Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBLIM:2020:806

Instantie
Rechtbank Limburg
Datum uitspraak
03-02-2020
Datum publicatie
04-02-2020
Zaaknummer
03.122397.19
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

Veroordeling wegens medeplegen hennepteelt tot een voorwaardelijke geldboete van 1.000 euro. Vrijspraak van diefstal elektriciteit. Geen psychische overmacht.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK LIMBURG

Zittingsplaats Roermond

Strafrecht

Parketnummer: 03.122397.19

Tegenspraak

Vonnis van de meervoudige kamer d.d. 3 februari 2020

in de strafzaak tegen

[verdachte] ,

geboren te [Geboortedatum en plaats] ,

wonende te [Adres] .

De verdachte wordt bijgestaan door mr. M.J.M. Houben, advocaat kantoorhoudende te Thorn.

1 Het onderzoek van de zaak

De zaak is inhoudelijk behandeld op de zitting van 20 januari 2020. De verdachte en zijn raadsvrouw zijn verschenen. De officier van justitie en de verdediging hebben hun standpunten kenbaar gemaakt.

2 De tenlastelegging

De tenlastelegging is als bijlage aan dit vonnis gehecht.

De verdenking komt er, kort en feitelijk weergegeven, op neer dat verdachte:

feit 1: samen met een ander of anderen opzettelijk 38 hennepplanten heeft geteeld dan wel opzettelijk aanwezig heeft gehad;

feit 2: samen met een ander of anderen 1.349 gram hennep opzettelijk aanwezig heeft gehad;

feit 3: samen met een ander of anderen elektriciteit heeft gestolen van Enexis B.V. door middel van braak en/of verbreking.

3 De beoordeling van het bewijs

3.1

Het standpunt van de officier van justitie

De officier van justitie is van mening dat alle feiten wettig en overtuigend bewezen kunnen worden. Zij wijst in dit verband op de aangetroffen gedroogde hennep, de aangetroffen plantage in de schuur en op de zolder van de woning van verdachte en de bevindingen van de politie. Tevens wijst zij op de verklaring van verdachte, inhoudende dat hij de hennepplanten heeft verzorgd en verkocht. De officier van justitie acht zijn verklaring dat de plantage van twee anderen was en dat hij onder druk werd gezet om dit te dulden en de plantjes te verzorgen, ongeloofwaardig.

3.2

Het standpunt van de verdediging

De raadsvrouw heeft ter terechtzitting pleitaantekeningen overgelegd. Zij heeft aangevoerd dat verdachte voorafgaand aan zijn politieverhoor niet is gewezen op zijn recht op consultatiebijstand. Dit leidt ertoe dat de verklaring van verdachte, afgelegd bij de politie, dient te worden uitgesloten van het bewijs.

De raadsvrouw heeft voorts aangevoerd dat verdachte geen opzet had op het telen van hennep of het aanwezig hebben daarvan. Evenmin heeft verdachte het oogmerk gehad op de diefstal van stroom. Om deze reden dient verdachte van het tenlastegelegde te worden vrijgesproken. De raadsvrouw heeft vervolgens aangevoerd dat er onvoldoende wettig en overtuigend bewijs is voor het aan de verdachte verweten bestanddeel ‘medeplegen’, nu er geen sprake was van een nauwe en bewuste samenwerking tussen verdachte en de twee mannen die hem onder druk hebben gezet om zijn woning ter beschikking te stellen.

Ten slotte heeft de raadsvrouw aangevoerd dat verdachte van feit 3 dient te worden vrijgesproken, nu hij geen enkele betrokkenheid had bij de diefstal van stroom. Bovendien blijkt uit de aangifte van Enexis B.V. onvoldoende duidelijk dat er sprake is van braak of verbreking.

3.3

Het oordeel van de rechtbank 1

Ten aanzien van de feiten 1 en 2

Bewijsmiddelen

Naar aanleiding van een TCI melding startte de politie op 17 augustus 2018 een onderzoek naar het adres [Adres 1] te Roermond vanwege verdenking van overtreding van de Opiumwet, met als resultaat een positieve netmeting. Uit controle van het GBA volgde dat verdachte op dit adres stond ingeschreven. Op 22 augustus 2018 is de politie op voornoemd adres binnengetreden. In een schuur grenzend aan de achterzijde van de woning werd een niet in werking zijnde hennepkwekerij aangetroffen. In een hoek was een droogrek geplaatst met daarop een hoeveelheid te drogen henneptoppen. Op de zolder werd een in werking zijnde hennepkwekerij aangetroffen met daarin 28 oogstrijpe hennepplanten van slechte kwaliteit. De verbalisanten constateerden op grond van hun kennis en ervaring, de uiterlijke kenmerken, kleur, vorm en geur van de aangetroffen planten dat deze hennepplanten betroffen.2 Het gewicht van de op het droogrek aangetroffen henneptoppen was 1.349 gram.3

Ter terechtzitting heeft verdachte verklaard, zakelijk weergegeven, dat hij op een avond in januari of februari 2018 door twee jongens werd gedwongen tot het dulden van een hennepplantage in zijn woning. De twee jongens mishandelden verdachte en bedreigden hem en zijn zus. Verdachte heeft zijn huissleutel aan de jongens moeten afgeven. De volgende dag werd er, tijdens afwezigheid van verdachte (die in die periode een tijdje bij zijn zus logeerde), een hennepplantage gebouwd in de schuur horende bij zijn woning. Een week later werd er op zolder ook een hennepplantage gebouwd. Voor verdachte lag een briefje klaar met daarop instructies over hoe hij de planten water en voeding moest geven. Verdachte heeft vervolgens de hennepplanten verzorgd. Middels briefjes communiceerde verdachte met de twee jongens. Op de briefjes stond wanneer de planten zouden worden geknipt en wanneer de nieuwe planten zouden worden geplant. Dit werk werd door anderen dan verdachte gedaan, evenals het te drogen leggen van de geknipte toppen. Verdachte zorgde dat hij dan niet thuis was. Op de briefjes stond ook wanneer de oogst zou worden opgehaald. Bij het ophalen van de oogst ontving verdachte een gesloten envelop met daarin een geldbedrag voor de geknipte en gedroogde hennep. . Deze envelop moest verdachte op een bepaald tijdstip op een afgesproken locatie (in een vuilnisemmer) achterlaten. Verdachte heeft verklaard dat hij de verzorging van de hennepplanten wat heeft gesaboteerd waardoor de oogst minder werd. Voor elke oogst lag voor hem een bedrag van 300 euro klaar. 4

Overwegingen

Uit de bewijsmiddelen volgt dat verdachte op 22 augustus 2018 in zijn woning een in werking zijnde hennepplantage met 28 planten aanwezig had, evenals in totaal 1.349 gram henneptoppen.

Anders dan de officier van justitie acht de rechtbank de verklaring van verdachte niet zodanig ongeloofwaardig dat eraan voorbij kan worden gegaan. In dat oordeel speelt mee dat gebleken is dat verdachte (mede door zijn leeftijd) een heel kwetsbare en geïsoleerde man is die gemakkelijker te beïnvloeden en te intimideren lijkt dan een ‘normale’ persoon. Daardoor is het aannemelijker dat handelingen die normaal niet aan een handlanger worden opgedragen (het geld in ontvangst nemen), wel aan verdachte werden overgelaten. Ook het tijdens de opbouw of de oogst verlaten van de woning en het tegen zijn wil blijven meewerken aan de hennepteelt is begrijpelijker tegen die achtergrond.

Gelet hierop is de rechtbank van oordeel dat verdachte geen hennepplantage in zijn woning wilde hebben, maar daartoe door derden (onder bedreiging) met geweld is gedwongen, en dat verdachte de planten heeft verzorgd door deze water en voeding te geven.

De rechtbank acht dan ook wettig en overtuigend bewezen dat verdachte opzettelijk 28 planten heeft geteeld (feit 1) en opzettelijk 1.340 gram hennep aanwezig heeft gehad (feit 2).

Uitgaande van de verklaring van verdachte acht de rechtbank tevens het medeplegen wettig en overtuigend bewezen nu uit zijn eigen verklaring blijkt dat hij de instructies van de twee jongens heeft opgevolgd: hij heeft de planten verzorgd, de drogende hennep in zijn woning geduld, de oogst afgegeven aan de opkoper, de opbrengst daarvan in ontvangst genomen en deze op een afgesproken locatie achtergelaten voor de twee jongens. De rechtbank beschouwt dit als een nauwe en bewuste samenwerking tussen verdachte en zijn mededaders, om welke reden de rechtbank ook het ‘medeplegen’ bij feit 1 en feit 2 wettig en overtuigend bewezen acht.

Nu de rechtbank de verklaring van verdachte, afgelegd bij de politie, niet voor het bewijs gebruikt, behoeft het verweer van de raadsvrouw met betrekking tot het niet wijzen op het recht op consultatiebijstand geen nadere bespreking.

Ten aanzien van feit 3

Op 22 augustus 2018 heeft een fraude-inspecteur van Enexis de meterkast geopend op het adres [Adres 1] te Roermond. Hierbij werd geconstateerd dat de stroomvoorziening ten behoeve van de hennepkwekerij illegaal was afgenomen middels een illegale afsluiting in de meterkast, geplaatst na de hoofdbeveiliging in de hoofdaansluitkast. Er liep een illegale elektriciteitskabel buiten de elektriciteitsmeter om die de aangesloten installatie van elektriciteit voorzag. Om deze aansluiting te realiseren was het door Enexis verzegelde deksel van de hoofdaansluitkast gedemonteerd.

De verdachte heeft ter terechtzitting verklaard, zakelijk weergegeven, dat hij niet wist dat er een illegale aansluiting in zijn meterkast was gemaakt ten behoeve van de stroomvoorziening van de hennepplantage.

De rechtbank heeft ook op dit punt, mede gelet op de persoon van verdachte zoals hierboven beschreven, geen reden om aan de verklaring van verdachte te twijfelen. Volgens de officier van justitie is het een feit van algemene bekendheid dat er illegale stroom wordt afgetapt ten behoeve van hennepplantages. Aan een dergelijk feit van algemene bekendheid kan naar het oordeel van de rechtbank niet de verstrekkende conclusie worden verbonden dat verdachte dús wetenschap had van de illegale aansluiting, laat staan daartoe het oogmerk heeft gehad. Dat verdachte zijn woning ter beschikking aan anderen heeft gesteld om daarin een hennepplantage op te bouwen, doet daaraan niet af.

Gelet op het voorgaande acht de rechtbank feit 3 niet wettig en overtuigend bewezen en zal verdachte hiervan worden vrijgesproken.

3.4

De bewezenverklaring

De rechtbank acht bewezen dat verdachte

1.

op 22 augustus 2018, in de gemeente Roermond, tezamen en in vereniging met anderen,

opzettelijk heeft geteeld (in een woning gelegen aan de [Adres 1] ) 28 hennepplanten, zijnde hennep een middel vermeld op de bij de Opiumwet behorende lijst II;

2.

op 22 augustus 2018, in de gemeente Roermond, tezamen en in vereniging met anderen,

opzettelijk aanwezig heeft gehad 1.349 gram, zijnde hennep een middel als bedoeld in de bij de Opiumwet behorende lijst II.

De rechtbank acht niet bewezen hetgeen meer of anders is ten laste gelegd. De verdachte zal daarvan worden vrijgesproken.

4 De strafbaarheid van het bewezenverklaarde

Het bewezenverklaarde levert de volgende strafbare feiten op:

ten aanzien van feit 1:

medeplegen van het opzettelijk handelen in strijd met het onder artikel 3 onder B van de Opiumwet gegeven verbod

ten aanzien van feit 2:

medeplegen van het opzettelijk handelen in strijd met het onder artikel 3 onder C van de Opiumwet gegeven verbod

Er zijn geen feiten of omstandigheden aannemelijk geworden die de strafbaarheid van de feiten uitsluiten.

5 De strafbaarheid van de verdachte

5.1

Het standpunt van de verdediging

De raadsvrouw heeft aangevoerd dat er sprake was van psychische overmacht zijdens de verdachte, om welke reden de tenlastegelegde feiten niet aan verdachte kunnen worden verweten. De verdachte dient dan ook te worden ontslagen van alle rechtsvervolging. Aannemelijk is dat verdachte heeft gehandeld onder invloed van zodanige psychische drang dat hij daaraan redelijkerwijs geen weerstand kon en behoefde te bieden.

5.2

Het standpunt van de officier van justitie

De officier van justitie heeft zich op het standpunt gesteld dat er geen sprake is van psychische overmacht, nu er geen sprake was van een van buiten komende drang waaraan verdachte redelijkerwijs geen weerstand kon bieden.

5.3

Het oordeel van de rechtbank

Van psychische overmacht is sprake ingeval van een van buiten komende drang waaraan verdachte redelijkerwijze geen weerstand kon en ook niet behoefde te bieden. Hoewel de rechtbank zonder meer ervan uitgaat dat de situatie met de twee onbekende mannen, zoals verdachte ook heeft verklaard, stresserend was, acht zij de psychische nood van verdachte niet zodanig te objectiveren aan de hand van de onder 3.3 genoemde bewijsmiddelen, dat dit de conclusie kan staven dat verdachte, op het moment van het begaan van het feit, zich zodanig in een psychische overmacht-situatie bevond dat hij niet anders kon of behoorde te handelen dan hij heeft gedaan. De rechtbank verwerpt dan ook het verweer van de raadsvrouw.

Verdachte is strafbaar, omdat geen feiten of omstandigheden aannemelijk zijn geworden die zijn strafbaarheid uitsluiten.

6 De straf en/of de maatregel

6.1

De vordering van de officier van justitie

De officier van justitie heeft op grond van hetgeen zij bewezen heeft geacht gevorderd aan verdachte op te leggen een geheel voorwaardelijke taakstraf van 60 uur, subsidiair 30 dagen hechtenis, met een proeftijd van 2 jaren. De officier van justitie heeft bij de formulering van haar strafeis rekening gehouden met de ernst van de feiten, met de omstandigheid dat verdachte een ‘first offender’ is en met diens persoonlijke omstandigheden.

6.2

Het standpunt van de verdediging

Primair heeft de verdediging vrijspraak van verdachte van alle tenlastegelegde feiten bepleit, subsidiair ontslag van alle rechtsvervolging wegens psychische overmacht.

Meer subsidiair heeft de raadsvrouw bepleit dat toepassing van artikel 9a Sr aan de orde is, wegens de persoonlijkheid van verdachte en de omstandigheden waaronder het feit is begaan, dan wel die zich nadien hebben voorgedaan. Uiterst subsidiair heeft de raadsvrouw de oplegging van een geheel voorwaardelijke taakstraf bepleit.

6.3

Het oordeel van de rechtbank

Bij de bepaling van de op te leggen straf is gelet op de aard en ernst van hetgeen bewezen is verklaard, op de omstandigheden waaronder het bewezenverklaarde is begaan en op de persoon van de verdachte, zoals een en ander uit het onderzoek ter terechtzitting naar voren is gekomen.

Verdachte heeft samen met anderen 28 hennepplanten in zijn woning geteeld. Daarnaast heeft verdachte samen met anderen 1.349 gram hennep voorhanden gehad. Verdachte heeft deze feiten weliswaar gepleegd onder druk van zijn mededaders, maar desondanks heeft hij daartoe zijn woning beschikbaar gesteld en een actieve rol gespeeld bij de verzorging van de hennepplanten in zijn woning.

Het kweken van softdrugs als hennep is een strafbaar feit dat overlast veroorzaakt en schade voor de maatschappij oplevert. Softdrugs zijn immers stoffen die bij langdurig gebruik kunnen leiden tot schade voor de gezondheid van de gebruikers. Daar komt bij dat hennepteelt ook direct en indirect bijdraagt aan andere vormen van criminaliteit. Verdachte heeft met zijn strafbaar handelen hieraan een bijdrage geleverd.

De rechtbank houdt bij de strafoplegging echter ook rekening met de geringe omvang van de aangetroffen hennepplantage, het blanco strafblad van verdachte en diens hoge leeftijd en persoonlijke omstandigheden. Gebleken is dat verdachte ook zelf door dit gebeuren een nog grotere sociale angst heeft gekregen dan hij voorheen al had. Gelet op deze omstandigheden zal de rechtbank geen taakstraf opleggen maar een geldboete. Nu uit het procesdossier volgt dat verdachte slechts een beperkte draagkracht en geen vermogen heeft, zal de rechtbank deze geldboete geheel voorwaardelijk opleggen. De strafoplegging wordt daarmee dienstbaar gemaakt aan het voorkomen van nieuwe strafbare feiten.

Alles overwegend zal de rechtbank een voorwaardelijke geldboete van € 1.000,- opleggen, te vervangen door 20 dagen hechtenis bij niet betaling, met een proeftijd van 2 jaar.

7 De wettelijke voorschriften

De beslissing berust op de artikelen 14a, 14b, 14c, 23, 24, 24c, 47 en 57 van het Wetboek van Strafrecht en de artikelen 3 en 11 van de Opiumwet, zoals deze artikelen luidden ten tijde van het bewezenverklaarde.

8 De beslissing

De rechtbank:

Vrijspraak

- spreekt verdachte vrij van het tenlastegelegde feit 3;

Bewezenverklaring

  • -

    verklaart het tenlastegelegde bewezen zoals hierboven onder 3.4 is omschreven;

  • -

    spreekt verdachte vrij van wat meer of anders is ten laste gelegd;

Strafbaarheid

  • -

    verklaart dat het bewezenverklaarde de strafbare feiten oplevert zoals hierboven onder 4 is omschreven;

  • -

    verklaart verdachte strafbaar;

Straf

  • -

    veroordeelt verdachte voor de feiten 1 en 2 tot een geheel voorwaardelijke geldboete van € 1.000,00, met een proeftijd van 2 jaren;

  • -

    beveelt dat, indien noch volledige betaling noch volledig verhaal volgt, vervangende hechtenis zal worden toegepast van 20 dagen;

- bepaalt dat de straf niet ten uitvoer zal worden gelegd, tenzij de rechter later anders mocht gelasten, omdat de veroordeelde voor het einde van de proeftijd:

- zich heeft schuldig gemaakt aan een strafbaar feit.

Dit vonnis is gewezen door mr. A.K. Kleine, voorzitter, mr. H.H. Dethmers en
mr. F.L.G. Geisel, rechters, in tegenwoordigheid van mr. I.K. Bakker, griffier, en uitgesproken ter openbare zitting van 3 februari 2020.

BIJLAGE I: De tenlastelegging

Aan de verdachte is ten laste gelegd dat

1.

hij op of omstreeks 22 augustus 2018, in de gemeente Roermond, in elk

geval in Nederland, tezamen en in vereniging met een ander of anderen,

althans alleen, opzettelijk heeft geteeld en/of bereid en/of bewerkt en/of

verwerkt, in elk geval opzettelijk aanwezig heeft gehad (in een woning

gelegen aan de [Adres 1] ) (ongeveer) 38 hennepplanten, althans

een aantal hennepplanten en/of delen daarvan, in elk geval een

hoeveelheid van meer dan 30 gram van een materiaal bevattende

hennep, zijnde hennep een middel vermeld op de bij de opiumwet

behorende lijst II;

2.

hij op of omstreeks 22 augustus 2018, in de gemeente Roermond, in elk

geval in Nederland, tezamen en in vereniging met een of meer anderen,

althans alleen, opzettelijk aanwezig heeft gehad ongeveer 1349 gram, in

elk geval een hoeveelheid van meer dan 30 gram hennep, zijnde hennep

een middel als bedoeld in de bij de Opiumwet behorende lijst II, dan

wel aangewezen krachtens het vijfde lid van artikel 3a van die wet;

3.

hij in of omstreeks de periode van 03 januari 2018 tot en met 22

augustus 2018, in de gemeente Roermond, in elk geval in Nederland,

tezamen en in vereniging met een ander of anderen, althans alleen, met

het oogmerk van wederrechtelijke toe-eigening heeft weggenomen een

hoeveelheid elektriciteit (te weten (ongeveer) 81.935 kWh) in elk geval

enig goed, geheel of ten dele toebehorende aan Enexis B.V., in elk geval

aan een ander of anderen dan aan verdachte en/of zijn mededader(s),

waarbij verdachte en/of zijn mededader(s) zich de toegang tot de plaats

des misdrijfs heeft/hebben verschaft en/of de/het weg te nemen

goed(eren) onder zijn/hun bereik heeft/hebben gebracht door middel

van braak en/of verbreking;

1 Waar hierna wordt verwezen naar paginanummers, wordt - tenzij anders vermeld - gedoeld op paginanummers uit het proces-verbaal van politie Eenheid Limburg, District Noord- en Midden-Limburg, Basisteam Roermond, proces-verbaalnummer [Nummer] , gesloten op 4 november 2018, doorgenummerd van pagina 1 tot en met pagina 106.

2 Proces-verbaal van relaas d.d. 22 september 2018, pagina 7 tot en met 9. Proces-verbaal aantreffen hennepkwekerij d.d. 29 augustus 2018, pagina 15 tot en met 19.

3 Kennisgeving van inbeslagneming d.d. 22 augustus 2018, pagina 55 en 56.

4 De verklaring van de verdachte, zoals afgelegd ter zitting van 20 januari 2020.