Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBLIM:2020:7327

Instantie
Rechtbank Limburg
Datum uitspraak
29-09-2020
Datum publicatie
29-09-2020
Zaaknummer
C/03/282262 / KG ZA 20-358
Rechtsgebieden
Goederenrecht
Verbintenissenrecht
Bijzondere kenmerken
Kort geding
Inhoudsindicatie

Dreiging toekomstig onrechtmatig handelen – verbod om leerlingen en leerkrachten toegang tot schoolgebouw te ontzeggen – belangenafweging – voegingsincident 217 Rv – vordering geldsom in reconventie.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

vonnis

RECHTBANK LIMBURG

Burgerlijk recht

Zittingsplaats Roermond

zaaknummer / rolnummer: C/03/282262 / KG ZA 20-358

Vonnis in kort geding van 29 september 2020

in de zaak van

de stichting

ALOYSIUS STICHTING ONDERWIJS JEUGDZORG,

gevestigd te Voorhout,

eiseres in conventie,

verweerster in reconventie,

advocaat mr. F. Eikelboom te Amsterdam,

met als partij die zich aan de zijde van eiseres heeft gevoegd

de publiekrechtelijke rechtspersoon

GEMEENTE WEERT,

zetelend te Weert,

gedaagde,

advocaat mr. Van der Heijden te Den Haag

tegen

uitgesloten aansprakelijkheid

COÖPERATIE REGIONAAL KENNIS EN EXPERTISECENTRUM WEERT U.A.,

gevestigd te Weert,

gedaagde in conventie,

eiseres in reconventie,

advocaat mr. A.P.C. Houben te Weert.

Partijen zullen hierna Aloysius, RKEC en de Gemeente genoemd worden.

1 De procedure

1.1.

Het verloop van de procedure blijkt uit:

  • -

    de dagvaarding met productie 1 tot en met 18;

  • -

    de akte overlegging producties van Aloysius met productie 19 en 20;

  • -

    de akte overlegging productie van Aloysius met productie 24;

  • -

    de conclusie van antwoord tevens conclusie van eis in reconventie met productie 1 t/m 24;

  • -

    de incidentele conclusie tot voeging van de Gemeente;

  • -

    de mondelinge behandeling en het ter mondelinge behandeling gewezen vonnis in het incident;

  • -

    de pleitnota van Aloysius;

  • -

    de pleitnota van RKEC.

1.2.

Ten slotte is vonnis bepaald.

2 De feiten

2.1.

Aloysius houdt in Nederland tientallen speciaal (voorgezet) onderwijsscholen in stand. In het gebouw aan de Beaxtrixlaan 3 te Weert (hierna: het Gebouw) zijn twee scholen van Aloysius gevestigd. Dit zijn de scholen: speciaal onderwijs De Widdonckschool en speciaal voortgezet onderwijs De Widdonckschool. In totaal zitten hier 140 leerlingen met ernstige gedrags- en sociaal-emotionele problemen op school.

2.2.

Eigenaar van het Gebouw is de Gemeente Weert. In het Gebouw zijn meerdere scholen gevestigd met elk een eigen bijzondere doelgroep. Naast de twee scholen van Aloysius zijn dit scholen van MeerderWeert Stichting Primair Onderwijs Nederweert (hierna: Meerderweert) en scholen van de Onderwijsstichting De Wijnberg (hierna: De Wijnberg). In het Gebouw zijn ook de Weertse jeugdzorgactiviteiten van de Mutsaersstichting ondergebracht.

2.3.

Voorafgaande aan de bouw van het Gebouw heeft de Gemeente met Aloysius, MeerderWeert, De Wijnberg, de Mutsaersstichting en de Stichting Speciaal Onderwijs Noord- en Midden Limburg een realisatieovereenkomst getekend. In deze realisatieovereenkomst wordt gesproken over de oprichting van RKEC. In artikel 9 lid 3 van deze realisatieovereenkomst staat, voor zover van belang:

"Na de eigendomsoverdracht van het perceel kadastraal bekend als WEERT S 4142 door Meerderweert aan de gemeente, doch uiterlijk 1 juli 2015, zal de gemeente:
a. ten behoeve van de cooperatie bij notariele akte een recht van erfpacht en/of een recht van opstal doen vestigen met betrekking tot het projectgebied voor de duur van 40 jaar."

