Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBLIM:2020:777

Instantie
Rechtbank Limburg
Datum uitspraak
03-02-2020
Datum publicatie
05-02-2020
Zaaknummer
AWB - 19 _ 504 + AWB - 19 _ 505
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Bodemzaak
Inhoudsindicatie

Intrekken van exploitatievergunning en drank- en horecavergunning van een café in Venlo. Tweemaal niet voldaan aan het vereiste dat er een leidinggevende aanwezig moet zijn in het horecabedrijf. Beroep ongegrond.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK LIMBURG

Zittingsplaats Roermond

Bestuursrecht

Zaaknummers: ROE 19 / 504 en ROE 19 / 505

Uitspraak van de enkelvoudige kamer van 3 februari 2020 in de zaken tussen

[naam 1] , wonend te Venlo, eiser,

en

de burgemeester van de gemeente Venlo, verweerder.

Procesverloop

Bij (onderscheiden) besluiten van 18 oktober 2018 heeft verweerder de eerder aan eiser verleende exploitatievergunning en de vergunning op grond van de Drank- en Horecawet (hierna: de Dhw) ingetrokken.

Bij (onderscheiden) besluiten 7 februari 2019 (hierna: de bestreden besluiten) heeft verweerder het daartegen door eiser gemaakte bezwaar ongegrond verklaard.

Eiser heeft beroep ingesteld tegen de bestreden besluiten. Als gemachtigde heeft zich gesteld mr. B.M.A.G. Meelkop, rechtsbijstandverlener te Venlo, die op 13 maart 2019 de beroepsgronden heeft ingediend. Bij brief van 22 oktober 2019 zijn de beroepsgronden aangevuld.

Verweerder heeft de stukken die op de zaak betrekking hebben ingediend en heeft een verweerschrift ingezonden.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 12 november 2019, waar eiser, bijgestaan door mr. M.P.J.C. Heuvelmans, advocaat te Venlo, en verweerder, vertegenwoordigd door J.M.G. Vincken, werkzaam bij de gemeente, zijn verschenen.

Overwegingen

1. Aan eiser zijn bij (onderscheiden) besluiten van 13 juli 2017 een exploitatievergunning als bedoeld in artikel 2:28 van de Algemene plaatselijke verordening Venlo (hierna: de Apv) en een drank- en horecavergunning als bedoeld in artikel 3 van de Dhw verleend. De vergunningen zijn verleend ten behoeve van de exploitatie van het horecabedrijf “Café Bebbel” aan de [adres] (hierna: het horecabedrijf). Op het aanhangsel van elke vergunning zijn eiser en een viertal andere personen als leidinggevenden vermeld.

2. Op 21 april 2018 is bij het horecabedrijf een controle uitgevoerd. Tijdens deze controle is geconstateerd dat er geen leidinggevende aanwezig was. Eiser heeft hiervoor bij brief van 25 mei 2018 een formele waarschuwing gekregen. Tevens heeft verweerder het horecabedrijf tijdelijk gesloten voor een periode van twee weken. Deze tijdelijke sluiting is mede ingegeven door meerdere incidenten die voordien in en buiten het horecabedrijf hebben plaatsgevonden. Op 23 augustus 2018 heeft wederom een controle bij het horecabedrijf plaatsgevonden. Bij die controle is andermaal geconstateerd dat het horecabedrijf voor het publiek geopend was terwijl er geen leidinggevende aanwezig was.

3. Op 25 september 2018 heeft verweerder aan eiser medegedeeld voornemens te zijn de aan hem verleende vergunningen in te trekken omdat dat uit informatie van de politie is gebleken dat het horecabedrijf op 23 augustus 2018 voor publiek geopend was, terwijl er geen leidinggevende aanwezig was, zoals verplicht is gesteld op grond van artikel 24 van de Dhw en artikel 2:29f van de Apv. Ten aanzien van dit voornemen heeft eiser tijdens een gesprek op 4 oktober 2018 zijn zienswijze kenbaar gemaakt. Vervolgens heeft verweerder bij de besluiten van 18 oktober 2018 de exploitatievergunning en de drank- en horecavergunning met ingang van 1 november 2018 ingetrokken.

