Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBLIM:2020:7247

Instantie
Rechtbank Limburg
Datum uitspraak
25-09-2020
Datum publicatie
29-09-2020
Zaaknummer
AWB - 19 _ 1320
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Bodemzaak
Inhoudsindicatie

WW. Verwijtbare werkloosheid. Dringende reden. Strafontslag. Verwijtbaarheid.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK limburg

Zittingsplaats Roermond

Bestuursrecht

zaaknummer: AWB/ROE 19/1320

uitspraak van de meervoudige kamer van 25 september 2020 in de zaak tussen

[naam] , te Heerlen, eiseres

(gemachtigde: mr. W.G.M.M. van Montfort),

en

de Raad van Bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen (locatie Heerlen), verweerder

(gemachtigde: [naam gemachtigde] ).

Procesverloop

Bij besluit van 29 oktober 2018 (het primaire besluit) heeft verweerder eiseres meegedeeld dat zij per 1 oktober 2018 recht heeft op een werkloosheidsuitkering, maar dat deze uitkering niet wordt uitbetaald, omdat zij verwijtbaar werkloos is geworden.

Bij besluit van 5 april 2019 (het bestreden besluit) heeft verweerder het bezwaar van eiseres ongegrond verklaard.

Eiseres heeft tegen het bestreden besluit beroep ingesteld.

Verweerder heeft een verweerschrift ingediend.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 6 augustus 2020. Eiseres is verschenen, bijgestaan door haar gemachtigde. Verweerder heeft zich laten vertegenwoordigen door zijn gemachtigde.

Overwegingen

1. De rechtbank verwijst voor wat betreft de voorgeschiedenis naar haar uitspraken van 11 oktober 2018 in de zaken AWB 17/3947 en AWB 18/1539 met betrekking tot het voorwaardelijk strafontslag van eiseres en de tenuitvoerlegging daarvan. Ter zitting is gebleken dat tegen deze uitspraken geen hoger beroep is ingesteld.

2. Verweerder stelt zich op het standpunt - kort weergegeven - dat het hebben van geldelijke schulden, die hebben geleid tot loonbeslagen bij eiseres, zijn aan te merken als dringende reden tot ontslag. Hierbij is van belang dat eiseres gedurende meerdere jaren herhaaldelijk de richtlijn loonbeslagen van de Belastingdienst heeft overtreden en dat aan haar reeds met het besluit van 6 januari 2014 een voorwaardelijk strafontslag was opgelegd vanwege eerdere loonbeslagen en dat datzelfde is gebeurd met het besluit van 14 maart 2017. Gedurende de proeftijd van het laatste voorwaardelijk strafontslag is opnieuw sprake geweest van loonbeslagen, op 17 juli 2017 en 28 augustus 2017.

3. Eiseres voert in beroep aan - kort samengevat - dat de ernst van de verweten gedraging (loonbeslagen) niet zodanig is dat sprake is van een dringende reden. Voorts stelt zij dat de duur van haar dienstbetrekking, de wijze waarop deze is vervuld alsmede haar persoonlijke omstandigheden ertoe leiden dat geen dringende reden kan worden aangenomen. Ter zitting heeft eiseres aangevoerd dat zij er alles aan heeft gedaan om onderhavige loonbeslagen van 17 juli 2017 en 28 augustus 2017 te voorkomen.

4 De rechtbank overweegt als volgt.

Artikel 24, eerste lid, onder a, van de Werkloosheidswet (WW) legt op de werknemer de verplichting te voorkomen dat hij verwijtbaar werkloos wordt. Volgens artikel 24, tweede lid, onder a, van de WW is de werknemer verwijtbaar werkloos geworden als aan de werkloosheid een dringende reden ten grondslag ligt in de zin van artikel 7:678 van het Burgerlijk Wetboek (BW) en de werknemer ter zake een verwijt kan worden gemaakt.

Artikel 27, eerste lid, van de WW bepaalt, voor zover hier van belang, dat het UWV een bedrag blijvend op de uitkering in mindering brengt indien de werknemer de verplichting als bedoeld in artikel 24, eerste lid, onder a, niet is nagekomen, tenzij het niet nakomen van de verplichting de werknemer niet in overwegende mate kan worden verweten.

Dringende reden.

5. Op grond van vaste jurisprudentie (bijvoorbeeld: ECLI:NL:CRVB:2018:3469) dient voor de vraag of er sprake is van verwijtbare werkloosheid een materiële beoordeling plaats te vinden van de vraag of aan de werkloosheid een dringende reden ten grondslag ligt. Daarbij is artikel 7:678 van het BW de maatstaf en moeten alle omstandigheden van het geval, in onderling verband en samenhang, in aanmerking worden genomen.

