Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBLIM:2020:7162

Instantie
Rechtbank Limburg
Datum uitspraak
23-09-2020
Datum publicatie
01-10-2020
Zaaknummer
AWB/ROE 19/2182
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

Eiser is in beroep gekomen tegen het verhaal van kosten door verweerder naar aanleiding van toepassing van spoedeisende bestuursdwang. Eiser heeft eerder geen beroep ingesteld tegen de daarop betrekking hebbende last. Dat besluit staat in rechte vast en de rechtbank gaat daarom uit van de in die last aangenomen spoed. Ten aanzien van het onderhavige beroep tegen het besluit tot kostenverhaal slaagt een aantal beroepsgronden niet, waaronder die van een gevraagde kostenverdeling. De beroepsgrond dat verweerder geen voorbereidingskosten mocht verhalen slaagt in het licht van artikel 5:25, derde lid, van de Awb. Het bestreden besluit wordt vernietigd en verweerder dient opnieuw te besluiten op het bezwaar van eiser.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK limburg

Zittingsplaats Roermond

Bestuursrecht

Zaaknummer: AWB/ROE 19/2182

Uitspraak van de enkelvoudige kamer van 23 september 2020 in de zaak tussen

[eiser] , te [woonplaats] , eiser

(gemachtigde: mr. A.P. van Knippenbergh),

en

het college van burgemeester en wethouders van de gemeente Leudal, verweerder

(gemachtigde: P.J.J.M. van Lierop).

Procesverloop

Bij besluit van 12 maart 2019 (het primaire besluit) heeft verweerder de hoogte van de te verhalen spoedbestuursdwangkosten vastgesteld op € 38.132,25.

Bij besluit van 11 juli 2019 (het bestreden besluit) heeft verweerder het bezwaar van eiser tegen het primaire besluit ongegrond verklaard.

Eiser heeft tegen het bestreden besluit beroep ingesteld.

Verweerder heeft een verweerschrift ingediend.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 27 augustus 2020.

Eiser is verschenen, bijgestaan door zijn gemachtigde. Verweerder heeft zich laten vertegenwoordigen door zijn gemachtigde.

Overwegingen

Feiten en omstandigheden

1. Eiser was tot 13 november 2018 eigenaar van het rijksmonument gelegen aan de [adres] te Heythuysen, kadastraal bekend gemeente Heythuysen, [kadasternummer] . Vanaf 29 mei 2018 is verweerder op grond van artikel 5:31, tweede lid, van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) overgegaan tot het toepassen van bestuursdwang zonder voorafgaande lastgeving, omdat de constructie van het dak en de (kop)gevels van het rijksmonument blijkens een beoordeling van de constructieve toestand van het rijksmonument door een constructeur van Bouwtechnisch Adviesbureau [naam 1] B.V. van 28 mei 2018 instabiel was. Het bezwijken van het rijksmonument bij belasting door wind, sneeuw of verdere instorting van het dak was daardoor zeer aannemelijk. Het advies was om per direct de kopgevels te ondersteunen, bij voorkeur aan de buitenzijde met bijvoorbeeld een steigerconstructie. Bij besluit van 5 juni 2018 is de spoedbestuursdwang op schrift gesteld, waarbij de van 29 mei 2018 tot en met 4 juni 2018 verrichte werkzaamheden zijn aangegeven en is bepaald dat de kosten van de toepassing van bestuursdwang op grond van artikel 5:25, eerste lid, van de Awb voor eisers rekening komen. Ook heeft verweerder aangegeven dat de te verhalen kosten hoger worden naarmate de tijd verstrijkt, omdat de steigers worden gehuurd. Tegen dit besluit heeft eiser geen bezwaar gemaakt.

Bij het primaire besluit heeft verweerder de hoogte van de te verhalen kosten voor de op

5 juni 2018 genoemde werkzaamheden met toepassing van artikel 5:25 van de Awb vastgesteld op € 38.132,25. Dit is bij het bestreden besluit gehandhaafd.

2. De rechtbank overweegt als volgt.

Wettelijk kader

3. In artikel 5:25, eerste lid, van de Awb is bepaald dat de toepassing van bestuursdwang geschiedt op kosten van de overtreder, tenzij deze kosten redelijkerwijze niet of niet geheel te zijnen laste behoren te komen.

In artikel 5:25, derde lid, van de Awb is bepaald dat tot de kosten van bestuursdwang behoren de kosten van voorbereiding van bestuursdwang, voor zover deze zijn gemaakt na het verstrijken van de termijn waarbinnen de last had moeten worden uitgevoerd.

