Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBLIM:2020:7658

Instantie
Rechtbank Limburg
Datum uitspraak
30-09-2020
Datum publicatie
08-10-2020
Zaaknummer
C/03/252332 / HA ZA 18-355
Rechtsgebieden
Verbintenissenrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

Verbintenissenrecht, art. 7:754 BW. Geen waarschuwingsplicht aannemer aangenomen.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
BR 2021/45 met annotatie van T.B. van Dijk, N. van Deinsen
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

vonnis

RECHTBANK LIMBURG

Burgerlijk recht

Zittingsplaats Maastricht

zaaknummer / rolnummer: C/03/252332 / HA ZA 18-355

Vonnis van 30 september 2020

in de zaak van

de besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid

KOBELCO WELDING OF EUROPE B.V.,

gevestigd te Heerlen,

eiseres,

advocaat mr. B.M.M. Hepkema,

tegen

de besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid

FRISOMAT B.V.,

gevestigd te Raamsdonksveer,

gedaagde,

advocaat mr. H.B.J. de Boer.

Partijen zullen hierna Kobelco en Frisomat genoemd worden.

1 De procedure

1.1.

Het verloop van de procedure blijkt uit:

  • -

    het tussenvonnis van 22 mei 2019,

  • -

    de akte inhoudende overlegging producties van Kobelco met de daarbij gevoegde producties 25 tot en met 30,

  • -

    de akte vermeerdering eis van Kobelco van 23 september 2019 met de daarbij gevoegde productie 25,

  • -

    het proces-verbaal van comparitie, gehouden op 23 september 2019,

  • -

    de akte inhoudelijke reactie vermeerdering van eis en akte overleggen producties van Frisomat met de daarbij gevoegde producties 8 tot en met 13,

  • -

    de akte inhoudende overlegging productie van Kobelco met de daarbij gevoegde productie 31,

  • -

    de akte inhoudende antwoord en overlegging producties van Kobelco van 6 mei 2020 met de daarbij gevoegde producties 31 tot en met 33 (de rechtbank leest: productie 32 tot en met 34).

1.2.

Ten slotte is vonnis bepaald.

2 Het geschil

2.1.

Kobelco vordert, na vermeerdering van eis, zoveel mogelijk uitvoerbaar bij voorraad:

  1. herstel van de gebreken door Frisomat die na oplevering zijn ontstaan en staan omschreven in de deskundigenrapporten van [naam] en Fugro, alsmede die van EFPC aan de door Frisomat gerealiseerde hal/loods. Dit op de wijze zoals in de deskundigenrapporten, meer in het bijzonder in het rapport van deskundige [naam] , staat omschreven. Na het herstel van de gebreken dient het bouwwerk te voldoen aan alle wettelijk en contractueel te stellen eisen. Het herstel dient te zijn gerealiseerd binnen een termijn van dertig dagen, althans een door uw rechtbank in goede justitie te bepalen termijn, na het wijzen van dit vonnis, bij gebreke waarvan Frisomat een dwangsom verbeurt van € 2.500,00 per dag of dagdeel (met een maximum van € 75.000,00) dat Frisomat na betekening van dit vonnis in gebreke mocht blijven,

  2. voldoening van een schadevergoeding door Frisomat ter hoogte van

€ 72.721,40 (te vermeerderen met de door Kobelco te maken kosten ter zake van de externe opslag met ingang van week 35, 2019), althans een door de rechtbank in goede justitie te bepalen bedrag, te vermeerderen met wettelijke rente vanaf de datum van dagvaarding in kort geding (16 februari 2017) zijnde tot aan de dag der algehele voldoening,

3. veroordeling van Frisomat in de kosten van dit geding.

2.2.

Kobelco heeft aan haar eisvermeerdering ten grondslag gelegd dat eerder de gevolgschade was berekend tot en met week 47 van 2018. De schade loopt steeds verder op naarmate de tijd vordert. Gelet hierop is de schade opgelopen en behelst deze tot en met week 34 van het jaar 2019 een bedrag van € 72.721,40.

