Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBLIM:2020:7120

Instantie
Rechtbank Limburg
Datum uitspraak
26-08-2020
Datum publicatie
24-09-2020
Zaaknummer
8312281 \ CV EXPL 20-623
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

afgewezen, aanmaning voldoet niet aan art 6:96 lid 6 BW

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK LIMBURG

Burgerlijk recht

Zittingsplaats Maastricht

Zaaknummer: 8312281 \ CV EXPL 20-623

Vonnis van de kantonrechter van 26 augustus 2020

in de zaak van:

de stichting

STICHTING WOONPUNT,

gevestigd te Maastricht,

eisende partij,

gemachtigde Landelijke Associatie Van Gerechtsdeurwaarders B.V.,

tegen:

de besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid

[handelsnaam] ,

in hoedanigheid van bewindvoerder over de goederen van [onderbewindgestelde],

gevestigd [adres 2] ,

[vestigingsplaats] ,

gedaagde partij,

gemachtigde [naam] .

1 De procedure

1.1.

Het verloop van de procedure blijkt uit:

- de dagvaarding

- de schriftelijke weergave van het mondelinge antwoord

- de rolbeslissing van 1 juli 2020

- de akte uitlaten van eisende partij.

1.2.

Hoewel daartoe bij brief van de griffier van 15 juli 2020 in de gelegenheid gesteld, heeft gedaagde partij niet meer gereageerd op de akte uitlaten van eisende partij.

1.3.

Ten slotte is vonnis bepaald.

2 De beoordeling

2.1.

Op grond van artikel 111 lid 2 onder d Rv dient de dagvaarding de eis en de gronden daarvan te vermelden en op grond van artikel 21 Rv dient eisende partij de voor de beslissing van belang zijnde feiten volledig en naar waarheid aan te voeren.

2.2.

De kantonrechter is van oordeel dat de dagvaarding aan de voormelde vereisten voldoet.

2.3.

Gedaagde partij is een consument, althans wordt vermoed een consument te zijn.

Op grond van de rechtspraak van het Hof van Justitie van de Europese Unie, dient de rechter de beschermende bepalingen van het Europees consumentenrecht ook toe te passen als daar niet om gevraagd is (‘ambtshalve toepassing’).

2.4.

De kantonrechter is van oordeel dat in deze zaak geen beschermende bepalingen van het Europees consumentenrecht zijn geschonden.

2.5.

Gezien de niet althans onvoldoende betwiste omvang van de huurachterstand staat vast dat gedaagde partij ernstig tekort geschoten is in de nakoming van de verbintenissen die voortvloeien uit de huurovereenkomst. Daarmee zijn de gevorderde verklaring dat de huurovereenkomst onvoorwaardelijk wordt ontbonden, de daarmee samenhangende ontruiming van de woning en de betaling van de huurachterstand, toewijsbaar.

2.6.

Ook de vordering tot betaling van een gebruiksvergoeding voor iedere maand die vanaf 1 februari 2020 is ingegaan tot de datum van ontruiming, te vermeerderen met de wettelijke rente en de wettelijke toegestane huurverhogingen, zal worden toegewezen.

2.7.

Eisende partij maakt aanspraak op de vergoeding van buitengerechtelijke incassokosten. De kantonrechter stelt vast dat het Besluit vergoeding voor buitengerechtelijke incassokosten (hierna: het Besluit) van toepassing is nu het verzuim na 1 juli 2012 is ingetreden. De door eisende partij verzonden aanmaning voldoet niet aan de in artikel 6:96 lid 6 BW gestelde eisen, nu hierin een hoger bedrag wordt genoemd dan op grond van het Besluit is toegestaan. De gevorderde buitengerechtelijke kosten zullen daarom worden afgewezen.

2.8.

Gedaagde partij zal als de in het ongelijk gestelde partij worden veroordeeld in de kosten van deze procedure. De kosten aan de zijde van eisende partij worden begroot op:

  • -

    dagvaarding € 105,09

  • -

    griffierecht € 499,00

  • -

    salaris gemachtigde € 180,00 (1 x tarief € 180,00)

totaal € 784,09

3 De beslissing

De kantonrechter

3.1.

verklaart de bestaande huurovereenkomst met betrekking tot het gehuurde, staande en gelegen te [plaats] aan de [adres 1] onvoorwaardelijk ontbonden,

3.2.

veroordeelt gedaagde partij, om binnen twee weken na betekening van dit vonnis het gehuurde met personen en zaken te ontruimen en met afgifte van de sleutels ter vrije beschikking van eisende partij te stellen,

3.3.

veroordeelt gedaagde partij voorts om aan eisende partij tegen behoorlijk bewijs van kwijting te voldoen de somma van € 1.952,33, te vermeerderen met de wettelijke rente over € 1.933,27 vanaf 28 januari 2020 tot de dag van volledige betaling,

3.4.

veroordeelt gedaagde partij om aan eisende partij te betalen een vergoeding gelijk aan de huurprijs van € 500,82 voor elke ingegane maand met ingang van 1 februari 2020 tot en met de maand waarin gedaagde partij het gehuurde heeft ontruimd, met de terstond bij het ingaan van de betreffende maand verschuldigd geworden wettelijke rente voor iedere maand waarover niet uiterlijk op de eerste dag de gebruiksvergoeding betaald is, onder voorbehoud van de eventueel (wettelijk) toegestane huurverhoging,

3.5.

veroordeelt gedaagde partij voorts in de kosten van de procedure aan de zijde van eisende partij gevallen en aan die zijde tot op heden begroot op een bedrag van € 784,09,

3.6.

verklaart dit vonnis uitvoerbaar bij voorraad,

3.7.

wijst het meer of anders gevorderde af.

Dit vonnis is gewezen door mr. R.H.J. Otto en in het openbaar uitgesproken.

type: JEC