2.4.

Na ondertekening van de realisatieovereenkomst is op 24 maart 2015 RKEC opgericht. De leden van RKEC zijn Aloysius, MeerderWeert, De Wijnberg en de Mutsaersstichting. In artikel 2 van de statuten van RKEC staat – voor zover van belang – het volgende:

"Artikel 2 – Doel
1. De coöperatie oefent het hierna vermelde bedrijf uit ten behoeve van haar leden of doet dit bedrijf uitoefenen. Met dit bedrijf worden de volgende activiteiten verricht:
- het bieden van ondersteuningsdiensten aan onderwijs- en zorginstellingen meer in het bijzonder ten aanzien van integrale onderwijs en (jeugd)zorgarrangementen van deze instelling aan kinderen in de regio;

- het beheer en exploitatie van het gebouw voor (speciaal) onderwijs en (jeugd)zorg waarin het RKEC Weert is gevestigd; en alles wat hieraan dienstbaar is."

2.5.

Artikel 6 van de statuten van RKEC luidt – voor zover van belang – als volgt:

[…]
"2. De leden betalen een jaarlijkse contributie ten behoeve van de exploitatie van het RKEC Weert. De hoogte van de contributie wordt jaarlijks met algemene stemmen (unaniem) vastgesteld door de algemene vergaderring in een vergadering waarin alle leden aanwezig of vertegenwoordigd zijn. De leden kunnen daarbij in categorieën worden ingedeeld, die een verschillende contributie betalen."

2.6.

Artikel 101 van de Wet op de Expertisecentra (WEC) bepaalt:

"1. Het bevoegd gezag van een niet door de gemeente in stand gehouden school geeft opdracht de voorziening in de huisvesting waartoe op grond van de artikelen 93 en 96 kan worden overgegaan, tot stand te brengen met daartoe door de gemeente beschikbaar te stellen gelden, tenzij het met burgemeester en wethouders overeenkomt dat de gemeente deze voorziening tot stand brengt.

2. Indien de gemeente de voorziening in de huisvesting van een niet door de gemeente in stand gehouden school tot stand heeft gebracht, worden gebouw en terrein aan het bevoegd gezag in eigendom overgedragen, tenzij burgemeester en wethouders en het bevoegd gezag anders overeenkomen."

2.7.

Aloysius, MeerderWeert en De Wijnberg zijn aan te merken als bevoegd gezag in de zin van artikel 1 van de WEC. RKEC en de Mutsaersstichting zijn dat niet.

2.8.

Sinds 1 augustus 2019 is [naam bestuurder] (hierna: [naam bestuurder] ) bestuurder van RKEC.

2.9.

Op 19 augustus 2020 zijn twee leslokalen in het Gebouw, die bij Aloysius in gebruik waren, ontruimd. Ook de sloten van deze lokalen zijn vervangen. Deze lokalen zijn vervolgens door De Wijnberg in gebruik genomen.

2.10.

Bij e-mailbericht van 1 september 2020 aan Aloysius heeft [naam bestuurder] namens RKEC, voor zover relevant, het volgende geschreven:

"Ik sommeer daarom Aloysius om binnen 5 dagen na dagtekening van deze email (en dat is dus deze week) het bedrag van € 134.865, 20 (zie bijlage voor de opstelling) over te maken op de rekening van het KEC, bij gebreke waarvan ik per 14 september 2020 de leerlingen van Aloysius de toegang tot het gebouw zal ontzeggen."

2.11.

De op 20 augustus 2020 geplande algemene ledenvergadering van RKEC is door [naam bestuurder] geannuleerd.

3 Het geschil in conventie

3.1.

Aloysius vordert, uitvoerbaar bij voorraad voor zover de wet zulks toelaat,

1.
RKEC te verbieden om enige maatregel te treffen, handeling te verrichten of anderszins actie te ondernemen waardoor Aloysius (en haar personeel en leerlingen) toegang tot het Gebouw, of een deel van het Gebouw, wordt ontzegd of anderszins feitelijk wordt verhinderd om het Gebouw of een deel daarvan te gebruiken, zulks op straffe van een op de overtreder van dit verbod op te leggen onmiddellijk opeisbare dwangsom ad € 250.000,- voor elke dag, een gedeelte van een dag daaronder begrepen, dat RKEC dit verbod, of een gedeelte daarvan, overtreedt, niet juist, onvolledig of te laat nakomt en voor elke dag, een gedeelte van een dag daaronder begrepen, deze overtreding of niet-nakoming voortduurt,

2. RKEC te gebieden om reeds getroffen maatregelen die Aloysius (en haar personeel en leerlingen) verhinderen om toegang te krijgen tot, of gebruik te maken van (een deel van) het Gebouw ongedaan te maken, zulks op straffe van een op de overtreder van dit verbod op te leggen onmiddellijk opeisbare dwangsom ad € 250.000,- voor elke dag, een gedeelte van een dag daaronder begrepen, dat RKEC dit verbod, of een gedeelte daarvan, overtreedt, niet juist, onvolledig of te laat nakomt en voor elke dag, een gedeelte van een dag daaronder begrepen, deze overtreding of niet-nakoming voortduurt,

3. RKEC te veroordelen in de kosten van deze procedure onder de bepaling dat over het bedrag van de toegewezen proceskosten wettelijke rente verschuldigd zal zijn vanaf 14 dagen na de datum van dit vonnis.

3.2.

RKEC voert verweer.

3.3.

Op de stellingen van partijen wordt hierna, voor zover van belang, nader ingegaan.

4 Het geschil in reconventie

4.1.

RKEC vordert, uitvoerbaar bij voorraad voor zover de wet zulks toelaat:
1. Aloysius te veroordelen om binnen 48 uur na dit vonnis aan RKEC tegen behoorlijk bewijs van kwijting te voldoen een bedrag van € 134.865,20 te vermeerderen met de wettelijke handelsrente (subsidiair de wettelijke rente) over het toegewezen bedrag;

2. Aloysius – indien zij in gebreke blijft met het onder 1 in reconventie gevorderde tijdig te voldoen – te schorsen als lid van RKEC conform het bepaalde in artikel 4 lid 5 van de statuten voor de maximale duur van drie maanden; althans voor een in goede justitie te bepalen periode;

3. Aloysius – indien zij in gebreke blijft met het onder 1 in reconventie gevorderde tijdig te voldoen – te veroordelen om het Gebouw terstond, althans binnen twee weken na betekening van dit vonnis in kort geding, althans binnen een in goede justitie te bepalen termijn met alle zich daarin aan Aloysius toebehorende zaken en van de organisatie van Aloysius onderdeel uitmakende personen (waaronder personeel en leerlingen) te ontruimen, te verlaten en onder afgifte van alle sleutels van (delen van) het Gebouw aan RKEC ter beschikking te stellen, en, indien Aloysius hiermee in gebreke blijft, RKEC te machtigen deze ontruiming zelf te bewerkstellingen, desnoods met behulp van de sterke arm van politie en justitie;

4. te bepalen dat – indien Aloysius in gebreke blijft volledig of niet tijdig aan enige verplichtingen voortvloeiende uit hetgeen hierboven onder 3 in reconventie is gevorderd – Aloysius aan RKEC een onmiddellijke opeisbare dwangsom verschuldigd is van € 25.000,- per dag dat het in gebreke blijven voortduurt, althans een goede in justitie te bepalen bedrag,

5. de Gemeente te veroordelen om – indien Aloysius in gebreke blijft met het onder 1 in reconventie gevorderde tijdig te voldoen – het onder 1 toegewezen bedrag rechtstreeks aan RKEC te voldoen;

6. de Gemeente te gebieden om rechtstreeks met RKEC een erfpachtovereenkomst te sluiten waarbij de Gemeente het Gebouw in erfpacht dient te geven aan RKEC en waarbij de meest recente conceptversie van de erfpachtovereenkomst als leidraad zal dienen, met dien verstande dat de partijen dienen te worden aangepast in die zin dat niet met de Onderwijspartners maar met RKEC gecontracteerd moet worden en alle verwijzingen naar een ondererfpachtconstructie dienen te worden verwijderd en te bepalen dat de Gemeente een dwangsom verbeurt van een bedrag van € 25.000,- per dag te rekenen vanaf 1 november 2020 indien de erfpachtovereenkomst dan niet ondertekend is en niet formeel middels notariële akte is gevestigd.

7. Aloysius en de Gemeente hoofdelijk – in die zin dat de een betaalt, de ander zal zijn gekweten – te veroordelen tot betaling van de proceskosten en nakosten, te vermeerderen met de wettelijke rente daarover vanaf veertien dagen na betekening van dit vonnis.

4.2.

Aloysius voert verweer.

4.3.

Op de stellingen van partijen wordt hierna, voor zover van belang, nader ingegaan.

5 Het incident

5.1.

De Gemeente wenst (voorwaardelijk) te interveniëren in de kort geding procedure tussen Aloysius en RKEC op grond van artikel 217 van het Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering (Rv) door zich te voegen aan de zijde van Aloysius. De Gemeente heeft aangevoerd dat zij daarbij belang heeft gelet op haar publieke taak om te voorzien in onderwijshuisvesting en haar eigendomsrecht met betrekking tot het Gebouw.

5.2.

Tijdens de mondelinge behandeling van het kort geding is dit incident behandeld. Aloysius en de RKEC hebben zich daarover uitgelaten en zich gerefereerd aan het oordeel van de voorzieningenrechter. De voorzieningenrechter heeft mondeling uitspraak gedaan.

De beoordeling

5.3.

Nu Aloysius en RKEC zich daar niet tegen hebben verzet en overigens voldaan is aan de vereisten van artikel 217 Rv, zal de vordering in het incident worden toegewezen. Dat betekent dat de Gemeente is toegestaan zich op grond van artikel 217 Rv in de procedure aan de zijde van Aloysius te voegen. De beslissing omtrent de kosten in het incident zal worden aangehouden tot het vonnis in de hoofdzaak.

6. Het vonnis in incident van 15 september 2020

De voorzieningenrechter

6.1.

staat de Gemeente toe zich in de hoofdzaak te voegen aan de zijde van Aloysius;

6.2.

houdt de beslissing over de kosten van dit incident aan tot de einduitspraak in de hoofdzaak.

7 De beoordeling in de hoofdzaak

In conventie

het spoedeisend belang

7.1.

Nu uit de e-mail van 1 september 2020 van [naam bestuurder] (productie 4 bij dagvaarding) blijkt dat RKEC dreigt de leerlingen van Aloysius de toegang tot het Gebouw te ontzeggen, is het spoedeisend belang gegeven.

de inhoudelijke beoordeling

7.2.

De vraag die in dit kort geding dient te worden beantwoord is of RKEC onrechtmatig handelt indien zij Aloysius en haar leerlingen de toegang tot (een deel van) het gebouw ontzegt.

7.3.

RKEC erkent dat de Gemeente eigenaar is van het Gebouw. RKEC stelt echter dat de Gemeente op grond van artikel 9 lid 3 van de realisatieovereenkomst gehouden is om het gebruik en het beheer van het Gebouw over te dragen aan RKEC middels het vestigen van een recht van erfpacht. Hoewel het erfpachtrecht op dit moment nog niet is gevestigd, stelt RKEC dat zij op grond van de verbintenisrechtelijke toezegging door de Gemeente reeds nu gerechtigd is om de op het nog te vestigen recht van erfpacht gebaseerde rechten van gebruik en beheer uit te oefenen. Nu Aloysius niet voldoet aan haar verplichting om exploitatiekosten te betalen aan RKEC is RKEC gerechtigd om Aloysius de toegang tot het Gebouw te ontzeggen.

7.4.

De Gemeente en Aloysius stellen zich op het standpunt dat RKEC inbreuk maakt op het eigendomsrecht van de Gemeente en jegens Aloysius onrechtmatig handelt, door zonder titel aan Aloysius de toegang tot het Gebouw te ontzeggen. Op grond van haar publiekrechtelijke taak heeft de Gemeente een gebruiksrecht van het Gebouw aan het bevoegd gezag van Aloysius verleend. Aan RKEC is geen gebruiksrecht of ander zakelijk recht verleend. Ingevolge de WEC kan de Gemeente de eigendom van of zakelijke rechten met betrekking tot het Gebouw slechts verstrekken aan het bevoegd gezag van de scholen binnen haar grondgebied. Ter uitvoering van de WEC is de Gemeente voornemens een recht van erfpacht te vestigen ten behoeve van het bevoegd gezag van Aloysius, MeerderWeert en De Wijnberg. RKEC kan geen nakoming vorderen van de realisatieovereenkomst, nu zij daarbij geen partij is en RKEC toen nog niet was opgericht. Nu RKEC niet valt aan te merken als bevoegd gezag in de zin van de WEC, kan de Gemeente geen erfpachtrecht vestigen ten behoeve van RKEC.

7.5.

De voorzieningenrechter is van oordeel dat voldoende aannemelijk is dat RKEC onrechtmatig handelt jegens Aloysius indien zij haar de toegang tot het Gebouw ontzegt. Het volgende is daartoe redengevend.

7.6.

Allereerst is niet aannemelijk geworden dat RKEC thans enig recht of titel bezit om Aloysius de toegang tot het gebouw te ontzeggen. Niet in geschil is dat de Gemeente eigenaar is van het Gebouw. RKEC heeft niet betwist dat er op dit moment geen recht van erfpacht is gevestigd ten behoeve van RKEC. Zij heeft ook niet aannemelijk gemaakt dat zij een ander (gebruiks)recht heeft verkregen, op grond waarvan zij op dit moment bevoegd zou zijn aan Aloysius de toegang tot het Gebouw te ontzeggen.

De voorzieningenrechter volgt RKEC niet in haar standpunt dat de Gemeente, gelet op artikel 9 lid 3 van de realisatieovereenkomst, gehouden is ten gunste van RKEC een recht van erfpacht te vestigen. Voorlopig oordelend acht de voorzieningenrechter niet aannemelijk dat RKEC nakoming van de realisatieovereenkomst kan afdwingen, gelet op de bepalingen in de WEC en het feit dat zij geen partij is bij deze overeenkomst. Maar zelfs al zou de Gemeente wel gehouden zijn in de toekomst een recht van erfpacht te vestigen ten behoeve van RKEC, dan valt zonder nadere toelichting, die ontbreekt, niet in te zien dat RKEC daaruit voortvloeiende bevoegdheden reeds nu zou kunnen uitoefenen en aldus Aloysius de toegang tot het Gebouw zou kunnen ontzeggen.

7.7.

Nu RKEC aldus onrechtmatig handelt jegens Aloysius indien zij haar de toegang tot het Gebouw ontzegt, brengt dit mee dat op grond van de door [naam bestuurder] namens RKEC gedane uitlatingen sprake is van dreigend onrechtmatig handelen, wat voldoende is voor het geven van een verbod of bevel in kort geding. Het onder 1. gevorderde verbod is daarom voor toewijzing vatbaar.

7.8.

Onder 2. vordert Aloysius RKEC te gebieden de reeds getroffen maatregelen die Aloysius verhinderen toegang te krijgen tot of gebruik te maken van het Gebouw ongedaan te maken. Ter mondelinge behandeling heeft Aloysius nader toegelicht dat zij vordert dat Aloysius haar toegang zal verschaffen tot de twee lokalen waarvan de sloten zijn veranderd. Daarnaast moet haar vordering zo worden begrepen dat RKEC de maatregelen die zij mogelijk in de tijd tussen de mondelinge behandeling en de datum van dit vonnis zal nemen om Aloysius de toegang tot het Gebouw te ontzeggen, ongedaan zal maken.

7.9.

Ter mondelinge behandeling is door [naam bestuurder] verklaard dat niet RKEC, maar De Wijnberg de twee door Aloysius gebruikte lokalen heeft ontruimd en de sloten heeft veranderd. Door Aloysius is dit niet betwist. De voorzieningenrechter is van oordeel dat de vordering toewijsbaar is voor zover het betreft het aan Aloysius toegang verschaffen tot de twee lokalen. Het ligt op de weg en in de macht van RKEC om de benodigde toegang te verschaffen – desnoods door het (laten) verwijderen en vervangen van de sloten die door een derde (onrechtmatig) zijn aangebracht –, nu zij door haar leden is belast met het beheer van het Gebouw (artikel 2 van de statuten van RKEC).

De voorzieningenrechter is echter van oordeel dat onvoldoende aannemelijk is dat er sprake is van een reële dreiging van onrechtmatig handelen in de periode tot aan dit vonnis. RKEC heeft bij e-mail van 4 september 2020 (productie 8 bij dagvaarding) aangegeven nadere acties te zullen opschorten hangende dit kort geding. Ter mondelinge behandeling is dit door [naam bestuurder] herhaald. Gelet daarop acht de voorzieningenrechter het treffen van (voorlopige) voorzieningen op dit punt niet gerechtvaardigd, zodat dit gedeelte van het gevorderde zal worden afgewezen.

7.10.

Een afweging van belangen maakt voorgaande oordelen van de voorzieningenrechter niet anders. Voorop staat het belang van Aloysius om haar leerlingen, een groep kwetsbare minderjarigen, in Weert speciaal onderwijs te kunnen blijven bieden. De voorzieningenrechter acht niet aannemelijk dat een andere partij binnen afzienbare tijd aan 140 extra leerlingen hetzelfde passend onderwijs door gekwalificeerde leerkrachten kan bieden, zoals RKEC stelt. Daarbij komt echter dat een schoolkeuze door ouders en leerlingen doorgaans zeer bewust wordt gemaakt, waarbij factoren van kwaliteit, visie, sfeer en bereikbaarheid worden afgewogen om te komen tot een weloverwogen keuze voor een specifieke school in een bepaalde plaats. In het geval van leerlingen met leer- en gedragsproblemen is het belang van het vinden van een passende school, om iedere individuele leerling de beste kansen te kunnen bieden, zonder twijfel nog groter. Dat maakt dat van deze leerlingen en hun ouders niet gevraagd mag worden van de één op de andere dag, zonder inspraak en voorbereiding, hun vertrouwde onderwijsomgeving te verlaten en een keuze te maken voor een andere school met andere leerkrachten in het Gebouw, dan wel naar een geheel andere plaats te moeten reizen om op dezelfde school te kunnen blijven. Zij hebben immers bewust gekozen voor de Widdonckschool met zijn leerkrachten, in Weert.

RKEC stelt dat zij beoogt de impasse in het conflict tussen haar en (meerdere van) haar leden te doorbreken. Hoezeer ook voorstelbaar is dat een dergelijk conflict in de weg staat aan de – gezamenlijke – intentie om zorg en onderwijs meer op elkaar af te stemmen, ten voordele van de leerlingen van de leden van RKEC, mag dit niet meebrengen dat een doorbraak wordt afgedwongen ten koste van een groep kwetsbare minderjarigen en hun ouders. Op de betrokkenen rust de verantwoordelijkheid een andere manier te vinden uit hun conflict te geraken.

7.11.

Gelet op bovenstaande overwegingen zal de voorzieningenrechter de vordering in conventie onder 1. toewijzen. De gevorderde dwangsom zal worden gematigd tot € 10.000,- per dag met een maximum van € 100.000,-. Met betrekking tot de vordering in conventie onder 2. zal de voorzieningenrechter bepalen dat RKEC ervoor zorg dient te dragen dat de twee klaslokalen waarvan Aloysius gebruik maakte weer toegankelijk voor haar zullen worden. Ook hierbij zal de gevorderde dwangsom worden gematigd tot € 10.000,- per dag met een maximum van € 100.000,-. Het overige gedeelte van deze vordering zal worden afgewezen.

7.12.

RKEC zal in conventie als de grotendeels in het ongelijk gestelde partij in de proceskosten worden veroordeeld. De kosten aan de zijde van Aloysius worden begroot op:

- betekening oproeping € 100,89

- griffierecht 656,00

- salaris advocaat 1.960.00 (2 maal het tarief van € 980,--)

totaal € 2.716,89.

In reconventie

7.13.

In reconventie vordert RKEC van Aloysius betaling van € 134.865,20 aan exploitatiekosten met betrekking tot het Gebouw. Hiertoe stelt RKEC dat Aloysius zelf heeft toegezegd dat zij € 210.000,- aan exploitatiekosten zal betalen. RKEC stelt zich op het standpunt dat deze toezegging valt te kwalificeren als een overeenkomst. Na verrekening van door Aloysius betaalde voorschotten heeft RKEC de vordering op Aloysius berekend op € 134.865,20.

7.14.

Aloysius betwist dat er sprake is van een toezegging en stelt dat er geen overeenkomst tot stand is gekomen. Volgens Aloysius is door haar op enig moment enkel aangegeven over welk subsidiebudget zij zou kunnen beschikken en heeft zij een voorstel gedaan voor een te hanteren verdeelsleutel voor de exploitatiekosten. Dit voorstel is echter nooit besproken met RKEC aangezien de algemene ledenvergadering is geannuleerd. Er is nooit een besluit genomen met betrekking tot de exploitatiekosten.

7.15.

De voorzieningenrechter overweegt als volgt. Met betrekking tot een voorziening in kort geding, bestaande in veroordeling tot betaling van een geldsom, is terughoudendheid op zijn plaats. De rechter zal daarbij niet alleen hebben te onderzoeken of het bestaan van een vordering van de eiser op de gedaagde voldoende aannemelijk is, maar ook of daarnaast sprake is van feiten en omstandigheden die meebrengen dat uit hoofde van onverwijlde spoed een onmiddellijke voorziening is vereist, terwijl de rechter in de afweging van de belangen van partijen mede zal hebben te betrekken de vraag naar - kort gezegd - het risico van onmogelijkheid van terugbetaling, welk risico kan bijdragen tot weigering van de voorziening.

7.16.

De voorzieningenrechter is van oordeel RKEC onvoldoende aannemelijk heeft weten te maken dat er een overeenkomst tot stand is gekomen, op basis waarvan Aloysius € 134.865,20 verschuldigd is aan RKEC met betrekking tot exploitatiekosten. Vast staat dat de leden van RKEC van mening verschillen over de vraag welke kosten gezamenlijk zullen worden gedragen en welke verdeelsleutel gehanteerd zal worden. Aloysius heeft gemotiveerd betwist dat zij een concrete toezegging tot betaling van € 210.000,- aan exploitatiekosten heeft gedaan. De voorzieningenrechter is van oordeel dat het benoemen van het subsidiebudget en het doen van een voorstel voor een verdeelsleutel zonder nadere toelichting, welke ontbreekt, vooralsnog niet gekwalificeerd kan worden als toezegging in de zin van een aanbod in het kader van de totstandkoming van een overeenkomst. Uit artikel 6 lid 2 van de statuten van RKEC volgt voorts dat de contributie met betrekking tot de exploitatie jaarlijks door de algemene ledenvergadering dient te worden vastgesteld. Niet in geschil is dat er nooit besluiten zijn genomen met betrekking tot de hoogte van de door elk van de leden te betalen contributie. Reeds daarom kan het onder 1. gevorderde niet worden toegewezen.

7.17.

Het belang van RKEC bij het ontvangen van gelden om haar exploitatiekosten te kunnen dekken, maakt het voorgaande niet anders. De voorzieningenrechter acht daarbij van belang dat, nu uit de eigen stellingen en verklaring ter mondelinge behandeling van RKEC blijkt dat de financiële situatie van RKEC zeer zorgelijk is en dat zij op het randje van faillissement balanceert, het (hoge) restitutierisico eveneens maakt dat de gevraagde voorziening tot betaling van een geldsom van € 134.865,20 zal worden geweigerd.

7.18.

Aangezien de vordering tot betaling van € 134.865,20 is afgewezen, zullen ook de reconventionele vorderingen onder 2, 3, 4 en 5 worden afgewezen, nu deze vorderingen afhankelijk zijn gesteld van toewijzing van de gevorderde geldsom.

7.19.

De reconventionele vordering onder 6. is gericht tegen de Gemeente. Hoewel de figuur van voeging zich in principe niet leent voor het instellen van een vordering tegen een gevoegde partij, acht de voorzieningenrechter het wenselijk om dat in dit geval wel toe te staan, nu alle partijen ter mondelinge behandeling verklaard hebben hiermee in te stemmen.

7.20.

In de reconventionele vordering onder 6. vordert RKEC – samengevat – een gebod om de Gemeente te veroordelen om een erfpachtovereenkomst te sluiten waarbij de Gemeente het Gebouw in erfpacht dient te geven aan RKEC. Ook deze vordering zal worden afgewezen. Enig spoedeisend belang is immers niet gesteld of gebleken. Hierbij komt dat hiervoor onder 7.6. reeds is overwogen dat het niet aannemelijk is dat RKEC enig recht kan ontlenen aan de realisatieovereenkomst of anderszins een overeenkomst van erfpacht zal kunnen afdwingen.

7.21.

RKEC zal in reconventie als de in het ongelijk gestelde partij in de proceskosten worden veroordeeld. De kosten aan de zijde van Aloysius worden begroot op een bedrag van € 490,- (0,5 maal het tarief van € 980,--) aan salaris advocaat.

8. De beoordeling

De voorzieningenrechter

in het incident

8.1.

compenseert de kosten van het incident tussen partijen, in die zin dat iedere partij de eigen kosten draagt,

in conventie

8.2.

verbiedt RKEC om enige maatregel te treffen, handeling te verrichten of anderszins actie te ondernemen waardoor Aloysius (en haar personeel en leerlingen) toegang tot het Gebouw, of een deel van het Gebouw, wordt ontzegd of anderszins feitelijk wordt verhinderd om het Gebouw of een deel daarvan te gebruiken, zulks op straffe van een onmiddellijk opeisbare dwangsom van € 10.000,00 voor elke dag, een gedeelte van een dag daaronder begrepen, dat RKEC dit verbod overtreedt, en voor elke dag, een gedeelte van een dag daaronder begrepen, dat deze overtreding voortduurt, met een maximum van € 100.000,00,

8.3.

gebiedt RKEC om binnen twee dagen na de datum van dit vonnis, de twee leslokalen in het Gebouw die op 19 augustus 2020 zijn ontruimd en waarvan de sloten zijn vervangen, voor Aloysius toegankelijk te maken, zulks op straffe van onmiddellijk opeisbare dwangsom van € 10.000,00 voor elke dag, een gedeelte van een dag daaronder begrepen, dat RKEC dit gebod niet juist, onvolledig of te laat nakomt en voor elke dag, een gedeelte van een dag daaronder begrepen, dat deze niet-nakoming voortduurt, met een maximum van € 100.000,00,

8.4.

veroordeelt RKEC in de proceskosten, aan de zijde van Aloysius tot op heden begroot op € 2.716,89, vermeerderen met de wettelijke rente als bedoeld in artikel 6:119 BW met ingang van veertien dagen na de betekening van dit vonnis tot aan de voldoening,

8.5.

verklaart dit vonnis in conventie tot zover uitvoerbaar bij voorraad,

8.6.

wijst het meer of anders gevorderde af,

in reconventie

8.7.

wijst het gevorderde af,

8.8.

veroordeelt RKEC in de proceskosten, aan de zijde van Aloysius tot op heden begroot op € 490,00, te vermeerderen met de wettelijke rente als bedoeld in artikel 6:119 BW met ingang van veertien dagen na de betekening van dit vonnis tot aan de voldoening.

Dit vonnis is gewezen door mr. F.C. Alink-Steinberg en in het openbaar uitgesproken op 29 september 2020.1

1 type: JJ/FA