3 De verdere beoordeling

3.1.

De rechtbank stelt vast dat partijen bij de comparitie van 23 september 2019 hebben verklaard dat de loods eind oktober 2011 door Frisomat is opgeleverd. Rov. 2.7 van het tussenvonnis van 22 mei 2019 dient aldus verbeterd te worden gelezen. De rechtbank blijft voor het overige bij hetgeen in voormeld tussenvonnis is overwogen.

Schending van de waarschuwingsplicht?

3.2.

Thans is met betrekking tot de vastgestelde scheefstand van de stelconplaten in de loods enkel nog aan de orde of Frisomat in de omstandigheden waaronder zij de opdracht aannam, respectievelijk uitvoerde, onderzoek had moeten doen naar de draagkracht van het grondoppervlak onder en rondom de geplande loods en, indien deze onvoldoende was, Kobelco daarvoor had moeten waarschuwen.

3.2.1.

Kobelco stelt bij dagvaarding dat een horizontale verschuiving van de stelconplaten (“de loods is in horizontale richting uit elkaar gezakt”, paragraaf 2.7.3.1. dagvaarding) de oorzaak is van de huidige gebreken van de loods, leidend tot de - in april 2017 aan het licht gekomen - scheefstand van de magazijnstellingen die zodanig is dat de magazijnstellingen zouden worden afgekeurd bij een officiële keuring (productie 10 van Kobelco, het e-mailbericht van 14 april 2017 van [naam keurmeester] , keurmeester van Frissen Intern Transport B.V., hierna: Frissen). Kobelco verwijst ter onderbouwing van haar stellingen ook naar het geotechnische onderzoeksrapport van Fugro van 11 mei 2017 (productie 14 van Kobelco) en de rapportage inmeting stelconplaten 1017-0158-002 van 11 maart 2020 (productie 32 van Kobelco), en de Rapportage m.b.t. Verzakkingen van vloerelementen en loodsruimte aan de Eisterweg 8 te Heerlen van [naam] Constructieve Berekeningen (hierna: [naam] ) van 28 juli 2017 (productie 13 van Kobelco).

3.2.2.

De rechtbank stelt vast dat Kobelco na de dagvaarding telkens spreekt over verzakking van die stelconplaten, zonder expliciet aan te geven of zij hiermee de stelling dat er sprake is van een horizontale verschuiving van die platen heeft laten varen.

3.3.

