Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBLIM:2020:7469

Instantie
Rechtbank Limburg
Datum uitspraak
30-09-2020
Datum publicatie
09-10-2020
Zaaknummer
8139995 CV EXPL 19-7288
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

Huurachterstand. Opzegging.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK LIMBURG

Zittingsplaats Maastricht

Burgerlijk recht

Zaaknummer: 8139995 CV EXPL 19-7288

Vonnis van de kantonrechter van 30 september 2020

in de zaak van

[eiser] ,

wonend in [woonplaats 1] ,

eisende partij,

gemachtigde B.M.J. Th. Wessels,

tegen

[gedaagde] ,

wonend in [woonplaats 2] aan de [adres 1] ,

gedaagde partij,

gemachtigde mr. G.J.E. Schoofs.

Partijen worden hierna [eiser] en [gedaagde] genoemd.

1 De procedure

1.1.

Het verloop van de procedure blijkt uit:

  • -

    het exploot van dagvaarding d.d. 29 oktober 2019

  • -

    de conclusie van antwoord

  • -

    de conclusie van repliek

  • -

    de conclusie van dupliek.

1.2.

Ten slotte is vonnis bepaald.

2 De feiten

[gedaagde] heeft ingaande 19 april 2019 van [eiser] een appartement gehuurd gelegen in [plaats] aan de [adres 2] tegen een bij vooruitbetaling verschuldigde huur van € 450,00 per maand.

3 De vordering en het geschil

3.1.

Bij voormeld exploot vorderde [eiser] ontbinding van de huurovereenkomst en de veroordeling van [gedaagde] tot ontruiming van het gehuurde. Daarnaast vorderde [eiser] de veroordeling van [gedaagde] tot betaling van € 2.604,83, te vermeerderen met de wettelijke rente vanaf 1 september 2019 tot aan de dag van voldoening, alsmede tot betaling van € 450,00 voor elke ingegane maand na 30 september 2019 tot aan de dag van ontruiming, een en ander onder verwijzing van [gedaagde] in de proceskosten met rente.

Het bedrag van € 2.604,83 is als volgt opgebouwd:

€ 2.250,00 hoofdsom (onbetaald gelaten huur)

€ 273,57 “incassokosten/opmaken schuldbekentenis” excl. btw

€ 23,81 tot en met 23 augustus 2019 vervallen wettelijke rente

€ 57,45 btw incassokosten.

3.2.

Bij repliek onder punt 14 en 15 heeft [eiser] het navolgende geschreven:

14. Huurovereenkomst heeft geduurd tot aan de ontruiming aan toe. Het is inderdaad niet meer nodig ontbinding te gelasten, immers het pand is ontruimd zoals bovestaand vermeld.

15. De achterstand is nog verder opgelopen zie datum van ontruiming van het pand te vermeerden met kosten van ontruiming en vernieuwen van sloten.

Hoewel [eiser] daarmee - tot tweemaal toe - suggereert dat de datum van de ontruiming vermeld is, is dat niet het geval. De kantonrechter merkt deze opmerkingen aan als een vermindering van eis in die zin dat ontbinding en ontruiming niet meer gevorderd worden.

3.3.

Onder punt 17 van zijn repliek (door [eiser] als “Conclusie van antwoord repliek” aangeduid) noemt [eiser] nog enkele kostenposten die hij ‘nakosten in verband met de huurovereenkomst’ noemt, in totaal € 524,30. Onder het kopje “Conclusie” van diezelfde repliek vordert [eiser] dan om “gedaagde, in hun vorderingen niet ontvankelijk te willen verklaren, danwel deze te willen ontzeggen alszijnde ongegrond en/of onbewezen met veroordeling in de kosten van deze procedure te vermeerderen met het bedrag van

€ 524,30 als bovenstaand vermeld, buiten het gestelde bedrag in de dagvaarding”, hetgeen de kantonrechter zal opvatten als een eisvermeerdering.

3.4.

[gedaagde] voert bij antwoord als verweer aan dat hij het gehuurde wegens ernstige gebreken al eind mei weer heeft verlaten, dat hij de huur schriftelijk heeft opgezegd en dat hij de huur over de periode 19 april 2019 tot en met 29 mei 2019 (een maand en tien dagen) contant aan [eiser] heeft voldaan. Dat hij de huur schriftelijk heeft opgezegd, kan worden bevestigd door zijn voormalige buren, waarvan hij echter geen contactgegevens heeft, maar [eiser] heeft die contactgegevens wel, aldus [gedaagde] .

Bij dupliek stelt [gedaagde] dat hij het gehuurde maar “een hele korte periode (drie maanden)” heeft gehuurd en handhaaft hij zijn eerdere verweer.

Tevens voert hij verweer tegen de vermeerdering van eis nu hij de verschillende posten in dat kader niet kan verifiëren dan wel zich daartegen verweren.

4 De beoordeling

4.1.

[gedaagde] stelt dat hij de huur tegen eind mei schriftelijk heeft opgezegd, doch dat hij geen kopie heeft van die opzeggingsbrief. De opzegging is door [eiser] gemotiveerd betwist en is voorts door [gedaagde] op geen enkele wijze nader onderbouwd, zodat dit verweer niet kan slagen. [gedaagde] stelt dan nog wel dat zijn voormalige buren (waarmee hij dan kennelijk zijn voormalige buren op de [adres 2] bedoelt) kunnen bevestigen dat hij de huur schriftelijk heeft opgezegd, maar hij verzuimt ook maar enige uitleg te geven over wat die voormalige buren dan precies zouden kunnen verklaren, nog daargelaten dat hij naar eigen zeggen geen contactgegevens van die voormalige buren heeft, waarmee hij in wezen te kennen geeft dat hij niet in staat zal zijn om ze - indien al daartoe toegelaten - op te roepen. Voor zover in dit kader dus al van een bewijsaanbod kan worden gesproken, zal dit daarom worden gepasseerd. [gedaagde] merkt dan nog op dat [eiser] inzage kan geven in de (contact)gegevens van bedoelde voormalige buren ‘zodat deze mensen als getuige kunnen worden gehoord’, doch hij heeft verzuimd om een reconventionele vordering ter zake (843a Rv) in te stellen, zodat al om die reden daaraan voorbij dient te worden gegaan. De door [gedaagde] gememoreerde opzegging tegen eind mei 2019 is daarmee in deze procedure niet vast komen te staan, zodat het er voor dient te worden gehouden dat de huurovereenkomst ook na mei 2019 is blijven bestaan. Dat [gedaagde] na mei 2019 naar eigen zeggen het gehuurde niet meer heeft gebruikt of bewoond, doet aan het bestaan van die huurovereenkomst - en daarmee aan zijn huurbetalingsverplichting - niet af.

4.2.

Dat het gehuurde gebreken heeft (in de zin van vochtoverlast), zoals [gedaagde] stelt, kan hem - wat daar ook verder van zij - in deze procedure niet baten nu gesteld noch gebleken is dat hij die vermeende gebreken zelf heeft verholpen en de kosten daarvan op de huurprijs in mindering heeft gebracht (art. 7:206 lid 3 BW) en hij evenmin een vordering tot huurprijsvermindering heeft ingesteld.

4.3.

Het verweer van [gedaagde] , inhoudende dat hij de huur over de periode 19 april 2019 tot en met 29 mei 2019 contant aan [eiser] heeft betaald, kan evenmin slagen, nu de ontvangst van dat bedrag door [eiser] is betwist. Nu [gedaagde] zich op de rechtsgevolgen van die betaling beroept, rust ingevolge art. 150 Rv op hem de bewijslast daarvan. Het had daarom alleszins op zijn weg gelegen om bewijs van zijn stelling dienaangaande in het geding te brengen, maar hij heeft dat nagelaten. Daarmee dient in deze procedure ervan uitgegaan te worden dat [gedaagde] geen huur aan [eiser] heeft betaald.

4.4.

Hoewel [eiser] onder punt 14 en 15 van zijn repliek zoals hierboven weergegeven tot tweemaal toe anders suggereert, noemt hij de datum waarop het gehuurde is ontruimd niet. Op die manier is onduidelijk gebleven tot hoe lang de huurbetalings-verplichting ook ná september 2019 is door blijven lopen, hetgeen in dit geval voor risico van [eiser] komt, nu het [eiser] zelf is die stelt dat de huurovereenkomst heeft gelopen tot aan de ontruiming en dat ontbinding niet meer nodig is omdat het gehuurde al is ontruimd. Aan achterstallige huur is derhalve alleen toewijsbaar het bij exploot gevorderde bedrag van € 2.250,00 (de huurachterstand tot en met september 2019) met rente zoals gevorderd.

4.5.

Vervolgens zal beoordeeld worden of de gevorderde vergoeding van buitengerechtelijke kosten toewijsbaar is. Gesteld noch gebleken is dat een aanmaning is verzonden die aan alle vereisten als genoemd in art. 6:96 lid 6 BW (zie ook: HR 25 november 2016, ECLI:NL:HR:2016:2704) voldoet. De regelgeving en jurisprudentie waar [eiser] in dit kader naar verwijst is reeds lange tijd achterhaald. De gevorderde vergoeding zal derhalve worden afgewezen.

4.6.

Het verweer van [gedaagde] ter zake van de verschillende bij eisvermeerdering gevorderde posten slaagt wel, nu enige feitelijke en juridische onderbouwing van die posten ontbreekt. Dit onderdeel van de vordering zal derhalve worden afgewezen.

4.7.

[gedaagde] zal als de overwegend in het ongelijk gestelde partij worden veroordeeld tot betaling van de proceskosten, aan de zijde van [eiser] tot de datum van dit vonnis begroot op € 694,07, bestaande uit € 360,00 aan salaris gemachtigde, € 231,00 aan griffierecht en € 103,07 aan explootkosten, te vermeerderen met de wettelijke rente vanaf de vijftiende dag na betekening van dit vonnis tot aan de dag van voldoening.

5 De beslissing

De kantonrechter

5.1.

veroordeelt [gedaagde] om € 2.273,81 aan [eiser] te betalen, te vermeerderen met de wettelijke rente over € 2.250,00 vanaf 1 september 2019 tot aan de dag van voldoening;

5.2.

veroordeelt [gedaagde] tot betaling van de proceskosten, aan de zijde van [eiser] tot de datum van dit vonnis begroot op € 694,07, te vermeerderen met de wettelijke rente vanaf de vijftiende dag na betekening van dit vonnis tot aan de dag van voldoening;

5.3.

verklaart dit vonnis uitvoerbaar bij voorraad;

5.4.

wijst het meer of anders gevorderde af.

Dit vonnis is gewezen door mr. R.P.J. Quaedackers en is in het openbaar uitgesproken.

RK