Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBLIM:2020:7971

Instantie
Rechtbank Limburg
Datum uitspraak
25-09-2020
Datum publicatie
16-10-2020
Zaaknummer
8640198 AZ VERZ 20-73
Rechtsgebieden
Arbeidsrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

Consulent maatwerk in dienst van een woningstichting bemiddelt bij toewijzing van woningen.

Hij is ervan op de hoogte dat daarin hennepplantages aangebracht zullen worden.

Hij ontvangt per oogst een vergoeding. De woningstichting ontslaat hem op staande voet.

De consulent verzoekt om vernietiging van dit ontslag. De kantonrechter wijst het verzoek af.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

beschikking

RECHTBANK LIMBURG

Burgerlijk recht

Zittingsplaats Maastricht

Zaaknummer: 8640198 AZ VERZ 20-73

Beschikking van 25 september 2020

in de zaak van

[verzoeker, verweerder in het (voorwaardelijk) tegenverzoek] ,

wonend te [woonplaats] ,

verzoekende partij,

verwerende partij in het (voorwaardelijk) tegenverzoek

gemachtigde mr. R. Gijsen

tegen

de stichting STICHTING WOONPUNT,

gevestigd te Maastricht,

verwerende partij,

verzoekende partij in het (voorwaardelijk) tegenverzoek,

gemachtigde mr. B.J. van Hees

Partijen zullen hierna [verzoeker, verweerder in het (voorwaardelijk) tegenverzoek] en Woonpunt genoemd worden.

1 De procedure

1.1.

Het verloop van de procedure blijkt uit:

  • -

    het verzoekschrift met bijlagen

  • -

    het verweerschrift, tevens voorwaardelijk verzoekschrift met bijlagen

  • -

    het verzoekschrift met zelfstandige tegenverzoeken naar aanleiding van het voorwaardelijk verzoekschrift,

  • -

    de mondelinge behandeling op 9 september 2020 waarbij beide partijen een pleitnota hebben overgelegd.

1.2.

Ten slotte is beschikking bepaald op heden.

2 De feiten

2.1.

[verzoeker, verweerder in het (voorwaardelijk) tegenverzoek] is op grond van een arbeidsovereenkomst op 9 mei 1984 in dienst getreden van (de rechtsvoorganger van) Woonpunt. Laatstelijk (met ingang van 2019) was [verzoeker, verweerder in het (voorwaardelijk) tegenverzoek] voor Woonpunt werkzaam als consulent Maatwerk vanuit de vestiging te Maastricht. Daarvoor heeft hij deze werkzaamheden verricht in de vestiging te Hoensbroek.

2.2.

Op 14 januari 2020 heeft een politie-inval plaatsgevonden bij de door Woonpunt verhuurde woningen aan de [adres 1] en de [adres 2] te [plaats 1] . In beide woningen zijn toen hennepplantages aangetroffen. Huurders van deze woningen waren respectievelijk [naam huurster 1] en [naam huurster 2] (hierna: de zussen [naam huursters] ).

2.3.

De zussen [naam huursters] hebben op 11 februari 2020 aan een medewerker van Woonpunt medegedeeld dat [verzoeker, verweerder in het (voorwaardelijk) tegenverzoek] in 2017 de woningen aan hen had toegewezen, nadat hij ze tegen betaling hoger op de plaatsingslijst had gezet. Woonpunt heeft hierover contact gehad met de politie.

2.4.

Op 6 mei 2020 heeft Woonpunt een anonieme schriftelijke melding ontvangen met de volgende inhoud::

“De heer [verzoeker, verweerder in het (voorwaardelijk) tegenverzoek] heeft mij via een derde persoon tegen betaling hoger op de lijst geplaatst om in aanmerking te komen voor een woning, waar ik normaal gesproken niet voor in aanmerking zou komen.”

2.5.

Naar aanleiding van deze tweede melding heeft Woonpunt medio mei 2020 aan Hoffmann Bedrijfsrecherche B.V. (hierna: Hoffmann) de opdracht gegeven nader onderzoek te verrichten.

