Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBLIM:2020:796

Instantie
Rechtbank Limburg
Datum uitspraak
05-02-2020
Datum publicatie
06-02-2020
Zaaknummer
AWB - 19 _ 1145
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Bodemzaak
Inhoudsindicatie

Beroep betreft geschil over de hoogte van de aan een agrariër toegekende nadeelcompensatie in verband met de verhoging van het (grond)waterpeil die is ontstaan na herinrichting van een beek door het waterschap. Eiser heeft onder meer betoogd dat het waterschap bij het bepalen van de toekomstige jaarlijkse schade had moeten uitgaan van een kapitalisatiefactor die hoger is dan 10. De rechtbank volgt hem daarin niet. Uit de jurisprudentie blijkt dat er in beginsel geen ruimte is om naar boven af te wijken van de factor 10. Ook als eisers mogelijkheden om de bedrijfsvoering op de vernatte gronden te wijzigen beperkt waren, is dat onvoldoende reden om te oordelen dat zich een uitzonderingssituatie voordoet waarin het waterschap ten voordele van eiser van de factor 10 had moeten afwijken. Ook in zo’n geval moet rekening worden gehouden met bijvoorbeeld de kwade kans dat de onderneming op enig moment moet worden gestaakt of afgeslankt wegens economische of persoonlijke omstandigheden. Daarbij moet worden uitgegaan van de situatie op de peildatum voor de schadebeoordeling, zodat de omstandigheid dat nadien is gebleken dat kwade kansen zich niet hebben voorgedaan in beginsel geen rol speelt.

De rechtbank heeft voorts onder meer geoordeeld dat het waterschap vergoeding van belastingschade en immateriële schade heeft mogen weigeren, omdat daar niet tijdig om is gevraagd.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK limburg

Zittingsplaats Roermond

Bestuursrecht

zaaknummer: AWB/ROE 19/1145

uitspraak van de meervoudige kamer van 5 februari 2020 in de zaak tussen

[Naam 1] , te [plaatsnaam] , eiser,

(gemachtigde: L. Pronk),

en

het dagelijks bestuur van het Waterschap Limburg, verweerder,

(gemachtigden: J. Tielen en mr. M.G.G. van Nisselroy).

Procesverloop

Bij besluit van 18 september 2018 (het primaire besluit) heeft verweerder (hierna, evenals zijn rechtsvoorganger, aangeduid als: het Waterschap) aan eiser een schadevergoeding toegekend van € 206.010,00, vermeerderd met € 17.048,00 aan wettelijke rente.

Bij besluit van 12 maart 2019 (het bestreden besluit) heeft het Waterschap het bezwaar dat eiser tegen het primaire besluit heeft gemaakt, ongegrond verklaard.

Eiser heeft tegen het bestreden besluit beroep ingesteld.

Het Waterschap heeft een verweerschrift ingediend.

Eiser heeft een berekening toegezonden van de belastingschade die hij stelt te lijden op basis van de aan hem toegekende vergoeding.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 12 november 2019.

Eiser is verschenen, vergezeld door zijn zoon, [naam 2] , en bijgestaan door zijn gemachtigde. Het Waterschap heeft zich laten vertegenwoordigen door zijn gemachtigden.

Overwegingen

1. Eiser heeft verzocht om behandeling ter zitting met gesloten deuren in verband met de (verstoorde) verhouding met andere agrarische ondernemers in de buurt als gevolg van zijn schadeclaim. De rechtbank heeft dat verzoek afgewezen omdat in hetgeen eiser heeft aangevoerd geen reden is gelegen die is te beschouwen als grond voor sluiting van de deuren als bedoeld in artikel 8:62, tweede lid, van de Algemene wet bestuursrecht (Awb). De rechtbank merkt daarbij op dat bij de behandeling ter zitting geen anderen dan partijen aanwezig zijn geweest.

2. Eiser exploiteert samen met zijn zoon een agrarische onderneming aan de [adres] te [plaatsnaam] . Hij heeft op 27 oktober 2014 een verzoek tot schadevergoeding uit hoofde van nadeelcompensatie ingediend bij het Waterschap. Eiser heeft in het schadeformulier vermeld dat hij vanaf 2005, en nog steeds, schade lijdt aan zijn landbouwgronden als gevolg van het te hoge beekpeil van de Eckeltsebeek na de herinrichting daarvan door het Waterschap. Bij die herinrichting is de beek meanderend gemaakt, hetgeen volgens eiser tot gevolg heeft gehad dat de beek onvoldoende water kan afvoeren. Eiser heeft in de begeleidende brieven bij het formulier verder gesteld dat door genoemde stijging van het beekpeil als gevolg van de herinrichting ook het grondwaterpeil op zijn percelen is gestegen. Volgens eiser hebben latere acties om het beekpeil te verlagen onvoldoende effect gehad. Hij stelde bij zijn verzoek dat de schade uit meerdere posten bestaat: gewasschade, extra arbeidsuren, schade aan machines, het optreden van bodemziekten, de aanwezigheid van nieuwe ijzerlagen en het niet optimaal kunnen oogsten. De totale schade voorafgaand aan zijn verzoek heeft eiser getaxeerd op een bedrag van

€ 204.032,53, waarin hij de kosten verbonden aan het opbreken van ijzerlagen (die zich door de hoge waterstand hebben gevormd) niet heeft begrepen. Bij zijn verzoek heeft hij voorts aangevoerd te vrezen voor toekomstige schade en heeft hij het Waterschap gevraagd om maatregelen te nemen om die toekomstige schade te voorkomen.

