealertelefoon en het feit dat verdachte in de arrestantenbus wit poeder heeft proberen weg te maken. Het dealen van drugs vond in de omgeving van Kerkrade plaats en in de bij verdachte aangetroffen dealertelefoon staan ongeveer 200 Duitse afnemers. Op grond hiervan is volgens de officier van justitie sprake van verlengde uitvoer.

3.2

Het standpunt van de verdediging

De raadsvrouw heeft zich op het standpunt gesteld dat verdachte van beide tenlastegelegde feiten moet worden vrijgesproken. Ten aanzien van feit 1 bevat het dossier volgens de raadsvrouw onvoldoende bewijs dat verdachte wetenschap had van de aanwezigheid van de drugs in de verborgen ruimte van Renault Twingo en dat hij daarover de feitelijke beschikkingsmacht had. Ook voor het medeplegen is onvoldoende bewijs. Verdachte heeft enkel de Renault Twingo op naam van zijn zusje gezet om een vriend van hem een dienst te bewijzen, maar had niet de beschikking over deze auto. Ten aanzien van feit 2 bevat het dossier eveneens onvoldoende bewijs. Het dossier bevat enkel een aantal anonieme meldingen dat er vanuit de auto van verdachte zou worden gedeald. Verdachte heeft deze personen niet als getuigen kunnen horen en de verklaringen kunnen dan ook niet als bewijs tegen verdachte worden gebruikt. Met betrekking tot de onder verdachte aangetroffen ‘dealertelefoon’ en het onderzoek daaraan heeft de raadsvrouw aangevoerd dat niet is vast te stellen met welke contacten er in de tenlastegelegde periode contact is geweest. Ook is niet vast te stellen dat deze eventuele contacten zagen op drugs en dat het verdachte is geweest die deze contacten zou hebben gehad.

3.3

Het oordeel van de rechtbank 1

3.3.1

Vrijspraak – handel in harddrugs (feit 2)

De rechtbank is, met de verdediging, van oordeel dat op grond van het dossier en het onderzoek ter terechtzitting onvoldoende wettig en overtuigend bewijs aanwezig is dat verdachte de tenlastegelegde handel in harddrugs heeft begaan nu daar geen verder onderzoek naar lijkt te zijn gedaan, zodat de rechtbank verdachte daarvan moet vrijspreken.

3.3.2

Het bewijs – opzettelijke aanwezigheid harddrugs (feit 1)

Verbalisanten [verbalisant 1] en [verbalisant 2] 2 relateerden – zakelijk weergegeven – als volgt:

