Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBLIM:2020:7292

Instantie
Rechtbank Limburg
Datum uitspraak
10-09-2020
Datum publicatie
08-10-2020
Zaaknummer
C/03/280830 / KG ZA 20-308
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
Kort geding
Inhoudsindicatie

Afwijzing opheffing beslag op grond van artikel 21 Rv.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

vonnis

RECHTBANK LIMBURG

Burgerlijk recht

Zittingsplaats Maastricht

zaaknummer / rolnummer: C/03/280830 / KG ZA 20-308

Vonnis in kort geding van 10 september 2020

in de zaak van

[eiser] ,

wonende te [woonplaats 1] ,

eiser,

advocaat mr. R.C.C.M. Nadaud te Vaals,

tegen

[gedaagde sub 1] ,

wonende te [woonplaats 2] ,

gedaagde,

verschenen in persoon,

en

[gedaagde sub 2]

[gedaagde sub 3] ,

beiden wonende te [woonplaats 1] ,

verschenen in persoon.

Partijen zullen hierna [eiser] , [gedaagde sub 1] en de [gedaagden sub 2 en 3] dan wel [gedaagden sub 2 en 3] genoemd worden.

1 De procedure

1.1.

Het verloop van de procedure blijkt uit:

  • -

    de dagvaarding van 7 augustus 2020 met 15 producties, waarbij [gedaagde sub 1] is gedagvaard,

  • -

    de dagvaarding van 31 augustus 2020, waarbij de [gedaagden sub 2 en 3] zijn gedagvaard (ter zitting overgelegd),

  • -

    de conclusie vermeerdering van eis met de producties 16 en 17,

  • -

    de e-mail van 31 augustus 2020 van [gedaagde sub 1] met productie,

  • -

    de e-mail van 2 september 2020 (00:30 uur) van [gedaagde sub 1] met producties (de volledige bijlage 4 van [eiser] , exploot van beslaglegging d.d. 20.09.2001),

  • -

    de e-mail van 2 september 2020 (03:04 uur) van [gedaagde sub 1] met producties 1 tot en met 6,

  • -

    de mondelinge behandeling,

  • -

    de ter zitting door [gedaagde sub 1] overgelegde producties (een uittreksel uit het kadaster van

12 februari 2019 en een e-mail van 13 juli 2020),

- de ter zitting door de [gedaagde sub 2] overgelegde verklaring van de arts van [gedaagde sub 3] .

- het na de zitting door [gedaagde sub 1] bij e-mail van 3 september 2020 overgelegde arrest van

13 januari 2009 (conform hetgeen ter zitting hieromtrent is afgesproken),

1.2.

Ten slotte is vonnis bepaald.

2 De feiten

2.1.

De [gedaagden sub 2 en 3] en [gedaagde sub 1] hebben naast elkaar gewoond aan respectievelijk de [adres 1] en [adres 2] te [woonplaats 1] . Tussen hen zijn meerdere conflicten ontstaan en verschillende procedures gevoerd. Ter executie van vonnissen tussen hen heeft de deurwaarder in opdracht van [gedaagde sub 1] op 13 juli 2019 in executoriaal beslag genomen:

  • -

    de personenauto met kenteken [kenteken 1] , merk Audi, (verder: de Audi) waarvan het kenteken staat op de naam van de [gedaagde sub 2] , en

  • -

    de personenauto met kenteken [kenteken 2] , merk Smart, (verder: de Smart) waarvan het kenteken staat op de naam van [gedaagde sub 3] .

2.2.

[eiser] heeft in 2008 het huis aan de [adres 2] te [woonplaats 1] van [gedaagde sub 1] gekocht. Bij kortgedingvonnis van 5 juni 2008 is [eiser] onder meer veroordeeld tot betaling van een boete van EUR 23.040,00 omdat hij het huis niet op tijd (uiterlijk 1 februari 2008) had afgenomen (productie 16). Het transport van de woning heeft uiteindelijk plaatsgevonden op 3 september 2008. [gedaagde sub 1] heeft het vonnis van 5 juni 2008 aan [eiser] betekend op 13 augustus 2020. Aan hem is bevel gedaan om het bedrag van € 23.040,00, de verbeurde dwangsommen pm en de executie- en betekeningskosten van in totaal € 23.139.16 binnen twee dagen aan de deurwaarder te voldoen. Aan hem is aangezegd dat bij niet voldoening van laatstgenoemd bedrag het vonnis ten uitvoer gelegd zal worden speciaal door executoriale inbeslagneming van de roerende en/of onroerende zaken van [eiser] (productie 17).