3. Het Waterschap heeft conform de Verordening bestuurscompensatie waterschap Peel en Maasvallei (de Verordening) advies gevraagd aan een deskundigencommissie (hierna: de deskundigencommissie). Per mail van 24 april 2016 heeft eiser aan de deskundigencommissie een berekening van de volgens hem geleden inkomensschade over de jaren 2005 tot en met 2015 verstrekt ten bedrage van € 154.009,92 (inclusief wettelijke rente: € 237.455,51).

4. Bij brief van 15 juni 2016 heeft eiser bij het Waterschap een aanvullende schademelding gedaan, waartoe hij heeft aangevoerd dat regenval in de periode van 28 mei 2016 tot 3 juni 2016 tot een onaanvaardbaar niveau van het beek- en grondwaterpeil heeft geleid, hetgeen zijns inziens te wijten is aan de te geringe afvoercapaciteit en te hoog peil van de Eckeltsebeek en daardoor ook van de instromende Horsterbeek. Het Waterschap heeft eiser naar aanleiding van de schademelding van 15 juni 2016 bericht dat de behandeling van die claim wordt aangehouden totdat duidelijkheid bestaat over het eerder ingediende verzoek tot nadeelcompensatie.

5. Op 14 januari 2018 heeft de deskundigencommissie aan het Waterschap geadviseerd om aan eiser een schadevergoeding uit hoofde van nadeelcompensatie toe te kennen ten bedrage van € 206.010,00 te vermeerderen met de wettelijke rente daarover ingaande

28 oktober 2014 tot de dag van algehele betaling. De deskundigencommissie is er bij haar advisering van uitgegaan dat de oorzaak van de geleden schade is gelegen in de in 2005 uitgevoerde herinrichting van de Eckeltsebeek.

6. Bij het primaire besluit heeft het Waterschap conform het advies van de deskundigencommissie beslist en een totaalbedrag van € 223.058,00 (inclusief wettelijke rente) aan eiser betaalbaar gesteld. Eiser heeft daartegen bezwaar gemaakt en aangevoerd dat hij zich niet kan verenigen met de bij de schadeberekening over de periode 2005 – 2014 gehanteerde kapitalisatiefactor 10. In verband daarmee heeft eiser betoogd dat het Waterschap in de heroverweging dient vast te leggen dat het primaire besluit alleen ziet op schade in de periode 2005 – 2014 en dat eiser het recht behoudt om na 2014 geleden schade te claimen zonder dat het primaire besluit hem wordt tegengeworpen. Tevens heeft eiser verzocht om in de door het Waterschap te maken heroverweging de post belastingschade te betrekken. Ten slotte heeft eiser de wijze van afhandeling van zijn verzoek van 15 juni 2016 en de verhouding daarvan tot de afdoening van de onderhavige zaak aan de orde gesteld.

7. Bij het bestreden besluit heeft het Waterschap het bezwaar dat eiser tegen het primaire besluit heeft gemaakt, ongegrond verklaard. Het Waterschap heeft zich in navolging van de deskundigencommissie op het standpunt gesteld dat (omdat eiser eigenaar is van de landbouwgrond) de kapitalisatiefactor 10 dient te worden toegepast als compensatie van schade over een in principe onbepaalde periode. De deskundigencommissie heeft daarbij overwogen dat de toegepaste kapitalisatiefactor is ontleend aan het onteigeningsrecht en bij nadeelcompensatie overeenkomstig pleegt te worden toegepast. De deskundigencommissie heeft een gemiddelde schade berekend op basis van een tienjarenreeks van bruto opbrengsten per hectare waarbij het jaar 2016 buiten beschouwing is gelaten omdat de neerslag toen zo extreem was dat daar geen enkele beek op berekend hoefde te zijn. Volgens de deskundigencommissie is in de berekende vergoeding voor inkomensschade de vermogensschade verdisconteerd en ziet die vergoeding ook op toekomstige schade. Verder stelt het Waterschap zich op het standpunt dat van schending van het rechtszekerheids- of vertrouwensbeginsel geen sprake is. Ten aanzien van de post belastingschade heeft het Waterschap overwogen dat daarover terecht geen standpunt is ingenomen omdat eiser tot het moment van bezwaar geen melding heeft gemaakt van belastingschade. De schade over 2016 is volgens het Waterschap – voor zover die een relatie heeft met het herinrichtingsbesluit – verdisconteerd in de berekening en vaststelling van het schadebedrag, zoals dat in het primaire besluit is bepaald.