Op 7 februari 2020 waren wij gekleed in uniform en reden wij in een opvallend dienstvoertuig. Wij reden op A76 en waren belast met een zogenaamde 24/7 surveillance. Aldaar zagen wij een witte Renault Twingo rijden met het kenteken, [kenteken] . In het voertuig zat een mannelijke bestuurder, te weten de later door ons gecontroleerde [naam] . Bij bevraging van het kenteken zag ik, [verbalisant 1] , dat het voertuig was afgegeven op naam van een vrouw genaamd, [getuige] te [woonplaats] . Ter controle op de naleving van de krachtens de Wegenverkeerswet 1994 gestelde voorschriften stelden wij een onderzoek in. Om goed contact te krijgen en door het geluid van treinen die aldaar langsreden en de naastgelegen autosnelweg maakte ik, [verbalisant 1] , de deur van het voertuig open en vorderde van de bestuurder het rij - en kentekenbewijs. Ik, [verbalisant 2] , voegde mij bij collega [verbalisant 1] en rook op het moment dat ik mij naast het voertuig bevond de mij ambtshalve bekende geur van hennep. Ik, [verbalisant 1] , zag dat de bestuurder het kentekenbewijs uit het dashboardkastje van het voertuig haalde. Wij zagen dat in het dashboardkastje een paspoort lag. Ik, [verbalisant 1] , vroeg aan de bestuurder of dit zijn paspoort was. De bestuurder toonde mij, [verbalisant 1] , dit paspoort waarna wij zagen dat dit paspoort op naam stond van: [verdachte] geboren op [geboortedatum 1] 1989 te [geboorteplaats] . Ik, [verbalisant 1] keek aandachtig naar diverse punten in het voertuig en zag hierbij afwijkingen in het voertuig. Het is mij, [verbalisant 1] , bekend dat zulke afwijkingen dikwijls duiden op de mogelijke aanwezigheid van een verborgen ruimte. Ik, [verbalisant 1] , constateerde enkele afwijkingen waarbij ik het vermoeden kreeg dat er mogelijk een verborgen ruimte al dan niet geprepareerd in het voertuig aanwezig was. Gezien de bovenstaande feiten en omstandigheden alsmede het feit dat er door mij, [verbalisant 2] , de ambtshalve bekende geur van hennep was geroken werd het voertuig door ons in beslag genomen. Wij brachten het voertuig over naar een plaats van onderzoek. Aldaar constateerden wij dat onder het voertuig een niet originele metalen bak was gelast en dat er derhalve een verborgen ruimte in het voertuig bevond. De afgeschermde ruimtes zijn geen voorzieningen die standaard in dit voertuig aanwezig zijn, of door de betreffende fabriek worden geleverd. Deze ruimtes zijn dus achteraf ingebouwd (en wel op een zeer professionele wijze.) De afwerking is van dusdanige kwaliteit dat deze ruimtes niet te ontdekken zijn zonder gedegen onderzoek. De ruimtes konden enkel en alleen ontgrendeld worden door mechanische handelingen.

In de Renault Twingo werd in de verborgen ruimte aangetroffen: een Albert Heijn tas met twee vierkante blokken die de verbalisanten ambtshalve herkenden als blokken waarin doorgaans harddrugs wordt verpakt, een weegschaal en een plastic doos met eveneens harddrugs en allerlei attributen die gebruikt worden bij het verpakken en versnijden van verdovende middelen.3 De twee vierkante blokken werden in beslag genomen en voorzien van nummer 1293216.4 De plastic doos met daarin de weegschaal, witte en bruine brokken en verschillende attributen werd in beslag genomen en voorzien van nummer 1293217.5

Onderzoek verdovende middelen

De forensische opsporing6 deed nader onderzoek naar de twee vierkante blokken en de plastic doos met attributen.

De twee vierkante blokken7 met een brutogewicht van 1019,95 gram zijn bemonsterd8 en door het NFI positief getest op heroïne.9

Uit de plastic doos met attributen10 werden de volgende goederen veiliggesteld en getest:

- Een grote bruine brok11 met een nettogewicht van 21,27 gram, welke is bemonsterd12 en door het NFI positief getest voor heroïne13;

- Zeven bruine bolletjes14 met een bruto gewicht van 14,51 gram, welke zijn bemonsterd15 en door het NFI positief getest voor heroïne16;

- Zeven witte bolletjes17 met een bruto gewicht van 6,16 gram, welke zijn bemonsterd18 en door het NFI positief getest voor cocaïne.19

Onderzoek dactyloscopische sporen

De forensische opsporing20 deed nader onderzoek naar de aanwezigheid van dacty sporen op de in de verborgen ruimte aangetroffen plastic doos en attributen.21

Een vergelijkend onderzoek met een dacty spoor22 afkomstig van het weeggedeelte van de weegschaal heeft geleid tot individualisatie van het spoor op een persoon, geregistreerd in de landelijke vinger- en handpalmafdrukken verzameling Havank onder de personalia [verdachte] , geboren [geboortedatum 1] 1989 te [geboorteplaats] .23

Een vergelijkend onderzoek met drie dactysporen24 afkomstig van een rol transparante kunststofzakjes heeft geleid tot individualisatie van het spoor op een persoon, geregistreerd in de landelijke vinger- en handpalmafdrukken verzameling Havank onder de personalia [verdachte] , geboren [geboortedatum 1] 1989 te [geboorteplaats] .25

