Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBLIM:2020:7477

Instantie
Rechtbank Limburg
Datum uitspraak
30-09-2020
Datum publicatie
09-10-2020
Zaaknummer
8484863 CV EXPL 20-1915
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

Loonvordering afgewezen. Opzegging werknemer, dan wel opzegging werkgever. Vervaltermijn.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
AR-Updates.nl 2020-1196
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK LIMBURG

Zittingsplaats Maastricht

Burgerlijk recht

Zaaknummer 8484863 CV EXPL 20-1915

Vonnis van de kantonrechter van 30 september 2020

in de zaak van

[eiser] ,

wonend in [woonplaats] ,

eisende partij,

gemachtigde [naam gemachtigde]

tegen

de besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid LL20BV,

gevestigd en kantoorhoudend in (6301 HC) Valkenburg aan de Geul aan de Geneindestraat 25,

gedaagde partij,

gemachtigde mr. J.J.M. Goumans.

Partijen worden hierna [eiser] en LL20BV genoemd.

1 De procedure

1.1.

Het verloop van de procedure blijkt uit:

  • -

    het exploot van dagvaarding d.d. 23 april 2020

  • -

    de conclusie van antwoord

  • -

    de rolbeslissing waarbij een comparitie van partijen is gelast

  • -

    de op 25 augustus 2020 ter griffie ontvangen nadere productie van de zijde van [eiser]

  • -

    het proces-verbaal van de mondelinge behandeling ter zitting van 4 september 2020 waarbij de zaak is verwezen naar de rol van 30 september 2020 voor vonnis.

2 De feiten

2.1.

[eiser] is op 14 oktober 2020 krachtens arbeidsovereenkomst in dienst getreden van LL20BV in de functie van handlanger/hulp, zulks op oproepbasis en voor de duur van zes maanden, derhalve tot 14 april 2020 en tegen een bruto loon van € 15,00 per uur inclusief vakantiebijslag.

2.2.

Op 8 december 2019 om 9:28 uur heeft [eiser] via Whatsapp het navolgende bericht (productie 2 bij exploot) gestuurd aan de heer [naam leidinggevende] , leidinggevende bij LL20BV (verder te noemen: [naam leidinggevende] ):

[naam leidinggevende] voor mij houd het op bij julie ik moet ergens gaan werken waar ik me salaris optijd heb en niet een maand ik ga Julie niet blijven helpen om zelf in de problemen te komen voor mij is het goed geweest en ik ga zelf maandag eerst na de dokter en psycholoog dus je hoeft me maandag niet te verwachten.

[naam leidinggevende] heeft daar diezelfde ochtend om 11:09 uur als volgt per Whatsapp-bericht op gereageerd:

[eiser] , allereerst wordt je meer dan op tijd betaald. (…) Ten tweede snap ik niet dat je maanden naast een uitkering ook nog werkt en dat je dat geld uitgeeft aan dingen die niet noodzakelijk zijn en nu heb je een probleem en dan zijn andere dat schuld. Ten derde snap ik de opmerking niet dat je ons helpt en zelf in de problemen komt, mijns inziens wordt je voor alle uren die je maakt betaald en hebben wij ook nooit moeilijk gedaan als uren werden opgeschreven die puntje bij paaltje niet zijn gewerkt verder wordt een deel van het loon een maand sneller betaald dan waar je recht op hebt. Jammer dat je dit afhandelt via een berichtje in plaats van een gesprek. (…) Wij zullen op jou verzoek de arbeidsovereenkomst per 8 december ontbinden. We willen graag maandag onze bedrijfsleiding retour ontvangen.

2.3.

Op 11 december 2019 heeft [eiser] de bedrijfskleding bij LL20BV ingeleverd.

2.4.

Bij brief van 5 februari 2020 (productie 3 bij exploot) heeft [eiser] aan LL20BV te kennen gegeven dat - samengevat - zijn bericht van 8 december 2019 een ziekmelding betrof, dat hij graag een uitnodiging van de bedrijfsarts verwacht en dat hij zijn werkzaamheden aanbiedt zodra hij daartoe in staat is. Tevens wijst hij er in die brief op dat de arbeidsovereenkomst niet tussentijds kan worden opgezegd en maakt hij aanspraak op doorbetaling van zijn loon tijdens ziekte.

2.5.

De gemachtigde van LL20BV heeft daarop bij brief van 4 maart 2020 (productie 4 bij exploot) als volgt gereageerd:

“(…)

Uw stelling houdt geen stand. U heeft op 8 december jl. schriftelijk aan cliënte laten weten dat het voor u ophoudt en u elders gaat werken. Derhalve heeft cliënte schriftelijk bevestigd dat de arbeidsovereenkomst op uw verzoek per 9 december jl is geëindigd. Daarnaast heeft u ook gehandeld als ware u ontslag heeft genomen. U heeft immers op 11 december 2019 uw bedrijfskleding en toebehoren bij cliënte ingeleverd. Op 18 december 2019 heeft u de eindafrekening ontvangen. Tot slot heeft u een uitkering bij het UWV aangevraagd. Uw arbeidsovereenkomst is dan ook op 9 december jl geëindigd. (…)

2.6.

Bij brief van 31 maart 2020 (productie 5 bij exploot) heeft de gemachtigde van [eiser] zich tot de gemachtigde van LL20BV gewend en zich nogmaals erop beroepen dat de arbeidsovereenkomst niet voortijdig is beëindigd, ditmaal aanspraak makend op een concreet bedrag aan loon, te weten € 6.624,78, zich daarbij baserend op art. 7:610b BW (rechtsvermoeden arbeidsomvang).

2.7.

In de reactie van LL20BV daarop van 7 april 2020 (productie 6 bij exploot) heeft zij haar eerdere standpunt gehandhaafd. Uit die brief wordt de volgende passage aangehaald:

“(…) Uw cliënt gaf duidelijk aan dat hij elders gaat werken. Hoewel cliënte uw cliënt in feite aan de arbeidsovereenkomst had kunnen houden, heeft cliënte uit coulance zijn per directe opzegging geaccepteerd. Zoals eerder aangegeven heeft uw cliënt ook gehandeld als ware hij zijn arbeidsovereenkomst heeft opgezegd. Als uw cliënt zich onverhoopt hier niet in had kunnen vinden, dan had hij tegen de opzegging – zo nodig in rechte – kunnen protesteren. Nu uw cliënt hiervan geen gebruik heeft gemaakt en de vervaltermijn inmiddels ruimschoots is overschreden, is de arbeidsovereenkomst op 9 december 2019 geëindigd.

3 De vordering

3.1.

[eiser] vordert de veroordeling van LL20BV tot betaling van € 6.624,78 bruto binnen twee weken na dagtekening van dit vonnis, te vermeerderen met wettelijke rente vanaf twee weken da dagtekening van dit vonnis tot aan de dag van voldoening, alsmede tot betaling van de proceskosten en de nakosten met rente.

3.2.

Bij exploot beroept [eiser] zich onder punt 26 expliciet op art. 7:672 lid 10 (sinds 1 januari 2020 lid 11) BW en spreekt hij van een opzegging door LL20BV. Tegelijkertijd beroept hij zich er onder punt 30 van dat exploot op dat de arbeidsovereenkomst (eerst) per 14 april 2020 van rechtswege is geëindigd en dat hij recht heeft op doorbetaling van loon tijdens ziekte.

3.3.

Ter zake van de omvang van de vordering heeft te gelden dat [eiser] in totaal

€ 3.189,71 bruto aan loon heeft ontvangen over een periode van acht weken, derhalve

€ 245,36 per week. Vanaf 9 december 2019 tot 14 april 2020, zijnde de dag waarop de arbeidsovereenkomst in de optiek van [eiser] is geëindigd, zijn achttien weken. LL20BV is daarom nog 18 x € 245,36 x 1,08 (vakantiebijslag) x 1,5 (wettelijke verhoging) =

€ 6.624,78 aan loon verschuldigd, aldus [eiser] .

3.4.

LL20BV heeft gemotiveerd verweer gevoerd, waarop hierna voor zover nodig zal worden ingegaan.

4 De beoordeling

4.1.

Wat in de eerste plaats opvalt, is de ambivalente stellingname van [eiser] ter zake van de grondslag van zijn vordering. Die tweeslachtigheid is hij ook ter zitting blijven volhouden, door enerzijds te herhalen dat de arbeidsovereenkomst pas (door tijdsverloop) op 14 april 2020 van rechtswege is geëindigd, terwijl hij anderzijds desgevraagd naar de reden waarom hij zijn bedrijfskleding op 11 december 2019 heeft ingeleverd, antwoordde dat hij anders geen geld en geen eindafrekening zou krijgen. Dit betekent dat hij ervan uitging dat het dienstverband was geëindigd. Het verschil is relevant, omdat indien genoemde Whatsapp-berichten van 8 december 2019 als een opzegging aangemerkt dienen te worden, hetzij een opzegging door [eiser] dan wel een opzegging door LL20BV in haar reactie (dan wel als een opzegging met wederzijds goedvinden, zoals LL20BV eveneens suggereert), een procedure tot vernietiging van die opzegging dan wel tot verkrijging van een vergoeding ex art. 7:672 lid 11 BW met een verzoekschrift had dienen te worden ingeleid en wel (en vooral:) binnen twee maanden na einde dienstverband, zoals LL20 BV terecht opmerkt.

4.2.

Zo het bericht van [eiser] van 8 december 2019 zoals hierboven aangehaald al niet als een opzegging zijnerzijds kan worden aangemerkt (maar daar lijkt het gelet op de inhoud van dat bericht, alsmede gelet op het feit dat [eiser] zich daarna ook dienovereenkomstig heeft gedragen door de bedrijfskleding in te leveren, door niet te protesteren tegen de eindafrekening, door een uitkering aan te vragen bij het UWV en door zich pas nadat hem die uitkering - kennelijk - door het UWV geweigerd werd op het standpunt te stellen dat hij niet heeft opgezegd, wel op), kan de reactie van LL20BV daarop in ieder geval niet anders worden opgevat dan als een opzegging harerzijds. Dat LL20BV daarbij de term ‘ontbinden’ heeft gebruikt in plaats van ‘opzeggen’ doet daar niet aan af. Zij verzocht immers tevens aan [eiser] om de bedrijfskleding in te leveren en maakte een eindafrekening op (die volgens de naar aard en inhoud onbetwist gebleven brief van haar gemachtigde van 4 maart 2020 zoals hierboven geciteerd onder 2.5. door [eiser] op 18 december 2019 is ontvangen).

4.3.

De conclusie dient dan ook te luiden dat de arbeidsovereenkomst op 8 december 2019 voortijdig is opgezegd, hetzij door [eiser] zelf hetzij door LL20BV. Uitgaande van een opzegging door LL20BV kon [eiser] op grond van art. 7:672 lid 11 BW een vergoeding toekomen gelijk aan het loon over de termijn dat de arbeidsovereenkomst bij regelmatige opzegging had behoren voort te duren. Ingevolge het bepaalde in art. 7:686a lid 2 juncto lid 4 sub a BW, had een geding ter zake hiervan echter ingeleid dienen te worden met een verzoekschrift en wel binnen een vervaltermijn van twee maanden na 9 december 2019. In plaats daarvan heeft [eiser] bij dagvaarding en pas ruim na genoemde vervaltermijn een vordering ingesteld, een vordering die om die redenen dient te worden afgewezen.

4.4.

[eiser] zal als de in het ongelijk gestelde partij worden veroordeeld tot betaling van de proceskosten, aan de zijde van LL20BV tot de datum van dit vonnis begroot op € 600,00 aan salaris gemachtigde.

5 De beslissing

De kantonrechter

5.1.

wijst de vordering af;

5.2.

veroordeelt [eiser] tot betaling van de proceskosten, aan de zijde van LL20BV tot de datum van dit vonnis begroot op € 600,00;

5.3.

verklaart de proceskostenveroordeling uitvoerbaar bij voorraad.

Dit vonnis is gewezen door mr. P.H.M. Kuster en is in het openbaar uitgesproken.

RK