8. Eisers beroep strekt ertoe dat hij de toegekende compensatie voor de geleden schade als gevolg van de vernatting van zijn landbouwgronden door de herinrichting van de Eckeltsebeek onvoldoende hoog acht. De beroepsgronden zien op de gevolgde procedure, de gehanteerde kapitalisatiefactor en daarmee de termijn waarop de vergoeding betrekking heeft, de hoogte van de toegepaste korting wegens normaal maatschappelijk risico, het niet honoreren van gewekt gerechtvaardigd vertrouwen, het niet vergoeden van belastingschade, het zijns inziens onterecht uitblijven van een nadere beslissing op het aanvullend verzoek om schadevergoeding van 15 juni 2016 alsmede op het uitblijven van een aanvullende beslissing op zijn verzoek om vergoeding van immateriële schade.

9. De rechtbank overweegt als volgt.

10. Ingevolge artikel 7.14, eerste lid, van de Waterwet wordt aan degene die als gevolg van de rechtmatige uitoefening van een taak of bevoegdheid in het kader van het waterbeheer schade lijdt of zal lijden, op zijn verzoek door het betrokken bestuursorgaan een vergoeding toegekend, voor zover de schade redelijkerwijze niet of niet geheel te zijnen laste behoort te blijven en voor zover de vergoeding niet of niet voldoende anderszins is verzekerd.

In het tweede lid van artikel 7.14 van de Waterwet is bepaald dat het verzoek tot vergoeding van de schade een motivering bevat, alsmede een onderbouwing van de hoogte van de gevraagde schadevergoeding. Bij of krachtens algemene maatregel van bestuur dan wel verordening van provincie of waterschap kunnen regels worden gesteld omtrent de inrichting, indiening en motivering van een verzoek tot schadevergoeding.

Ingevolge het derde lid kan het bestuursorgaan het verzoek afwijzen, indien vijf jaren zijn verlopen na de dag waarop de schade zich heeft geopenbaard dan wel nadat de benadeelde redelijkerwijs op de hoogte had kunnen zijn van de schade, doch in elk geval na verloop van twintig jaren na de schadeveroorzakende gebeurtenis. Bij of krachtens de in het tweede lid bedoelde algemene maatregel van bestuur dan wel verordening van provincie of waterschap kunnen regels worden gesteld omtrent de behandeling en de wijze van beoordeling van een verzoek tot schadevergoeding.

Ingevolge artikel 2, eerste lid, van de Verordening kent het bestuur degene die schade lijdt, of zal lijden, als gevolg van het door het waterschap vervullen van de taken genoemd in het reglement, op verzoek een vergoeding toe, voor zover de schade redelijkerwijs niet of niet geheel te zijnen laste behoort te blijven en voor zover de vergoeding niet, of niet voldoende, anderszins is verzekerd.

Ingevolge artikel 6, eerste lid, van de Verordening dient de commissie het bestuur van advies over de op het verzoek te nemen beslissing. Zij stelt daartoe een onderzoek in naar:

a. De vraag of de schade een gevolg is van het vervullen van de taak door het waterschap als bedoeld in het reglement voor het waterschap;

b. De omvang van de schade;

c. De vraag of de schade redelijkerwijs niet of niet geheel ten laste van de benadeelde behoort te blijven;

d. De vraag of vergoeding van de schade niet, of niet voldoende, anderszins is verzekerd.

11. Het Waterschap heeft zijn besluit gebaseerd op een advies dat is opgesteld door een onafhankelijke commissie van deskundigen. Niet gesteld of gebleken is dat die commissie niet over de vereiste deskundigheid beschikt of dat zij zich partijdig heeft opgesteld. Gelet op vaste jurisprudentie mag het bestuursorgaan, indien door een dergelijke commissie op objectieve wijze verslag is gedaan van het door deze deskundige(n) verrichte onderzoek en daarin op inzichtelijke wijze is aangegeven welke feiten en omstandigheden aan de conclusie ervan ten grondslag zijn gelegd en deze conclusie niet onbegrijpelijk is, bij het nemen van een besluit als het onderhavige van dat advies uitgaan, tenzij concrete aanknopingspunten voor twijfel aan de juistheid of volledigheid van het advies naar voren zijn gebracht. Het ligt daarom op de weg van eiser om concrete aanknopingspunten voor twijfel aan de juistheid of volledigheid van het advies van de deskundigencommissie naar voren te brengen.

De procedure

12. Eiser voert aan dat hij steeds heeft laten blijken dat hij zich niet kan vinden in de gevolgde procedure ter regeling van de door hem geleden schade. Hij heeft het door hem ingevulde schadeformulier op verzoek van het Waterschap ingediend nadat er al lange tijd overleg plaatsvond over de schade(oorzaak). Eiser heeft steeds verklaard dat hij medewerking verleende omdat dit werd gevraagd en onder voorbehoud van alle rechten en weren. Eiser had duidelijkheid verwacht van de deskundigencommissie maar heeft die niet gekregen. Zo stelt die commissie dat het niet tot haar taak behoort om te beoordelen of door het Waterschap onrechtmatig is gehandeld. Eiser heeft vervolgens in de op voorhand toegezonden pleitnota aangegeven dat niet langer wordt betoogd dat het Waterschap onrechtmatig heeft gehandeld. Het gaat erom dat het herinrichtingsplan, zoals uitgevoerd, wat een rechtmatige uitoefening van de bestuursbevoegdheden van het waterschap betreft, onbedoelde bijgevolgen heeft gehad, zoals verhoging van de waterstand in de beek en als gevolg daarvan verhoging van de grondwaterstand bij eisers landbouwpercelen. Eiser wil een slag om de arm houden voor het geval dat de problemen niet afdoende worden opgelost en de schade in deze procedure niet volledig wordt gecompenseerd.