Frisomat heeft in een uitvoerig betoog, onder verwijzing naar de tekeningen, de offerte, de berekeningen van het ingenieursbureau Concretio (rapporten van 21 december 2011, productie 3 Frisomat, en van 21 maart 2018 [gebaseerd op nieuwe meetgegevens van Fugro van 13 maart 2018, productie 5 van Frisomat], productie 4 van Frisomat), het rapport van expertise van LiBerty Expertisebureau B.V. (hierna: LiBerty) van 27 oktober 2017 (productie 3, bijlage 4 en foto’s), gesteld dat zij de werkzaamheden heeft uitgevoerd zoals overeengekomen. Zij stelt geen waarschuwingsplicht te hebben geschonden, nu niet de constructie dan wel de fundering van de loods zelf, maar de wijze van inrichting (het plaatsen van de magazijnstellingen door een derde) en het gebruik door Kobelco (de belading, bedoeld wordt het in- en uitrijden van de materialen met vorkheftrucks en het opslaan daarvan, en de belasting van de stellingen) de oorzaak van de gestelde problemen is. Door voormeld gebruik zijn de stelconplaten geweken waardoor de magazijnstellingen uit het lood zijn komen te staan. Frisomat stelt in dit verband dat zij zich geen concreet beeld heeft kunnen vormen van het daadwerkelijk gebruik door Kobelco van die stellingen, anders dan dat zij de hoogte daarvan bij haar bezoek aan de loods in 2018 opvallend vond en dat sommige staanders wel heel dicht bij de hoeken van de stelconplaten zijn geplaatst. Dit heeft weliswaar niet tot een beschadiging van de stelconplaten geleid, maar niet valt uit te sluiten dat de platen door de plaatsing van de staanders en de belasting van de stellingen als geheel iets zijn gaan wijken wat in combinatie met de hoogte van de stellingen tot overschrijding van de maximaal toelaatbare toleranties heeft geleid. Frisomat is onbekend met de daadwerkelijke belasting van de stellingen en de wijze waarop zij beladen zijn, waarbij bijvoorbeeld de snelheid waarmee in de loods werd gereden, maar ook het gewicht van de vorkheftrucks inclusief belading van belang is. Frisomat stelt dat de geconstateerde vervormingen doorgaans pas optreden na overbelasting en verwijst daartoe naar voormeld rapport van LiBerty. Frisomat wijst er voorts nog op dat uit het geotechnische onderzoek van Fugro, productie 14 van Kobelco, blijkt dat eerst een twee meter diep gat geboord moest worden voordat met de sonderingen begonnen kon worden. Daaruit valt af te leiden dat de loods is gebouwd op een twee meter dikke verdichte c.q. gezette c.q. ingeklonken bodem, die sterk genoeg is om de loods zoals door Kobelco aangevraagd en door Frisomat is geoffreerd te kunnen dragen. Frisomat betwist de door [naam] aangedragen oplossing omdat deze ziet op een heel ander gebruik van de loods dan bij Frisomat bekend was.

3.4.

Onder omstandigheden kan, zoals Kobelco stelt, op een aannemer een waarschuwingsplicht rusten als bedoeld in art. 7:754 BW. Dat artikel bepaalt dat de aannemer bij het aangaan of uitvoeren van de overeenkomst verplicht is de opdrachtgever te waarschuwen voor onjuistheden in de opdracht voor zover hij deze kende of redelijkerwijs behoorde te kennen. Hetzelfde geldt, aldus het artikel, in geval van gebreken en ongeschiktheid van zaken afkomstig van de opdrachtgever, daaronder begrepen de grond waarop de opdrachtgever een werk laat uitvoeren, alsmede fouten of gebreken in door de opdrachtgever verstrekte plannen, tekeningen, berekeningen, bestekken of uitvoeringsvoorschriften. Op grond van art. 150 Rv rust - met oog op het al of niet aannemen van een dergelijke waarschuwingsplicht - op de opdrachtgever (in dit geval Kobelco) de plicht om te stellen dat er onjuistheden in de opdracht zaten of dat de ondergrond van de loods ongeschikt was om deze - gegeven het door Kobelco opgegeven gebruik van de loods - met stelconplaten te funderen en dat de aannemer, Frisomat, van een en ander op de hoogte was of redelijkerwijs had moeten zijn.

3.5.

De rechtbank stelt op basis van de onweersproken stellingen van partijen aanvullend het volgende vast.

3.5.1.

Bij de bezichtiging door Frisomat van de beoogde bouwlocatie in juni 2011 is het door door Geoconsult Geotechniek B.V. in opdracht van Kobelco op 10 maart 2006 vervaardigde rapport met betrekking tot het bodemonderzoek van haar terrein ter voorbereiding van de uitbreiding met fabriekshal 2, niet aan haar kenbaar gemaakt en ter hand gesteld (productie 31 Kobelco).

3.5.2.

Frisomat diende bij het ontwerp van de loods rekening te houden met het door Kobelco opgegeven gebruik van de loods (als opslagloods, productie 4 bij dagvaarding) en met de gewenste belasting van de magazijnstellingen met 14.400 kg per stelling. Naar aanleiding daarvan ervoor is gekozen om 66 van de 153 standaard stelconplaten te vervangen door verzwaarde platen. Frisomat adviseerde daarbij om onder de staanders van de stellingen een grote voetplaat te leggen (e-mailbericht van 31 augustus 2011 van Frisomat aan Kobelco, productie 7 Kobelco).

