Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBLIM:2020:811

Instantie
Rechtbank Limburg
Datum uitspraak
03-02-2020
Datum publicatie
04-02-2020
Zaaknummer
03.240767.19
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

Vrijspraak poging doodslag, veroordeling poging zware mishandeling, tien maanden gevangenisstraf waarvan drie maanden voorwaardelijk met proeftijd twee jaren. Toewijzing benadeelde partij 750 euro.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK LIMBURG

Zittingsplaats Maastricht

Strafrecht

Parketnummer: 03.240767.19

tegenspraak

Vonnis van de meervoudige kamer d.d. 3 februari 2020

in de strafzaak tegen

[verdachte] ,

geboren te [Geboorteplaats en datum]

wonende te [Adres] .

De verdachte wordt bijgestaan door mr. A. Carli, advocaat kantoorhoudende te Roermond.

1 Onderzoek van de zaak

De zaak is inhoudelijk behandeld op de terechtzitting van 20 januari 2020. De verdachte en zijn raadsvrouw zijn verschenen. De officier van justitie en de verdediging hebben hun standpunten kenbaar gemaakt.

2 De tenlastelegging

De tenlastelegging is als bijlage aan dit vonnis gehecht.

De verdenking komt er, kort en feitelijk weergegeven, op neer dat de verdachte [slachtoffer] tegen het hoofd of het lichaam heeft geslagen en getrapt en/of tegen het hoofd of het lichaam heeft getrapt toen hij op de grond lag. Primair is dit ten laste gelegd als een poging tot doodslag en subsidiair als een poging tot zware mishandeling.

3 De beoordeling van het bewijs

3.1

Het standpunt van de officier van justitie

De officier van justitie acht het primair ten laste gelegde, de poging tot doodslag, niet bewezen. De poging tot zware mishandeling acht de officier van justitie wel bewezen.

Uit de aangifte en de camerabeelden blijkt dat de verdachte het slachtoffer onder andere tegen het hoofd heeft getrapt, maar niet dat dit met een dusdanige kracht is gedaan dat daarbij sprake is geweest van voorwaardelijk opzet op de dood van het slachtoffer.

3.2

Het standpunt van de verdediging

De raadsvrouw heeft zich op het standpunt gesteld dat niet kan worden bewezen dat de verdachte opzet had op de dood van het slachtoffer, ook niet in voorwaardelijke zin.

Zij refereert zich ten aanzien van de bewezenverklaring voor het subsidiair ten laste gelegde, de poging tot zware mishandeling, met dien verstande dat ook hierbij geen sprake is geweest van (boos) opzet, maar dat gezien de gedragingen van de verdachte wel sprake is van voorwaardelijk opzet op het toebrengen van zwaar lichamelijk letsel.

3.3

Het oordeel van de rechtbank 1

[slachtoffer] (hierna: het slachtoffer) gaat in de nacht van 24 op 25 augustus 2019 op stap in Heerlen. Rond middernacht arriveert hij in de stad, waar hij naar club [Naam club] gaat. Daar raakt hij in gesprek met de verdachte, die hij kent. Volgens het slachtoffer sprak de verdachte hem aan over geld dat de verdachte nog tegoed zou hebben van het slachtoffer. Dit gesprek verliep normaal. De verdachte stelt voor om het gesprek buiten voort te zetten. Het slachtoffer en de verdachte lopen samen een steegje in (rechtbank: naar later blijkt de [Straatnaam] ) en daar gaat het gesprek verder. Op enig moment ziet het slachtoffer dat de verdachte trilt en een agressieve blik in zijn ogen heeft. Het slachtoffer voelt zich daardoor geïntimideerd. Vlak nadat het slachtoffer de verdachte vraagt waarom hij trilt, voelt het slachtoffer dat hij met vuisten een aantal keren wordt geslagen. Hij voelt direct hevige pijn. Hij wordt duizelig en valt op de grond. Het slachtoffer meent dat hij ook nog is getrapt door de verdachte. Hij heeft daarna geen kracht meer om op te staan.2

Uit het forensisch geneeskundig onderzoek blijkt dat het slachtoffer een hematoom heeft rond het rechteroog en dat dit oog fors gezwollen is, rood-blauw verkleurd en dichtgedrukt is. In de rechterwenkbrauw is een scheurverwonding te zien die zal herstellen, maar een litteken zal achterlaten.3

De camerabeelden van de [Straatnaam] in Heerlen zijn door verbalisant [Naam] bekeken.