2.6.

Hoffmann heeft het onderzoek verricht in de periode mei-juni 2020. De bevindingen van haar onderzoek heeft zij vastgelegd in een rapport van 24 juni 2020 (bijlage 3 van de zijde van Woonpunt). Als onderdeel van dit onderzoek hebben twee werknemers van Hoffmann met [verzoeker, verweerder in het (voorwaardelijk) tegenverzoek] gesproken op vrijdag 12 juni 2020. Van de toen door [verzoeker, verweerder in het (voorwaardelijk) tegenverzoek] afgelegde verklaring is een schriftelijk verslag gemaakt dat door de werknemers van Hoffmann is ondertekend en dat door [verzoeker, verweerder in het (voorwaardelijk) tegenverzoek] “voor akkoord” is ondertekend. Dit gespreksverslag is als bijlage 37 bij het rapport gevoegd.

2.7.

Na afloop van het gesprek op 12 juni 2020 heeft de leidinggevende van [verzoeker, verweerder in het (voorwaardelijk) tegenverzoek] hem diezelfde dag mondeling medegedeeld dat hij op staande voet ontslagen is.

2.8.

Woonpunt heeft het ontslag op staande voet bevestigd bij brief van 15 juni 2020. Als bijlage bij de brief heeft ze het hiervoor genoemde door [verzoeker, verweerder in het (voorwaardelijk) tegenverzoek] ondertekende gespreksverslag gevoegd. In de brief heeft Woonpunt aan [verzoeker, verweerder in het (voorwaardelijk) tegenverzoek] (onder meer) het volgende medegedeeld:

“Uit de verklaring komt (onder meer) naar voren dat u in uw positie als consulent maatwerk bemiddeld heeft in het in huur geven van panden van Woonpunt, al dan niet via een derde, aan een zekere heer [naam buurman] , zijnde uw buurman. Uw buurman heeft deze panden ingezet om in de panden hennepteelt te laten plaatsvinden, althans andere onrechtmatige activiteiten, waarvan u op de hoogte was. U werd met regelmaat betaald door heer [naam buurman] voor het regelen van deze panden. Deze betalingen vonden contant plaats door de heer [naam buurman] , dan wel diens zoon en vonden (meestal) plaats per oogst.

U heeft zich schuldig gemaakt aan strafbare, althans onrechtmatige gedragingen en activiteiten en heeft daarbij uw positie als consulent maatwerk bij Woonpunt bewust ingezet. Vanuit uw positie was u immers in staat om buiten de formele kaders om, panden ter beschikking te stellen aan specifieke doelgroepen. U heeft deze specifieke positie misbruikt om daarmee de onrechtmatige activiteiten te kunnen doen plaatsvonden in de door u geregelde panden. U heeft dit mede gedaan voor eigen (financieel) gewin.

(…)

Wij hebben u te kennen gegeven dat uw handelen voor ons een dringende reden vormt voor een ontslag op staande voet. Gelet op het voorgaande hebben wij u dan ook op 12 juni 2020 medegedeeld dat uw arbeidsovereenkomst met onmiddellijke ingang op grond van een dringende reden is beëindigd. Uw ongeoorloofde houding en gedragingen zoals hiervoor weergegeven en in de verklaring opgenomen, vormen ieder voor zich c.q. in onderlinge samenhang, een dringende reden in de zin van artikel 7:678 BW. Door uw handelen bent u het vertrouwen van uw werkgever onwaardig geworden.”

2.9.

[verzoeker, verweerder in het (voorwaardelijk) tegenverzoek] heeft daarna Woonpunt benaderd. In reactie daarop heeft Woonpunt hem op 25 juni 2020 schriftelijk medegedeeld dat hij op goede grond op staande voet is ontslagen.

2.10.