3.5.3.

De loods voldeed tot eind 2016 aan de daaraan te stellen eisen en Kobelco heeft eerst (ruim) vijf jaar na oplevering van de loods geconstateerd dat de stelconplaten zijn gaan verschuiven of scheefzakken waardoor de magazijnstellingen uit het lood zijn komen te staan.

3.5.4.

Kobelco heeft de magazijnstellingen (grotendeels) ontruimd voordat zij Frisomat op de hoogte heeft gesteld van de door haar geconstateerde scheefstand van die stellingen.

3.6.

Kobelco heeft niet gesteld dat in haar opdracht onjuistheden zaten. Zij stelt dat de ondergrond op de beoogde locatie ongeschikt was om de loods - gegeven het door Kobelco opgegeven gebruik van de loods - met stelconplaten te funderen en dat Frisomat dit door het verrichten van een bodemonderzoek had kunnen weten en Kobelco daarvoor had moeten waarschuwen. De rechtbank is van oordeel dat Kobelco deze stelling niet voldoende heeft onderbouwd. Daartoe wordt als volgt overwogen.

3.6.1.

Frisomat heeft onweersproken gesteld dat zij veel ervaring heeft met het plaatsen van dergelijke loodsen en dat zij bij bezichtiging van de beoogde locatie van de loods geen aanleiding zag tot een bodemonderzoek omdat de bodem in Limburg normaliter steviger is dan de slappe veengrond in het westen van Nederland waarop haar hallen vaak worden geplaatst. Frisomat heeft het ontwerp laten controleren met een statische berekening van 21 december 2011 door ingenieursbureau Concretio te Zwijndrecht, waaronder een gewichtsberekening (productie 3c bij conclusie van antwoord), op basis waarvan de gemeente Heerlen op 6 maart 2012 de omgevingsvergunning heeft verleend. Concretio heeft bij die berekening de geotechnische categorie GC1 aangehouden, wat inhield dat het bezwijken van de fundering van de ondergrond niet nader hoefde te worden onderzocht, mits de grond onder de fundering een conusweerstand van minimaal 1 N/mm2 heeft en het terrein in het nabije verleden in principe niet (belangrijk) mag zijn opgehoogd en de grondwaterstand niet (belangrijk) mag zijn verlaagd. Niet is komen vast te staan dat aan die voorwaarden niet is voldaan, nu uit de verklaring van de heer Janssen ter comparitie van 23 september 2019 volgt dat het talud er in ieder geval sinds 2008 is geweest en niet concreet is gesteld dat het terrein in het nabije verleden (in belangrijke mate) is opgehoogd en dat de grondwaterstand (in belangrijke mate) is verlaagd. Weliswaar vermeldt [naam] in zijn rapport op bladzijde 13:“dat de loods is geplaatst op aangevuld terrein” maar een onderbouwing daarvoor is niet vermeld. De rechtbank gaat hier dan ook aan voorbij, te meer nu tijdens de comparitie namens Kobelco is verklaard dat er eerder op de locatie van de loods geen grondverbeteringen, egaliseringen en ophogingen hebben plaatsgevonden en dat RD4, het bedrijf dat zich ten zuiden van het terrein van Kobelco bevindt, vermoedelijk grond heeft afgegraven om het talud te creëren. Dit zal dan ook bij de beoordeling tot uitgangspunt worden genomen. Kobelco heeft ook niet concreet gesteld dat Concretio een onjuiste conusweerstand tot uitgangspunt van haar berekening heeft genomen. Ook uit de rapporten van Fugro van 11 mei 2017 en 11 maart 2020 kan zonder nadere toelichting, die ontbreekt, niet worden afgeleid dat de berekeningen van Concretio van 21 december 2011 onjuist zijn of dat de fundering van de loods onvoldoende was gegeven de bodemgesteld-heid ter plaatse.