3 Het geschil

3.1.

[eiser] vordert samengevat - opheffing van het op 13 juli 2020 gelegde beslag op de Audi en de Smart. Hij stelt dat hij de eigenaar is van deze auto’s.

Daarnaast vordert hij [gedaagde sub 1] te verbieden het vonnis van de voorzieningenrechter van

5 juni 2008 ten uitvoer te leggen, althans ten uitvoer te leggen totdat onherroepelijk vaststaat dat hij heeft voldaan aan dit vonnis.

3.2.

[gedaagde sub 1] voert verweer.

3.3.

Op de stellingen van partijen wordt hierna, voor zover van belang, nader ingegaan.

4 De beoordeling

4.1.

Naar het oordeel van de voorzieningenrechter is voldoende aannemelijk dat [eiser] een spoedeisend belang heeft bij de gevorderde voorzieningen gelet op de aard daarvan. De voorzieningenrechter gaat allereerst in op de vordering tot verbod van de executie van het vonnis van 5 juni 2008 en vervolgens op de vordering tot opheffing van de beslagen op de auto.

4.2.

[eiser] stelt in zijn dagvaarding dat hij perplex stond toen hij kennis nam van de betekening op 13 augustus 2020 van het kortgedingvonnis van 5 juni 2008. Hij stelt dat hij - voor zover hij dit zich kan herinneren - het bedrag van € 23.040,00 aan [gedaagde sub 1] heeft betaald dan wel dat partijen ten tijde van de levering van de woning zijn overeengekomen dat [gedaagde sub 1] afziet van de tenuitvoerlegging van het vonnis van 5 juni 2008 omdat het transport van de woning uiteindelijk heeft plaatsgevonden. Hij stelt dat [gedaagde sub 1] vanaf

5 juni 2008 tot 15 augustus 2020 heeft gewacht met het executeren van het vonnis van 5 juni 2008: dus meer dan 12 jaar. Door dit tijdsverloop kan hij geen bewijs meer overleggen van de betaling van voormeld bedrag.

4.3.

[gedaagde sub 1] voert als verweer dat [eiser] bewust in strijd met de waarheid heeft verklaard dat hij het bedrag van € 23.040,00 aan haar heeft betaald dan wel dat partijen zijn overeengekomen dat zij afziet van de tenuitvoerlegging van het vonnis van 5 juni 2008. Zij stelt dat de executie van het vonnis van 5 juni 2008 al in 2008 heeft plaatsgevonden middels beslaglegging op 17 november 2008 op het huis van [eiser] . Zij heeft het uittreksel uit het Kadaster, waaruit van deze beslaglegging blijkt, overgelegd en zij heeft onder meer een brief 23 november 2008 van haar advocaat aan [eiser] overgelegd waaruit van dit beslag blijkt. Daarnaast stelt zij dat [eiser] zelf hoger beroep heeft ingesteld tegen het vonnis van 5 juni 2008 waarin voormelde boete is bepaald. Het gerechtshof te

’s-Hertogenbosch heeft in die zaak op 13 januari 2009 arrest gewezen.

4.4.

[eiser] heeft ter zitting niet langer betwist dat [gedaagde sub 1] het vonnis van

5 juni 2008 al op 17 november 2008 heeft tenuitvoergelegd middels beslaglegging op zijn huis. Wel betwist hij dat hij hoger beroep heeft ingesteld tegen het vonnis van 5 juni 2008. De voorzieningenrechter heeft [gedaagde sub 1] vervolgens in de gelegenheid gesteld het arrest van

13 januari 2009 over te leggen. Dat heeft zij per omgaande gedaan.

4.5.

Artikel 21 van het wetboek van burgerlijke rechtsvordering luidt als volgt:

Partijen zijn verplicht de voor de beslissing van belang zijnde feiten volledig en naar waarheid aan te voeren. Wordt deze verplichting niet nageleefd, dan kan de rechter daaruit de gevolgtrekking maken die hij geraden acht.

4.6.