Hij neemt hierop het volgende waar. Op 25 augustus 2019 om 02:26 uur lopen twee personen vanaf de [Straatnaam 2] linksaf de [Straatnaam] in. Achter de plaszuil blijven zij staan en zijn zij kennelijk met elkaar in gesprek. Vanaf 02:35 uur wordt het slachtoffer meerdere keren door de verdachte in zijn gezicht geslagen en tegen zijn lichaam geschopt. De laatste keer wordt het slachtoffer al liggend op de grond door de verdachte met zijn linkervoet in zijn gezicht geschopt.4

De rechtbank heeft ter terechtzitting van de officier van justitie en de verdediging toestemming gekregen om de camerabeelden in raadkamer te bekijken en aan hetgeen zij op de beelden waarneemt haar conclusies te verbinden. De rechtbank concludeert dat het proces-verbaal, opgemaakt door verbalisant [Naam] , in overeenstemming is met hetgeen de rechtbank op de camerabeelden heeft waargenomen. De rechtbank heeft ook waargenomen dat het slachtoffer door de slagen en trappen tegen zijn hoofd en lichaam ten val is gekomen.5

De verdachte heeft ter terechtzitting van 20 januari 2020 verklaard dat hij zichzelf herkent op de camerabeelden. In een vlaag van razernij en woede heeft hij het slachtoffer met zijn vuisten in zijn gezicht geslagen en met geschoeide voet tegen het lichaam getrapt. Hij had gymschoenen aan. Toen het slachtoffer op de grond lag en probeerde omhoog te komen, heeft hij hem nog eens getrapt. Hij wilde het slachtoffer een lesje leren, pijn doen. Dat hij daarbij het gezicht van het slachtoffer heeft geraakt, zou kunnen. Hij heeft niet bewust op een bepaald lichaamsdeel gemikt, maar willekeurig geslagen en getrapt.6

Uit voorgaande bewijsmiddelen concludeert de rechtbank dat de verdachte het slachtoffer tegen het hoofd heeft geslagen en tegen het lichaam heeft getrapt en hem vervolgens, toen het slachtoffer op de grond lag, tegen het hoofd heeft getrapt.

Poging tot doodslag of poging tot zware mishandeling

De vraag die vervolgens beantwoord dient te worden is welk strafbaar feit deze gedraging oplevert.

Om te kunnen komen tot een bewezenverklaring van een poging tot doodslag is vereist dat de verdachte minst genomen voorwaardelijk opzet heeft gehad op de dood van het slachtoffer. Van voorwaardelijk opzet is sprake als de verdachte bewust de aanmerkelijke kans op het gevolg heeft aanvaard. Het moet gaan om een kans die naar algemene ervaringsregels aanmerkelijk is te achten. Het met kracht schoppen met een geschoeide voet tegen een zo kwetsbaar lichaamsdeel als het hoofd, levert reeds in zijn algemeenheid een aanmerkelijke kans op de dood van het slachtoffer op. In de regel is dergelijk gedrag ook aan te merken als gedrag dat naar zijn uiterlijke verschijningsvorm zo zeer is gericht op het toebrengen van letsel dat de dood tot gevolg heeft, dat de verdachte reeds daarmee de aanmerkelijke kans op het intreden van dit gevolg heeft aanvaard.

In deze zaak staat vast dat de verdachte het slachtoffer vuistslagen heeft gegeven, getrapt heeft in zijn zij en getrapt heeft tegen het hoofd terwijl hij op de grond lag. Uit de camerabeelden valt ook op te maken dat het slaan en trappen met enige snelheid gegaan is.