4. De bestreden besluiten strekken tot handhaving van de intrekking van de aan eiser verleende vergunningen. Verweerder heeft daartoe allereerst verwezen naar de bevindingen van de politie, zoals neergelegd in een tweetal processen-verbaal van bevindingen van 23 augustus 2018 en 18 september 2018. Uit het eerste proces-verbaal blijkt volgens verweerder dat toen op 23 augustus 2018 om 21.19 uur ter plaatse een controle werd uitgevoerd, de toegangsdeur van het horecabedrijf open stond, de verlichting aan was, de muziek aan stond en er geen gasten in de inrichting aanwezig waren. Er was ook geen leidinggevende in de inrichting aanwezig, terwijl het horecabedrijf geopend was. Deze bevindingen worden ondersteund door de bevindingen van de nadien uitgelezen camerabeelden, zoals neergelegd in het tweede proces-verbaal. Afwezigheid van een leidinggevende binnen een half jaar nadat de vergunninghouder is gewaarschuwd, leidt volgens de binnen de gemeente geldende “Beleidsregels aanwezigheid leidinggevenden in horecabedrijven” (hierna: de beleidsregels) tot intrekking van de vergunning op grond van artikel 31, tweede lid, van de Dhw en artikel 2:29g, aanhef en onder e, van de Apv. Gelet op het vorenstaande kan volgens verweerder op basis van de beleidsregels worden overgegaan tot intrekking van de betreffende vergunningen. Verweerder heeft verder overwogen dat uit de door eiser naar voren gebrachte bezwaren geen bijzondere omstandigheden naar voren komen op grond waarvan van intrekking had moeten worden afgezien. Gedurende de periode van 5 oktober 2017 tot en met 19 september 2018 hebben zich een groot aantal incidenten voorgedaan rondom het horecabedrijf. Het algemeen belang weegt volgens verweerder daarom zwaarder dan het individuele belang van eiser.

5. Eiser handhaaft in beroep zijn standpunt dat het horecabedrijf op 23 augustus 2018 om 21.19 uur niet voor publiek geopend was. Het enkele feit dat de toegangsdeur geopend was, betekent volgens eiser niet dat het horecabedrijf voor publiek geopend was. Op die avond werd er gepoetst, werd het magazijn opgeruimd en werd de drankvoorraad aangevuld. Uit het proces-verbaal van 18 september 2018 blijkt dat de persoon die zich bij de controle bekend heeft gemaakt als [naam 2] voor het horecabedrijf stond. Deze persoon kon volgens eiser eventueel publiek dat naar binnen wilde gaan erop wijzen dat het horecabedrijf gesloten was. Dit is niet nodig gebleken, want er zijn die avond geen klanten geweest die naar binnen wilden gaan. Er zijn volgens eiser die avond dan ook geen klanten aanwezig geweest. Eiser betoogt verder dat het onbegrijpelijk is dat de verbalisanten van voornoemd proces-verbaal zonder nader onderzoek er vanuit zijn gegaan dat de persoon op de camerabeelden, die om 19.20 uur het horecabedrijf binnen loopt en om 19.36 uur weer weg gaat, een klant zou zijn. Eiser stelt dat dit geen klant is geweest, maar een medewerker van het horecabedrijf. Eiser voert verder aan dat hij naar de nabijgelegen bioscoop is gegaan om een trede Red Bull terug te brengen en één minuut na binnenkomst van de verbalisanten weer terug was in het horecabedrijf. Daarnaast kan volgens eiser niet worden uitgesloten dat er een andere leidinggevende aanwezig was in het horecabedrijf in de periode voorafgaand aan de politiecontrole. Ter ondersteuning van dit standpunt heeft eiser een verklaring overgelegd van de leidinggevende [naam 3] waarin deze stelt dat hij die bewuste avond aanwezig is geweest in het horecabedrijf en het horecabedrijf via de achterdeur heeft verlaten op het moment de verbalisanten het horecabedrijf betraden.

5.1.

Eiser betoogt voorts dat verweerder ten aanzien van de geconstateerde eerste overtreding op 21 april 2018 de beleidsregels verkeerd heeft toegepast. Verweerder heeft namelijk niet alleen een waarschuwing opgelegd, maar ook in afwijking van deze regels het horecabedrijf voor twee weken gesloten. Daarnaast past verweerder volgens eiser de beleidsregels niet consistent toe. Zo heeft verweerder aan een ander café meerdere waarschuwingen gegeven alvorens tot sluiting over te gaan. Tot slot is eiser de mening toegedaan dat de intrekking van zijn vergunningen voor onbepaalde tijd disproportioneel is gelet op de grote financiële gevolgen daarvan. In het geval de rechtbank toch vaststelt dat er geen leidinggevende aanwezig is geweest terwijl het horecabedrijf geopend was, stelt eiser dat hij maar zeer kort afwezig was en er geen concreet gevaar is geweest voor de openbare orde, veiligheid en leefbaarheid, nu hij in de buurt van het horecabedrijf verbleef en vanuit de bioscoop toezicht kon houden op het horecabedrijf.

6. De rechtbank overweegt als volgt.

7. In artikel 24, eerste lid, aanhef en onder a, van de Dhw, voor zover hier van belang, is bepaald dat het verboden is een horecalokaliteit voor het publiek geopend te houden indien in de inrichting niet aanwezig is een leidinggevende die vermeld staat op het aanhangsel bij de vergunning.

In artikel 31, tweede lid, van de Dhw is bepaald dat een vergunning door de burgemeester kan worden ingetrokken indien de vergunninghouder de bij of krachtens deze wet gestelde regels, dan wel de aan een vergunning of ontheffing verbonden voorschriften en beperkingen, niet nakomt.

In artikel 2:29f, eerste lid, aanhef en onder a, van de Apv, voor zover hier van belang, is bepaald dat het verboden is een horecalokaliteit voor het publiek geopend te houden indien in de inrichting niet aanwezig is een leidinggevende die vermeld staat op het aanhangsel bij de vergunning.

In artikel 2:29g, aanhef en onder e, van de Apv, voor zover hier van belang, is bepaald dat de burgemeester de vergunning kan intrekken, indien is gehandeld in strijd met het bij of krachtens artikel 2:29f bepaalde.

7.1.

In de beleidsregels is ten aanzien van de aanwezigheid van leidinggevenden in horecabedrijven opgenomen dat indien wordt vastgesteld dat geen leidinggevende in de inrichting aanwezig is, de vergunninghouder wordt gewaarschuwd om de bedrijfsvoering aan te passen. De waarschuwing houdt volgens de beleidsregels tevens de aankondiging in dat de vergunning bij ongewijzigde bedrijfsvoering ingetrokken zal worden. Afwezigheid van een leidinggevende binnen een half jaar nadat de vergunninghouder is gewaarschuwd, leidt tot intrekking van de vergunning. Wordt de afwezigheid vastgesteld na bedoelde periode dan zal wederom een waarschuwing volgen.

8. De rechtbank stelt op grond van de gedingstukken (met name het bezwaarschrift van 31 oktober 2018 tegen de intrekking van de exploitatievergunning) vast dat eiser heeft erkend dat het horecabedrijf op 21 april 2018 voor het publiek geopend is geweest, terwijl er geen leidinggevende aanwezig was. Hiervoor heeft eiser bij het besluit van 25 mei 2018 een waarschuwing gekregen, inhoudende dat intrekking van zijn vergunningen zou volgen indien binnen een half jaar wederom eenzelfde overtreding geconstateerd zou worden. Dat verweerder bij dit besluit in afwijking van de beleidsregels voor een periode van twee weken het horecabedrijf ook heeft gesloten, doet aan deze waarschuwing niet af. Indien eiser het niet eens was met de tijdelijke sluiting van het horecabedrijf stond het hem vrij om hiertegen rechtsmiddelen aan te wenden. Eiser heeft dit nagelaten, zodat deze tijdelijke sluiting onherroepelijk is geworden. Het besluit van 25 mei 2018 staat immers in rechte vast. Verweerder heeft dan ook terecht gesteld dat dit besluit, althans de daarin bevolen sluiting van het horecabedrijf, niet opnieuw in het onderhavige beroep ter discussie kan worden gesteld.

9. De rechtbank is voorts – anders dan eiser – van oordeel dat het horecabedrijf op 23 augustus 2018 voor het publiek toegankelijk was. Weliswaar waren er geen klanten in het horecabedrijf aanwezig op het moment van de controle, maar de toegangsdeur was open en de verlichting en de muziek stonden aan. Eiser heeft bovendien in zijn zienswijzegesprek op 4 oktober 2018 zelf verklaard dat het horecabedrijf die dag rond 19:00 uur geopend was, dat het rond 20:00/20:30 uur is gesloten en dat er in het begin enkele klanten zijn geweest. Uit het proces-verbaal van politie van 18 september 2018 kan worden opgemaakt dat er op deze bewuste avond van 17:18 tot 17:37 uur, van 17:45 tot 18.48 uur en van 18:56 tot 21:20 uur geen leidinggevende aanwezig was in het horecabedrijf. Op de camerabeelden is immers te zien dat leidinggevende [naam 4] het horecabedrijf om 16:50 uur heeft geopend en het pand tussen 17:18 en 17:37 uur heeft verlaten om vervolgens om 17:45 uur het pand definitief te verlaten. Eiser zelf heeft hierop om 18:48 uur het horecabedrijf betreden en is om 18:56 uur weer vertrokken, waarna op de camerabeelden is te zien dat hij om 21:03 uur vanuit de Nassaulaan de Picardie oploopt en naar de bioscoop gaat. Verweerder heeft uit het voorgaande de conclusie getrokken dat het horecabedrijf voor publiek geopend was en dat er geen leidinggevende aanwezig was. Deze conclusie acht de rechtbank niet onjuist.

