Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBLIM:2020:7100

Instantie
Rechtbank Limburg
Datum uitspraak
22-09-2020
Datum publicatie
22-09-2020
Zaaknummer
03/700096-19
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

Verdachte wordt veroordeeld tot een gevangenisstraf van 6 jaren. De rechtbank acht bewezen dat hij samen met een ander in het weekend van 6 tot 8 december 2019 drie overvallen op winkels in Geleen heeft gepleegd

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK LIMBURG

Zittingsplaats Maastricht

Strafrecht

Parketnummer: 03/700096-19

Tegenspraak

Vonnis van de meervoudige kamer d.d. 22 september 2020

in de strafzaak tegen

[verdachte] ,

geboren te [geboorteplaats] (Syrië) op [geboortedag] 2000,

gedetineerd in P.I. Ter Apel, HvB te Ter Apel.

De verdachte wordt bijgestaan door mr. R.A.C. Frijns, advocaat kantoorhoudende te Arnhem.

1 Onderzoek van de zaak

De zaak is inhoudelijk behandeld op de zitting van 8 september 2020. De verdachte en zijn raadsman zijn verschenen. De officier van justitie en de verdediging hebben hun standpunten kenbaar gemaakt.

2 De tenlastelegging

De tenlastelegging is als bijlage aan dit vonnis gehecht.

De verdenking komt er, kort en feitelijk weergegeven, op neer dat de verdachte:

Feit 1: op 8 december 2019 samen met een ander een overval heeft gepleegd op [slachtoffer 1] in Geleen;

Feit 2: op 6 december 2019 samen met een ander een overval heeft gepleegd op [slachtoffer 2] in Geleen;

Feit 3: op 7 december 2019 samen met een ander heeft geprobeerd om [slachtoffer 3] te Geleen te overvallen.

De feiten zijn ten laste gelegd als afpersing of diefstal met geweld.

3 De beoordeling van het bewijs

3.1

Het standpunt van de officier van justitie

De officier van justitie acht alle drie de feiten bewezen. Dit levert twee keer diefstal met geweld in vereniging gepleegd op en één keer de poging daartoe.

Feit 1 kan bewezen worden op grond van de aangifte en verklaring van [getuige 1] , de verklaringen van [getuige 2] , [getuige 3] en [getuige 4] , de verklaring van medeverdachte [medeverdachte] dat hij het feit samen met de verdachte heeft gepleegd, de camerabeelden van de [Flat] waarop de verdachte voor en na de overval samen met [medeverdachte] te zien is en de herkenningen van [medeverdachte] en de verdachte op de door [getuige 4] gemaakte foto.

Feit 2 kan bewezen worden op grond van de aangifte van [getuige 5] , de camerabeelden van [slachtoffer 2] en de parkeerplaats waarop de verdachte samen met [medeverdachte] herkend wordt, het telefoonverkeer van [medeverdachte] , de verklaring van [medeverdachte] dat hij het feit samen met de verdachte heeft gepleegd en de camerabeelden van de [Flat] waarop de verdachte na de overval samen met [medeverdachte] te zien is.

Feit 3 kan bewezen worden op grond van de aangiftes van [getuige 6] en [getuige 7] , de verklaring van [medeverdachte] dat hij het feit samen met de verdachte heeft gepleegd en de camerabeelden van de [Flat] waarop de verdachte voor aan de overval samen met [medeverdachte] te zien is.

3.2

Het standpunt van de verdediging

De raadsman heeft vrijspraak bepleit. De verklaring van [medeverdachte] dat hij de feiten samen met de verdachte heeft gepleegd, is niet geloofwaardig.

Voor feit 1 geldt daarnaast dat de verdachte geen klanten heeft bedreigd met een vuurwapen en dat hij zich niet schuldig heeft gemaakt aan een strafbaar feit. Van medeplegen is dan ook geen sprake. Mocht de rechtbank het feit wel bewezen achten, dan is er geen bewijs dat een pistool is gebruikt.

Voor feit 2 geldt daarnaast dat de herkenningen van de verdachte niet betrouwbaar zijn en dat de camerabeelden van de [Flat] onvoldoende redengevend zijn. Subsidiair geldt ook hier dat er geen bewijs is dat een pistool is gebruikt.

Voor feit 3 geldt daarnaast dat de camerabeelden te onduidelijk zijn om iemand te herkennen en dat de verdachte er niets mee te maken heeft. Subsidiair geldt ook hier dat er geen bewijs is dat een pistool is gebruikt.

3.3

Het oordeel van de rechtbank 1

Inleiding

In het weekend van 6 tot en met 8 december 2019 vond er in Geleen drie avonden achter elkaar een winkeloverval plaats. De overvallen, achtereenvolgens gepleegd op [slachtoffer 2] , [slachtoffer 3] en [slachtoffer 1] , werden telkens gepleegd door twee personen. Op de avond van de laatste overval werd medeverdachte [medeverdachte] aangehouden voor betrokkenheid bij de overvallen. Op 9 december 2019 werd de verdachte aangehouden. De rechtbank ziet zich voor de vraag gesteld of bewezen kan worden dat de verdachte deze overvallen, al dan niet samen met [medeverdachte] , heeft gepleegd. De rechtbank zal eerst stilstaan bij de overeenkomsten tussen de drie overvallen.