De voorzieningenrechter stelt vast dat [eiser] informatie aan de voorzieningenrechter heeft onthouden. Hij heeft nagelaten informatie over de tenuitvoerlegging en over het ingestelde hoger beroep in het geding te brengen. Hij heeft daarbij moedwillig en in strijd met de waarheid verklaard dat hij niet wist van de tenuitvoerlegging van het vonnis van 5 juni 2008. Ook heeft hij moedwillig en in strijd met de waarheid verklaard dat hij geen hoger beroep heeft ingesteld tegen het vonnis van 5 juni 2008. Het arrest van gerechtshof te ’s-Hertogenbosch van 13 januari 2009 spreekt boekdelen. Zijn stelling dat hij de boete van € 23.040,00 heeft betaald maar dit door het tijdsverloop niet meer kan bewijzen, komt daarmee op losse schroeven te staan. Dat geldt ook voor zijn stelling dat partijen zouden zijn overeengekomen dat [gedaagde sub 1] zou afzien van de tenuitvoerlegging. De voorzieningenrechter trekt uit vorenstaande de conclusie dat [eiser] de voorzieningenrechter bewust op het verkeerde been heeft willen zetten.

4.7.

Voor wat betreft de beslagen op de auto’s komt daar nog het volgende bij.

4.8.

[eiser] stelt dat hij eigenaar is van de Audi en de Smart. Weliswaar staat het kenteken van de Audi op naam van zijn vader en het kenteken van de Smart op naam van zijn moeder, maar dat komt omdat hij zelf geen rijbewijs heeft terwijl hij voor zijn werk wel vervoer nodig heeft. Zijn vader vervoert hem van en naar zijn werk in heel Duitsland. Hij heeft de Audi in 2016 van een derde gekocht en de Smart in 2018 van zijn moeder. De Smart heeft hij van zijn moeder gekocht voor de kortere ritten.

4.9.

Volgens [gedaagde sub 1] is [eiser] geen eigenaar van de auto’s en zijn alle bewijzen die [eiser] heeft overgelegd “fake”. Dit enkel en alleen met als doel dat zij zich niet op deze auto’s kan verhalen.

4.10.

De voorzieningenrechter overweegt als volgt.

4.11.

De [gedaagde sub 2] heeft ter zitting verklaard dat hij (de vader) een grote reparatie van € 8.000,00 aan de Audi moest betalen en dat hij en zijn vrouw om die reden de Smart aan de zoon hebben verkocht voor € 8000,00. Met de opbrengst van de Smart kon dan de reparatie aan de Audi worden betaald. Als de Audi echter eigendom is van [eiser] - zoals zowel [eiser] als de [gedaagde sub 2] betogen - waarom moest dan de vader een reparatie aan de Audi betalen? En als het zo is dat de vader dat wilde doen omdat hij - zoals hij heeft verklaard - de zoon financieel wilde helpen, waarom verkopen de ouders dan de Smart voor een bedrag van € 8.000,00 aan de zoon? De voorzieningenrechter heeft deze vragen ter zitting aan zowel [eiser] als zijn vader gesteld. Een antwoord moesten beiden schuldig blijven. De voorzieningenrechter acht deze verklaring ongeloofwaardig. [eiser] zelf weerspreekt deze ongeloofwaardige verklaring van vader niet. Een verklaring die ook nog eens in strijd is met zijn eigen verklaring over de reden van aankoop van de Smart. Dat alles tezamen met het feit dat [eiser] de rechtbank moedwillig verkeerd heeft voorgelicht zoals hiervoor overwogen (r.o. 4.6.), maakt dat de voorzieningenrechter ook de stellingen van [eiser] en de onderbouwing daarvan met betrekking tot de auto’s niet meer geloofwaardig voorkomen.

4.12.

De voorzieningenrechter wijst, nu zij de verklaringen van eiser ongeloofwaardig acht, alle vorderingen af.

4.13.

[eiser] wordt als de in het ongelijk gestelde partij veroordeeld in de proceskosten van [gedaagde sub 1] . De proceskosten aan de zijde van [gedaagde sub 1] worden tot op heden begroot op € 304,- (griffierecht).

4.14.

In de familiare relatie tussen [eiser] en zijn ouders ziet de voorzieningenrechter aanleiding tot compensatie van de proceskosten.

5 De beslissing

De voorzieningenrechter

5.1.

wijst de vorderingen af,

5.2.

veroordeelt [eiser] in de proceskosten, aan de zijde van [gedaagde sub 1] tot op heden begroot op € 304,-,

5.3.

compenseert de proceskosten tussen [eiser] en de [gedaagden sub 2 en 3] aldus dat ieder van hen de eigen kosten draagt.

Dit vonnis is gewezen door mr. K.J.H. Hoofs en in het openbaar uitgesproken op

10 september 2020.1

1 type: TN