Het dossier bevat echter onvoldoende informatie om vast te stellen of het trappen tegen het hoofd met een zodanige kracht is gegaan dat dit een aanmerkelijke kans op de dood van slachtoffer oplevert. Het dossier bevat geen informatie over de soort schoenen die de verdachte droeg en ook geen medische informatie over de kans dat de door verdachte verrichtte handelingen een dodelijke afloop hadden kunnen hebben. Ook uit het letsel van het slachtoffer, zoals daarvan uit het dossier blijkt, is niet af te leiden dat met kracht is geschopt. Nu de rechtbank te weinig aanknopingspunten ziet om vast te stellen dat met kracht tegen het hoofd is geschopt, acht de rechtbank niet bewezen dat er sprake is geweest van een aanmerkelijke kans op de dood. De rechtbank zal de verdachte dan ook vrijspreken van het primair ten laste gelegde.

De rechtbank acht, op grond van de hiervoor genoemde bewijsmiddelen, wel bewezen dat de verdachte heeft geprobeerd om het slachtoffer zwaar te mishandelen. Het is een feit van algemene bekendheid dat het hoofd een zeer kwetsbaar deel van het lichaam is en dat één harde trap of slag tegen het hoofd al tot ernstig letsel kan leiden. Doordat de verdachte onder andere met geschoeide voet tegen het hoofd van het slachtoffer heeft getrapt, was er een aanmerkelijke kans dat het slachtoffer hierdoor zwaar lichamelijk letsel zou oplopen.

De rechtbank wil de verdachte wel volgen als hij stelt dat hij niet het ‘boze’ opzet had om het slachtoffer zwaar te mishandelen, maar acht wel bewezen dat hij, door zijn gedragingen, de aanmerkelijke kans heeft aanvaard dat het slachtoffer door de slagen en trappen zwaar lichamelijk letsel zou oplopen. Met name het trappen met geschoeide voet tegen het hoofd van het slachtoffer is naar haar uiterlijke verschijningsvorm zozeer gericht op het toebrengen van zwaar lichamelijk letsel dat het niet anders kan dan dat de verdachte de aanmerkelijke kans op dit gevolg bewust heeft aanvaard.

Daarom acht de rechtbank het opzet, in voorwaardelijke zin, op het toebrengen van zwaar lichamelijk letsel wettig en overtuigend bewezen.

3.4

De bewezenverklaring

De rechtbank acht bewezen dat de verdachte:

subsidiair

op 25 augustus 2019 in de gemeente Heerlen ter uitvoering van het door verdachte voorgenomen misdrijf om aan [slachtoffer] opzettelijk zwaar lichamelijk letsel toe te brengen, met dat opzet:

- tegen het hoofd van die [slachtoffer] heeft geslagen en tegen het lichaam van die [slachtoffer] heeft getrapt, waardoor die [slachtoffer] ten val is gekomen en

- vervolgens tegen het hoofd van die [slachtoffer] heeft getrapt, terwijl die [slachtoffer] op de grond lag,

terwijl de uitvoering van dat voorgenomen misdrijf niet is voltooid.

De rechtbank acht niet bewezen hetgeen meer of anders is ten laste gelegd. De verdachte zal daarvan worden vrijgesproken.

4 De strafbaarheid van het bewezenverklaarde

Het bewezenverklaarde levert het volgende strafbare feit op:

poging tot zware mishandeling

Er zijn geen feiten of omstandigheden aannemelijk geworden die de strafbaarheid van het feit uitsluiten.

5 De strafbaarheid van de verdachte

De verdachte is strafbaar, omdat geen feiten of omstandigheden aannemelijk zijn geworden die zijn strafbaarheid uitsluiten.

6 De straf en de maatregel

6.1

De vordering van de officier van justitie

De officier van justitie heeft gevorderd aan de verdachte op te leggen een gevangenisstraf voor de duur van 18 maanden met aftrek van het voorarrest, waarvan zes maanden voorwaardelijk met een proeftijd van twee jaar.

6.2

Het standpunt van de verdediging

De raadsvrouw heeft bepleit om aan de verdachte een onvoorwaardelijke gevangenisstraf op te leggen die de reeds ondergane voorlopige hechtenis niet overtreft en daarnaast een taakstraf met eventueel elektronisch toezicht.