Een vergelijkend onderzoek met drie dactysporen26 afkomstig van de rugzijde van de rol met zwarte folie heeft geleid tot individualisatie van het spoor op een persoon, geregistreerd in de landelijke vinger- en handpalmafdrukken verzameling Havank onder de personalia [verdachte] , geboren [geboortedatum 1] 1989 te [geboorteplaats] .27

Onderzoek DNA-sporen

De forensische opsporing28 deed onderzoek naar de aanwezigheid van biologische sporen op de in de verborgen ruimte aangetroffen plastic doos en attributen.29

Er is een vergelijkend DNA-onderzoek uitgevoerd met een biologisch spoor30 afkomstig van de knoop van het boterhamzakje waarin de bolletjes zaten De bemonstering bevat een DNA-mengprofiel van minimaal twee donoren, van wie zeker één man. Uit het mengprofiel is een DNA-hoofdprofiel afgeleid van een man. De frequentie van dit DNA-hoofdprofiel is kleiner dan één op één miljard en matcht met het DNA-profiel van verdachte [verdachte] .31

Er is een vergelijkend DNA-onderzoek uitgevoerd met een biologisch spoor32 afkomstig van de knoop van het tweede boterhamzakje waarin de bruine brok zat. De bemonstering bevat een DNA-mengprofiel van minimaal twee donoren, van wie zeker één man. Uit het mengprofiel is een DNA-hoofdprofiel afgeleid van een man. De frequentie van dit DNA-hoofdprofiel is kleiner dan één op één miljard en matcht met het DNA-profiel van verdachte [verdachte] .33

Er is een vergelijkend DNA-onderzoek uitgevoerd met een biologisch spoor34 afkomstig van de klemmetjes van de plastic bak. De bemonstering bevat een DNA-mengprofiel van minimaal drie donoren, van wie zeker één man. Uit het mengprofiel is een DNA-hoofdprofiel afgeleid van een man. De frequentie van dit DNA-hoofdprofiel is kleiner dan één op één miljard en matcht met het DNA-profiel van verdachte [verdachte] .35

Verbalisanten [verbalisant 3] en [verbalisant 4] 36 relateerden – zakelijk weergegeven – als volgt:

In de Renault Twingo voorzien van het Nederlandse kenteken [kenteken] werden twee verborgen ruimtes aangetroffen. Tevens zagen wij in het voertuig een huurcontract van een woning gelegen aan de [adres 1] te [plaats] liggen. Dit contract stond op naam van: [verdachte] , geboren [geboortedatum 1] 1986 en hierbij werd een kopie van een identiteitsbewijs aangetroffen ten name van genoemde [verdachte] .

Verbalisanten [verbalisant 5] en [verbalisant 6] 37 relateerden – zakelijk weergegeven – als volgt:

Blijkens het kentekenregister van de Rijksdienst voor het Wegverkeer staat het kenteken [kenteken] sinds 25 januari 2020 op naam van [getuige] , geboren op [geboortedatum 2] , wonende [adres 2] te [woonplaats] .

Getuige [getuige] 38 verklaarde – zakelijk weergegeven – als volgt:

De Renault Twingo voorzien van het kenteken [kenteken] is niet van mij. Ik heb een

gunst gedaan voor mijn broer. Ik heb die auto nooit gezien. Ik heb hem niet gekocht. Ik heb hem toestemming gegeven om de auto op mijn naam te zetten. [verdachte] heeft de Renault Twingo op mijn naam gezet.

3.3.1

Overweging rechtbank feit 1

De rechtbank overweegt dat als uitgangspunt heeft te gelden dat degene die over een voertuig de beschikkingsmacht heeft, verantwoordelijk is voor hetgeen zich daarin bevindt en daarvan ook geacht wordt wetenschap te hebben.

De verdediging heeft aangevoerd dat verdachte niet de feitelijke beschikkingsmacht had over de auto, omdat verdachte de auto zelf niet gebruikte en deze enkel op naam van zijn zusje heeft gezet voor ‘een vriend’. Dit verweer mist feitelijke grondslag en acht de rechtbank ook verder ongeloofwaardig.

De rechtbank overweegt daartoe het volgende.