Bij brief van 30 juni 2020 heeft de gemachtigde van [verzoeker, verweerder in het (voorwaardelijk) tegenverzoek] aan Woonpunt verzocht hem binnen vijf dagen mede te delen dat het ontslag op staande voet als ingetrokken kan worden beschouwd en dat het loon onverkort aan [verzoeker, verweerder in het (voorwaardelijk) tegenverzoek] zal worden betaald.

2.11.

Bij brief van 7 juli 2020 heeft de gemachtigde van Woonpunt aan [verzoeker, verweerder in het (voorwaardelijk) tegenverzoek] gemachtigde medegedeeld dat aan het verzoek van [verzoeker, verweerder in het (voorwaardelijk) tegenverzoek] niet tegemoetgekomen zal worden.

3 Het geschil

3.1.

[verzoeker, verweerder in het (voorwaardelijk) tegenverzoek] verzoekt:

  1. het ontslag op staande voet van 12 juni 2020 te vernietigen,

  2. voor recht te verklaren dat de arbeidsovereenkomst tussen partijen onverkort voortduurt,

  3. Woonpunt te veroordelen om het loon van € 4.084,00 bruto per maand vanaf 15 juni 2020 te betalen, te vermeerderen met de wettelijke rente en de wettelijke verhoging,

  4. Woonpunt te veroordelen om hem binnen vijf dagen na betekening van de beschikking toe te laten om de bedongen werkzaamheden te verrichten, op straffe van verbeurte van een dwangsom,

  5. Woonpunt te veroordelen in de proces- en de nakosten, een en ander te vermeerderen met de wettelijke rente.

3.2.

Het verweer van Woonpunt strekt tot afwijzing van het verzoek van [verzoeker, verweerder in het (voorwaardelijk) tegenverzoek] .

3.3.

Voorwaardelijk, voor het geval de kantonrechter het ontslag op staande voet vernietigt, verzoekt Woonpunt de arbeidsovereenkomst met [verzoeker, verweerder in het (voorwaardelijk) tegenverzoek] te ontbinden en te bepalen dat [verzoeker, verweerder in het (voorwaardelijk) tegenverzoek] geen recht heeft op een transitievergoeding.

3.4.

In reactie op het voorwaardelijke verzoek heeft [verzoeker, verweerder in het (voorwaardelijk) tegenverzoek] verzocht om in geval van ontbinding van de arbeidsovereenkomst:

  1. de ontbinding toe te wijzen per 1 februari 2021,

  2. Woonpunt te veroordelen tot betaling van het loon, zoals reeds verzocht in onderdeel 3 van het verzoek als hiervoor in 3.1. aangehaald,

  3. voor recht te verklaren dat hij recht heeft op een transitievergoeding,

  4. voor recht te verklaren dat hij in geval de arbeidsovereenkomst op de “i-grond” wordt ontbonden, recht heeft op een verhoging van de transitievergoeding met 50%,

  5. Woonpunt te veroordelen tot betaling van de wettelijke rente over “de toegewezen geldelijke vorderingen/verzoeken,

  6. Woonpunt te veroordelen in de proceskosten.

4 De beoordeling

4.1.

[verzoeker, verweerder in het (voorwaardelijk) tegenverzoek] voert aan dat niet duidelijk is op basis van welke feiten en omstandigheden Woonpunt haar stellingen baseert die hebben geleid tot het ontslag op staande voet. De kantonrechter verwerpt dit standpunt omdat het onjuist is. Uit de hiervoor in 2.8. geciteerde passage in de brief van 15 juni 2020 blijkt immers dat Woonpunt de stellingen op grond waarvan zij [verzoeker, verweerder in het (voorwaardelijk) tegenverzoek] op staande voet ontslagen heeft, heeft gebaseerd op [verzoeker, verweerder in het (voorwaardelijk) tegenverzoek] eigen verklaring die hij heeft afgelegd ten overstaan van de twee werknemers van Hoffmann. Het door [verzoeker, verweerder in het (voorwaardelijk) tegenverzoek] voor akkoord ondertekende verslag van die verklaring is bovendien bij de brief van 15 juni 2020 gevoegd.

4.2.