Overeenkomsten en modus operandi

De drie overvallen in Geleen kunnen niet alleen maar aan elkaar gekoppeld worden omdat deze overvallen drie avonden na elkaar plaatsvonden in een relatief klein gebied in Geleen. Kenmerkend voor de overvallen was ook dat deze steeds werden gepleegd door twee daders: een grotere en een kleinere man, steeds met eenzelfde signalement. Ook werd er steeds een grotendeels vergelijkbare modus operandi gehanteerd door de daders, hetgeen wil zeggen dat het handelen door de daders bij de drie overvallen op essentiële punten met elkaar overeenkomt. De kleinere man is degene die steeds het voortouw neemt bij de overvallen, terwijl de grotere man op de achtergrond blijft met een vuurwapen (of een daarop gelijkend voorwerp). Wanneer de overval niet dreigt te lukken of iemand probeert de overvallers tegen te houden, grijpt de grotere man [de verdachte] in door het wapen op iemand te richten.

Feit 1

Bewijsmiddelen

Op zondag 8 december 2019 vond er rond 17:30 een overval plaats op [slachtoffer 1] in Geleen. Namens [slachtoffer 1] is aangifte gedaan. Bij de overval is een geldbedrag van € 583,68 weggenomen.2

Tijdens de overval was [getuige 1] werkzaam als caissière bij [slachtoffer 1] . Zij verklaart in haar aangifte dat een grotere en een kleine man aan de kassa stonden en dat zij de kleinere man vroeg om zijn identiteitskaart omdat hij sigaretten wilde kopen. De kleinere man pakte op dat moment de sigaretten van de band, kwam naast [getuige 1] staan en haalde een mes uit zijn jaszak dat hij tegen haar linkerzij drukte. De kleinere man schreeuwde ‘doe de la open’ en nam geld uit de kassalade. Ondertussen richtte de grotere man een pistool op een klant [ [getuige 2] ]. Nadat de kleinere man geld uit de kassalade had gepakt, liepen de mannen richting de uitgang. De kleinere man besloot echter terug te lopen naar de kassa, opnieuw het mes tegen de linkerzij van [getuige 1] te houden en nog een keer geld uit de kassalade te nemen.3 [getuige 1] heeft de dag na de overval verklaard dat zij, ondanks de drie lagen kleding die zij droeg, een afdruk op haar ribben had van het mes en dat zij dacht dat het een echt mes van ongeveer 30 cm lang betrof.4

[getuige 2] kwam als klant boodschappen doen bij [slachtoffer 1] toen hij herrie bij de kassa hoorde. Hij zag dat het meisje achter de kassa [ [getuige 1] ] in paniek was en dat een jongen tegen haar aanleunde, heel dicht bij de kassa. [getuige 2] wilde de caissière gaan helpen, toen plots een tweede persoon tevoorschijn kwam. Deze persoon haalde uit zijn jaszak een pistool dat hij van ongeveer 3 meter afstand op [getuige 2] richtte.5

[getuige 3] wilde ook boodschappen komen doen en zag toen bij de ingang van [slachtoffer 1] een man staan die een pistool op hem richtte. De man riep naar iemand in de winkel ‘kom, we moeten gaan, het is gedaan’. Vervolg kwam een tweede, kleinere man uit de [slachtoffer 1] gerend en renden beide mannen weg.6

[getuige 4] was tijdens de overval ook werkzaam bij [slachtoffer 1] . Zij heeft vlak voor de overval een foto gemaakt van de twee mannen die de overval hebben gepleegd. Zij had de mannen die dag al twee keer eerder (één keer ’s ochtends en één keer ’s middags) bij [slachtoffer 1] gezien. Zij heeft gezien dat de kleinere man een mes in de zij van [getuige 1] hield en twee keer geld uit de kassalade haalde en dat de grotere man een pistool richtte op een klant [ [getuige 2] ].7

De rechter persoon op de door [getuige 4] gemaakte foto, wordt herkend als medeverdachte [medeverdachte] .8 De linker persoon wordt door beveiligers van het asielzoekerscentrum in [plaats] herkend als de verdachte.9

Op camerabeelden van de [Flat] in Geleen, de flat waar [medeverdachte] woont, zijn de verdachte en [medeverdachte] voorafgaand en kort na de overval samen te zien.

[medeverdachte] heeft bij de politie verklaard dat hij de overval samen met de verdachte heeft gepleegd. Ze hadden besloten om de overval bij [slachtoffer 1] te plegen, omdat daar geen camerabewaking aanwezig was. Ze waren die dag al eerder bij [slachtoffer 1] geweest. [medeverdachte] had een mes bij zich en heeft het geld uit de kassalade gepakt en de verdachte had een pistool bij zich, dat hij richtte op klanten.10

De verdachte heeft ter terechtzitting verklaard dat hij dat weekend samen met [medeverdachte] was en dat hij dat weekend ook in de [Flat] in Geleen is geweest en daar heeft geslapen. Verder heeft de verdachte verklaard dat hij op 8 december 2019 ’s ochtends en ‘s middags samen met [medeverdachte] bij [slachtoffer 1] in Geleen is geweest. [medeverdachte] wilde sigaretten kopen maar had geen identiteitskaart bij zich.

Bewijsoverwegingen

Uit de hiervoor genoemde bewijsmiddelen concludeert de rechtbank dat het de verdachte geweest moet zijn die samen met [medeverdachte] de overval op [slachtoffer 1] heeft gepleegd. De verdachte ontkent dit feit te hebben gepleegd, maar dat wordt weerlegd door het bewijs.

