Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBLIM:2020:7472

Instantie
Rechtbank Limburg
Datum uitspraak
30-09-2020
Datum publicatie
28-10-2020
Zaaknummer
8344653 CV EXPL 20-850
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

Naar het oordeel van de kantonrechter is onvoldoende gebleken dat gedaagde heeft gehandeld namens een op te richten vennootschap. Uit de correspondentie blijkt ook niet dat gedaagde van plan was een nieuwe vennootschap op te richten. Nergens heeft gedaagde gesteld dat hij handelde in naam van een B.V. ‘in oprichting’. Dit maakt, hoewel de kantonrechter zich de ontstane verwarring kan voorstellen, dat artikel 2:203 lid 1 BW toepassing mist, dat dit artikel geen grondslag biedt voor het gestelde onrechtmatige handelen en dat gedaagde dus niet persoonlijk kan worden aangesproken om de vordering te voldoen.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK LIMBURG

Burgerlijk recht

Zittingsplaats Maastricht

Zaaknummer: 8344653 CV EXPL 20-850

Vonnis van de kantonrechter van 30 september 2020

in de zaak van:

de besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid DATEQ B.V.,

gevestigd te Alkmaar,

eisende partij,

gemachtigde: mr. H.E.M. Molenaar,

tegen:

1. [gedaagde sub 1],

gevestigd te [vestigingsplaats 1] ,

gedaagde partij,

vertegenwoordigd door [gedaagde sub 2] ,

2 [gedaagde sub 2] ,

wonende te [woonplaats] ,

gedaagde partij,

procederend in persoon.

Partijen zullen hierna Dateq, [gedaagde sub 1] en [gedaagde sub 2] worden genoemd.

1 De procedure

1.1.

Het verloop van de procedure blijkt uit:

  • -

    de dagvaarding van 12 februari 2020

  • -

    de akte overlegging producties van 18 februari 2020 met productie E1 tot en met E8

  • -

    de schriftelijke weergave van het antwoord op 26 februari 2020

  • -

    het proces - verbaal van de zitting van 2 september 2020 en de pleitnota’s van partijen.

1.2.

Ten slotte is vonnis bepaald.

2 De feiten

2.1.

[gedaagde sub 1] houdt zich onder meer bezig met de handel, de huur en verhuur van audiovisuele apparatuur en aanverwante artikelen. Roluvi Holding B.V. is bestuurder van deze vennootschap. [gedaagde sub 2] is bestuurder van Roluvi Holding B.V. Dateq houdt zich bezig met de verkoop van audioapparatuur.

2.2.

Dateq en [gedaagde sub 1] hebben gedurende langere tijd zaken met elkaar gedaan, waarbij Dateq materialen heeft geleverd aan [gedaagde sub 1] .

2.3.

Op 3 januari 2017 heeft [gedaagde sub 1] een e-mail met de hierna geciteerde inhoud gezonden aan - onder meer - Dateq met als onderwerp ‘Naamswijziging en Verhuisbericht’:

Geachte relatie,

Met ingang van 1 december jl. hebben wij onze bedrijfsnaam veranderd en zijn we verhuisd naar een nieuwe locatie aan de rand van Maastricht vlakbij de A2. We zijn vanaf nu enkel en alleen bereikbaar op het volgende adres en telefoonnummer:

[gedaagde sub 1] gaat verder als:

[naam bv]

[adres]

[vestigingsplaats 2]

Ons nieuwe telefoonnummer is: [telefoonnummer]

Het bovenstaande telefoonnummer gebruikt u tevens voor het doorgeven van alle storingen op het gebied van geluid, beeld en licht.

Ook na 17.00 uur.

Wij verzoeken u vriendelijk onze nieuwe gegevens door te spelen aan iedereen binnen uw organisatie die dit moet weten. We gaan er van uit dat alle nieuwe facturen voorzien worden van de juiste bedrijfsnaam en adresgegevens.

Mochten er naar aanleiding van dit bericht nog vragen zijn, schroom dan niet om ons te bellen.

Met vriendelijke groet,

[gedaagde sub 2]

[naam bv]

2.4.

[naam 1] van Dateq heeft op 5 januari 2017 aan [gedaagde sub 1] om een e-mailadres ten behoeve van de facturatie gevraagd. [gedaagde sub 1] heeft per e-mail van diezelfde dag het volgende aan Dateq medegedeeld:

Beste ,

In eerste instantie is per 1 januari alleen de naam gewijzigd en het adres.

De e-mail adressen worden over ongeveer 2 weken aangepast.

De nieuwe website wordt: [internetsite]

De nieuwe e-mail adresse worden : [e-mailadres 1]

[e-mailadres 2]

maar zoals gezegd, dat duurt nog heel even

met vriendelijke groet,

[naam 2]

2.5.

Op 7 januari 2017 heeft [gedaagde sub 2] een e-mail aan [naam 3] van Dateq gezonden met de volgende inhoud:

Hoi [naam 3] ,

Ik maak het openstaande bedrag vandaag nog naar jullie over. Ik kan je melden dat we het ergste achter ons hebben. Ik heb inmiddels afscheid genomen van alle perikelen rondom [gedaagde sub 1] en heb ook de naam inmiddels gewijzigd naar [naam bv] .

(…)

2.6.

Ten aanzien van de levering van materialen heeft Dateq aan [gedaagde sub 2] Audiovisueel B.V. op 4 mei 2017 een factuur gezonden voor een bedrag van € 4.470,47 inclusief BTW.

2.7.

[gedaagde sub 2] werd op 17 februari 2017 ziek waardoor hij niet meer in staat was om voldoende opdrachten te verwerven om [gedaagde sub 1] levensvatbaar te houden.

2.8.

Audiovisueel Nuland B.V., opgericht op 30 juni 2017, heeft het personeel van [gedaagde sub 1] , de activa en de lopende projecten overgenomen en heeft in ruil daarvoor twee schulden van [gedaagde sub 1] afgelost. [gedaagde sub 1] bleef bestaan, maar uit naam van deze besloten vennootschap werden geen activiteiten meer ontplooid.

2.9.

Bij brief van 15 mei 2019 heeft Dateq Audiovisueel Nuland B.V. handelend onder de naam [naam bv] gesommeerd tot betaling van € 4.470,47, alsook om de wettelijke handelsrente en de buitengerechtelijke kosten binnen acht dagen te voldoen.

2.10.

Audiovisueel Nuland B.V. heeft aan Dateq bij brief van 18 juni 2019 medegedeeld dat zij niet tot betaling van deze factuur is gehouden omdat met haar geen overeenkomst is gesloten en de materialen waarop de factuur ziet, ook niet aan haar zijn geleverd.

2.11.

Vervolgens is namens [naam bv] bij e-mail van 26 juli 2019 een voorstel gedaan de factuur in acht wekelijkse termijnen te betalen, hetgeen akkoord was. Deze betalingsregeling is echter niet nagekomen en de factuur van 4 mei 2017 is niet voldaan.

3 Het geschil

3.1.

Dateq vordert [gedaagde sub 1] en [gedaagde sub 2] bij vonnis, voor zover mogelijk uitvoerbaar bij voorraad, hoofdelijk te veroordelen tot betaling van:

- € 4.470,47, zijnde de hoofdsom;

- € 1.055,79, zijnde de handelsrente tot en met 31 januari 2020;

- € 572,05 aan buitengerechtelijke kosten;

- de wettelijke handelsrente vanaf 1 februari 2020 tot de dag van algehele voldoening;

- van de proceskosten, waaronder begrepen het salaris van de gemachtigde en de kosten van de dagvaarding.

3.2.

Dateq heeft aan haar vordering ten aanzien van [gedaagde sub 2] ten grondslag gelegd dat [gedaagde sub 2] persoonlijk aansprakelijk is voor de betaling daarvan omdat [gedaagde sub 2] de schijn heeft opgewekt dat hij handelde namens een nieuwe B.V. namelijk [naam bv] Uit artikel 2:203 leden 1 en 2 BW vloeit voort dat degene die namens een op te richten vennootschap een overeenkomst heeft gesloten, in dit geval [gedaagde sub 2] , slechts van zijn hoofdelijke aansprakelijkheid wordt bevrijd, indien de overeenkomst wordt bekrachtigd door een na het sluiten van de overeenkomst opgerichte besloten vennootschap die moet worden aangemerkt als de vennootschap die partijen bij het tot stand komen van de overeenkomst op het oog hadden. Door een onjuiste voorstelling van zaken te geven heeft [gedaagde sub 2] onrechtmatig gehandeld jegens Dateq en ook daarom is hij, naast [gedaagde sub 1] , persoonlijk aansprakelijk.

3.3.

[gedaagde sub 2] heeft de vordering namens [gedaagde sub 1] erkend. [gedaagde sub 2] heeft betwist persoonlijk aansprakelijk te zijn voor de vordering.

4 De beoordeling

4.1.

[gedaagde sub 1] zal tot betaling van de hoofdsom worden veroordeeld daar de vordering door deze vennootschap is erkend.

4.2.

[gedaagde sub 1] zal tot betaling van € 572,05 aan buitengerechtelijke kosten worden veroordeeld. De hoogte van de gevorderde buitengerechtelijke kosten acht de kantonrechter redelijk ter verkrijging van voldoening buiten rechte. Er zijn immers aanmaningen verzonden en er is een betalingsregeling getroffen (die niet is nagekomen).

4.3.

[gedaagde sub 1] zal verder worden veroordeeld tot betaling van de gevorderde handelsrente die tot en met 31 januari 2020 € 1.055,79 bedroeg. De vordering [gedaagde sub 1] te veroordelen tot betaling van de wettelijke handelsrente vanaf 1 februari 2020 komt eveneens voor toewijzing in aanmerking.

4.4.

[gedaagde sub 1] zal worden veroordeeld in de proceskosten van Dateq.

De kantonrechter begroot het salaris gemachtigde op € 600,- (één punt voor de dagvaarding en één punt voor de zitting, € 300,- per punt). Het totale bedrag aan proceskosten zal worden begroot op:

Kosten exploot € 170,23

Griffierecht € 499,-

Salaris gemachtigde € 600,-

Totaal € 1.269,23

4.5.

De vorderingen op [gedaagde sub 2] (in persoon) zal de kantonrechter afwijzen. Naar het oordeel van de kantonrechter is onvoldoende gebleken dat [gedaagde sub 2] heeft gehandeld namens een op te richten vennootschap. Uit de correspondentie blijkt ook niet dat [gedaagde sub 2] van plan was een nieuwe vennootschap op te richten. De e-mail van 3 januari 2017 heeft als onderwerp ‘naamswijziging en verhuisbericht’ en bevat de mededeling dat de bedrijfsnaam is veranderd: ‘ [gedaagde sub 1] gaat verder als [naam bv] ’, zo staat in deze e-mail. Uit de woorden ‘gaat verder als’ blijkt dat [gedaagde sub 1] als zodanig niet zou ophouden te bestaan, maar dat enkel de naam zou worden gewijzigd. In de e-mail van 5 januari 2017 staat dat in eerste instantie enkel de naam is gewijzigd (en het adres) en dat een nieuwe website en e-mailadressen zouden volgen. Ook in de e-mail van 7 januari 2017 staat dat ‘de naam inmiddels gewijzigd (is) naar [naam bv] ’. Nergens heeft [gedaagde sub 2] gesteld dat hij handelde in naam van [naam bv] ‘in oprichting’. Dit maakt, hoewel de kantonrechter zich de ontstane verwarring kan voorstellen, dat artikel 2:203 lid 1 BW toepassing mist, dat dit artikel geen grondslag biedt voor het gestelde onrechtmatige handelen en dat [gedaagde sub 2] dus niet persoonlijk kan worden aangesproken om de vordering te voldoen. De stelling van Dateq dat [gedaagde sub 2] niet met bewijsstukken heeft aangetoond dat hij daadwerkelijk de handelsnaam van [gedaagde sub 1] heeft veranderd in [naam bv] is juist, maar omdat ook niet is gebleken dat [gedaagde sub 2] van plan was om een nieuwe B.V. op te richten, maakt dit de beoordeling niet anders.

4.6.

De vordering op [gedaagde sub 2] zal aldus worden afgewezen.

5 De beslissing

De kantonrechter:

5.1.

veroordeelt [gedaagde sub 1] om aan Dateq € 6.098,31 te betalen, te vermeerderen met de wettelijke handelsrente over € 4.470,47 vanaf 1 februari 2020 tot de dag van algehele voldoening;

5.2.

veroordeelt [gedaagde sub 1] tot betaling van de proceskosten van Dateq, tot de datum van dit vonnis begroot op € 1.269,23;

5.3.

verklaart dit vonnis uitvoerbaar bij voorraad;

5.4.

wijst af het meer of anders gevorderde.

Dit vonnis is gewezen door mr. P.H.M. Kuster en is in het openbaar uitgesproken.

BM