Het zusje van verdachte heeft verklaard dat zij haar broer een gunst wilde verlenen door toe te stemmen dat hij de Renault Twingo op haar naam zou zetten. In die auto zijn vervolgens meerdere persoonlijke spullen van verdachte, zoals een paspoort en een huurcontract met een kopie van een identiteitsbewijs op zijn naam, aangetroffen. Daarnaast zijn er vingerafdrukken van verdachte en DNA-materiaal dat matcht met het DNA van verdachte aangetroffen op de goederen in de verborgen ruimte onder de auto. DNA-materiaal dat matcht met het DNA van verdachte zat op de klemmen van de plastic bak waarin bolletjes cocaïne en heroïne zaten. Ook zat er DNA-materiaal dat matcht met het DNA van verdachte op de knoop van een boterhamzakje met heroïne en op de knoop van een boterhamzakje met cocaïne en heroïne. Vingerafdrukken van verdachte zijn gevonden op de weegschaal, een rol boterhamzakjes en op een rol zwarte folie die in de plastic bak lagen. Uit deze omstandigheden leidt de rechtbank af dat de verdachte niet alleen gebruik maakte van de auto en er de beschikkingsmacht over had, maar ook dat verdachte wetenschap had van de aanwezigheid van de harddrugs en de beschikkingsmacht daarover had. De aanwezigheid van DNA-materiaal dat matcht met het DNA van verdachte op knopen van dichte boterhamzakjes waarin drugs zaten, impliceert immers dat deze drugs al in het boterhamzakje hebben gezeten voordat er een knoop in is gelegd.

De rechtbank acht dan ook wettig en overtuigend bewezen dat verdachte de harddrugs opzettelijk aanwezig heeft gehad.

De rechtbank is van oordeel dat niet wettig en overtuigend kan worden bewezen dat de verdachte de drugs tezamen en in vereniging met een ander of anderen voorhanden heeft gehad, omdat niet kan worden vastgesteld dat sprake was van een vorm van nauwe en bewuste samenwerking tussen de verdachte en een ander of anderen. De rechtbank spreekt verdachte daarom van dit onderdeel vrij.

3.4

De bewezenverklaring

De rechtbank acht bewezen dat de verdachte:

Feit 1

in de periode van 25 januari 2020 tot en met 7 februari 2020 in Nederland, opzettelijk aanwezig heeft gehad 1055,73 gram heroïne en 6,16 gram cocaïne, zijnde cocaïne en heroïne een middel als bedoeld in de bij de Opiumwet behorende lijst I.

De rechtbank acht niet bewezen hetgeen meer of anders is ten laste gelegd. De verdachte zal daarvan worden vrijgesproken.

4 De strafbaarheid van het bewezenverklaarde

Het bewezenverklaarde levert het volgende strafbare feit op:

Feit 1

opzettelijk handelen in strijd met het in artikel 2 onder C van de Opiumwet gegeven verbod

Er zijn geen feiten of omstandigheden aannemelijk geworden die de strafbaarheid van het feit uitsluiten.

5 De strafbaarheid van de verdachte

De verdachte is strafbaar, omdat geen feiten of omstandigheden aannemelijk zijn geworden die zijn strafbaarheid uitsluiten.

6 De straf

6.1

De vordering van de officier van justitie

De officier van justitie heeft op grond van hetgeen zij bewezen heeft geacht gevorderd aan de verdachte op te leggen een gevangenisstraf voor de duur van 13 maanden met aftrek van het voorarrest, waarvan 3 maanden voorwaardelijk met daaraan gekoppeld de bijzondere voorwaarden van een meldplicht, dagbesteding en een locatieverbod voor de provincie Limburg, met een proeftijd van 3 jaar.

6.2

Het standpunt van de verdediging

De raadsvrouw heeft aangevoerd dat de door de officier van justitie geëiste proeftijd van 3 jaar te lang is. Verdachte is niet meer zo jong en drie jaar lang begeleiding van de reclassering is volgens de raadsvrouw te lang.