Anders dan de raadsman, ziet de rechtbank ook geen reden om te twijfelen aan de betrouwbaarheid van de (belastende) verklaring van [medeverdachte] . De verklaring van [medeverdachte] vindt namelijk op detailniveau steun in de andere bewijsmiddelen van het procesdossier, waaronder de diverse getuigenverklaringen. Het feit dat [medeverdachte] de verantwoordelijkheid buiten zichzelf legt door onder meer te verklaren dat hij zelf onder invloed van medicatie, drugs en alcohol was en dat het initiatief bij de verdachte lag, tast de betrouwbaarheid van zijn verklaring op feitenniveau niet aan.

De hiervoor weergegeven bewijsmiddelen -in samenhang bezien me de hiervoor beschreven modus operandi- leveren een bewezenverklaring op van de onder feit 1 ten laste gelegde diefstal met geweld. De rechtbank acht ook bewezen dat [medeverdachte] en de verdachte deze overval in vereniging hebben gepleegd. Uit de verklaring van [medeverdachte] volgt namelijk dat er een vooropgezet plan was om [slachtoffer 1] te overvallen; [slachtoffer 1] was uitgekozen als doelwit vanwege het ontbreken van bewakingscamera’s en de verdachten waren al eerder die dag naar [slachtoffer 1] gegaan met het plan om een overval te plegen. Dat sprake is geweest van een gezamenlijke uitvoering blijkt uit het feit dat [medeverdachte] het voortouw neemt, terwijl de verdachte op de achtergrond alles in de gaten lijkt te houden en een (nep)pistool trekt zodra omstanders zich met de situatie rondom [medeverdachte] en de caissière willen bemoeien. De verdachten vluchten ook samen op het moment dat de verdachte naar [medeverdachte] roept dat het genoeg is en dat het tijd is om te gaan. Er was dus sprake van medeplegen: van een nauwe en bewuste samenwerking tussen de verdachte en [medeverdachte] gericht op het wegnemen van geld.

Feit 2

Bewijsmiddelen

Op 6 december 2019 vond er rond 18.30 uur een overval plaats op [slachtoffer 2] in Geleen. [getuige 5] was alleen aan het werk in de winkel, toen twee mannen de winkel binnenkwamen. Een van de mannen kwam rechts naast haar staan, pakte haar vast en zette een mes op de keel van [getuige 5] . Hij riep “La open nu! Geld!” en “La open of ik snij je keel door”. Ondertussen bleef de andere man voor de toonbank staan en richtte hij een pistool op [getuige 5] . Toen de kassalade open ging, pakten beide mannen geld uit de lade waarna zij de winkel verlieten. De mannen hebben ongeveer 300 euro uit de kassalade meegenomen.11

Op camerabeelden van de ingang van [slachtoffer 2] is te zien dat eerst een kleiner persoon de winkel in komt, gevolgd door een grotere man die een bivakmuts over zijn hoofd trekt. Na enkele minuten verlaten de mannen de winkel.12 Op camerabeelden van de parkeerplaats van [slachtoffer 2] zijn de mannen ook te zien. Verbalisant [Naam 1] herkent de grotere man aan zijn postuur en houding als de verdachte. De kleinere man wordt aan zijn houding en postuur herkend als [medeverdachte] . [Naam 1] herkent de mannen, omdat hij hen ook heeft gezien op de camerabeelden van de [Flat] . Op de camerabeelden van de [Flat] in Geleen is te zien dat de verdachte en [medeverdachte] kort na de overval, rond 19.14 uur, samen de flat binnenlopen.13

Verbalisant [Naam 2] heeft de camerabeelden van [slachtoffer 2] vergeleken met de foto die gemaakt was door een medewerkster van [slachtoffer 1] op 8 december 2019. Hij beschrijft dat één van de mannen op de camerabeelden van [slachtoffer 2] één van de mannen op de foto van [slachtoffer 1] is [medeverdachte [medeverdachte] ]. De andere man op de camerabeelden toont zeer veel gelijkenis met de andere man op de foto van [slachtoffer 1] .14

[medeverdachte] heeft bij de politie verklaard dat hij deze overval samen met de verdachte heeft gepleegd. De verdachte had een pistool bij zich en [medeverdachte] een mes. [medeverdachte] was degene die [getuige 5] met het mes heeft bedreigd terwijl de verdachte een pistool op haar richtte, aldus [medeverdachte] .15

Bewijsoverweging

De hiervoor weergegeven bewijsmiddelen leveren samen voldoende wettig bewijs op voor een bewezenverklaring van de onder feit 2 ten laste gelegde diefstal met geweld.

De verdediging heeft aangevoerd dat de kwaliteit van de camerabeelden van [slachtoffer 2] van onvoldoende kwaliteit zijn om de verdachte en [medeverdachte] te kunnen herkennen, dat de herkenningskenmerken zoals door de verbalisant weergegeven niet voldoen aan de geldende jurisprudentie en dat de camerabeelden van de [Flat] onvoldoende redengevend zijn voor een bewezenverklaring van dit feit. De rechtbank verwerpt dit verweer. Zij twijfelt niet aan de herkenning aan de hand van de foto van [slachtoffer 1] en de camerabeelden van [slachtoffer 2] . Dit bewijsmiddel moet bovendien in samenhang worden bezien met het overige bewijs. De beelden van de [Flat] vormen op zichzelf beschouwd onvoldoende bewijs voor de overval, maar versterken de rechtbank wel in haar overtuiging dat de verdachten dit feit samen gepleegd hebben. Deze camerabeelden ondersteunen de overige bewijsmiddelen omdat zij laten zien dat de verdachten kennelijk voortdurend met elkaar optrokken, zowel voor als kort na de betreffende overval.

Dat een pistool is gebruikt, of in elk geval een op een pistool gelijkend voorwerp, volgt ook uit de bewijsmiddelen. De rechtbank acht dan ook bewezen dat [medeverdachte] en de verdachte deze overval in vereniging hebben gepleegd. De rechtbank verwijst hierbij tot slot, zoals al aangegeven, naar de modus operandi die de verdachten hanteerden en die ook bij dit feit naar voren komt: [medeverdachte] neemt het voortouw, terwijl de verdachte op de achtergrond de situatie in de gaten houdt en dreigt met een vuurwapen. De verdachten zijn ook samen gevlucht en hebben, volgens de verklaring van [medeverdachte] , de opbrengst samen verdeeld.

Feit 3

Bewijsmiddelen

[getuige 6] heeft namens [slachtoffer 3] aangifte gedaan van een overval die op 7 december 2019 rond 20.30 uur heeft plaatsgevonden in Geleen. [getuige 6] stond met een medewerker [ [getuige 7] ] te praten toen plots een kleine jongen de zaak in kwam rennen. De jongen had een hamer in zijn hand waarmee hij op de toonbank sloeg. Ondertussen riep de jongen dat hij geld wilde. [getuige 6] is de keuken in gerend en heeft een vleesmes gepakt. De jongen liep achter haar aan. Toen [getuige 6] met het vleesmes in de richting van de jongen wees, rende de jongen de winkel uit. Er is geen geld weggenomen.16

[getuige 7] stond met [getuige 6] te praten toen een jongeman de frituur in kwam. De jongen haalde een hamer uit zijn jas en sloeg hiermee op de toonbank terwijl hij riep “Maak de kassa open” en “Maak de kassa open nu en geef me geld”. Bij de deur van de frituur zag [getuige 7] een tweede persoon staan. Toen [getuige 7] de eerste jongen wilde tegenhouden om de keuken in te lopen, riep de tweede persoon “dat zou ik niet doen” en richtte hij een vuurwapen op [getuige 7] . Toen [getuige 6] met een slagersmes uit de keuken kwam, hebben beide personen de frituur verlaten.17

Op camerabeelden van de frituur is te zien dat twee personen de frituur binnen komen. Een van hen rent de winkel in, terwijl de ander bij de ingang blijft staan en een op een vuurwapen gelijkend voorwerp op de medewerker van de frituur richt. Na 9 seconden verlaten beide mannen de frituur.18 Bij het verlaten van de winkel is te zien dat de eerste man een vuisthamer in zijn hand heeft.

Op camerabeelden van de [Flat] in Geleen is te zien dat [medeverdachte] en de verdachte vlak voor de overval samen de [Flat] verlaten.19

[medeverdachte] heeft bij de politie verklaard dat hij deze overval samen met de verdachte heeft gepleegd toen hij onderweg was om de verdachte naar het station te brengen. [medeverdachte] was degene die als eerste naar binnen ging, naar het personeel schreeuwde en met een hamer op de toonbank sloeg. De verdachte bleef bij de deur staan, aldus [medeverdachte] .20

Bewijsoverweging

Op grond van de hiervoor genoemde bewijsmiddelen kan feit 3 eveneens bewezen worden, waarbij de rechtbank wederom betrekt wat zij hiervoor heeft opgemerkt over de overeenkomsten tussen alle overvallen, de modus operandi en de camerabeelden van de [Flat] waarop de verdachten te zien zijn. Ook bij dit feit volgt uit de bewijsmiddelen, in onderlinge samenhang bezien, dat de verdachten de poging tot diefstal samen gepleegd hebben, zodat de rechtbank de poging tot diefstal met geweld in vereniging bewezen acht. Dat een vuurwapen is gebruikt, of in elk geval een op een vuurwapen gelijkend voorwerp, volgt eveneens uit de bewijsmiddelen.

In deze zaak is het de verdachten niet gelukt om geld en/of goederen weg te nemen bij Friture [slachtoffer 3] . Dit betekent dat geen sprake is van een voltooide diefstal, maar van een poging daartoe.

3.4

De bewezenverklaring

De rechtbank acht bewezen dat de verdachte

1.

op 8 december 2019 te Geleen tezamen en in vereniging met een ander met het oogmerk van wederrechtelijke toe-eigening heeft weggenomen 583,68 euro toebehorende aan [slachtoffer 1] , welke diefstal werd voorafgegaan en vergezeld en gevolgd van geweld en bedreiging met geweld tegen [getuige 1] , in functie als kassière bij de [slachtoffer 1] , en/of tegen [getuige 2] (klant [slachtoffer 1] ) en/of [getuige 3] (klant [slachtoffer 1] ),

gepleegd met het oogmerk om die diefstal voor te bereiden en gemakkelijk te maken en om bij betrapping op heterdaad aan zichzelf en aan zijn mededader hetzij de vlucht mogelijk te maken, hetzij het bezit van het gestolene te verzekeren,

welk geweld en welke bedreiging met geweld hierin heeft bestaan dat verdachte

-dreigend een pistool, althans een op een vuurwapen gelijkend voorwerp, op [getuige 2] (klant [slachtoffer 1] ) en [getuige 3] (klant [slachtoffer 1] ), heeft gericht, althans dat voorwerp dreigend heeft getoond,

en dat zijn mededader

-een mes meermalen met kracht tegen de linkerzijde van het lichaam van die [getuige 1] heeft gedrukt en/of geprikt, althans voornoemd voorwerp dreigend aan die [getuige 1] heeft getoond, en

-die [getuige 1] daarbij dreigend de woorden "Doe de la open" heeft toegevoegd.

2.

op 6 december 2019 te Geleen tezamen en in vereniging met een ander met het oogmerk van wederrechtelijke toe-eigening heeft weggenomen ongeveer 300,-- euro, toebehorende aan [slachtoffer 2] , welke diefstal werd voorafgegaan en vergezeld en gevolgd van geweld en bedreiging met geweld tegen [getuige 5] , medewerkster bij de [slachtoffer 2] ,

gepleegd met het oogmerk om die diefstal voor te bereiden en gemakkelijk te maken en om bij betrapping op heterdaad aan zichzelf en aan zijn mededader hetzij de vlucht mogelijk te maken, hetzij het bezit van het gestolene te verzekeren,

welk geweld en welke bedreiging met geweld hierin heeft bestaan dat verdachte

-dreigend een pistool, althans een op een vuurwapen gelijkend voorwerp, op die [getuige 5] heeft gericht, althans voornoemd voorwerp dreigend heeft getoond,

en dat zijn mededader

-een mes met kracht tegen de keel van die [getuige 5] heeft gedrukt en

-die [getuige 5] daarbij dreigend de woorden "La open nu! Geld!" en "La open of ik snij je keel door" heeft toegevoegd.

3.

op 7 december 2019 te Geleen, tezamen en in vereniging met een ander ter uitvoering van het door verdachte en zijn mededader voorgenomen misdrijf om geld, toebehorende aan " [slachtoffer 3] ", weg te nemen met het oogmerk om het zich wederrechtelijk toe te eigenen,

deze poging tot diefstal hebben doen voorafgaan van geweld en/of bedreiging met geweld tegen het zich in het pand van " [slachtoffer 3] " bevindende personeel, te weten [getuige 6] en/of [getuige 7] , gepleegd met het oogmerk om die voorgenomen diefstal voor te bereiden,

welke bedreiging met geweld hierin heeft bestaan dat verdachte

- dreigend een pistool, althans een op een vuurwapen gelijkend voorwerp, op die [getuige 7] en [getuige 6] heeft gericht, althans dat voorwerp dreigend heeft getoond,

en dat zijn mededader:

- met een hamer meermalen met kracht op de toonbank heeft geslagen en dreigend aan die [getuige 7] en [getuige 6] heeft getoond, en

-die [getuige 7] en/of [getuige 6] daarbij dreigend de woorden heeft toegevoegd: "Maak de kassa open" en "Maak de kassa open nu en geef me geld",

terwijl de uitvoering van dat voorgenomen misdrijf niet is voltooid.

De rechtbank acht niet bewezen hetgeen meer of anders is ten laste gelegd. De verdachte zal daarvan worden vrijgesproken.

4 De strafbaarheid van het bewezenverklaarde

Het bewezenverklaarde levert de volgende strafbare feiten op:

t.a.v. feit 1 en 2:

diefstal, voorafgegaan, vergezeld en gevolgd van geweld en bedreiging met geweld tegen personen, gepleegd met het oogmerk om die diefstal voor te bereiden, gemakkelijk te maken en bij betrapping op heter daad, aan zichzelf of andere deelnemers van het misdrijf hetzij de vlucht mogelijk te maken, hetzij het bezit van het gestolene te verzekeren, terwijl het feit wordt gepleegd door twee of meer verenigde personen

t.a.v. feit 3:

poging tot diefstal, voorafgegaan van bedreiging met geweld tegen personen, gepleegd met het oogmerk om die diefstal voor te bereiden, terwijl het feit wordt gepleegd door twee of meer verenigde personen

Er zijn geen feiten of omstandigheden aannemelijk geworden die de strafbaarheid van de feiten uitsluiten.

5 De strafbaarheid van de verdachte

De verdachte is strafbaar, omdat geen feiten of omstandigheden aannemelijk zijn geworden die zijn strafbaarheid uitsluiten.

6 De straf en/of de maatregel

6.1

De vordering van de officier van justitie

De officier van justitie heeft gevorderd aan de verdachte op te leggen een gevangenisstraf voor de duur van 6 jaren met aftrek van de tijd die de verdachte al in voorarrest zit.

Bij het bepalen van de strafeis heeft de officier van justitie rekening gehouden met de ernst van de feiten, de gevolgen die de feiten voor de slachtoffers en de samenleving hebben gehad, en het strafblad van de verdachte waaruit blijkt dat hij eerder is veroordeeld voor vermogensdelicten en een geweldsdelict.

Omdat de verdachte, in tegenstelling tot medeverdachte [medeverdachte] , op geen enkele wijze verantwoordelijkheid heeft genomen voor zijn daden, eist de officier van justitie voor deze verdachte een hogere gevangenisstraf dan voor [medeverdachte] .

6.2

Het standpunt van de verdediging

Mocht de rechtbank tot een bewezenverklaring komen, dan dient er bij de strafbepaling rekening mee gehouden te worden dat bij de overvallen geen echt mes is gebruikt en dat ook niet bewezen kan worden dat een echt vuurwapen is gebruikt. Bovendien werkt strafverminderend dat de verdachte geen initiërende rol had, dat feit 3 geen voltooid delict is, dat de verdachte een beperkt strafblad heeft en dat hij nog erg jong is.

6.3

Het oordeel van de rechtbank

Bij de bepaling van de op te leggen straf is gelet op de aard en ernst van hetgeen bewezen is verklaard, op de omstandigheden waaronder het bewezenverklaarde is begaan en op de persoon van de verdachte, zoals een en ander uit het onderzoek ter terechtzitting naar voren is gekomen.

De verdachte heeft zich samen met [verdachte] in één weekend schuldig gemaakt aan drie overvallen op winkels. Eén overval werd niet voltooid, omdat het slachtoffer de verdachte wist te verjagen. De verdachten waren enkel uit op hun eigen financieel gewin en ontzagen niemand. Uit de verschillende slachtofferverklaringen die zich in het dossier bevinden en ter terechtzitting zijn voorgelezen, blijkt de enorme impact die de overvallen op de slachtoffers hebben gehad. Terwijl zij ‘gewoon’ aan het werk waren of een boodschap wilden doen, werden zij geconfronteerd met de verdachten met een hamer, een mes of een vuurwapen. [getuige 1] kreeg zelfs een mes tegen haar zij gedrukt en [getuige 5] werd het mes tegen haar keel gedrukt terwijl tegelijkertijd een vuurwapen op haar werd gericht. De rechtbank rekent het verdachte aan dat hij niet stil heeft gestaan bij de gevolgen die zo’n gewelddadig misdrijf voor de slachtoffers heeft. De ervaring leert namelijk dat zij daarna vaak nog lang last hebben van angstgevoelens en een gevoel van onveiligheid ervaren. Bovendien veroorzaakt en versterkt zo’n gewelddadig feit in meer algemene zin ook gevoelens van angst en onveiligheid in de maatschappij, zeker bij winkeliers en werknemers achter de kassa in Geleen en omstreken.

De rechtbank is van oordeel dat de aard en de ernst van de bewezenverklaarde feiten een forse onvoorwaardelijke gevangenisstraf rechtvaardigen.

Bij het bepalen van de straf heeft de rechtbank gekeken naar de landelijke oriëntatiepunten voor straftoemeting (de LOVS-oriëntatiepunten). Het oriëntatiepunt voor één overval op een winkel met gebruik van licht geweld of bedreiging is een gevangenisstraf voor de duur van twee jaren. In geval van een poging (feit 3) wordt de straf doorgaans met een derde verminderd. Strafvermeerderende en/of strafverminderende factoren zijn hierbij nog niet meegewogen. In deze zaak zijn een aantal feiten en omstandigheden aan de orde die voor de rechtbank strafverzwarend werken. Zo werkt strafverzwarend dat de verdachten de feiten met zijn tweeën pleegden. Ook werkt strafverzwarend dat de verdachten een hamer, een mes en een pistool gebruikten tijdens de overvallen. Of het mes en pistool nu echt of nep waren, maakt voor de rechtbank geen verschil. De slachtoffers beschrijven de wapens als lijkend op echte wapens en de dreiging richting slachtoffers en de angst die de verdachten hebben veroorzaakt, blijven dan ook even groot. Dat de verdachte als asielzoeker in Nederland aanwezig was, heeft de rechtbank eveneens strafverzwarend meegewogen; in Nederland is aan de verdachte een veilig onderdak en leefgeld geboden. Verdachte zocht in Nederland een veilig onderkomen, maar hij maakt nu hier het leven van anderen onveilig en laat blijken geen enkel respect te hebben voor de gastvrijheid die hem is geboden.

Bij de strafbepaling heeft de rechtbank ook gekeken naar de proceshouding van de verdachte. In tegenstelling tot medeverdachte [medeverdachte] , neemt de verdachte geen enkele verantwoordelijkheid voor zijn daden en toont hij geen spijt richting de slachtoffers. De rechtbank ziet daarom geen enkele reden om de door de raadsman aangevoerde strafverminderende factoren te laten meewegen.

Alles afwegend is de rechtbank van oordeel dat een strafoplegging conform de eis van de officier van justitie passend en geboden is. Dit betekent dat aan de verdachte een gevangenisstraf voor de duur van 6 jaar zal worden opgelegd.

7 De benadeelde partijen en de schadevergoedingsmaatregel

7.1

De vorderingen van de benadeelde partij

In deze strafbaar hebben zich zes personen als benadeelde partij gevoegd.

De benadeelde partij [getuige 1] vordert een bedrag van € 9,07 aan materiële schadevergoeding (reiskosten) en € 1.200,00 aan immateriële schadevergoeding ter zake van feit 1.

De benadeelde partij [getuige 2] vordert een bedrag van € 387,94 aan materiële schadevergoeding (reiskosten, kosten medicatie en eigen risico zorgverzekering) en een bedrag van € 3.000,00 aan immateriële schadevergoeding ter zake van feit 1.

De benadeelde partij [getuige 3] vordert een bedrag van € 815,00 aan immateriële schadevergoeding ter zake van feit 1.

De benadeelde partij [getuige 5] vordert een bedrag van € 5,77 aan materiële schadevergoeding (reiskosten) en € 1.200,00 aan immateriële schadevergoeding ter zake van feit 2.

De benadeelde partij [getuige 6] vordert een bedrag van € 2,10 aan materiële schadevergoeding (reiskosten) en € 1.200,00 aan immateriële schadevergoeding ter zake van feit 3.

De benadeelde partij [getuige 7] vordert een bedrag van € 2.500,00 aan immateriële schadevergoeding ter zake van feit 3.

7.2

Het standpunt van de officier van justitie

De officier van justitie heeft zich op het standpunt gesteld dat de vorderingen van de benadeelde partijen (met uitzondering van de vordering van [getuige 7] ) volledig toewijsbaar zijn, inclusief de wettelijke rente en met oplegging van de schadevergoedingsmaatregel. De vordering van [getuige 7] dient gematigd te worden tot een bedrag van € 1.200,00. Daarnaast dient aan de verdachte de schadevergoedingsmaatregel opgelegd te worden voor een bedrag van € 405,00 ten behoeve van het slachtoffer [slachtoffer 2] . Dit geldbedrag is namelijk tijdens de overval weggenomen uit de kassa. [slachtoffer 2] heeft haar verzoek tot schadevergoeding enkel ingetrokken omdat zij niet op tijd een machtiging van de bevoegde persoon kon overleggen. Het is wel op zijn plaats dat de schade aan [slachtoffer 2] vergoed wordt.

7.3

Het standpunt van de verdediging

De raadsvrouw heeft zich ten aanzien van de ingediende materiële schadevorderingen gerefereerd aan het oordeel van de rechtbank.

[getuige 1] , [getuige 3] , [getuige 5] , [getuige 6] en [getuige 7] moeten volgens de raadsvrouw niet-ontvankelijk verklaard worden in hun immateriële schadevorderingen, omdat niet is voldaan aan de vereisten van artikel 6:106 BW: zij hebben namelijk niet met voldoende concrete gegevens onderbouwd dat sprake is geweest van een aantasting in de persoon ‘op andere wijze’.

[getuige 2] heeft zijn immateriële schadevordering wel voldoende onderbouwd, maar deze vordering dient, gelet op soortgelijke zaken, gematigd te worden tot een bedrag van

€ 1.000,00.

7.4

Het oordeel van de rechtbank

Beoordelingskader schadevergoeding

Voor vergoeding aan de benadeelde partij komt overeenkomstig de regels van het materiële burgerlijk recht slechts in aanmerking de schade die de benadeelde partij heeft geleden als gevolg van de onrechtmatige gedragingen van de verdachte, voor zover deze schade op de voet van art. 6:98 BW aan de verdachte kan worden toegerekend. Deze schade kan bestaan uit vermogensschade en, voor zover de wet daarop aanspraak geeft, ander nadeel (art. 6:95, eerste lid, BW).

Vermogensschade kan zowel geleden verlies als gederfde winst omvatten (art. 6:96, eerste lid, BW). Zij bestaat uit de daadwerkelijke verandering die het vermogen van de benadeelde partij door het strafbare feit heeft ondergaan. Uitgangspunt is dus de vergoeding van de concreet geleden schade.

Art. 6:106 BW geeft een limitatieve opsomming van gevallen waarin aanspraak gemaakt kan worden op vergoeding van immateriële schade als gevolg van onrechtmatig handelen.

In deze zaak zijn de volgende categorieën van belang:

a. Indien de aansprakelijke persoon het oogmerk had zodanig nadeel toe te brengen. Conform de bestendige jurisprudentie van de Hoge Raad is hiervan slechts zelden sprake.

b. Indien de benadeelde lichamelijk letsel heeft opgelopen, in zijn eer of goede naam is geschaad of op andere wijze in zijn persoon is aangetast. Van aantasting van de persoon op ‘andere wijze’ is in ieder geval sprake indien de benadeelde partij geestelijk letsel heeft opgelopen. Degene die zich hierop beroept, zal voldoende concrete gegevens moeten aanvoeren waaruit kan volgen dat in verband met de omstandigheden van het geval psychische schade is ontstaan. Daartoe is vereist dat naar objectieve maatstaven het bestaan van geestelijk letsel kan worden vastgesteld.

Ook als het bestaan van geestelijk letsel in voornoemde zin niet kan worden aangenomen, is niet uitgesloten dat de aard en de ernst van de normschending en van de gevolgen daarvan voor de benadeelde, meebrengen dat van bedoelde aantasting in zijn persoon ‘op andere wijze’ sprake is. In zo een geval zal degene die zich hierop beroept de aantasting in zijn persoon met concrete gegevens moeten onderbouwen. Dat is slechts anders indien de aard en de ernst van de normschending meebrengen dat de in dit verband relevante nadelige gevolgen daarvan voor de benadeelde zo voor de hand liggen, dat een aantasting in de persoon kan worden aangenomen. Van een aantasting in de persoon ‘op andere wijze’ als bedoeld in art. 6:106 is niet reeds sprake bij de enkele schending van een fundamenteel recht.