In artikel 5:31, tweede lid, van de Awb is bepaald dat indien de situatie zo spoedeisend is dat een besluit niet kan worden afgewacht, terstond bestuursdwang kan worden toegepast, maar wordt zo spoedig mogelijk nadien alsnog een besluit als bedoeld in het eerste lid bekendgemaakt.

Proceskosten bezwaar (factuur)

4. Eiser stelt recht te hebben op de proceskosten in bezwaar, aangezien verweerder in het bestreden besluit heeft vermeld dat bij het primaire besluit sprake is geweest van een onvolledige factuur, waardoor onvoldoende bleek dat alle werkzaamheden vóór 6 juli 2018 verband hielden met de bestuursdwang.

5. De rechtbank overweegt dat verweerder de gemaakte kosten, als bedoeld in artikel 7:15 van de Awb, in verband met de behandeling van het bezwaar ten aanzien van deze factuur niet diende te vergoeden, aangezien een herroeping van het primaire besluit in dat verband niet aan de orde was. Deze beroepsgrond slaagt niet.

Spoedeisende situatie

6. Eiser voert in beroep aan dat geen sprake was van een spoedeisende situatie, omdat eiser al een aannemer had gecontacteerd en er een afspraak stond gepland bij verweerder. Een enkel telefoontje naar eiser was dan ook voldoende om de afspraak eerder te laten plaatsvinden, waardoor het toepassen van spoedbestuursdwang niet noodzakelijk was geweest en een groot deel van de kosten voorkomen hadden kunnen worden. Op het moment dat duidelijk was dat het voor 29 mei 2018 voorspelde noodweer achterwege zou blijven, had verweerder alsnog dienen af te zien van spoedbestuursdwang.

7. Verweerder stelt zich op het standpunt dat blijkens de constructieve berekening van de constructeur, die ten grondslag lag aan de last onder spoedbestuursdwang, sprake was van spoedeisendheid, omdat de constructie instabiel was en het verder bezwijken ervan door weersomstandigheden zeer aannemelijk was. Er moesten meteen constructieve maatregelen worden uitgevoerd om datgene wat er nog stond te behouden.

8. De rechtbank overweegt, mede gelet op de conclusie van staatsraad advocaat-generaal Wattel van 4 april 2018, ECLI:NL:RVS:2018:1152, dat een belanghebbende in de procedure tegen de kostenverhaalsbeschikking in beginsel niet met succes gronden naar voren kan brengen die hij tegen de last onder bestuursdwang naar voren heeft gebracht of had kunnen brengen. Dit kan slechts in uitzonderlijke gevallen. Een uitzonderlijk geval kan bijvoorbeeld worden aangenomen indien evident is dat er geen overtreding is gepleegd en/of betrokkene geen overtreder is (zie ook uitspraak van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State (Afdeling) van 27 februari 2019 (ECLI:NL:RVS:2019:466)). Gesteld, noch gebleken is dat hier sprake is van een dergelijk uitzonderlijk geval. Derhalve kan de vraag of sprake was van een spoedeisende situatie thans niet meer ter beoordeling voorliggen, omdat eiser dit had dienen en kunnen aanvoeren tegen het besluit van 5 juni 2018. Eiser heeft tegen laatstgenoemd besluit geen rechtsmiddelen aangewend, waardoor dit besluit in rechte vaststaat. Deze beroepsgrond slaagt niet.

Kosten steigers

9. Eiser stelt zich vervolgens op het standpunt dat verweerder onvoldoende heeft gemotiveerd om welke redenen de steigers na 6 juli 2018 nog noodzakelijk waren. Volgens eiser waren de steigers na 6 juli 2018 namelijk niet meer noodzakelijk.

10. Verweerder stelt zich op het standpunt dat de steigers moesten blijven staan totdat er een adequate voorziening was. Op 8 oktober 2018 heeft de toezichthouder geconstateerd dat aan de binnenzijde van het monumentale pand constructieve voorzieningen - conform de berekening van de constructeur - zijn aangebracht, zodat de constructieve steigers niet meer nodig waren. Eiser heeft er zelf voor gekozen de constructieve voorzieningen aan de binnenzijde van het monumentale pand niet eerder aan te brengen.

11. De rechtbank acht hiermee voldoende aannemelijk dat de steigers noodzakelijk waren om de instabiliteit van de constructie van het dak en de (kop)gevels van het rijksmonument tegen te gaan. Pas op 8 oktober 2018 is gebleken dat de constructieve steigers niet meer noodzakelijk waren, omdat aan de binnenzijde van het pand constructieve voorzieningen waren aangebracht. De kosten van de huur van de steigers tot 8 oktober 2018 houden dan ook naar het oordeel van de rechtbank verband met de spoedbestuursdwang, die als doel had de instabiliteit van de constructie van het dak en de (kop)gevels ongedaan maken. Eiser heeft niet onderbouwd of gemotiveerd betwist dat het pand na 6 juni 2018 niet (meer) instabiel was zonder deze steigers. Deze beroepsgrond slaagt niet.

Voorbereidingskosten

12. Eiser voert vervolgens aan dat verweerder de uitgevoerde werkzaamheden onjuist heeft gekwalificeerd, omdat de door [naam 2] B.V. uitgevoerde werkzaamheden voorbereidingswerkzaamheden zijn en derhalve de voorbereidingskosten niet op eiser kunnen worden verhaald. De advieskosten ad € 1.270,72 van [naam 1] B.V. betreffen evenmin verhaalbare kosten, aangezien de situatie omtrent het onderhavige pand al geruime tijd bekend was bij verweerder en verweerder niet direct een aanvang heeft gemaakt met de werkzaamheden, doch eerst nadere informatie heeft ingewonnen. Al deze werkzaamheden vallen feitelijk onder voorbereidingskosten en komen volgens eiser derhalve niet voor kostenverhaal in aanmerking.

13. Verweerder stelt zich op het standpunt dat de uitgevoerde werkzaamheden niet zijn op te splitsen in voorbereidingskosten voor en na het verstrijken van de begunstigingstermijn, omdat bij zeer spoedeisende bestuursdwang geen termijn wordt gesteld.

14. Ter zitting heeft eiser desgevraagd door de rechtbank aangegeven dat deze beroepsgrond zich beperkt tot voorbereidingskosten.

Onder verwijzing naar de uitspraken van de Afdeling van 11 januari 2012 (ECLI:NL:RVS:2012: BV0587) en 18 oktober 2017 (ECLI:NL:RVS:2017:2804) overweegt de rechtbank dat in gevallen waarin geen termijn wordt gegund, omdat de uitoefening van bestuursdwang spoedeisend is, de kosten van voorbereiding van bestuursdwang, ook voor zover zij zijn gemaakt na het besluit tot toepassing van bestuursdwang, voor rekening komen van het bestuursorgaan. Deze situatie doet zich hier voor aangezien verweerder de situatie in dit geval zo spoedeisend heeft geacht dat een besluit niet kon worden afgewacht maar achteraf met toepassing van artikel 5:31, tweede lid, van de Awb is bekend gemaakt. Verweerder heeft derhalve de kosten van voorbereiding van de bestuursdwang niet op eiser mogen verhalen.

14.1.

Voor zover de door [naam 2] B.V. (de aannemer) uitgevoerde werkzaamheden betrekking hebben op het plaatsen, afbreken en huren van de steigers, het herstel van schuttingen en het opruimen/schoonmaken, zijn dit naar het oordeel van de rechtbank geen voorbereidingswerkzaamheden: deze werkzaamheden zien op de feitelijke toepassing van bestuursdwang dan wel hebben plaats gevonden na afloop van de bestuursdwang en zoals ter zitting ook is vastgesteld zijn de daarmee samenhangende kosten geen voorbereidingskosten.

14.2.

De rechtbank is van oordeel dat de kosten (volgens de factuur van 22 juni 2010) van

€ 1.270,72 van de op 29 en 30 mei 2018 uitgevoerde adviezen van [naam 1] B.V (de constructeur) wel voorbereidingskosten zijn, omdat deze niet zien op de feitelijke toepassing van de uitgevoerde spoedeisende bestuursdwang, maar op het bepalen van de spoed, zodat verweerder deze niet op eiser heeft mogen verhalen.

Voorts heeft verweerder naar het oordeel van de rechtbank onvoldoende gemotiveerd dat de volgende posten van de aannemer (geheel of gedeeltelijk) geen voorbereidingskosten zijn en deze derhalve op eiser mocht verhalen. Het betreft de post ‘opname en voorbereiding’ ter hoogte van € 2.632,50 over de periode 29 mei 2018 tot en met 6 juli 2018 (in de eerste rekening van de aannemer van 10 juli 2018) en de post ‘overleg, voorbereiding en controle’

ter hoogte van € 240,- over dezelfde periode (in de derde rekening van de aannemer van

29 oktober 2018).

De beroepsgrond over de voorbereidingskosten slaagt.

Kostenverdeling

15. Volgens eiser zouden de kosten, gelet op het maatschappelijk belang, verdeeld dienen te worden naar evenredigheid, dat wil zeggen dat het redelijk is dat 25% voor rekening van eiser komt en 75% voor rekening van verweerder.

16. Volgens vaste jurisprudentie van de Afdeling (bijvoorbeeld de uitspraken van

30 oktober 2019, ECLI:NL:RVS:2019:3552 en 10 mei 2017, ECLI:NL:RVS:2017:1245) gaan bestuursdwang en kostenverhaal als regel samen. Voor het maken van een uitzondering kan aanleiding bestaan, indien de aangeschrevene van de ontstane situatie geen verwijt valt te maken en bij het ongedaan maken van de met het recht strijdige situatie het algemeen belang in die mate is betrokken, dat de kosten in redelijkheid niet of niet geheel voor rekening van de aangeschrevene behoren te komen. Verder kunnen andere bijzondere omstandigheden het bestuursorgaan nopen tot het geheel of gedeeltelijk afzien van kostenverhaal. De rechtbank overweegt dat, zoals onder rechtsoverweging 8 is geconcludeerd, het besluit van 5 juni 2018 in rechte vaststaat, waardoor eiser als overtreder van de aan de spoedeisende bestuursdwang ten grondslag gelegde overtreding van het Bouwbesluit kan worden aangemerkt. Reeds hierom kan de omstandigheid dat de oorzaak van de spoedbestuursdwang is gelegen in het algemeen belang van de openbare veiligheid en het behouden van een rijksmonument, in tegenstelling tot wat eiser stelt, geen aanleiding geven voor het oordeel dat verweerder gedeeltelijk van kostenverhaal had behoren af te zien. Van bijzondere omstandigheden die aanleiding geven voor het oordeel dat geheel of gedeeltelijk van kostenverhaal moet worden afgezien is geen sprake. Deze beroepsgrond slaagt niet.

17. Uit de rechtsoverwegingen 14 en 14.2 volgt dat het beroep ten aanzien van de voorbereidingskosten gegrond is. Het bestreden besluit komt - de rechtbank ziet geen reden voor een andere afdoening - voor vernietiging in aanmerking. Verweerder zal met inachtneming van het daar gestelde een nieuw besluit moeten nemen op het bezwaar van eiser. In dat verband is bij (gedeeltelijke) herroeping van het primaire besluit ook vergoeding van de kosten in bezwaar aan de orde.

18. Omdat de rechtbank het beroep gegrond verklaart, bepaalt de rechtbank dat verweerder aan eiser het door hem betaalde griffierecht vergoedt.

19. De rechtbank veroordeelt verweerder in de door eiser gemaakte proceskosten. Deze kosten stelt de rechtbank op grond van het Besluit proceskosten bestuursrecht voor de door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand vast op € 1050,- (1 punt voor het indienen van het verzoekschrift en 1 punt voor het verschijnen ter zitting met een waarde per punt van € 525,- en een wegingsfactor 1).

20. Ter voorlichting van eiser merkt de rechtbank op dat de gegrondverklaring van het beroep op het onderdeel van de voorbereidingskosten en de vernietiging om die reden van het bestreden besluit niet betekent dat eiser op alle onderdelen van zijn beroep gelijk heeft gekregen. Uit het voorgaande blijkt dat de rechtbank de beroepsgronden over de proceskosten in bezwaar (factuur), de spoedeisende situatie, de kosten voor de steigers en de kostenverdeling ondubbelzinnig heeft verworpen. Indien eiser zich daarmee niet kan verenigen en wil voorkomen dat dit oordeel van de rechtbank in rechte komt vast te staan, zal hij, ondanks de gegrondverklaring van het beroep, tegen deze uitspraak tijdig hoger beroep moeten instellen.

Beslissing

De rechtbank:

  • -

    verklaart het beroep gegrond;

  • -

    vernietigt het bestreden besluit;

  • -

    draagt verweerder op een nieuw besluit te nemen op het bezwaar met inachtneming van deze uitspraak;

  • -

    draagt verweerder op het betaalde griffierecht van € 174,- aan eiser te vergoeden;

  • -

    veroordeelt verweerder in de proceskosten van eiser tot een bedrag van € 1050,-.

Deze uitspraak is gedaan door mr. R.J.G.H. Seerden, rechter, in aanwezigheid van

mr. P.M. van den Brekel, griffier. De beslissing is in het openbaar uitgesproken op

23 september 2020.

De griffier is verhinderd de uitspraak te ondertekenen.

rechter

Afschrift verzonden aan partijen op: 23 september 2020

Rechtsmiddel

Tegen deze uitspraak kan binnen zes weken na de dag van verzending daarvan hoger beroep worden ingesteld bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State. Als hoger beroep is ingesteld, kan bij de voorzieningenrechter van de hogerberoepsrechter worden verzocht om het treffen van een voorlopige voorziening of om het opheffen of wijzigen van een bij deze uitspraak getroffen voorlopige voorziening.