12.1.

Het Waterschap stelt zich op het standpunt dat ‘het medewerking verlenen aan een procedure’ niet vrijblijvend is. Eiser heeft ervoor gekozen en is akkoord gegaan met het volgen van het traject van nadeelcompensatie en dan geldt het bepaalde in de Verordening en meer algemeen het bestuursrecht.

12.2.

De rechtbank is van oordeel dat het Waterschap zich terecht op het standpunt stelt dat eiser een verzoek om nadeelcompensatie heeft ingediend waarop de Verordening en het bestuursrecht van toepassing zijn. Dat eiser voorbehouden heeft gemaakt, impliceert niet dat de verkeerde procedure is gevolgd of dat daarbij onzorgvuldig is gehandeld omdat niet met die voorbehouden rekening is gehouden. Dat eiser zich het recht voorbehoudt om het Waterschap aansprakelijk te stellen voor meer of andere schade dan de die waarop het verzoek om nadeelcompensatie ziet, maakt dit - wat daar overigens van zij - niet anders. De beroepsgrond slaagt niet.

De kapitalisatiefactor en het niet maken van een knip

13. Eiser betoogt dat weliswaar uit vaste jurisprudentie volgt dat het in dit soort zaken gebruikelijk is om (waar het betreft een eigenaar van een zaak) uit te gaan van de kapitalisatiefactor 10 voor voortdurende schades, maar dat deze factor in het onderhavige geval niet reëel is. De schadeoorzaak dateert uit 2004/2005 en betreft een herinrichting van de Eckeltsebeek door het Waterschap waarvan werd verwacht dat die tot een verlaging van de waterstand zou leiden. Anders dan verwacht ontstond een voortdurende verhoging van de waterstand in de beek, waardoor eiser op het tijdstip dat de toegekende compensatie aan hem is uitgekeerd reeds gedurende 14 jaar schade aan zijn bedrijfsvoering leed en blijft lijden. Eiser stelt dat hij al die tijd in overleg is geweest met het Waterschap over een oplossing, maar dat gedurende al die tijd geen begin is gemaakt met het aanpakken van de oorzaak van de schade. Eiser acht het apert onredelijk dat wordt volstaan met een kapitalisatiefactor 10. Hij heeft de werkelijke schade berekend over de periode 2005 tot en met 2018 en komt op een schade uit die € 100.000,00 hoger ligt dan de gekapitaliseerde schade. Daardoor heeft eiser geen financiële ruimte meer voor toekomstige aanpassingen aan zijn bedrijfsvoering. Ter zitting heeft eiser aangevoerd dat er geen rechtsregel is die zich verzet tegen toepassing van een hogere kapitalisatiefactor in geval sprake is van een onevenredige voor rekening van de burger blijvende schade. Hij betoogt in dat verband dat een kapitalisatiefactor van 10 staat voor schadevergoeding over een periode van 10 tot 13 jaar, maar dat het voor hem als akkerbouwer gedurende 14 jaar niet mogelijk is geweest om de door vernatting onbruikbare grond middels een aangepaste bedrijfsvoering, in zijn geval ook niet als weidegrond, te benutten of deze te verkopen en dat er geen uitzicht is op verandering van die situatie.

Eiser voert voorts aan dat hij om deze reden in bezwaar heeft gepleit voor een ‘knip’ in de tegemoetkoming, inhoudende: vergoeding van de in de periode 2005 – 2014 geleden schade op basis van de factor 10 en vergoeding van in de toekomst nog te lijden schade door hetzij compensatie in natura dan wel een aanvullende schadevergoeding. Eiser betoogt dat het Waterschap bij het bestreden besluit ten onrechte daar niet in is meegegaan. Dit klemt volgens eiser te meer omdat door ambtenaren van het Waterschap de gerechtvaardigde verwachting is gewekt dat de geleden schade volledig zou worden vergoed en omdat er zijns inziens geen sprake is van een normale maatschappelijke ontwikkeling. Dit blijkt volgens hem onder meer uit het feit dat het Waterschap heeft verklaard dat de herinrichting van de Eckeltsebeek een proeftuin was voor het waterschap. Eiser is daarom van mening dat ten onrechte een aftrek van 10% in verband met normaal maatschappelijk risico is gehanteerd.

13.1.

Het Waterschap stelt zich op het standpunt dat op goede gronden de kapitalisatiefactor 10 is toegepast. Dit is de maximale kapitalisatiefactor (voor eigenaren) zoals die ook in het onteigeningsrecht bij jaarlijks terugkerende schade wordt toegepast. Het Waterschap wijst op een arrest van de Hoge Raad (HR) van 9 juli 2010, ECLI:NL:HR:2010:BL6267, in het kader van onteigening, waarin de toegepaste kapitalisatiefactor 15 is verlaagd naar 10 en is geoordeeld dat de kapitalisatiefactor ziet op het omrekenen van een jaarlijkse rentelast naar een bedrag ineens, waaruit de belanghebbende die rentelast gedurende een aantal jaren kan opbrengen. Verder heeft de HR overwogen dat het aantal jaren geen verband houdt met het tijdvak gedurende welke een schade zich naar verwachting zal voordoen, noch met het aantal jaren waarin een belanghebbende naar verwachting eigenaar zal blijven. In een arrest van 20 april 2012, ECLI:NL:HR:2012:BV6657, eveneens in het kader van een onteigening, heeft de HR geoordeeld dat de kapitalisatiefactor niet is gerelateerd aan de termijn waarbinnen een redelijk handelend ondernemer zijn bedrijfsvoering aanpast. Ten aanzien van de in 2016 ontstane schade wijst het Waterschap erop dat dit een uitzonderlijk jaar was met zeer extreme neerslag binnen een korte periode in het voorjaar. Verder bestrijdt het Waterschap eisers betoog dat er nog geen begin is gemaakt met het aanpakken van de schadeoorzaak om toekomstige schade tegen te gaan.

Ten aanzien van de gestelde ambtelijke toezeggingen stelt het Waterschap zich op het standpunt dat daarvan geen sprake is en dat de juiste, wettelijk voorgeschreven, procedure is gevolgd om te komen tot een vergoeding van schade bij een rechtmatige overheidsdaad.

Voor de motivering van het gehanteerde maatschappelijk risico sluit het Waterschap zich aan bij het advies van de deskundigencommissie. Het Waterschap ziet in hetgeen is aangevoerd geen nieuwe argumenten om daarvan af te wijken.

13.2.

Over het geschilpunt ten aanzien van de gehanteerde kapitalisatiefactor oordeelt de rechtbank als volgt. Uit de door het Waterschap aangehaalde jurisprudentie van de HR, maar ook uit uitspraken van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State (de Afdeling), bijvoorbeeld de uitspraak van 27 juni 2007, ECLI:NL:RVS:2007:BA8139, komt naar voren dat bij de schadeberekening in onteigeningzaken en nadeelcompensatiezaken een kapitalisatiefactor kan worden gehanteerd als op de in aanmerking te nemen peildatum sprake blijkt te zijn van permanente dan wel qua duur onbepaalde jaarlijks optredende bedrijfs- of inkomensschade. Gelet op de (onbetwiste) schadeoorzaak in dit geval (de herinrichting van de Eckeltsebeek) dient in deze zaak uitgegaan te worden van een (weliswaar niet exact vast te stellen) datum in 2005 als peildatum. Uit voormelde rechtspraak is voorts af te leiden dat in geval de schade wordt geleden in de hoedanigheid van eigenaar van een onroerend goed, de gekapitaliseerde toekomstige schade wordt bepaald door de jaarlijkse schade te vermenigvuldigen met de factor 10. Dat betekent dat, afhankelijk van de renteopbrengst van de vergoeding, de geraamde jaarlijkse schade over een periode van ongeveer 10 tot 13 jaar wordt gedekt. Indien bij het besluit op een aanvraag blijkt dat sinds de peildatum gedurende een bepaalde periode de schade niet is geleden dan wel had kunnen worden beperkt, is dat echter reden om een lagere kapitalisatiefactor toe te passen. De rechtbank verwijst in dit verband naar eerdergenoemde uitspraak van de Afdeling van 27 juni 2007. Uit de jurisprudentie is af te leiden dat er in beginsel geen ruimte is om naar boven af te wijken van de factor 10. Eiser betoogt dat er in zijn geval niettemin reden is om een hogere factor dan 10 te hanteren, omdat hij in een periode die al langer dan 13 jaar heeft geduurd geen mogelijkheden heeft gehad om door wijziging van de bedrijfsvoering de schade (verder) te beperken. Voor zover eiser betoogt dat zijn mogelijkheden om de bedrijfsvoering op de vernatte gronden te wijzigen beperkt waren, acht de rechtbank dit niet onaannemelijk. Daarin is echter onvoldoende reden gelegen om te oordelen dat zich een uitzonderingssituatie voordoet waarin het Waterschap ten voordele van eiser van de factor 10 had moeten afwijken. Bij de raming van bedrijfsschade over een onbepaalde periode moet immers rekening gehouden worden met meerdere factoren die zowel kwade als goede kansen betreffen. Daarbij kan niet zonder meer worden uitgegaan van een voortzetting van de bestaande gang van zaken over een lange toekomstige periode. Ook als mogelijkheden om de bedrijfsvoering aan te passen beperkt zijn, of zelfs ontbreken, moet rekening worden gehouden met bijvoorbeeld de kans dat de onderneming op enig moment moet worden gestaakt, gewijzigd of afgeslankt wegens economische of persoonlijke omstandigheden. Daarbij moet worden uitgegaan van hetgeen zich voordoet en redelijkerwijs is te verwachten op de peildatum, zodat de omstandigheid dat nadien blijkt dat de kwade en/of goede kansen zich niet hebben voorgedaan, behoudens de verplichting van degene die de schade lijdt om deze zoveel mogelijk te beperken, in beginsel geen rol speelt. Het feit dat het primaire besluit op de aanvraag pas (ongeveer) dertien jaar na de peildatum is genomen, is geen reden voor een andere benadering. Dit is immers (overwegend) het gevolg van het feit dat eiser pas (ongeveer) tien jaar na de peildatum het verzoek om nadeelcompensatie heeft ingediend.

14. In hetgeen hiervoor is overwogen ligt tevens besloten dat het Waterschap geen reden heeft hoeven te zien om een knip te maken te maken tussen de ten tijde van het primaire besluit reeds geleden schade enerzijds en toekomstige schade anderzijds. Daar komt bij dat uit het, door het Waterschap gevolgde, advies van de deskundigencommissie blijkt dat eiser, juist vanwege de onbepaalde duur van de schade, niet is tegengeworpen dat op basis van artikel 7.14, derde lid, van de Waterwet de aanvraag kon worden afgewezen voor zover het schade betreft die is geleden vijf jaar nadat deze zich heeft geopenbaard.

15. Over mogelijke toekomstige schade merkt de rechtbank ten overvloede op dat hetgeen hiervoor is overwogen onverlet laat dat indien schade voortvloeit uit een andere oorzaak dan de herinrichting in 2005, ook daarvoor een verzoek om nadeelcompensatie kan worden gedaan, dan wel schadevergoeding kan worden gevorderd.

Normaal maatschappelijk risico

16. Eisers betoog over de toe te passen kapitalisatiefactor mondt tevens uit in de conclusie dat het Waterschap geen aftrek op de berekende inkomensschade in verband met het normale maatschappelijk risico had mogen hanteren. De deskundigencommissie heeft uitvoerig gemotiveerd waarom zij (nader) tot een aftrek van 10% van het schadebedrag is gekomen. Het Waterschap heeft dat advies onverkort gevolgd. Daarover heeft eiser geen afzonderlijke beroepsgronden aangevoerd. Reeds daarom treft het beroep op dit punt geen doel.

Schending van het vertrouwensbeginsel

17. Eiser voert aan dat bij hem door ambtenaren in de contacten met het Waterschap voorafgaand aan het verzoek om nadeelcompensatie het gerechtvaardigde vertrouwen is gewekt dat de schade volledig zou worden vergoed. Dat betoog kan niet slagen. Nog daargelaten of de door eiser bedoelde uitlatingen als toezeggingen in de zin van de uitspraak van de Afdeling van 29 mei 2019 (ECLI:NL:RVS:2019:1694) kunnen worden beschouwd, staat het feit dat deze zijn gedaan in een minnelijk traject, voorafgaand aan een mogelijke formele verzoekprocedure, eraan in de weg. Zoals de Afdeling overwoog in de uitspraak van 15 januari 2020 (ECLI:NL:RVS:2020:88) is het voor de kans van slagen van een minnelijk traject van belang dat partijen vrij met elkaar kunnen spreken en zich dus niet gebonden hoeven te voelen aan in die fase ingenomen standpunten of gedane uitlatingen.

Belastingschade

18. Eiser voert tegen de weigering om belastingschade te vergoeden aan dat hij ten tijde van het indienen van het verzoek om nadeelcompensatie niet bekend was met het feit dat belastingschade zou optreden. Hij wijst er op dat uit de uitspraak van de Afdeling van 3 februari 2010, ECLI:NL:RVS:2010:BL1791 volgt dat (later gebleken) belastingschade een rechtstreeks gevolg is van het schadeveroorzakend bestuurlijk handelen. Eiser betoogt dat in die zaak, anders dan de bezwarencommissie heeft overwogen, ook pas later in de procedure belastingschade als schadepost is opgevoerd. De stelling van het Waterschap dat eiser zich kennelijk te laat heeft gerealiseerd dat hij belastingschade lijdt, is daarom niet houdbaar. Eiser heeft de belastingschade gemeld zodra hij daarmee bekend was, namelijk toen duidelijk was dat hem een vergoeding was toegekend. Gelet op de volledige heroverweging in bezwaar, valt volgens eiser niet in te zien waarom hij deze aanvullende schadepost niet alsnog in de bezwaarfase zou kunnen opvoeren.

18.1.

Het Waterschap wijst erop dat eiser in zijn beroepsgrond terecht aanvoert dat de verzoeker om schadevergoeding pas een verzoek kan doen zodra hij bekend is met de schade. Volgens het Waterschap mag van een ondernemer worden verwacht dat die ervan op de hoogte is dat jaarlijkse schommelingen van inkomsten mogelijk fiscale gevolgen kunnen hebben. De ondernemer en/of diens financieel raadgever behoren ook te weten hoe die fiscale gevolgen gemitigeerd kunnen worden. Eiser heeft geen gewag gemaakt van belastingschade voordat hij dit punt in de bezwaarfase heeft opgeworpen op een moment dat de deskundigencommissie haar werk al had afgerond. Aanvullend heeft verweerder zich onder verwijzing naar het advies van de bezwarencommissie op het standpunt gesteld dat ambtshalve toekenning van belastingschade niet aan de orde is. Dat belastingschade ten titel van nadeelcompensatie kan worden geclaimd stelt het Waterschap niet ter discussie, maar eiser heeft zich te laat gerealiseerd dat hij mogelijk belastingschade lijdt als gevolg van de uitgekeerde schadevergoeding. Onder die omstandigheden kan aan de deskundigencommissie en het Waterschap niet worden tegengeworpen dat die post niet bij de voorbereiding en de besluitvorming is betrokken, zo betoogt het Waterschap. Het uitgangspunt van volledige heroverweging in bezwaar moet immers worden gezien in de scope van de oorspronkelijke aanvraag. Op basis van die aanvraag heeft de commissie advies uitgebracht. Eiser heeft verschillende mogelijkheden gehad om bij de deskundigencommissie gewag te maken van belastingschade, maar hij heeft daar geen gebruik van gemaakt. Daarbij wijst het Waterschap op artikel 7.14, tweede lid, van de Waterwet, waarin is bepaald waaraan een verzoek om schadevergoeding moet voldoen. Ingevolge het derde lid is het moment van belang, waarop een belanghebbende redelijkerwijs van de schade op de hoogte had kunnen zijn. Het Waterschap stelt zich op het standpunt dat eiser ten tijde van het indienen van het verzoek op de hoogte was of als ondernemer redelijkerwijs op de hoogte had kunnen zijn van inkomens- en vermogensschade, waaronder belastingschade.

18.2.

Eiser heeft kort vóór de behandeling van het beroep ter zitting aanvullende stukken ingediend ter onderbouwing van zijn standpunt dat hij belastingschade lijdt. Het Waterschap heeft daar ter zitting op gereageerd en aangegeven dat het niet mogelijk is om tijdig op die stukken te reageren. Het Waterschap betoogt dat het inbrengen van die stukken in dat stadium in strijd is met een goede procesorde.

18.3.

De rechtbank overweegt dat uit genoemde uitspraak van de Afdeling van 3 februari 2010 blijkt dat ook belastingschade in het kader van nadeelcompensatie kan worden geclaimd en dat de omvang dan nog niet hoeft vast te staan. De Afdeling overweegt daarbij dat, als de hoogte van die schade bij het besluit op de aanvraag nog niet is vast te stellen, die post pro memorie kan worden gehouden. Uit die uitspraak blijkt echter niet dat de Afdeling van oordeel is dat die claim ook pas na het primaire besluit op de aanvraag kan worden ingediend. In het voorliggende geval heeft eiser in bezwaar verweerder verweten dat het onzorgvuldig was om belastingschade buiten de toegekende vergoeding te laten. Eiser heeft echter noch in het verzoekschrift noch in de contacten met de deskundigencommissie op enige wijze melding gemaakt van mogelijke belastingschade. De deskundigencommissie had dus geen reden om deze schadepost in haar advisering te betrekken en verweerder hoefde in het primaire besluit daarop dan ook niet in te gaan. Het door eiser in het bezwaarschrift gemaakte verwijt van onzorgvuldigheid impliceert dat hij van opvatting is dat het Waterschap ambtshalve had moeten beoordelen of belastingschade moet worden vergoed. De rechtbank kan hem in die opvatting niet volgen. Nu belastingschade als afzonderlijke schadepost is te beschouwen, heeft het Waterschap zich terecht in navolging van de bezwarencommissie op het standpunt gesteld dat hij daarover in het primaire besluit geen beslissing heeft hoeven te nemen en dat hij dit in het besluit op bezwaar evenmin heeft hoeven te doen. Dat de omvang van de belastingschade ten tijde van het oorspronkelijk verzoek niet was vast te stellen, betekent niet dat eiser die post niet toen al heeft kunnen voorzien en heeft kunnen opvoeren. De beroepsgrond slaagt derhalve niet. Dit betekent tevens dat de rechtbank de kort voor de zitting ingediende stukken betreffende belastingschade buiten beschouwing laat.

Uitblijven nadere beslissing op aanvullend verzoek van 15 juni 2016

19. Eiser heeft als beroepsgrond aangevoerd dat het Waterschap niet heeft beslist op zijn aanvullend verzoek om schadevergoeding van 15 juni 2016. Het Waterschap heeft bij brief van 2 december 2016 bericht dat dit verzoek zou worden aangehouden totdat er duidelijkheid zou zijn over de beslissing op het inleidend verzoek. Eiser betoogt dat de bezwarencommissie dat onderdeel van het bezwaar niet heeft behandeld en dat daarop in het bestreden besluit ook niet is ingegaan. Daardoor heeft het Waterschap in strijd met artikel 7:11 van de Awb gehandeld, aldus eiser.

19.1.

Het Waterschap wijst erop dat in het aanvullend verzoek, waarin een herhaalde schademelding is gedaan, wordt verwezen naar de lopende nadeelcompensatieprocedure en dat dit aspect daarin ook is meegenomen. De deskundigencommissie heeft in het definitief advies vermeld dat bij het bepalen van de schade naar jaargemiddelde het jaar 2016 wegens de extreme situatie buiten beschouwing is gelaten. Zij wijst erop dat de schade in 2016 mogelijk wezenlijk groter was dan in de in aanmerking genomen jaren, maar dat dit niet voortkomt uit het herinrichtingsplan doch is te wijten aan de extreme weersomstandigheden in dat voorjaar. De gevolgen daarvan kunnen het Waterschap niet worden aangerekend, zo redeneert zij.

19.2.

De rechtbank volgt het Waterschap in zijn standpunt dat weliswaar impliciet maar voor eiser kenbaar, op het aanvullend verzoek is beslist. Die beslissing houdt in dat de mogelijk in 2016 geleden extra waterschade die uit de herinrichting van de Eckeltsebeek voortvloeit geen aanleiding geeft voor een hogere schadevergoeding. Reeds uit hetgeen is overwogen over de kapitalisatiefactor, erop neerkomend dat deze betrekking heeft op de gehele inkomensschade volgt dat het Waterschap geen aanvullende vergoeding voor schade als gevolg van de herinrichting van de Eckeltsebeek heeft hoeven toe te kennen. Voor zover in 2016 schade is geleden uit andere oorzaken dan de herinrichting kan daarover in dit geding niet worden geoordeeld. De beroepsgrond slaagt niet.

Uitblijven beslissing op verzoek om vergoeding van immateriële schade

20. Eiser betoogt dat het Waterschap eveneens heeft verzuimd om op zijn verzoek om vergoeding van immateriële schade te beslissen. Dit verzoek is gedaan in de reactie op het concept-advies van de deskundigencommissie. Uit het arrest van de HR van 15 februari 2019, ECLI:NL:HR:2019:241, volgt volgens eiser dat, wanneer wordt verzocht om een vergoeding van immateriële schade, hierover een oordeel moet worden gegeven. Ook in de onderhavige zaak is sprake van spanning en frustratie vanwege de schadeveroorzakende handeling, te weten de herinrichting van de Eckeltsebeek en de gevolgen daarvan. Eiser en zijn zoon hebben spanning, frustratie en verminderde levensvreugde ondergaan omdat zij extra inspanningen hebben moeten verrichten met een lager resultaat. Nu het Waterschap heeft nagelaten daarop te beslissen, is het bestreden besluit onvolledig en ondeugdelijk gemotiveerd, aldus eiser.

20.1.

Het Waterschap wijst erop dat eiser in het oorspronkelijk verzoek geen gewag heeft gemaakt van immateriële schade. Pas in de reactie op het conceptadvies van de commissie wordt op pagina 11 vermeld dat “bij deze smartengeld wordt geclaimd als tegemoetkoming van gederfde levensvreugde sinds 2005”. Het Waterschap herhaalt zijn standpunt dat de mogelijkheid om te reageren op het conceptadvies niet is bedoeld om een ‘claim’ uit te breiden maar om een reactie te geven op het conceptadvies. De reactie waarin de claim is opgenomen is ook niet aan het Waterschap maar aan de commissie gericht. In het (aanvullend) bezwaarschrift is verder niet gesproken over immateriële schade of smartengeld. Aangezien eerst nu in de beroepsfase een vergoeding wegens gestelde immateriële schade wordt verlangd, moet dit verzoek volgens het Waterschap buiten behandeling blijven.

20.2.

De rechtbank is van oordeel dat reeds het feit dat eiser in bezwaar (het ontbreken van een beslissing over) het onderwerp immateriële schade niet aan de orde heeft gesteld betekent dat de beroepsgrond niet slaagt. Immateriële schade is immers te beschouwen als een afzonderlijke schadepost en betreft daarmee een zelfstandig besluitonderdeel. Artikel 6:13 van de Awb houdt in dat er geen beroep kan worden ingesteld door een belanghebbende aan wie redelijkerwijs kan worden verweten dat hij geen bezwaar heeft gemaakt. Niet is gesteld of aannemelijk geworden dat eiser het onderwerp immateriële schade redelijkerwijs niet in bezwaar aan de orde heeft kunnen stellen. Aan beantwoording van de vraag of een ontvankelijk verzoek om immateriële schade nog na het concept-advies van de deskundigencommissie kon worden gedaan komt de rechtbank niet toe.

Conclusie

21. Nu geen van de beroepsgronden slaagt, is het beroep ongegrond.

22. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

Beslissing

De rechtbank verklaart het beroep ongegrond.

Deze uitspraak is gedaan door mr. Th.M. Schelfhout, voorzitter, en mr. R.J.G.H. Seerden en mr. N.M.J. Janssen, leden, in aanwezigheid van mr. F.A. Timmers, griffier. De beslissing is in het openbaar uitgesproken op 5 februari 2020.

griffier voorzitter

Afschrift verzonden aan partijen op: 5 februari 2020

Rechtsmiddel

Tegen deze uitspraak kan binnen zes weken na de dag van verzending daarvan hoger beroep worden ingesteld bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State.