6.3

Het oordeel van de rechtbank

Bij de bepaling van de op te leggen straf is gelet op de aard en ernst van hetgeen bewezen is verklaard, op de omstandigheden waaronder het bewezenverklaarde is begaan en op de persoon van de verdachte, zoals een en ander uit het onderzoek ter terechtzitting naar voren is gekomen.

Verdachte heeft ruim een kilo heroïne en 6 gram cocaïne aanwezig gehad in een verbogen ruimte in een auto.

Het voorhanden hebben van harddrugs vormt een bedreiging voor de volksgezondheid. Het is algemeen bekend dat verdovende middelen als heroïne, mede vanwege de zeer verslavende werking ervan, zeer schadelijk zijn voor de gezondheid van de gebruikers. Het gebruik van en de handel in drugs leidt bovendien direct en indirect tot vele vormen van criminaliteit en vormt zo een bron van overlast voor de samenleving. Verdachte heeft door zijn handelen hieraan bijgedragen.

Gelet op de aard en ernst van het feit is de rechtbank van oordeel dat in beginsel een onvoorwaardelijke gevangenisstraf passend is. De oriëntatiepunten voor straftoemeting van het LOVS gaan voor de aanwezigheid van deze hoeveelheid harddrugs uit van een onvoorwaardelijke gevangenisstraf van 5 maanden.

Uit het uittreksel justitiële documentatie d.d. 8 september 2020 blijkt dat verdachte eerder is veroordeeld voor opiumdelicten. Verdachte heeft hier ook forse gevangenisstraffen voor opgelegd gekregen. Deze veroordelingen hebben hem echter niet weerhouden van het opnieuw plegen van een opiumwetdelict. Hoewel het hier niet betreft recidive binnen 5 jaar voorafgaand aan het delict, werkt dit naar het oordeel van de rechtbank toch strafverzwarend, omdat verdachte – die geen werk heeft of heeft gehad – kennelijk standaard in zijn levensonderhoud lijkt te voorzien door de handel in verdovende middelen. Tevens werkt strafverzwarend de grote mate van professionaliteit waarmee de verborgen ruimte in de auto is aangebracht. Naar het oordeel van de rechtbank duidt dit op een investering om op deze manier vaker harddrugs aan het zicht te onttrekken.

De rechtbank houdt daarnaast rekening met het reclasseringsadvies van 30 september 2020. Uit dit advies blijkt dat sprake is van een hoog recidiverisico. De reclassering heeft ter voorkoming van recidive geadviseerd tot oplegging van een (deels) voorwaardelijke straf met een aantal bijzondere voorwaarden, zoals een meldplicht, gedragsinterventie cognitieve vaardigheden en meewerken met de reclassering aan het vinden en behouden van dagbesteding. De rechtbank volgt dit advies en zal een deel van de straf voorwaardelijk opleggen met een lange proeftijd. Anders dan geadviseerd zal niet als bijzondere voorwaarde worden opgenomen dat de verdachte een gedragsinterventie cognitieve vaardigheden dient te volgen. Deze voorwaarde heeft de reclassering opgenomen op basis van veronderstelde goedgelovigheid en beïnvloedbaarheid van verdachte bij het op naam zetten van een auto van vriend. Anders dan de reclassering gaat de rechtbank ervanuit dat verdachte dit bewust heeft gedaan om zijn eigen criminele activiteiten af te schermen.

De rechtbank is van oordeel dat een gevangenisstraf van 12 maanden, waarvan 4 maanden voorwaardelijk met een proeftijd van 3 jaar met aftrek van het voorarrest, passend en geboden is. De rechtbank legt tevens de door de officier van justitie geëiste bijzondere voorwaarden op, te weten een meldplicht, alsmede een locatieverbod voor de provincie Limburg. De rechtbank komt tot een lagere straf dan door de officier van justitie geëist, nu zij verdachte van het onder 2 tenlastegelegde feit heeft vrijgesproken.

7 Het beslag

De rechtbank zal de Renault Twingo en de weegschaal verbeurd verklaren, nu het bewezenverklaarde is begaan met betrekking tot die voorwerpen. De rechtbank zal de verdovende middelen onttrekken aan het verkeer, nu het bewezenverklaarde is begaan met betrekking tot die voorwerpen en die voorwerpen van zodanige aard zijn dat het ongecontroleerde bezit daarvan in strijd is met de wet. De Volkswagen Golf dient te worden teruggeven aan de rechthebbende, te weten verdachte, nu met betrekking tot dit goed niet (meer) wordt voldaan aan de voorwaarden van artikel 94 van het Wetboek van Strafvordering.

8 De wettelijke voorschriften

De beslissing berust op de artikelen 14a, 14b, 14c, 33, 33a, 36b, 36c van het Wetboek van Strafrecht en de artikelen 2, 10, 13a van de Opiumwet, zoals deze artikelen luidden ten tijde van het bewezenverklaarde.

9 De beslissing

De rechtbank:

Vrijspraak

- spreekt de verdachte vrij van het onder 2 ten laste gelegde feit;

Bewezenverklaring

  • -

    verklaart het tenlastegelegde bewezen zoals hierboven onder 3.4 is omschreven;

  • -

    spreekt de verdachte vrij van wat meer of anders is ten laste gelegd;

Strafbaarheid

  • -

    verklaart dat het bewezenverklaarde het strafbare feit oplevert zoals hierboven onder 4 is omschreven;

  • -

    verklaart de verdachte strafbaar;

Straf

  • -

    veroordeelt de verdachte voor het bewezenverklaarde tot een gevangenisstraf van 12 maanden, waarvan 4 maanden voorwaardelijk, met een proeftijd van 3 jaren;

  • -

    beveelt dat de tijd die door de veroordeelde vóór de tenuitvoerlegging van deze uitspraak in voorarrest is doorgebracht, bij de uitvoering van deze gevangenisstraf in mindering zal worden gebracht;

  • -

    bepaalt dat het voorwaardelijke gedeelte van de straf niet ten uitvoer zal worden gelegd, tenzij de rechter later anders mocht gelasten, omdat de veroordeelde voor het einde van een proeftijd van 3 jaren zich aan een strafbaar feit heeft schuldig gemaakt dan wel de hierna te noemen bijzondere voorwaarden niet heeft nageleefd;

  • -

    stelt de volgende bijzondere voorwaarden, waaraan de veroordeelde gedurende de proeftijd heeft te voldoen:

  1. veroordeelde meldt zich binnen 3 werkdagen na het ingaan van de proeftijd bij Reclassering Nederland Rotterdam op het adres Marconistraat 2, telefoonnummer 088-8041302. Veroordeelde blijft zich melden op afspraken met de reclassering, zo vaak en zolang de reclassering dat nodig vindt;

  2. veroordeelde bevindt zich gedurende de proeftijd niet binnen de Nederlandse provincie Limburg. De politie ziet toe op handhaving van dit locatieverbod;

  • -

    geeft aan voornoemde reclasseringsinstelling de opdracht als bedoeld in artikel 14c, zesde lid, van het Wetboek van Strafrecht toezicht te houden op de naleving van de voorwaarden en de veroordeelde ten behoeve daarvan te begeleiden;

  • -

    voorwaarden daarbij zijn dat de veroordeelde gedurende de proeftijd:

  1. ten behoeve van het vaststellen van zijn identiteit medewerking zal verlenen aan het nemen van een of meer vingerafdrukken of een identiteitsbewijs als bedoeld in artikel 1 van de Wet op de identificatieplicht ter inzage aanbiedt;

  2. medewerking zal verlenen aan het reclasseringstoezicht, bedoeld in artikel 14c, zesde lid, van het Wetboek van Strafrecht, de medewerking aan huisbezoeken en het zich melden bij de reclassering zo vaak en zolang als de reclassering dit noodzakelijk acht;

Beslag

- verklaart verbeurd de volgende in beslag genomen voorwerpen:

  • -

    Renault Twingo (goednummer: 1288286);

  • -

    Weegschaal (goednummer 1293240);

- onttrekt aan het verkeer de volgende in beslag genomen voorwerpen:

  • -

    1036 gram verdovende middelen;

  • -

    1 stuk verdovende middelen;

- gelast de teruggave van het volgende in beslag genomen voorwerp aan [verdachte] :

- Volkswagen Golf (goednummer 1309645).

Dit vonnis is gewezen door mr. A.M. Koster-van der Linden, voorzitter, mr. drs. J.M.A. van Atteveld en mr. I.E. Lemmers, rechters, in tegenwoordigheid van mr. A.F. Stuurman, griffier, en uitgesproken ter openbare zitting van 23 oktober 2020.

BIJLAGE I: De tenlastelegging

Aan de verdachte is na wijziging ten laste gelegd dat

1

hij op een of meer tijdstippen in of omstreeks de periode van 25 januari

2020 tot en met 7 februari 2020 in de gemeente Beek en/of Heerlen en/of

althans in Nederland,

tezamen en in vereniging met een of meer anderen, althans alleen,

opzettelijk aanwezig heeft gehad

ongeveer 1055,73 gram, in elk geval een hoeveelheid van een materiaal

bevattende heroïne en/of ongeveer 6,16 gram, in elk geval een

hoeveelheid van een materiaal bevattende cocaïne,

zijnde heroïne en/of cocaïne (telkens) een middel als bedoeld in de bij

de Opiumwet behorende lijst I, dan wel aangewezen krachtens het vijfde

lid van artikel 3a van die wet;

( art 10 lid 3 Opiumwet, art 2 ahf/ond C Opiumwet, art 47 lid 1 ahf/sub 1

Wetboek van Strafrecht)

2

hij op een of meer tijdstippen in of omstreeks de periode van 25 januari

2020 tot en met 19 mei 2020 in de gemeente Kerkrade en/of Heerlen,

althans in Nederland,

tezamen en in vereniging met een of meer anderen, althans alleen,

(telkens) opzettelijk buiten het grondgebied van Nederland heeft

gebracht en/of heeft verkocht en/of afgeleverd en/of verstrekt en/of

vervoerd, in elk geval (telkens) opzettelijk aanwezig heeft gehad

hoeveelheden van een materiaal bevattende cocaïne en/of

hoeveelheden van een materiaal bevattende heroïne, zijnde cocaïne

en/of heroïne (telkens) een middel als bedoeld in de bij de Opiumwet

behorende lijst I en/of

een of meer andere middel(en) vermeld op lijst I van de Opiumwet, dan

wel aangewezen krachtens het vijfde lid van artikel 3a van die wet;

(art 10 lid 4 en lid 5 Opiumwet, art 2 ahf/ond A en B Opiumwet, art 47 lid

1. ahf/sub 1 Wetboek van Strafrecht)

( art 10 lid 4 Opiumwet, art 2 ahf/ond B Opiumwet, art 47 lid 1 ahf/sub 1

Wetboek van Strafrecht)

1 Waar hierna wordt verwezen naar paginanummers, wordt - tenzij anders vermeld - gedoeld op paginanummers uit het proces-verbaal van politie eenheid Limburg, district Parkstad-Limburg, basisteam Heerlen, proces-verbaalnummer PL2300-2020021091, gesloten d.d. 31 juli 2020, doorgenummerd van pagina 1 tot en met pagina 246.

2 Proces-verbaal van bevindingen d.d. 13 februari 2020 p. 44-45.

3 Proces-verbaal van bevindingen d.d. 13 februari 2020 p. 44-45.

4 Kennisgeving van inbeslagneming d.d. 7 februari 2020 p. 132-133.

5 Kennisgeving van inbeslagneming d.d. 7 februari 2020 p. 132-133.

6 Proces-verbaal onderzoek verdovende middelen d.d. 23 april 2020 p. 60-65.

7 Goednummer 1293216 en SIN AAMP6649NL.

8 SIN AAMY6861NL en SIN AAMY6862NL, proces-verbaal onderzoek verdovende middelen d.d. 23 april 2020 p. 61-62.

9 NFI rapport d.d. 21 april 2020 p. 66-67.

10 Goednummer 1293217.

11 Sealbag nummer 33616217, proces-verbaal vooronderzoek lab d.d. 23 maart 2020 p. 79-81, SIN AALP5702NL, proces-verbaal onderzoek verdovende middelen d.d. 23 april 2020 p. 60-65.

12 SIN AAMY6865NL, proces-verbaal onderzoek verdovende middelen d.d. 23 april 2020 p. 60-65.

13 NFI rapport d.d. 21 april 2020 p. 70.

14 Sealbag met het nummer 33616219, proces-verbaal vooronderzoek lab d.d. 23 maart 2020 p. 79-81, SIN AALP5701NL, proces-verbaal onderzoek verdovende middelen d.d. 23 april 2020 p. 60-65.

15 SIN AAMY6866NL en SIN AAMY6867NL, proces-verbaal onderzoek verdovende middelen d.d. 23 april 2020 p. 60-65.

16 NFI rapport d.d. 21 april 2020 p. 71-72.

17 sealbag met het nummer 33616218, proces-verbaal vooronderzoek lab d.d. 23 maart 2020 p. 79-81, SIN AAMP6650NL, proces-verbaal onderzoek verdovende middelen d.d. 23 april 2020 p. 60-65.

18 SIN AAMY6863NL en SIN AAMY6864NL, proces-verbaal onderzoek verdovende middelen d.d. 23 april 2020 p. 60-65.

19 NFI rapport d.d. 21 april 2020 p. 68-69.

20 Proces-verbaal vooronderzoek lab d.d. 31 maart 2020 p. 73-76.

21 SIN AAMP6287NL, proces-verbaal vooronderzoek lab d.d. 31 maart 2020 p. 73-76.

22 SIN AANA3108NL, proces-verbaal vooronderzoek lab d.d. 31 maart 2020 p. 73-76.

23 Rapport Dactyloscopisch Onderzoek van de Landelijke Eenheid Dactyloscopie d.d. 23 april 2020 p. 102-105.

24 SIN AANA3102NL, SIN AANA3103NL en SIN AANA3104NL, proces-verbaal vooronderzoek lab d.d. 31 maart 2020 p. 73-76.

25 Rapport Dactyloscopisch Onderzoek van de Landelijke Eenheid Dactyloscopie d.d. 1 mei 2020, p. 114-117, 120-123, 126-129.

26 SIN AANA3105NL, SIN AANA3106NL en AANA3107NL, proces-verbaal vooronderzoek lab d.d. 31 maart 2020 p. 73-76.

27 Rapport Dactyloscopisch Onderzoek van de Landelijke Eenheid Dactyloscopie d.d. 1 mei 2020, p. 90-93, 96-99, 108-111.

28 Proces-verbaal vooronderzoek lab d.d. 23 maart 2020 p. 79-81.

29 SIN AAMP6287NL, proces-verbaal vooronderzoek lab d.d. 23 maart 2020 p. 79-81.

30 SIN AAEF5604NL, proces-verbaal vooronderzoek lab d.d. 23 maart 2020 p. 79-81.

31 Deskundigenrapportage forensisch DNA-onderzoek TMFI d.d. 30 juni 2020 p. 243-246.

32 SIN AAEF5605NL, proces-verbaal vooronderzoek lab d.d. 23 maart 2020 p. 79-81.

33 Deskundigenrapportage forensisch DNA-onderzoek TMFI d.d. 30 juni 2020 p. 243-246.

34 SIN AAEF5606NL, proces-verbaal vooronderzoek lab d.d. 23 maart 2020 p. 79-81.

35 Deskundigenrapportage forensisch DNA-onderzoek TMFI d.d. 30 juni 2020 p. 243-246.

36 Proces-verbaal van onderzoek personenauto Renault Twingo [kenteken] d.d. 21 februari 2020 p. 46-49.

37 Proces-verbaal van bevindingen d.d. 19 mei 2020 p. 151-152.

38 Proces-verbaal verhoor getuige [getuige] d.d. 25 mei 2020 p. 229-233.