Blijkens dit verslag heeft [verzoeker, verweerder in het (voorwaardelijk) tegenverzoek] onder meer het volgende verklaard:

  • -

    “Klopt, ik heb voor [naam buurman] woningen geregeld terwijl ik wist dat hij daar hennepplantages in zou zetten.” (pagina 4, derde alinea van de door hem ondertekende verklaring)

  • -

    “Klopt, ik kreeg weleens wat van [naam buurman] . Hoeveel? Een paar honderd euro per woning. U zegt dat u het heel weinig vindt. Ik heb weleens driehonderd euro gekregen. Ik kreeg dit geld per teelt per woning. Ik kreeg een paar honderd euro per teelt in een woning. Om de twee maanden kreeg ik dit bedrag dus per woning. Ja klopt, ik deelde mee in de winst van de hennepteelt. Het klopt dat ik hiermee hennepteelt faciliteerde, zoals u vraagt. Van wie ik het geld kreeg? De ene keer van [naam buurman] en de andere keer van zijn zoon. Ik kreeg het geld in een envelop. Waarom ik het geld aannam? Makkelijk maar ook dom. Hoeveel geld ik op jaarbasis van [naam buurman] per jaar voor alle woningen kreeg? Een paar duizend euro. Dit was in 2017 en 2018. Nu is het gestopt. Het is raar maar ik ben er wel blij mee. Het geld heb ik opgemaakt aan privézaken. Het geld heb ik ontvangen in 2017 en 2018. Ik heb geen geld overigens ontvangen van de teelt in de woningen van de zussen [naam huursters] . Wel van de hennepopbrengsten van de woningen in de [adres 3] . Echt waar.” (pagina 4, vijfde alinea)

  • -

    “De eerste keer dat ik een woning toewees aan [naam buurman] voelde ik de druk niet. Ik wist toen nog niet dat er hennep in de woning zou worden geplaatst. Echt niet. Dat wist ik pas in een latere fase. Ze wilden meer en meer woningen. Ik had toen wel door dat om hennep ging. Ik kreeg toen ook het geld. In het begin kreeg ik een paar honderd euro per teelt. Daarna werd het wel meer. Het hoogste bedrag dat ik voor een teelt heb ontvangen is duizend euro.” (pagina 5, tweede alinea)

  • -

    “U vraagt mij nogmaals naar de dames [naam huursters] . Ja ik wist van tevoren dat er bij de dames hennepplantages in de woning zouden komen.” (pagina 5, derde alinea)

  • -

    “U vraagt welke woningen ik aan de heer [naam buurman] ter beschikking heb gesteld voor hennepteelt? Dat is de [adres 3] en [adres 4] te [plaats 2] . U vraagt of [adres 4] ook [adres 5] kan zijn? Kan zijn maar dat weet ik niet exact. In ieder geval [adres 3] . Wie er op nummer [adres 3] woont? Weet ik niet. Van de [adres 4] te [plaats 2] staat mij ook bij dat deze via [naam buurman] is toegewezen. Maar zeker weten doe ik dat niet.”(pagina 5, vierde alinea)

  • -

    “U vraagt of er nog meer woningen zijn die ik heb geregeld voor [naam buurman] ? Nee dat zijn de woningen van de dames [naam huursters] en de woningen in de [adres 3] ” (pagina 6, derde alinea).

4.3.

Niet gezegd kan worden dat Woonpunt met haar verwijten in de brief van 15 juni 2020 een onjuiste interpretatie heeft gegeven van de door [verzoeker, verweerder in het (voorwaardelijk) tegenverzoek] afgelegde verklaring of dat de verwijten die Woonpunt hem maakt niet in de verklaring zijn terug te vinden.

4.4.

De verwijten zijn dermate ernstig dat deze, indien juist, een dringende reden voor een onverwijlde opzegging van de arbeidsovereenkomst opleveren.

4.5.

Het verweer van [verzoeker, verweerder in het (voorwaardelijk) tegenverzoek] dat hij de verklaringen onder grote druk heeft afgelegd, kan hem niet baten. Het is evident dat een gesprek met deze lading voor [verzoeker, verweerder in het (voorwaardelijk) tegenverzoek] veel spanning meegebracht zal hebben. Dat hij tijdens dit gesprek door de werknemers van Hoffmann op ontoelaatbare wijze onder druk is gezet, blijkt echter nergens uit. Ook heeft [verzoeker, verweerder in het (voorwaardelijk) tegenverzoek] niet kunnen aantonen dat de hiervoor aangehaalde onderdelen van zijn verklaring niet juist zijn. Uit het verslag blijkt bovendien dat [verzoeker, verweerder in het (voorwaardelijk) tegenverzoek] na afloop van het gesprek in de gelegenheid is gesteld om dit door te lezen en dat hem de gelegenheid is gegeven aanpassingen voor te stellen. Dit alles in aanmerking nemend, gaat de kantonrechter ervan uit dat het gespreksverslag een juiste weergave is van hetgeen [verzoeker, verweerder in het (voorwaardelijk) tegenverzoek] heeft verklaard en dat in ieder geval niet is gebleken dat de hiervoor geciteerde verklaringen van [verzoeker, verweerder in het (voorwaardelijk) tegenverzoek] (achteraf) onjuist zijn gebleken.

4.6.

[verzoeker, verweerder in het (voorwaardelijk) tegenverzoek] heeft ook betoogd dat hij door [naam buurman] in de jaren 2017 en 2018 onder druk gezet is en dat deze hem op een onheuse “grooming-achtige” wijze heeft ingepalmd en bedreigd. [verzoeker, verweerder in het (voorwaardelijk) tegenverzoek] kon naar eigen zeggen “absoluut niet meer terug” en hem werd medegedeeld dat [naam buurman] wapens had en niet terugdeinsde geweld te gebruiken. De kantonrechter verwerpt dit betoog. [verzoeker, verweerder in het (voorwaardelijk) tegenverzoek] heeft zijn stellingen namelijk in het geheel niet aannemelijk gemaakt. Integendeel. Woonpunt wijst in dit verband er terecht op dat [verzoeker, verweerder in het (voorwaardelijk) tegenverzoek] in 2019, dus na de periode dat hij zich onder druk gezet voelde door [naam buurman] , zelfs naast [naam buurman] is gaan wonen. Dit duidt er geenszins op dat [verzoeker, verweerder in het (voorwaardelijk) tegenverzoek] zich eerder (ernstig) bedreigd heeft gevoeld door [naam buurman] .

4.7.

[verzoeker, verweerder in het (voorwaardelijk) tegenverzoek] vindt ten onrechte dat Woonpunt meer had moeten doen om hem (en andere werknemers) te beschermen tegen de invloed van personen zoals [naam buurman] . [verzoeker, verweerder in het (voorwaardelijk) tegenverzoek] had namelijk zelf, zodra hij zich ook maar enigszins door [naam buurman] onder druk gezet voelde, daarvan melding moeten maken bij Woonpunt. Zeker als ervaren werknemer had van [verzoeker, verweerder in het (voorwaardelijk) tegenverzoek] op dit punt alertheid verwacht mogen worden. [verzoeker, verweerder in het (voorwaardelijk) tegenverzoek] heeft Woonpunt echter niet hierover ingelicht en heeft juist getracht de contacten met [naam buurman] te verhullen. In interne e-mails binnen Woonpunt noemt [verzoeker, verweerder in het (voorwaardelijk) tegenverzoek] deze naam niet maar heeft hij het steeds over “Poetin”.

4.8.

Een ontslag op staande voet moet onverwijld gegeven worden. [verzoeker, verweerder in het (voorwaardelijk) tegenverzoek] kan worden toegegeven dat Woonpunt na de eerste melding in februari 2020 lang gewacht heeft met het verrichten van onderzoek. Zij is daarmee eerst gestart vlak na ontvangst van de tweede melding in mei 2020. Anders dan [verzoeker, verweerder in het (voorwaardelijk) tegenverzoek] betoogt leidt dit echter niet tot de conclusie dat niet is voldaan aan de onverwijldheidseis. De meldingen van februari en mei 2020 houden kort gezegd in dat [verzoeker, verweerder in het (voorwaardelijk) tegenverzoek] tegen betaling mensen hoger op de urgentielijst plaatste. Het ontslag op staande voet ziet echter op andere verwijtbare gedragingen. Die gedragingen zijn aan het licht gekomen tijdens het het op de tweede melding gevolgde onderzoek van Hoffmann waarvan het gesprek met [verzoeker, verweerder in het (voorwaardelijk) tegenverzoek] op 12 juni 2020 deel uitmaakte. Het ontslag is vervolgens, na dat gesprek, onverwijld op diezelfde dag gegeven.

4.9.

Het antwoord op de vraag of Woonpunt hoor en wederhoor heeft toegepast, is naar het oordeel van de kantonrechter niet relevant voor de beoordeling of het ontslag op staande voet terecht is gegeven. Wat hier verder ook van zij, [verzoeker, verweerder in het (voorwaardelijk) tegenverzoek] is door Hoffmann (namens Woonpunt) gehoord op 12 juni 2020 en in die zin heeft hoor en wederhoor plaatsgevonden. Direct daarna is [verzoeker, verweerder in het (voorwaardelijk) tegenverzoek] bovendien in het gesprek waarbij hij op staande voet is ontslagen eerst nog gevraagd om te reageren.

4.10.

[verzoeker, verweerder in het (voorwaardelijk) tegenverzoek] voert verder aan dat Woonpunt onvoldoende rekening heeft gehouden met zijn belangen en had moeten volstaan met een minder ingrijpende maatregel dan ontslag op staande voet. Ook dit standpunt van [verzoeker, verweerder in het (voorwaardelijk) tegenverzoek] verwerpt de kantonrechter. De gevolgen van het ontslag op staande voet zullen ontegenzeggelijk vergaande gevolgen hebben voor [verzoeker, verweerder in het (voorwaardelijk) tegenverzoek] . Daar staat echter tegenover dat van Woonpunt niet kan worden verlangd om een werknemer die zich schuldig heeft gemaakt aan dermate ernstig verwijtbaar gedrag als [verzoeker, verweerder in het (voorwaardelijk) tegenverzoek] heeft vertoond nog langer in dienst te houden.

4.11.

Op grond van voorgaande overwegingen zal het verzoek tot vernietiging van de opzegging van de arbeidsovereenkomst worden afgewezen. Hieruit volgt logischerwijze dat ook alle andere verzoeken van [verzoeker, verweerder in het (voorwaardelijk) tegenverzoek] zullen worden afgewezen.

4.12.

Omdat de opzegging van de arbeidsovereenkomst niet zal worden vernietigd, komt de kantonrechter niet toe aan de beoordeling van het voorwaardelijk tegenverzoek van Woonpunt en dus ook niet aan de beoordeling van de daartegen door [verzoeker, verweerder in het (voorwaardelijk) tegenverzoek] op zijn beurt ingediende tegenverzoeken.

4.13.

Als de in het ongelijk gestelde partij zal [verzoeker, verweerder in het (voorwaardelijk) tegenverzoek] worden veroordeeld tot betaling van de proceskosten, aan de zijde van Woonpunt tot op heden begroot op € 720,00 salaris gemachtigde.

5 De beslissing

De kantonrechter

5.1.

wijst het verzoek van [verzoeker, verweerder in het (voorwaardelijk) tegenverzoek] af,

5.2.

veroordeelt [verzoeker, verweerder in het (voorwaardelijk) tegenverzoek] tot betaling van de kosten van dit geding, aan de zijde van Woonpunt tot op heden begroot op € 720,00,

5.3.

verklaart onderdeel 5.2. van deze beslissing uitvoerbaar bij voorraad.

Deze beschikking is gegeven door mr. P.H.M. Kuster en is in het openbaar uitgesproken.

Type: RW