Daarbij stelt de rechtbank vast dat in geen van de overgelegde rapporten met een concrete berekening wordt onderbouwd dat de gestelde nabijheid van het talud van invloed is (geweest) op de in het voorjaar van 2017 opgetreden scheefstand van de stelconplaten in de loods.

Aldus kan niet worden vastgesteld dat de ondergrond ongeschikt was voor de door Frisomat, op basis van het door Kobelco kenbaar gemaakte gebruik, geoffreerde loods.

Een waarschuwingsplicht ter zake voor Frisomat was dan ook bij de totstandkoming van de overeenkomst of bij oplevering van loods niet aan de orde.

3.6.2.

Dat Kobelco ruim vijf jaar na oplevering van de loods heeft geconstateerd dat de stelconplaten zijn gaan verschuiven en/of verzakken en/of scheefzakken maakt voormelde conclusie niet anders. Frisomat heeft gesteld dat zij geen invloed heeft gehad op de inrichting van de loods - want dit heeft Kobelco aan een derde opgedragen - noch op het gebruik daarvan en dat het verschuiven en/of scheefzakken van de stelconplaten ook veroorzaakt kan zijn door overbelasting van de stelconplaten door het vervoer met (te zware) en (te snel rijdende) heftrucks en van overbelasting van de magazijnstellingen.

Naar het oordeel van de rechtbank behoort de inrichting van de loods (waaronder de wijze waarop de magazijnstellingen zijn geplaatst en opgebouwd) en het gebruik van de loods door Kobelco zelf (waaronder de wijze van het vervoeren van de opgeslagen materialen) in de onderlinge verhouding van partijen tot de risicosfeer van Kobelco.

Daar komt bij dat zowel in het rapport van [naam] (productie 13 van Kobelco) is vermeld op bladzijde 13 dat redenen voor de scheefstand van de stelconplaten onder meer zijn: “dat er plaatselijk meer verkeersbewegingen zijn in de loods en de spanten niet altijd op het midden van de stelconplaten staan (…)”, als in voormeld e-mailbericht van Frissen, zie rov. 2.16 van het tussenvonnis, dat vermeldt: “de hoge puntbelasting van de stellingen dragen er toe bij dat de platen aan het kantelen zijn.”, aanwijzingen kunnen worden gevonden dat het gebruik van de loods de door Kobelco geconstateerde problemen heeft veroorzaakt, zoals door Frisomat naar voren gebracht, terwijl Kobelco deze stellingen niet concreet heeft betwist.

3.7.

Voor zover de vorderingen onder 1. en 2. betrekking hebben op het schenden van een waarschuwingsplicht door Frisomat zullen deze, gelet op het geen hiervoor is overwogen, worden afgewezen.

Brandveiligheid

3.8.

Kobelco heeft door European Fire Protection Consultants N.V. te Bilthoven (hierna: EFPC) op 21 december 2017 een rapport laten maken met betrekking tot Fase 1 en Fase 2 van het gebouw van Kobelco Welding te Heerlen, productie 19 bij dagvaarding. Kobelco stelt zich op het standpunt dat hieruit blijkt dat de loods niet voldoet aan de daaraan te stellen veiligheidseisen op het gebied van brandveiligheid. Kobelco verwijst hiervoor naar bladzijde 16 en 19 van voormeld rapport. Er zou door Frisomat geen rekening zijn gehouden met brandoverslag vanuit de reeds bestaande hal. Kobelco heeft Frisomat gelet hierop aansprakelijk gesteld voor de gevolgen dan wel gebreken die zich hebben geopenbaard in het rapport van EFPC van 21 december 2017. Dit gebrek valt immers ook onder de werkingssfeer van artikel 7:759 BW, aldus Kobelco.

3.9.

Frisomat heeft betwist dat de loods bij oplevering niet voldeed aan de gestelde brandvoorschriften in het bouwbesluit. Zij verwijst hiervoor naar de op 20 februari 2012 door ing. F. van Gameren opgestelde Rapportage Brandveiligheid, productie 7 bij conclusie van dupliek. Doordat Kobelco de loods en fabriek in een later stadium aan elkaar verbonden heeft, zijn de brandveiligheidseisen daardoor wellicht veranderd. Deze wijzigingen kunnen volgens Frisomat niet voor haar rekening en risico komen.

3.10.

Bij beantwoording van de vraag of Frisomat in het onderhavige geval te kort is geschoten doordat de loods bij oplevering niet voldeed aan de destijds geldende voorschriften voor de brandveiligheid is allereerst van belang dat tussen partijen als onbetwist vaststaat dat Kobelco de loods eerst na oplevering daarvan aan de fabriek heeft verbonden. Voorts is van belang dat het door EFPC opgestelde rapport op bladzijde 5 vermeldt:

“1.4 DEMARCATIE

Na het opstellen van het brandbeveiligingsplan is aan de zuidoostzijde van fase 2 een extern magazijn geplaatst. Tussen fase 2 en het extern magazijn is een extra luifel geplaatst. Het extern magazijn heeft een oppervlakte van ongeveer ca. 520 m2. Voor het extern magazijn is een rapportage brandveiligheid opgesteld door Bouwkundig Ingenieursbureau Kavel 13, d.d. 20-2-2012. De beoordeling van het extern magazijn maakt geen deel uit van deze rapportage. Wel is in het brandbeveiligingsplan aangegeven waar de aanwezigheid van het extern magazijn van invloed is op de brandveiligheid van fase 1 en fase 2 van het gebouw van Kobelco Welding [dit is de fabriekshal van Kobelco, niet de loods, opmerking rechtbank]”.

3.11.

EFPC heeft in haar rapport duidelijk vermeld dat de beoordeling van de brandveiligheid van de loods geen deel uitmaakt van die rapportage. Kobelco heeft daarmee niet onderbouwd dat de loods ten tijde van de oplevering niet voldeed aan de brandveiligheidseisen. Nu zij dit heeft nagelaten, zal ook dit deel van de vordering onder 1. en 2., als onvoldoende onderbouwd worden afgewezen.

Nakosten

3.12.

De door Frisomat gevorderde nakosten zullen worden toegewezen als hierna in het dictum is vermeld.

Proceskosten

3.13.

Kobelco zal als de in het ongelijk gestelde partij in de proceskosten worden veroordeeld. De kosten aan de zijde van Frisomat worden begroot op:

- griffierecht 1.950,00

- salaris advocaat 4.296,00 (4,0 punten × tarief € 1.074,00)

Totaal € 6.246,00.

4 De beslissing

De rechtbank

4.1.

wijst de vorderingen af,

4.2.

veroordeelt Kobelco in de proceskosten, aan de zijde van Frisomat tot op heden begroot op € 6.246,00,

4.3.

veroordeelt Kobelco in de na dit vonnis ontstane kosten, begroot op

€ 157,00 aan salaris advocaat, te vermeerderen, onder de voorwaarde dat Kobelco niet binnen 14 dagen na aanschrijving aan het vonnis heeft voldaan en er vervolgens betekening van de uitspraak heeft plaatsgevonden, met een bedrag van € 82,00 aan salaris advocaat en de explootkosten van betekening van de uitspraak,

4.4.

verklaart dit vonnis wat betreft de kostenveroordeling uitvoerbaar bij voorraad.

Dit vonnis is gewezen door mr. W.E. Elzinga en in het openbaar uitgesproken op 30 september 2020.1

1 type: AP coll: