Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBLIM:2020:7652

Instantie
Rechtbank Limburg
Datum uitspraak
07-10-2020
Datum publicatie
15-10-2020
Zaaknummer
C/03/271666 / HA ZA 19-607
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

Beroep op verjaring ex art. 3:105 BW door gemeente, althans op art. 4 lid 1 Wegenwet.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

vonnis

RECHTBANK LIMBURG

Burgerlijk recht

Zittingsplaats Maastricht

zaaknummer / rolnummer: C/03/271666 / HA ZA 19-607

Vonnis van 7 oktober 2020

in de zaak van

de publiekrechtelijke rechtspersoon

GEMEENTE BEEKDAELEN,

zetelend te Nuth, gemeente Beekdaelen,

eiseres in conventie,

verweerster in reconventie,

advocaat: mr. M. van Sintmaartensdijk te Maastricht,

tegen

1 [gedaagde in conventie, eiser in reconventie sub 1] ,

wonende te [woonplaats] ,

2. [gedaagde in conventie, eiseres in reconventie sub 2],

wonende te [woonplaats] ,

gedaagden in conventie,

eisers in reconventie,

advocaat: mr. N.P.H. Vissers te Roermond.

Partijen zullen hierna “de Gemeente Beekdaelen” en “ [gedaagden in conventie, eisers in reconventie] ” genoemd worden.

1 De procedure

1.1.

Het verloop van de procedure blijkt uit:

  • -

    de dagvaarding en de daarbij overgelegde producties 1 tot en met 3;

  • -

    de conclusie van antwoord in conventie en van eis in voorwaardelijke reconventie en de daarbij overgelegde productie;

  • -

    de conclusie van antwoord in reconventie en de daarbij overgelegde producties 4 tot en met 13;

  • -

    de comparitie van partijen d.d. 27 mei 2020 en het daarvan opgemaakte proces-verbaal;

  • -

    de aanhouding voor de duur van vier weken ten behoeve van het treffen van een minnelijke regeling en de verwijzing naar de rol van 24 juni 2020 voor akte uitlaten beide partijen, op welke roldatum partijen hebben laten weten dat zij geen minnelijke regeling hebben bereikt.

1.2.

Tenslotte is vonnis bepaald.

2 De feiten

2.1.

[gedaagden in conventie, eisers in reconventie] is sinds 1 juni 2018 eigenaar van de woning, gelegen aan het [adres] te [woonplaats] en bewoont woning deze ook. De woning is door hem gekocht van de heer [naam verkoper] , die daar voor de verkoop lange tijd heeft gewoond en eigenaar was sinds 11 augustus 1964.

2.2.

De Gemeente Beekdaelen heeft in 2019 op verschillende plekken in het [straat] parkeervakken gerealiseerd. Parkeren is alleen nog toegestaan in de parkeervakken. De Gemeente Beekdaelen wil twee (of meer) parkeerplekken realiseren ter plaatse van de woning van [gedaagden in conventie, eisers in reconventie]

2.3.

Partijen discussiëren over de vraag wie eigenaar is van een strook grond, die zich bevindt tussen de voorgevel van de woning van [gedaagden in conventie, eisers in reconventie] en de weg, welke strook grond ongeveer 1,30 meter breed is en 15 meter lang is (hierna: “de strook grond”).

3 Het geschil

In conventie

3.1.

De Gemeente Beekdaelen vordert dat de rechtbank bij vonnis, voor zover mogelijk uitvoerbaar bij voorraad:

Primair

  1. voor recht verklaart dat er sprake is van bevrijdende verjaring waardoor de Gemeente Beekdaelen rechtsgeldig eigenaar is geworden van de strook grond, die zich bevindt tussen de weg en de voorgevel van de woning gelegen aan [adres] in [woonplaats] ,

  2. voor recht verklaart dat de verjaringstermijn reeds loopt sinds 1970 en dat daarmee de termijn voor bevrijdende verjaring voltooid is, alsmede dat de termijn voor een vordering tot schadevergoeding hiervoor verlopen is,

  3. voor recht verklaart dat [gedaagden in conventie, eisers in reconventie] de uitvoering niet mag verhinderen,

  4. [gedaagden in conventie, eisers in reconventie] – ieder hoofdelijk waarbij de een betaald hebbende de ander zal zijn bevrijd – veroordeelt in de kosten van deze procedure, alsmede in de eventuele nakosten.

Subsidiair

  1. voor recht verklaart dat de strook grond onderdeel is geworden van de openbare weg en derhalve onder het beheer van de Gemeente Beekdaelen valt,

  2. voor recht verklaart dat [gedaagden in conventie, eisers in reconventie] zich moet gedragen conform de verplichtingen die hem op grond van de Wegenwet toekomt en dat hij derhalve de uitvoering van de werkzaamheden niet mag verhinderen,

  3. [gedaagden in conventie, eisers in reconventie] – ieder hoofdelijk waarbij de een betaald hebbende de ander zal zijn bevrijd – veroordeelt in de kosten van deze procedure, alsmede in de eventuele nakosten.

3.2.

De Gemeente Beekdaelen stelt primair dat zij eigenaar is geworden van de strook grond. Zij beroept zich in dat verband op verjaring op grond van artikel 3:105 BW. Subsidiair stelt de Gemeente Beekdaelen dat de strook grond deel uitmaakt van de openbare weg. Op grond van de Wegenwet moeten eigenaren van een strook grond verkeer over de weg dulden, alsook de uitvoering van bepaalde werken op of aan de weg toestaan.

De Gemeente Beekdaelen verbindt aan beide vorderingen het gevolg dat [gedaagden in conventie, eisers in reconventie] het realiseren van twee parkeervakken niet mag verhinderen.

3.3.

[gedaagden in conventie, eisers in reconventie] voert verweer. Hij stelt dat de strook grond zijn eigendom is en dat het eigendomsrecht niet door verjaring tenietgegaan is. Tevens betwist [gedaagden in conventie, eisers in reconventie] dat de strook grond kan worden aangemerkt als openbare weg.

3.4.

Op de stellingen van partijen wordt hierna, voor zover van belang, nader ingegaan.

In voorwaardelijke reconventie

3.5.

[gedaagden in conventie, eisers in reconventie] vordert dat de rechtbank bij vonnis, voor zover mogelijk uitvoerbaar bij voorraad:

de Gemeente Beekdaelen veroordeelt om binnen twee maanden na betekening van dit vonnis medewerking te verlenen aan het in eigendom overdragen aan [gedaagden in conventie, eisers in reconventie] van de strook grond, die zich bevindt tussen de weg en de voorgevel van de woning gelegen aan [adres] in [woonplaats] , zulks op straffe van een dwangsom van € 1.000,00 voor iedere dag dat de Gemeente Beekdaelen hiermee in gebreke blijft, alsmede

de Gemeente Beekdaelen veroordeelt in de kosten van de procedure.

3.6.

[gedaagden in conventie, eisers in reconventie] baseert zijn voorwaardelijke eis in reconventie, mede op grond van het arrest van de Hoge Raad van 16 februari 2017 (ECLI:NL:HR:2017:309), op onrechtmatige daad.

3.7.

De Gemeente Beekdaelen voert verweer.

3.8.

De rechtbank heeft bij de behandeling ter zitting bepaald dat, indien de primaire vordering in conventie wordt toegewezen, [gedaagden in conventie, eisers in reconventie] nog in de gelegenheid zal worden gesteld bij akte te reageren op de conclusie van antwoord in voorwaardelijke reconventie van de Gemeente Beekdaelen, nu hij deze eerst de dag voorafgaande aan de mondelinge behandeling heeft ontvangen.

4 De beoordeling

In conventie

De primaire vordering

4.1.

In conventie staat ter beoordeling centraal het antwoord op de vraag of de Gemeente Beekdaelen door verjaring eigenaar is geworden van de strook grond.

4.2.

Tussen partijen staat niet ter discussie dat de kadastrale grens van het perceel van [gedaagden in conventie, eisers in reconventie] globaal op 1.30 meter van de voorgevel van de woning van [gedaagden in conventie, eisers in reconventie] ligt en dat over een lengte van ongeveer 15 meter. Evenmin is in geschil dat vanaf de verhoogde trottoirband tot aan de voorgevel van de woning van [gedaagden in conventie, eisers in reconventie] een bestrating is aangebracht die bestaat uit rode hardgebakken klinkers. De aan te brengen – en reeds elders in de straat gerealiseerde – parkeervakken bestaan uit een ander soort – grijze – klinker en zijn daavan visueel te onderscheiden.

4.3.

De Gemeente Beekdaelen heeft haar beroep op artikel 3:105 BW als volgt onderbouwd. De Gemeente Beekdaelen heeft in 1970 de strook grond bestraat.

Deze handeling dient te worden gekwalificeerd als een daad van bezitsverschaffing. Er is een lantaarnpaal op de strook geplaatst. De Gemeente Beekdaelen heeft ook regelmatig onderhoud aan de strook grond uitgevoerd, welk onderhoud bestond uit het schoonvegen en –houden van de strook grond en het verwijderen van onkruid. In 1996 heeft de Gemeente Beekdaelen ten slotte grootschalig onderhoud laten uitvoeren. De strook grond heeft het uiterlijke kenmerk van een parkeerplaats c.q. voetpad. De strook grond is vrij toegankelijk (geworden) voor eenieder en auto’s kunnen aldaar parkeren. Het op deze wijze inrichten van de strook grond, haar uiterlijke kenmerken en het onderhouden daarvan, moeten onder de gegeven omstandigheden worden beschouwd als bezitsdaden. Noch [gedaagden in conventie, eisers in reconventie] , noch zijn rechtsvoorganger, heeft gebruik gemaakt van de mogelijkheid om maatregelen te nemen tegen de inbreuk op zijn recht. [gedaagden in conventie, eisers in reconventie] heeft dus geen einde gemaakt aan de eigendomspretentie van de Gemeente Beekdaelen, waardoor de verjaringstermijn van 20 jaar, met inachtneming van de Overgangswet NBW, inmiddels ruimschoots is verlopen.

4.4.

[gedaagden in conventie, eisers in reconventie] heeft zich (onder meer) op het standpunt gesteld dat van verjaring geen sprake is, omdat de verjaringstermijn nooit is aangevangen. Aan het vereiste van inbezitneming is niet voldaan. De rechtsvoorganger van [gedaagden in conventie, eisers in reconventie] heeft hem voor aankoop van zijn woning medegedeeld dat in of rond 1970 van de zijde van de Gemeente Beekdaelen, toen zij bestratingswerkzaamheden liet uitvoeren aan [straat] , is voorgesteld de bestrating door te leggen tot tegen de woning, onder de mededeling dat “dat er mooier uitziet”. De rechtsvoorganger van [gedaagden in conventie, eisers in reconventie] heeft toen gezegd dat dit in orde was. Hij heeft [gedaagden in conventie, eisers in reconventie] ook verteld dat hij door de jaren heen plantenbakken op de strook heeft geplaatst, die dan echter telkens - onbekend door wie – weer werden weggehaald. Uit het feit dat van de zijde van de Gemeente Beekdaelen de vraag werd gesteld of de bestrating mocht worden doorgetrokken tot de gevel, blijkt dat er geen sprake is van een daad van inbezitneming. Ook uit de andere door de Gemeente Beekdaelen gestelde handelingen kan geen daad van inbezitneming worden afgeleid. Subsidiair voert [gedaagden in conventie, eisers in reconventie] aan dat, indien aangenomen zou moeten worden dat de Gemeente Beekdaelen de strook is gaan gebruiken, dit gebruik plaatsvond op basis van een afspraak met de rechtsvoorganger van [gedaagden in conventie, eisers in reconventie] Er is dan hoogstens sprake van houderschap en niet van bezit. De strook grond wordt voorts door de Gemeente Beekdaelen zelf niet gebruikt. Het zijn enkel derden, met name buren van [gedaagden in conventie, eisers in reconventie] , die de strook grond af en toe als parkeerplaats gebruiken.

4.5.

De rechtbank overweegt als volgt. In artikel 3:105 BW is bepaald dat degene die een goed bezit op het moment dat de rechtsvordering strekkende tot beëindiging van dat bezit verjaart, dat goed verkrijgt, ook al was zijn bezit niet te goeder trouw. De verjaring van deze rechtsvordering begint te lopen op de dag na het verlies van het bezit door de rechthebbende (artikel 3:314 lid 2 BW) en is voltooid na twintig jaren (artikel 3:306 BW). Degene die zich op verjaring beroept, dient op het moment waarop de verjaring van de rechtsvordering van de rechthebbende tot beëindiging van het bezit is voltooid, het goed te bezitten.

4.6.

De vraag of op het tijdstip van voltooiing van de verjaring sprake is van bezit dient te worden beantwoord aan de hand van artikel 3:107 BW en volgende. Bezit is het houden van een goed voor zichzelf (artikel 3:107 BW). Of er sprake is van bezit wordt beoordeeld naar de verkeersopvattingen met inachtneming van de wettelijke regels en overigens op grond van de uiterlijke feiten (artikel 3:108 BW). Voor de beantwoording van de vraag of iemand een zaak in bezit heeft genomen, is bepalend of hij de feitelijke macht over die zaak is gaan uitoefenen (artikel 3:113 lid 1 BW). Indien de zaak in het bezit van een ander is, zijn enkele op zichzelf staande machtsuitoefeningen voor inbezitneming onvoldoende (artikel

3:113 lid 2 BW). De machtsuitoefening moet derhalve zodanig zijn dat deze naar verkeersopvattingen het bezit van de oorspronkelijke bezitter teniet doet (HR 18 september 2015, ECLI:NL:HR:2015:2743). Dit is een kwestie van feitelijke aard. De rol van de verkeersopvattingen brengt mee dat bij de aan de orde zijnde vraag de aard en de bestemming van het betrokken goed in aanmerking moeten worden genomen.

Anders dan onder het recht zoals dat gold tot 1992, noemt de wet als vereisten voor bezit niet meer met zoveel woorden dat het bezit ‘niet dubbelzinnig’ en ‘openbaar’ moet zijn. Uit de wetsgeschiedenis blijkt evenwel dat ook naar het huidige recht deze eisen gelden en dat beide eigenschappen in het wettelijk begrip ‘bezit’ besloten liggen. Van niet dubbelzinnig bezit is sprake wanneer de bezitter zich zodanig gedraagt, dat de eigenaar tegen wie de verjaring loopt daaruit niet anders kan afleiden, dan dat de bezitter pretendeert eigenaar te zijn, hetgeen naar objectieve maatstaven beoordeeld moet worden (HR 24 februari 2017, ECLI:NL:HR:2017:309 en HR 15 januari 1993, ECLI:NL:HR:1993: ZC0826).

4.7.

Omdat een onroerende zaak (zoals de in geschil zijnde strook grond), mede gelet op artikel 5:24 BW, altijd een eigenaar heeft, geldt voor inbezitneming daarvan het vereiste van artikel 3:113 lid 2 BW. Dit betekent dat machtsuitoefening van de inbezitnemer (hier: de Gemeente Beekdaelen) die van de oorspronkelijk bezitter (hier: [gedaagden in conventie, eisers in reconventie] en zijn rechtsvoorganger) geheel teniet moet doen. Er worden zowel in de literatuur als in de rechtspraak hoge eisen gesteld aan de inbezitneming van onroerende zaken.

Zo heeft het gerechtshof ’s-Hertogenbosch in een arrest van 21 april 2015 (ECLI:NL:GHSHE: 2015:1487) geoordeeld dat bij onroerende zaken – die men niet van hun plaats kan wegvoeren en waarvan de eigendom is geregistreerd in notariële aktes van levering die bij het Kadaster zijn ingeschreven – niet snel een intentie tot het houden voor zichzelf door een niet rechthebbende pleegt aangenomen te worden en dat dit temeer geldt bij stroken publieke eigendom die grenzen aan percelen die aan privépersonen in eigendom toebehoren. Dat eigenaren of huurders en/of andere gebruikers van belendende privé-percelen gebruik maken van dergelijke stroken grond en/of deze onderhouden ter verhoging van hun genot van hun privé-percelen is, aldus voormeld hof, niet ongebruikelijk. Enige ondubbelzinnige blijk van enige pretentie van de niet-rechthebbende om de strook grond voor zichzelf te houden en zich toe te eigenen, kan, aldus voormeld hof, daar niet zonder meer in gelegen worden geacht.

4.8.

Die situatie is vergelijkbaar met het onderhavige geval, waarbij het perceel van [gedaagden in conventie, eisers in reconventie] ook grenst aan publiek eigendom. Ook in deze situatie mag een ondubbelzinnige pretentie van de niet-rechthebbende om de strook grond voor zichzelf te houden en zich toe te eigenen niet te snel te worden aangenomen. Dat geldt temeer nu (zeker) een overheidslichaam als De Gemeente Beekdaelen bij het raadplegen van kadastrale gegevens (relatief) eenvoudig had kunnen vaststellen dat de strook grond tot het perceel van (de rechtsvoorganger van) [gedaagden in conventie, eisers in reconventie] behoort.

4.9.

Uit het doortrekken van de rode klinkers, die in de gehele straat aan weerszijden zijn aangebracht, tot over de strook grond kan naar het oordeel van de rechtbank niet vanzelfsprekend een pretentie tot het houden voor zichzelf door de Gemeente Beekdaelen en het zich toe-eigenen worden afgeleid. In de gegeven omstandigheden, waarbij de rechtbank betrekt dat [straat] een smalle straat is, kan het doortrekken van de bestrating tot over de strook grond evenzeer als een handeling worden beschouwd, die voortgekomen is uit esthetische, praktische en veiligheidsoverwegingen. Enige ondubbelzinnige blijk van pretentie door de Gemeente Beekdaelen om door het aanbrengen van de bestrating de strook grond voor zichzelf te houden en zich deze toe te eigenen, kan daarin zonder nadere toelichting van de Gemeente Beekdaelen, die ontbreekt, niet zomaar gelegen worden geacht.

Ook het plaatsen van een lantaarnpaal moet in dezelfde context worden geplaatst en wijst nog niet op die pretentie. Daar komt bij dat de situatie ter plaatse door het aanbrengen van bestrating en lantaarnpaal niet gewijzigd is. [gedaagden in conventie, eisers in reconventie] (en zijn rechtsvoorganger) kon de strook grond immers gewoon blijven betreden en gebruiken. De rechtbank beschouwt dit als een aanwijzing dat juist geen sprake is van een bezitsdaad van de zijde van de Gemeente Beekdaelen. In zijn algemeenheid geldt immers dat geen sprake kan zijn van een ondubbelzinnige bezitsdaad zolang de oorspronkelijke eigenaar (mede) gebruik blijft maken van de betreffende grond. Ten slotte leidt de rechtbank uit de stelling van de Gemeente Beekdaelen dat zij het onderhoud van de strook grond verzorgde, welke stelling door [gedaagden in conventie, eisers in reconventie] is betwist, evenmin een bezitsdaad af. De rechtbank is van oordeel dat het voor de hand ligt dat, wanneer in opdracht van de Gemeente Beekdaelen de stoepen worden schoongemaakt en onkruid wordt verwijderd, de strook grond daarin wordt meegenomen, juist omdat de strook grond op grond van uiterlijke kenmerken niet afwijkend of onderscheidend is van de (rest van de) stoep. De Gemeente Beekdaelen heeft geen andere uiterlijke feiten gesteld die de rechtbank kunnen leiden tot het oordeel dat sprake is geweest van bezit van de strook grond. Naar het oordeel van de rechtbank zijn de door de Gemeente Beekdaelen gestelde feiten en gedragingen dan ook onvoldoende om te kunnen concluderen dat zij op enig moment in plaats van [gedaagden in conventie, eisers in reconventie] (en zijn rechtsvoorganger) de feitelijke macht over de strook grond is gaan uitoefenen, zodanig dat deze naar verkeersopvattingen het bezit van [gedaagden in conventie, eisers in reconventie] en hun rechtsvoorganger teniet heeft gedaan.

4.10.

Nu de rechtbank van oordeel is dat van bezit van de strook grond door de Gemeente Beekdaelen geen sprake is geweest, kan evenmin sprake zijn van eigendomsverkrijging door de Gemeente Beekdaelen op grond van bevrijdende verjaring als bedoeld in artikel 3:105 BW. De rechtbank wijst de primaire vordering af.

De subsidiaire vordering

4.11.

de Gemeente Beekdaelen heeft subsidiair gesteld dat de strook grond op grond van artikel 4 lid 1 van de Wegenwet onderdeel is geworden van de openbare weg en derhalve onder het beheer van de Gemeente Beekdaelen valt, dat [gedaagden in conventie, eisers in reconventie] zich aldus moet gedragen conform de verplichtingen die hem op grond van de Wegenwet toekomen en derhalve de uitvoering van de werkzaamheden niet mag verhinderen. Op grond van artikel 1 lid 2 van de Wegenwet behoort het voetpad tot de weg. De strook grond is in 1970 als onderdeel van het voetpad bestraat en sinds die bestrating in 1970 als openbare weg gebruikt. De strook grond is reeds 30 achtereenvolgende jaren voor een ieder vrij en openbaar toegankelijk en is reeds 10 jaren achtereenvolgend onderhouden door de Gemeente Beekdaelen. Het voetpad wordt door voetgangers gebruikt en regelmatig wordt de strook ook als parkeerplek gebruikt. Doordat de strook grond op basis van het vorenstaande tot de openbare weg behoort, moet [gedaagden in conventie, eisers in reconventie] als eigenaar van de strook grond het verkeer over de weg moeten dulden, alsook de uitvoering van bepaalde werken op of aan de weg toestaan.

4.12.

[gedaagden in conventie, eisers in reconventie] betwist dat de strook grond aangemerkt kan worden als “weg”, zodat de Wegenwet niet van toepassing is. De strook is noch openbaar, noch werd of wordt door de Gemeente Beekdaelen onderhouden. Van de strook grond wordt incidenteel gebruik gemaakt. [gedaagden in conventie, eisers in reconventie] betwist met klem dat sinds 1970 de strook als openbare parkeerplaats wordt gebruikt. Het feit dat de strook voor iedereen toegankelijk is, maakt niet dat daarmee sprake is van een openbare weg.

4.13.

Ingevolge artikel 1 lid 1 van de Wegenwet wordt onder wegen in deze wet mede verstaan: voetpaden, rijwielpaden, jaagpaden, dreven, molenwegen, kerkwegen en andere verkeersbanen voor beperkt gebruik. Op grond van artikel 4 lid 1 van de Wegenwet, in werking getreden op 1 oktober 1932, is een weg openbaar indien deze:

  • -

    I) gedurende dertig achtereenvolgende jaren voor de inwerkingtreding van de wet voor een ieder toegankelijk is geweest, of

  • -

    II) gedurende tien achtereenvolgende jaren voor de inwerkingtreding van de wet voor een ieder toegankelijk is geweest en tevens is onderhouden door het Rijk, een provincie, een gemeente of een waterschap, of

  • -

    III) de rechthebbende daaraan de bestemming openbare weg heeft gegeven.

Ingevolge artikel 4 lid 2 van de Wegenwet lijdt het onder I en II van het eerste lid bepaalde uitzondering wanneer, lopende de termijn van dertig (onder I) respectievelijk tien (onder II) jaren, gedurende een tijdvak van ten minste een jaar duidelijk ter plaatse is kenbaar gemaakt, dat de weg slechts “ter bede” – dat wil zeggen: met toestemming van de rechthebbende – voor eenieder toegankelijk is, hetgeen volgens artikel 4 lid 3 van de Wegenwet kan geschieden wanneer de rechthebbende door middel van borden of anderszins kenbaar maakt dat er sprake is van een eigen weg, particuliere weg, private weg en soortgelijke, of door andere kentekenen.

4.14.

In artikel 13 van de Wegenwet is in het eerste lid bepaald dat de eigendom van wegen, zolang en voor zover niet het tegendeel blijkt, wordt vermoed te zijn bij de provincie, de gemeente of het waterschap, door welke of door hetwelk de weg wordt onderhouden. In het tweede lid van dit artikel is vervolgens bepaald dat dit vermoeden niet werkt tegen degene, van wie wel het onderhoud is overgenomen doch niet de eigendom.

4.15.

Over het begrip ‘weg’ heeft de Afdeling Bestuursrechtspraak van de Raad van State (hierna: “ABRvS”) op 5 maart 2008 (ECLI:NL:RVS:2008:BC6035) geoordeeld:

“De Wegenwet heeft naar het oordeel van de Afdeling betrekking op verkeersbanen die een functie vervullen ten behoeve van het afwikkelen van het openbare verkeer en die derhalve naar hun aard of functie een grote, onbepaalde publieksgroep dienen”.

4.16.

De memorie van toelichting bij artikel 4 Wegenwet luidt ten aanzien van het begrip ‘openbaarheid’ als volgt:

De voorgestelde regeling geldt alleen voor openbare wegen. Zij begrijpt daaronder niet die wegen, welke slechts daarom voor een ieder toegankelijk zijn, omdat de rechthebbende – in de regel de eigenaar – het publiek niet weert. Het kan nuttig of nodig zijn mede ten aanzien van zulke wegen voorschriften te geven in het belang van de veiligheid van het verkeer. De strekking van dit ontwerp echter brengt beperking mede tot die wegen, die meer duurzaam de belangen van het openbaar verkeer dienen, zodat het publiek daarover verkeert niet slechts bij gedogen van de eigenaar, doch als daartoe gerechtigd”.

4.17.

Uit de hiervoor aangehaalde uitspraak van de ABRvS – die niet op zichzelf staat – volgt dat niet iedere doorgang kwalificeert als weg in de zin van de Wegenwet. Zelfs wanneer de rechtbank zou aannemen dat de strook grond als “weg” moet worden beschouwd, dan nog kwalificeert zij niet als “openbaar”. In de onderhavige situatie is sprake van het geval waar de hiervoor geciteerde passage van de memorie van toelichting bij artikel 4 van de Wegenwet op doelt. De strook grond is immers slechts toegankelijk voor eenieder, omdat de rechthebbende - [gedaagden in conventie, eisers in reconventie] – dat gedoogt en hen niet, bijvoorbeeld door middel van plaatsing van een hekwerk, weert. Van een openbare weg is geen sprake, waardoor aan artikel 4 van de Wegenwet met betrekking tot de strook grond geen werking toekomt.

4.18.

De subsidiaire vordering wordt daarom ook afgewezen.

In voorwaardelijke reconventie

4.19.

De rechtbank komt niet toe aan een beoordeling van de vordering in reconventie, nu de primaire vordering in conventie is afgewezen.

De proceskosten in conventie

4.20.

De Gemeente Beekdaelen zal als de in het ongelijk gestelde partij in de proceskosten worden veroordeeld. De kosten aan de zijde van [gedaagden in conventie, eisers in reconventie] worden begroot op:

- griffierecht 297,00

- salaris advocaat 1.086,00 (2,0 punten × tarief € 543,00)

Totaal € 1.383,00

5 De beslissing

De rechtbank

in conventie

5.1.

wijst de vorderingen af,

5.2.

veroordeelt de Gemeente Beekdaelen in de proceskosten, aan de zijde van [gedaagden in conventie, eisers in reconventie] tot op heden begroot op € 1.383,00.

Dit vonnis is gewezen door mr. V.E.J. Noelmans en in het openbaar uitgesproken op 7 oktober 2020.1

1 type: EvdS coll: