Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBLIM:2020:7304

Instantie
Rechtbank Limburg
Datum uitspraak
29-09-2020
Datum publicatie
07-10-2020
Zaaknummer
8665788\CV20-3592 29092020
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
Kort geding
Inhoudsindicatie

Non-concurrentiebeding. Geen sprake van overtreding van het geding door werknemer. De plaats waar de werkzaamheden feitelijk worden verricht is doorslaggevend en niet de plaats van vestiging van de nieuwe werkgever van de werknemer.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
AR-Updates.nl 2020-1185
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK LIMBURG

Burgerlijk recht

Zittingsplaats Roermond

Zaaknummer: 8665788 \ CV EXPL 20-3592

Vonnis in kort geding van de kantonrechter van 29 september 2020

in de zaak van:

de besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid VERKEERSSCHOOL OSSEFORTH B.V.,

gevestigd te Elsloo,

eisende partij,

gemachtigde mr. S.L. Smits-Emons,

tegen:

[gedaagde partij] ,

wonend [adres] ,

[woonplaats] ,

gedaagde partij,

gemachtigde mr. B.C.J. Berden.

Partijen zullen hierna Osseforth en [gedaagde partij] worden genoemd.

1 De procedure

1.1.

Het verloop van de procedure blijkt uit:

- de dagvaarding

- de op 15 september 2020 gehouden mondelinge behandeling

  • -

    de overgelegde zittingsaantekeningen van mr. Smits-Emons

  • -

    de overgelegde pleitnota van mr. Berden.

1.2.

Ten slotte is vonnis bepaald.

2 De feiten

2.1.

[gedaagde partij] is op 3 december 2017 in dienst getreden bij ANWB Rijopleiding in de functie van rijinstructeur voor de regio Roermond / Weert.

ANWB Rijopleiding en Osseforth behoren tot dezelfde fiscale eenheid.

2.2.

Op 8 juli 2019 is [gedaagde partij] voor onbepaalde tijd in dienst getreden van Osseforth in de functie van rijinstructeur voor de regio Sittard-Geleen.

2.3.

In het arbeidscontract tussen Osseforth en [gedaagde partij] is een non-concurrentie- en relatiebeding opgenomen.

Artikel 11 Verbod van nevenwerkzaamheden; non-concurrentie- en relatiebeding

11.2

Het is werknemer verboden binnen een tijdvak van 12 maanden na beëindiging van de

arbeidsovereenkomst binnen een kring met zijn standplaats als middelpunt en met een straal van 30 km in enigerlei vorm, direct of indirect, werkzaam, behulpzaam of betrokken te zijn bij een bedrijf gelijk, gelijksoortig of aanverwant aan dat van werkgever, hetzij tegen vergoeding hetzij om niet, of daarin aandeel van welke aard ook te hebben, tenzij werknemer daartoe voorafgaande schriftelijke toestemming van werkgever heeft gekregen, aan welke toestemming werkgever voorwaarden kan verbinden.

2.4.

[gedaagde partij] heeft op 30 december 2019 haar ontslag ingediend per 1 februari 2020.

2.5.

[gedaagde partij] is per 3 februari 2020 in dienst getreden bij Keijbeck Opleidingen, gevestigd te Susteren in de functie van rijinstructeur.

3 Het geschil

3.1.

Osseforth vordert om [gedaagde partij] te veroordelen:

- om binnen 24 uur na het in deze te wijzen vonnis de werkzaamheden ten behoeve van

Keijbeck Opleidingen B.V. te staken alsmede gestaakt te houden gedurende de resterende

looptijd van het overeengekomen non-concurrentiebeding als bedoeld in artikel 11.2 van de arbeidsovereenkomst, onder verbeurte van een dwangsom van € 500,00 per dag of per deel van een dag dat gedaagde in gebreke blijft aan het vonnis te voldoen;

- tot betaling aan Osseforth van de verbeurde contractuele boete wegens overtreding van het non-concurrentiebeding tot een bedrag van € 25.150,00, dan wel een redelijk voorschot hieromtrent, vermeerderd met € 150,00 per dag voor elke dag dat de overtreding van het non

concurrentiebeding voortduurt vanaf 1 juli 2020;

- tot onverkorte nakoming van het non-concurrentiebeding als bedoeld in artikel 11.2 van de

arbeidsovereenkomst, onder verbeurte van een dwangsom van € 500,00 per dag of per deel van een dag dat gedaagde in gebreke blijft aan het vonnis te voldoen;

- tot betaling van de kosten van dit geding, de deurwaarderskosten daaronder begrepen, te

voldoen binnen veertien dagen na dagtekening van het vonnis, en, indien voldoening binnen die termijn niet plaatsvindt, te vermeerderen met wettelijke rente over deze kosten vanaf 14 dagen na dagtekening van het vonnis;

- tot betaling van de (na)kosten indien niet binnen 14 dagen na dagtekening van de aanschrijving tot vrijwillige voldoening aan het vonnis is voldaan.

3.2.

[gedaagde partij] voert verweer. Tevens vordert [gedaagde partij] – onder veroordeling van Osseforth in de proces- en nakosten – voor het geval de kantonrechter mocht oordelen dat zij gebonden is aan het concurrentiebeding zoals verwoord onder 11.2 van de arbeidsovereenkomst, dit met onmiddellijke ingang te vernietigen dan wel de werking daarvan geheel of gedeeltelijk te schorsen, in die zin dat het dienstverband van [gedaagde partij] bij Keijbeck gehandhaafd kan blijven – totdat onherroepelijke uitspraak in de bodemzaak is gedaan, alsmede Osseforth te verbieden om voor de duur van de schorsing van het concurrentiebeding aanspraak te maken op de boeteclausule in artikel 13 van de arbeidsovereenkomst.

Subsidiair vordert [gedaagde partij] om Osseforth te veroordelen voor de duur van de geldigheid van het concurrentiebeding aan [gedaagde partij] een billijke vergoeding te betalen ad € 2.149,68 bruto per maand, te vermeerderen met 8 % vakantietoeslag.

3.3.

Op de stellingen van partijen wordt hierna, voor zover van belang, nader ingegaan.

4 De beoordeling

4.1.

De kantonrechter is van oordeel dat Osseforth voldoende spoedeisend belang bij het gevorderde heeft. Immers het concurrentiebeding behelst een periode van 12 maanden zodat het nog voortduurt tot 1 februari 2021. Ten tijde van deze uitspraak gaat het nog om een termijn van ruim vier maanden.

4.2.

De kantonrechter overweegt vervolgens dat niet gebleken is dat het concurrentiebeding niet rechtsgeldig zou zijn aangegaan. Gebleken is immers dat het concurrentiebeding deugdelijk op schrift is gesteld en is aangegaan met een meerderjarige werkneemster. Omstandigheden op grond waarvan zou kunnen worden aangenomen dat het concurrentiebeding gaandeweg zijn werking heeft verloren zijn niet gesteld en overigens ook niet gebleken.

De vraag is vervolgens of [gedaagde partij] het voornoemde concurrentiebeding heeft overtreden door in dienst te treden van Keijbeck Opleidingen.

4.3.

Naar het oordeel van de kantonrechter staat vast dat Osseforth gevestigd is in Elsloo, de hoofdvestiging van Keijbeck is gelegen in Susteren en dat [gedaagde partij] feitelijk wonende is in [woonplaats] . Deze drie plaatsen liggen binnen een afstand van 30 kilometer van elkaar.

[gedaagde partij] heeft echter betoogd dat zij haar werkzaamheden feitelijk verricht in de regio Venlo, Venray en Horst. In Venlo heeft Keijbeck ook een dependance en van daaruit is zij werkzaam.

4.4.

Het begrip “standplaats” in het concurrentiebeding is niet gedefinieerd maar een logische interpretatie van het concurrentiebeding brengt met zich mee dat hiermee of de verblijfplaats van [gedaagde partij] wordt bedoeld ( [woonplaats] ) of de vestiging van Osseforth (Elsloo). De vraag naar de precieze betekenis van dit begrip kan verder buiten beschouwing blijven nu beide plaatsen verder dan 30 km gelegen zijn van het gebied waarin [gedaagde partij] stelt werkzaam te zijn. Osseforth heeft wel twijfels uitgesproken met betrekking tot de stelling van [gedaagde partij] dat zij werkzaam zou zijn in de regio Venlo/Venray/Horst maar enig bewijs van het tegendeel heeft zij niet aangedragen. Zelfs niet ondanks het inschakelen van een detectivebureau dat meerdere dagen voor de verblijfplaats van [gedaagde partij] in [woonplaats] heeft gepost.

De kantonrechter zal er dan ook vanuit gaan dat [gedaagde partij] feitelijk werkzaam is in de regio Venlo/Venray/Horst.

4.5.

De vraag die vervolgens beantwoord moet worden is of bij de vraag of het concurrentiebeding overtreden is gekeken moet worden naar de plaats van de hoofdvestiging van de nieuwe werkgever of de plaats waar de werkzaamheden daadwerkelijk worden verricht. In dat verband heeft [gedaagde partij] verwezen naar een uitspraak van het Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden van 16 oktober 2018 ECLI:NL:GHARL:2018:9121. In r.o. 5.9 overweegt het Hof “Anders dan (..werkgever..) heeft bepleit, is dus de plaats waar de werkzaamheden feitelijk worden verricht doorslaggevend en niet de plaats van vestiging van de nieuwe werkgever van de werknemer”

De kantonrechter deelt deze opvatting van het Gerechtshof en neemt die over. De strekking van het onderhavige concurrentiebeding is immers niet dat het [gedaagde partij] verboden is werkzaam te zijn voor Keijbeck maar dat zij geen werkzaamheden mag verrichten voor Keijbeck binnen een straal van 30 kilometer van haar standplaats ( [woonplaats] of Elsloo). Zolang dat niet het geval is, overtreedt [gedaagde partij] naar het oordeel van de kantonrechter niet het met haar overeengekomen non-concurrentiebeding. De vorderingen van Osseforth worden daarom allen afgewezen.

4.6.

[gedaagde partij] heeft de reconventionele vordering voorwaardelijk ingesteld, namelijk voor het geval zij aan het concurrentiebeding gebonden zou zijn. Hiervoor is de kantonrechter tot het oordeel gekomen dat [gedaagde partij] het concurrentiebeding niet heeft overtreden door te werken voor Keijbeck in de regio Venlo/Venray/Horst. Daarmee is echter niet geoordeeld dat [gedaagde partij] generiek niet aan het concurrentiebeding gebonden zou zijn. Daarvan kan bijvoorbeeld wel sprake zijn als zij feitelijk werkzaam zou worden binnen 30 kilometer van haar standplaats.

Voor het geval [gedaagde partij] beoogd heeft ook voor die situatie het concurrentiebeding buiten werking te stellen zal de kantonrechter die vordering afwijzen. Bij de argumenten die [gedaagde partij] heeft aangevoerd in het kader van een belangenafweging met betrekking tot het al dan niet schorsen van het concurrentiebeding is immers steeds uitgegaan van de situatie dat zij werkzaam is in de regio Venlo/Venray/Horst, op ruime afstand van haar vorige standplaats. Zou daar geen sprake van zijn, dan is er sprake van en feitelijk andere situatie. Voor die situatie heeft [gedaagde partij] onvoldoende argumenten aangevoerd om het concurrentiebeding te schorsen.

4.7.

Osseforth zal als de in het ongelijk gestelde partij worden veroordeeld in de kosten van deze procedure. De kosten aan de zijde van [gedaagde partij] worden begroot op € 720,00.

4.8.

De kantonrechter zal dit vonnis tot zover uitvoerbaar bij voorraad verklaren.

5 De beslissing

De kantonrechter in kort geding.

5.1.

wijst de vorderingen af,

5.2.

veroordeelt Osseforth in de proceskosten aan de zijde van [gedaagde partij] gevallen en tot op heden begroot op € 720,00,

5.3.

verklaart dit vonnis tot zover uitvoerbaar bij voorraad,

5.4.

wijst het meer of anders gevorderde af.

Dit vonnis is gewezen door mr. R.A.J. van Leeuwen en in het openbaar uitgesproken.