Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBLIM:2020:7449

Instantie
Rechtbank Limburg
Datum uitspraak
30-09-2020
Datum publicatie
08-10-2020
Zaaknummer
8214286 CV EXPL 19-8197
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

Ontruiming, huurachterstand, bedrijfsruimte, 6:29 BW

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK LIMBURG

Burgerlijk recht

Zittingsplaats Maastricht

Zaaknummer: 8214286 CV EXPL 19-8197

Vonnis van de kantonrechter van 30 september 2020 (bij vervroeging)

in de zaak van

[eiser] ,

wonend te [woonplaats 1] ,

eisende partij,

gemachtigde Agin Otten Gerechtsdeurwaarders,

tegen

1 [gedaagde sub 1] ,

2. [gedaagde sub 2],

beiden wonend [adres 1] ,

[woonplaats 2] ,

gedaagde partij,

procederend in persoon.

De eisende partij zal hierna ‘ [eiser] ’ worden genoemd en gedaagde partijen zullen ‘ [gedaagde sub 1] ’ en ‘ [gedaagde sub 2] ’ of ‘gedaagde(n)’, worden genoemd.

1 De procedure

1.1.

Het verloop van de procedure blijkt uit:

- de dagvaarding

- de conclusie van antwoord

- de conclusie van repliek

- de conclusie van dupliek

- akte uitlating op de bij dupliek ingediende producties

1.2.

Ten slotte is vonnis bepaald.

2 De feiten

2.1.

Op 30 november 2007 is tussen [eiser] als verhuurder en gedaagden als huurders een huurovereenkomst met betrekking tot de bedrijfsruimte met aanhorigheden, staande en gelegen te [plaats] , aan het adres [adres 2] , tot stand gekomen.

2.2.

De maandelijkse huurprijs bedraagt thans € 1.150,00 per maand, bij vooruitbetaling.

3 Het geschil

3.1.

Op grond van tekortkoming van gedaagden in de nakoming van de op hen rustende betalingsverplichting, die voortvloeit uit de tussen partijen gesloten huurovereenkomst, vordert [eiser] dat de kantonrechter bij vonnis, uitvoerbaar bij voorraad:

  1. de tussen partijen bestaande huurovereenkomst met betrekking tot de bedrijfsruimte met aanhorigheden, staande en gelegen te [plaats] , aan het adres [adres 2] , ontbindt met veroordeling van gedaagden om binnen drie dagen na betekening van dit vonnis het gehuurde te verlaten en te ontruimen en ontruimd te houden en met al het hunne en de hunnen onder afgifte der sleutels ter vrije en algehele beschikking van [eiser] te stellen,

  2. gedaagden hoofdelijk veroordeelt om, tegen behoorlijk bewijs van kwijting, aan [eiser] te betalen een bedrag van € 5.307,85 ( waarvan € 4.600,00 aan huurachterstand tot en met november 2019 en € 707,87 inclusief B.T.W. aan buitengerechtelijke incassokosten) te vermeerderen met de wettelijke rente te rekenen vanaf de datum van de dagvaarding tot de dag der algehele voldoening,

  3. gedaagden hoofdelijk veroordeelt om, tegen behoorlijk bewijs van kwijting, aan [eiser] te betalen het bedrag van € 1.150,00 per maand zijnde huur c.q. gebruikersvergoeding voor iedere maand die vanaf 30 november 2019 tot het tijdstip van de ontruiming mocht verstrijken of zijn ingegaan, een ingegane maand daarbij gerekend voor een hele maand, met veroordeling van gedaagden in de proceskosten.

3.2.

Gedaagden voeren verweer, waarop hierna zal worden ingegaan.

4 De beoordeling

4.1.

Gedaagden erkennen dat er een huurachterstand is ontstaan. De hoogte van de huurachterstand wordt niet betwist. Gedaagden verweren zich evenmin tegen de gevorderde ontbinding. Gedaagden voeren echter aan dat zij [eiser] om een betalingsregeling in combinatie met huurverlaging hebben verzocht. Voorts zijn er gesprekken geweest inzake overname van het bedrijf van gedaagden en van de lopende huurovereenkomst door een derde. Gedaagden stellen - kort samengevat - dat [eiser] niet bereid was om mee te werken aan de voorgestelde regelingen. Thans verzoeken gedaagden de kantonrechter om bij toewijzing van de vordering de opgelopen huurachterstand met een bedrag van

€ 850,00 per maand te rekenen. Daarnaast verzoeken zij de kantonrechter om aan hen een redelijke ontruimingstermijn te geven.

4.2.

[eiser] erkent dat er overleg is geweest inzake een betalingsregeling in combinatie met huurverlaging. Hij stelt echter dat hij aan gedaagden per mail van

10 november 2019 een aanbod heeft gedaan, dat tot 15 november 2019 geldig was. Doordat gedaagden het aanbod niet hebben aanvaard en sedert 10 november 2019 ook geen huur meer hebben betaald, is het aanbod komen te vervallen. Ter zake van de stellingen van gedaagden ten aanzien van een overname stelt [eiser] dat gedaagden vantevoren al financiële afspraken met de overnamekandidaat hadden gemaakt, en dat hij daarbij geen inbreng heeft gehad. Daarnaast kon de overnamekandidaat geen geldig legitimatiebewijs overleggen hetgeen voor [eiser] onacceptabel was.

4.3.

De kantonrechter oordeelt dat gedaagden de stellingen van [eiser] onvoldoende gemotiveerd hebben betwist. Daarnaast merkt de kantonrechter op dat op grond van artikel 6:29 BW slechts met toestemming van de schuldeiser - in casu [eiser] - een betalingsregeling kan worden getroffen. Voor huurverlaging en overname geldt daarnaast dat toestemming van [eiser] is vereist. Nu [eiser] geen toestemming geeft, zullen gedaagden de in de huurovereenkomst opgenomen afspraken moeten nakomen. Inzake het verzoek van gedaagden om bij toewijzing van de vordering de huurachterstand met een bedrag van € 850,00 te rekenen, oordeelt de kantonrechter dan ook dat daarvoor geen juridische grondslag bestaat.

4.4.

Gezien het voorgaande en gezien de erkenning van gedaagden zal de kantonrechter de vordering van [eiser] tot betaling van € 4.600,00 (zijnde de huurachterstand tot en met de maand november 2019) toewijzen. De daarover gevorderde wettelijke rente vanaf datum dagvaarding tot de dag der algehele voldoening is ook toewijsbaar.

4.5.

De ontstane huurachterstand rechtvaardigt de gevorderde ontbinding en ontruiming van het gehuurde. De termijn voor ontruiming zal worden bepaald op veertien dagen na betekening van dit vonnis.

4.6.

De vordering tot betaling van de gebruikersvergoeding c.q. huur vanaf 30 november 2019 tot het tijdstip van ontruiming zal eveneens worden toegewezen.

4.7.

Ten aanzien van de gevorderde vergoeding voor buitengerechtelijke kosten ad € 707,85 inclusief B.T.W. geldt het volgende. Het Besluit vergoeding voor buitengerechtelijke incassokosten (hierna: het Besluit) is van toepassing. Gedaagden hebben gehandeld in de uitoefening van een beroep/ bedrijf en zijn dus niet als consument aan te merken. [eiser] heeft voldoende gesteld en onderbouwd dat buitengerechtelijke incassowerkzaamheden zijn verricht. Het gevorderde bedrag aan buitengerechtelijke incassokosten komt overeen met het in het Besluit bepaalde tarief en zal daarom worden toegewezen. De gevorderde rente over de buitengerechtelijke kosten zal worden toegewezen vanaf de dag van de dagvaarding.

4.8.

Gedaagden zullen, als de in het ongelijk gestelde partij, worden veroordeeld in de kosten van de procedure. De kosten aan de zijde [eiser] worden begroot op:

  • -

    dagvaarding € 103,09

  • -

    griffierecht € 231,00

  • -

    salaris gemachtigde € 600,00 ( 2 x tarief € 300,00)

totaal € 934,09

5 De beslissing

De kantonrechter

5.1.

ontbindt de bestaande huurovereenkomst met betrekking tot het gehuurde bedrijfsruimte met aanhorigheden, staande en gelegen te [plaats] , aan het adres [adres 2] ,

5.2.

veroordeelt [gedaagde sub 1] en [gedaagde sub 2] om het gehuurde binnen een termijn van veertien dagen na betekening van dit vonnis te verlaten en te ontruimen en ontruimd te houden en met al het hunne en de hunnen onder afgifte der sleutels ter vrije en algehele beschikking van [eiser] te stellen,

5.3.

veroordeelt [gedaagde sub 1] en [gedaagde sub 2] hoofdelijk, om aan [eiser] , tegen behoorlijk bewijs van kwijting, te betalen:

  • -

    € 5.307,85 (bestaande uit € 4.600,00 aan huurachterstand tot en met de maand november 2019 en € 707,85 inclusief B.T.W. aan buitengerechtelijke kosten) te vermeerderen met de wettelijke rente vanaf datum dagvaarding tot de dag der algehele voldoening,

  • -

    € 1.150,00 per maand zijnde huur c.q. gebruikersvergoeding voor iedere maand die vanaf 30 november 2019 tot het tijdstip van de ontruiming mocht verstrijken of zijn ingegaan, een ingegane maand daarbij gerekend voor een hele maand,

5.4.

veroordeelt [gedaagde sub 1] en [gedaagde sub 2] , hoofdelijk, in de kosten van de procedure aan de zijde van [eiser] gevallen en aan die zijde tot op heden begroot op een bedrag van € 934,09,

5.5.

verklaart dit vonnis uitvoerbaar bij voorraad.

Dit vonnis is gewezen door mr. I.R.A. Timmermans-Vermeer en in het openbaar uitgesproken.

type: NZ