Aan de door eiser overgelegde verklaring van leidinggevende [naam 3] van 10 maart 2019 over zijn aanwezigheid in het horecabedrijf tussen 18:30 en 21:15 uur, kan niet die waarde worden gehecht die eiser er aan wil toekennen, gelet op het feit dat deze verklaring eerst achteraf is opgesteld en deze stellingname van eiser pas in beroep (en dus in een zeer laat stadium) naar voren is gebracht.

10. Voor zover eiser ter zitting heeft gesteld dat hij zich niet kan verweren tegen het uitlezen van de camerabeelden, nu deze beelden niet meer voorhanden zijn en hij de camerabeelden niet zelf meer kan bekijken, overweegt de rechtbank het volgende. De uitgelezen camerabeelden zijn neergelegd in het proces-verbaal van bevindingen van 18 september 2018. De rechtbank stelt vast dat niet nagegaan kan worden of het proces-verbaal op ambtseed of op ambtsbelofte is opgemaakt, omdat de laatste bladzijde van dit proces-verbaal niet door verweerder is overgelegd. De rechtbank is evenwel van oordeel dat aan het proces-verbaal hierdoor niet minder bewijskracht toekomt. Het gaat om een gedetailleerd verslag van twee politiefunctionarissen, van wie niet is gebleken dat zij een belang hebben bij het onjuist vermelden van hetgeen zij op de camerabeelden hebben waargenomen. De rechtbank ziet dan ook geen aanleiding om aan de juistheid van het proces-verbaal te twijfelen. Voor zover eiser heeft gesteld dat een persoon, die op de beelden is te zien, door de politie is aangemerkt als klant, terwijl dit in werkelijkheid een vriend of een leidinggevende is geweest, overweegt de rechtbank dat dit, wat er ook verder van deze stelling zij, het vorenstaande niet anders maakt, nu uit het proces-verbaal blijkt dat deze persoon enkel tussen 19.20 en 19.36 uur in het horecabedrijf heeft verbleven

11. Uit het voorgaande volgt dat verweerder bevoegd was om tot intrekking van de exploitatievergunning en de drank- en horecavergunning over te gaan en dat verweerder overeenkomstig de beleidsregels na de tweede constatering binnen een half jaar van die bevoegdheid gebruik heeft gemaakt.

12. Naar het oordeel van de rechtbank kan eisers standpunt dat de intrekking van de betreffende vergunningen voor hem disproportioneel is, evenmin worden gevolgd. Er is geen sprake van een situatie waarin toepassing van de beleidsregels zodanig onevenredig is dat daarvan moet worden afgezien. Bovendien heeft eiser voldoende gelegenheid van verweerder gekregen om zich aan de regels te houden, hetgeen hij heeft nagelaten. Eiser was expliciet gewaarschuwd. Van verminderde verwijtbaarheid is geen sprake. Verweerder heeft voorts de financiële belangen van eiser betrokken in zijn afweging, maar hij heeft, gelet op de aard en ernst van de overtreding in redelijkheid de algemene belangen van openbare orde en veiligheid kunnen laten prevaleren boven de (financiële) belangen van eiser.

13. Ter zitting heeft eiser de beroepsgrond dat de sluiting van zijn horecabedrijf in strijd is met het gelijkheidsbeginsel ingetrokken. Deze beroepsgrond behoeft dan ook geen bespreking meer.

14. De rechtbank merkt ten overvloede nog op dat het eiser altijd vrij staat bij verweerder opnieuw aanvragen voor een exploitatievergunning en een drank- en horecavergunning in te dienen.

15. Uit het vorenstaande volgt dat de beroepen ongegrond zijn. Voor een proceskosten veroordeling bestaat geen aanleiding.

Beslissing

De rechtbank:

verklaart de beroepen ongegrond.

Aldus vastgesteld door mr. R.M.M. Kleijkers, rechter, in aanwezigheid van mr. D.H.J. Laeven, griffier.

De uitspraak is openbaar gemaakt op 3 februari 2020.

griffier rechter

Afschrift verzonden aan partijen op: 3 februari 2020

Rechtsmiddel

Voor een belanghebbende en het bestuursorgaan staat tegen deze uitspraak hoger beroep open bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State. De termijn voor het instellen van het hoger beroep bedraagt zes weken na de datum van verzending van deze uitspraak.