6. De rechtbank stelt vast dat de Staatssecretaris van Financiën eiseres een voorwaardelijk strafontslag heeft opgelegd vanwege het niet nakomen door eiseres van haar financiële en fiscale verplichtingen. Aangezien binnen de proeftijd van drie jaar wederom twee keer beslag is gelegd op het loon van eiseres en zij dit, althans het ontstaan van de nieuwe geldvorderingen die aan deze twee beslagen ten grondslag liggen, niet bij haar leidinggevende heeft gemeld is de Staatssecretaris overgegaan tot tenuitvoerlegging van de aan eiseres opgelegde straf van voorwaardelijk ontslag.

7. De rechtbank heeft in de zaak AWB 17/3947 reeds overwogen dat van ambtenaren werkzaam bij de Belastingdienst (zoals eiseres) mag worden verlangd dat zij hun financiële verplichtingen stipt en correct nakomen. Voorts mogen aan deze ambtenaren hoge eisen van integriteit en betrouwbaarheid worden gesteld. Eiseres heeft daaraan afbreuk gedaan door herhaaldelijk haar financiële verplichtingen niet na te komen. De stelling van eiseres dat de aan haar verweten gedraging niet ernstig genoeg zou zijn voor een dringende reden tot ontslag moet dan ook worden verworpen.

8. Met betrekking tot de overige in de jurisprudentie genoemde ‘elementen’ (zoals de persoonlijke omstandigheden van eiseres) overweegt de rechtbank dat eiseres, blijkens de gedingstukken, sedert 2008 meermaals met loonbeslagen is geconfronteerd vanwege het niet nakomen van financiële verplichtingen. Deze gedraging heeft zich, ondanks diverse waarschuwingen, waaronder een berisping en een voorwaardelijk ontslag, in de loop van de jaren voortgezet, terwijl verweerder daar een duidelijke richtlijn over heeft. Deze gedraging weegt omdat zij herhaaldelijk en over een reeks van jaren is voorgekomen, zwaarder dan dat wat door eiseres is aangevoerd over de lengte van het dienstverband, de goede vervulling van de functie en haar financiële problemen. De rechtbank is dan ook van oordeel dat verweerder zich terecht op het standpunt heeft gesteld dat sprake is van een dringende reden als bedoeld in artikel 24 van de WW.

Verwijtbaarheid.

9. De rechtbank is voorts van oordeel dat eiseres van deze dringende reden een verwijt kan worden gemaakt. Eiseres was immers zoals de rechtbank heeft overwogen in de zaak AWB 17/3947 een ‘gewaarschuwd mens’, gelet op het feit dat loonbeslagen uit het verleden reeds eerder (in 2014) hebben geleid tot het opleggen van een berisping en een voorwaardelijk strafontslag en zij meermaals door haar voormalig werkgever is gewezen op haar verantwoordelijkheid om grip te krijgen en te houden op haar financiële situatie.

10. Over de stelling van eiseres dat zij er alles aan zou hebben gedaan om onderhavige twee loonbeslagen te voorkomen overweegt de rechtbank dat deze stelling onvoldoende is onderbouwd. Ter zitting is gebleken dat eiseres op de hoogte was van het bestaan van de schulden aan respectievelijk de CZ-groep en het CJIB, omdat er correspondentie aan voorafgegaan is. Eiseres heeft deze schulden ook kort na de loonbeslagen betaald. Dat maakt dat voor de rechtbank onvoldoende duidelijk is geworden waarom de schulden niet tijdig zijn voldaan om loonbeslagen te voorkomen.

11. Het feit dat eiseres om haar moverende redenen niet wenst mee te werken aan een WSNP-traject, hoewel de rechtbank daar gelet op de gegeven toelichting begrip voor kan hebben, dient naar het oordeel van de rechtbank wel voor haar rekening te komen, gelet op de ingrijpende gevolgen die de financiële problemen over de periode vanaf 2008 voor eiseres en haar werk bij de Belastingdienst hebben gehad.

12 Het beroep is ongegrond

13 Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

Beslissing

De rechtbank verklaart het beroep ongegrond.

Deze uitspraak is gedaan door mr. J.M.E. Derks (voorzitter), en mr. I.C.A. Wilschut en

mr. L.N. Geerman, leden, in aanwezigheid van mr. E.W. Seylhouwer, griffier. De beslissing is in het openbaar uitgesproken op 25 september 2020

griffier voorzitter

Afschrift verzonden aan partijen op: 25 september 2020

Rechtsmiddel

Tegen deze uitspraak kan binnen zes weken na de dag van verzending daarvan hoger beroep worden ingesteld bij de Centrale Raad van Beroep.