6.3

Het oordeel van de rechtbank

Bij de bepaling van de op te leggen straf is gelet op de aard en ernst van hetgeen bewezen is verklaard, op de omstandigheden waaronder het bewezenverklaarde is begaan en op de persoon van de verdachte, zoals een en ander uit het onderzoek ter terechtzitting naar voren is gekomen.

De verdachte heeft zich schuldig gemaakt aan een poging tot zware mishandeling door het slachtoffer in het uitgaansgebied van Heerlen onder andere tegen het hoofd te trappen.

Hij heeft het slachtoffer dusdanig mishandeld dat deze hierdoor ernstig letsel had kunnen oplopen. Bovendien heeft hij hierna het slachtoffer gewond achtergelaten en zich niet meer om hem bekommerd. Dit rekent de rechtbank de verdachte zwaar aan.

De verdachte heeft een opleiding als portier gevolgd en ook als portier gewerkt, wat maakt dat het herkennen en beheersen van agressie verdachte eigenlijk goed af zou moeten gaan. Desondanks heeft hij zich helemaal laten gaan. Het kan best zo zijn dat het slachtoffer dingen heeft gezegd waardoor hij werd getriggerd, maar dat geeft de verdachte niet het recht om het slachtoffer zo toe te takelen.

De verdachte heeft door zijn handelen gezorgd voor gevoelens van angst en onveiligheid bij het slachtoffer. Bovendien heeft een en ander zich heeft afgespeeld in het uitgaansgebied waar velen ongewild getuige hadden kunnen zijn van deze ernstige mishandeling.

Van de gevoelens van angst en onveiligheid heeft het slachtoffer nog dagelijks last, zoals blijkt uit de namens hem voorgedragen slachtofferverklaring. Hij begrijpt tot op de dag van vandaag niet waarom de verdachte dit heeft gedaan.

Dat het letsel uiteindelijk mee lijkt te vallen en het slachtoffer er, behalve een litteken, geen blijvend lichamelijk letsel aan overhoudt, is niet te danken aan de verdachte. Het had heel anders voor het slachtoffer kunnen aflopen. Dit erkent de verdachte ter terechtzitting ook.

De rechtbank heeft bij de bepaling van de straf gekeken naar de LOVS oriëntatiepunten voor het opzettelijk toebrengen van zeer zwaar lichamelijk letsel, zonder gebruikmaking van een wapen. Voor dit soort feiten wordt doorgaans een onvoorwaardelijke gevangenisstraf voor de duur van acht maanden opgelegd.

De rechtbank houdt er rekening mee dat het een onvoltooid delict betreft, dat de verdachte met een opleiding tot portier anders had moeten omgaan met de situatie en dat de poging tot zware mishandeling gepleegd is in een uitgaansgebied.

De rechtbank zal een gedeelte van de straf voorwaardelijk opleggen, om de verdachte ervan te weerhouden zich in de toekomst wederom schuldig te maken aan strafbare feiten. De noodzaak tot het opleggen van een contactverbod met het slachtoffer is de rechtbank niet gebleken. Tijdens de schorsing van de voorlopige hechtenis van de verdachte hebben zich voor zover bekend geen incidenten tussen betrokkenen voorgedaan. Verdachte lijkt oprecht geschrokken te zijn van zijn eigen gedrag en de reclassering schat het risico op recidive van geweldsdelicten laag. De verdachte en het slachtoffer zullen elkaar mogelijk nog wel eens tegenkomen. De verdachte dient dan verstandig te zijn en een confrontatie te vermijden, zodat hij niet weer in de problemen komt. De voorwaardelijke straf die dan boven zijn hoofd hangt, acht de rechtbank daarvoor een voldoende stok achter de deur.

Alles overwegende zal de rechtbank de verdachte veroordelen tot een gevangenisstraf voor de duur van tien maanden, met aftrek van het voorarrest, waarvan drie maanden voorwaardelijk, met een proeftijd van twee jaren.

7 De benadeelde partij en de schadevergoedingsmaatregel

7.1

De vordering van de benadeelde partij

De benadeelde partij [slachtoffer] vordert bij wijze van voorschot een schadevergoeding van € 3.000,- te vermeerderen met wettelijke rente en met oplegging van de schadevergoedingsmaatregel.

7.2

Het standpunt van de officier van justitie

De officier van justitie heeft gevorderd om dit bedrag te matigen en de vordering toe te wijzen voor een bedrag van € 1.500,- plus wettelijke rente, met oplegging van de schadevergoedingsmaatregel. Voor het overige dient de benadeelde partij niet-ontvankelijk te worden verklaard.

7.3

Het standpunt van de verdediging

De raadsvrouw heeft verzocht om de vordering tot schadevergoeding af te wijzen en – voor zover de rechtbank tot (gedeeltelijke) toewijzing komt – geen schadevergoedingsmaatregel op te leggen, omdat deze bij gebrek aan financiële middelen bij de verdachte een verkapte gevangenisstraf zou inhouden.

7.4

Het oordeel van de rechtbank

De benadeelde partij stelt door de gedraging van de verdachte fysiek en psychisch letsel te hebben opgelopen.

Artikel 6:106 van het Burgerlijk Wetboek geeft in beperkte gevallen recht op vergoeding van andere schade dan vermogensschade. Een van die gevallen betreft fysiek letsel. Dat hier sprake van is, blijkt uit het dossier. Het slachtoffer kan daarom aanspraak maken op schadevergoeding. Dat het slachtoffer als gevolg van de poging tot zware mishandeling ook psychisch letsel heeft opgelopen, acht de rechtbank, ook zonder nadere onderbouwing van een deskundige, aannemelijk vanwege de bijzondere ernst van de normschending.

De vraag is vervolgens hoe hoog de vergoeding ter zake smartengeld moet zijn.

De raadsvrouw heeft verzocht om rekening te houden met de mate van eigen schuld van de benadeelde partij. De rechtbank ziet te weinig aanknopingspunten om aan te nemen dat hier sprake van is.

De rechtbank zal gebruik maken van haar schattingsbevoegdheid en de immateriële schade naar redelijkheid vaststellen op een bedrag van € 750,-. Dit bedrag wordt vermeerderd met de wettelijke rente. Voor het overige zal de rechtbank de benadeelde partij niet-ontvankelijk verklaren, nu op dit moment te weinig duidelijkheid is over het verloop van het herstel van de benadeelde partij. Van betalingsonmacht van de verdachte is niets gebleken. De rechtbank zal dan ook de schadevergoedingsmaatregel aan de verdachte opleggen ten behoeve van het innen van deze vordering.

8 De wettelijke voorschriften

De beslissing berust op de artikelen 14a, 14b, 14c, 36f, 45 en 302 van het Wetboek van Strafrecht, zoals deze artikelen luidden ten tijde van het bewezenverklaarde.

9 De beslissing

De rechtbank:

Vrijspraak

- spreekt de verdachte vrij van het primair ten laste gelegde;

Bewezenverklaring

  • -

    verklaart het tenlastegelegde bewezen zoals hierboven onder 3.4 is omschreven;

  • -

    spreekt de verdachte vrij van wat meer of anders is ten laste gelegd;

Strafbaarheid

  • -

    verklaart dat het bewezenverklaarde het strafbare feit oplevert zoals hierboven onder 4 is omschreven;

  • -

    verklaart de verdachte strafbaar;

Straf

  • -

    veroordeelt de verdachte tot een gevangenisstraf van tien maanden, waarvan drie maanden voorwaardelijk, met een proeftijd van twee jaren;

  • -

    beveelt dat de tijd die door de veroordeelde vóór de tenuitvoerlegging van deze uitspraak in voorarrest is doorgebracht, bij de uitvoering van deze gevangenisstraf in mindering zal worden gebracht;

  • -

    bepaalt dat het voorwaardelijke gedeelte van de straf niet ten uitvoer zal worden gelegd, tenzij de rechter later anders mocht gelasten, omdat de veroordeelde voor het einde van een proeftijd van twee jaren zich aan een strafbaar feit heeft schuldig gemaakt;

Benadeelde partij en schadevergoedingsmaatregel

- wijst de vordering tot schadevergoeding van de benadeelde partij gedeeltelijk toe en veroordeelt de verdachte tot betaling aan de benadeelde partij, [slachtoffer] , van een bedrag van € 750,00, bestaande uit immateriële schade, te vermeerderen met de wettelijke rente vanaf 25 augustus 2019 tot aan de dag der algehele voldoening;

- veroordeelt verdachte tevens in de proceskosten door de benadeelde partij gemaakt, tot heden begroot op nihil, en in de proceskosten die de benadeelde partij ten behoeve van de tenuitvoerlegging nog moet maken;

- bepaalt dat de benadeelde partij in de vordering voor het overige niet-ontvankelijk is en de vordering in zoverre slechts bij de burgerlijk rechter kan aanbrengen;

- legt aan de verdachte op de verplichting tot betaling aan de Staat ten behoeve van [slachtoffer] , van een bedrag van € 750,00, te vermeerderen met de wettelijke rente vanaf 25 augustus 2019 tot aan de dag der algehele voldoening, bij gebreke van betaling en verhaal te vervangen door 15 dagen gijzeling. De toepassing van deze gijzeling heft de hiervoor opgelegde betalingsverplichting niet op;

- verdachte is van zijn schadevergoedingsplicht jegens de benadeelde bevrijd voor zover hij heeft voldaan aan een van de hem opgelegde verplichtingen tot vergoeding van deze schade;

Voorlopige hechtenis

- heft op het geschorste bevel tot voorlopige hechtenis.

Dit vonnis is gewezen door mr. B.G.L. van der Aa, voorzitter, mr. C. Wapenaar en

mr. M. Driever, rechters, in tegenwoordigheid van J.G.A.M. Spijkers, griffier, en uitgesproken ter openbare zitting van 3 februari 2020.

BIJLAGE I: De tenlastelegging

Aan de verdachte is ten laste gelegd dat

hij op of omstreeks 25 augustus 2019 in de gemeente Heerlen ter uitvoering van het door verdachte voorgenomen misdrijf om [slachtoffer] opzettelijk van het leven te beroven, met dat opzet:

- tegen het hoofd, althans het (boven)lichaam, van die [slachtoffer] heeft getrapt en/of geslagen, waardoor die [slachtoffer] ten val is gekomen, en/of

- ( vervolgens) meermalen tegen het hoofd, althans het (boven)lichaam, van die [slachtoffer] heeft getrapt, terwijl die [slachtoffer] op de grond lag,

terwijl de uitvoering van dat voorgenomen misdrijf niet is voltooid;

subsidiair althans, indien het vorenstaande niet tot een veroordeling mocht of zou kunnen leiden:

hij op of omstreeks 25 augustus 2019 in de gemeente Heerlen ter uitvoering van het door verdachte voorgenomen misdrijf om aan [slachtoffer] opzettelijk zwaar lichamelijk letsel toe te brengen, met dat opzet:

- tegen het hoofd, althans het (boven)lichaam, van die [slachtoffer] heeft getrapt en/of geslagen, waardoor die [slachtoffer] ten val is gekomen, en/of

- ( vervolgens) meermalen tegen het hoofd, althans het (boven)lichaam, van die [slachtoffer] heeft getrapt, terwijl die [slachtoffer] op de grond lag,

terwijl de uitvoering van dat voorgenomen misdrijf niet is voltooid.

1 Waar hierna wordt verwezen naar paginanummers, wordt - tenzij anders vermeld - gedoeld op paginanummers uit het proces-verbaal van politie eenheid Limburg, proces-verbaalnummer [Nummer] , gesloten d.d. 10 oktober 2019, doorgenummerd van pagina 1 tot en met 75.

2 Het proces-verbaal van aangifte d.d. 25 augustus 2019, pagina 8 tot en met 13.

3 Het verslag van het forensisch geneeskundig onderzoek d.d. 25 augustus 2019, pagina 18 en 19.

4 Het proces-verbaal van bevindingen d.d. 25 augustus 2019, pagina 36 tot en met 50.

5 De waarneming van de rechtbank in raadkamer d.d. 20 januari 2020.

6 Het proces-verbaal ter terechtzitting d.d. 20 januari 2020.