In het geval de verdachte de (voldoende onderbouwde) vordering van de benadeelde partij niet (gemotiveerd) betwist, zal de rechter uitgaan van de juistheid van de daaraan ten grondslag gelegde feiten en zal de vordering in de regel worden toegewezen, tenzij de vordering onrechtmatig of ongegrond voorkomt.

De begroting van immateriële schade geschiedt naar billijkheid met inachtneming van alle omstandigheden van het geval. Voorts dient de rechter bij die begroting, indien mogelijk, te letten op de bedragen die door Nederlandse rechters in vergelijkbare gevallen zijn toegekend.

De rechtbank zal hieronder, aan de hand van voornoemd kader, de vorderingen nader beoordelen.

De vordering van [getuige 1]

vordert vergoeding van reiskosten die zij heeft gemaakt naar Slachtofferhulp. De reiskosten vormen een rechtstreeks gevolg van het bewezenverklaarde feit (feit 1), zijn voldoende onderbouwd en door de verdediging niet weersproken. De vordering ter hoogte van € 9,07 wordt daarom toegewezen.

Daarnaast vordert [getuige 1] vergoeding van immateriële schade. [getuige 1] heeft onvoldoende aangevoerd om naar objectieve maatstaven vast te kunnen stellen dat bij haar als gevolg van het feit geestelijk letsel is ontstaan. Naar het oordeel van de rechtbank staat echter wel vast dat er sprake is van een dermate ernstig strafbare feit dat sprake is van een aantasting in de persoon ‘op andere wijze’. [getuige 1] was immers als caissière aan het werk, toen verdachte [medeverdachte] plotseling een mes tegen haar zij drukte en riep dat zij geld moest geven. Ondertussen hield verdachte [verdachte] een pistool vast dat hij naar voren richtte. De aard en ernst van dit handelen door de verdachten is dusdanig dat voor de hand ligt dat [getuige 1] hier zo’n nadelige gevolgen van heeft ondervonden dat zij in haar persoon is aangetast. De rechtbank acht het gevorderde bedrag van € 1.200,00 billijk, zodat dit bedrag zal worden toegewezen.

De verdachte en zijn mededader zijn naar burgerlijk recht hoofdelijk aansprakelijk voor de door [getuige 1] geleden schade.

Het toegewezen bedrag dient te worden vermeerderd met de wettelijke rente vanaf de dag waarop het feit is gepleegd tot aan de dag der algehele voldoening.

De rechtbank zal tevens de schadevergoedingsmaatregel van artikel 36f van het Wetboek van Strafrecht opleggen aan de verdachte.

Daarnaast dient verdachte te worden veroordeeld in de kosten die de benadeelde partij heeft gemaakt en voor de tenuitvoerlegging nog moet maken, welke kosten worden begroot op nihil.

De vordering van [getuige 2]

vordert vergoeding van diverse materiële schadeposten. Deze schadeposten vormen een rechtstreeks gevolg van het bewezenverklaarde (feit 1), zijn voldoende onderbouwd en door de verdediging niet weersproken. De materiële schade ter hoogte van

€ 387,94 wordt daarom geheel toegewezen.

Daarnaast vordert [getuige 2] immateriële schadevergoeding. Uit de door [getuige 2] overgelegde stukken volgt dat hij gediagnosticeerd is met een posttraumatische stresstoornis, als gevolg van het strafbare feit, waarvoor hij EMDR-therapie heeft moeten volgen. Het voorgaande betekent dat [getuige 2] aanspraak kan maken op immateriële schadevergoeding. Het door hem gevorderde bedrag komt de rechtbank, gelet op bedragen die doorgaans in vergelijkbare zaken toegewezen worden, te hoog voor. De rechtbank zal het schadebedrag op € 1.200,00 bepalen en de vordering voor het overige afwijzen.

De verdachte en zijn mededader zijn naar burgerlijk recht hoofdelijk aansprakelijk voor de door [getuige 2] geleden schade.

Het toegewezen bedrag dient te worden vermeerderd met de wettelijke rente vanaf de dag waarop het feit is gepleegd tot aan de dag der algehele voldoening.

De rechtbank zal tevens de schadevergoedingsmaatregel van artikel 36f van het Wetboek van Strafrecht opleggen aan de verdachte.

Daarnaast dient verdachte te worden veroordeeld in de kosten die de benadeelde partij heeft gemaakt en voor de tenuitvoerlegging nog moet maken, welke kosten worden begroot op nihil.

De vordering van [getuige 3]

vordert immateriële schadevergoeding. [getuige 3] baseert zijn vordering op artikel 6:106 sub a BW: de verdachten hadden het oogmerk om aan hem nadeel toe te brengen. Zoals eerder overwogen zal een vordering op deze grondslag slechts zelden kunnen slagen. Uit het dossier en hetgeen door [getuige 3] naar voren is gebracht volgt niet dat de verdachten het oogmerk hadden om schade aan hem toe te brengen. Voor zover [getuige 3] heeft bedoeld zijn vordering te stoelen op het bepaalde in artikel 6:106 sub b BW (aantasting op andere wijze), kan het navolgende gelden. Niet gebleken is dat bij [getuige 3] als gevolg van het feit geestelijk letsel is ontstaan. Het enkel door hem stellen dat hij last heeft van slaapproblemen, gevoelens van onveiligheid en andere vervelende gevolgen biedt, hoe naar ook voor hem, onvoldoende grond om in aanmerking te komen voor smartengeld. De aard en de ernst van de bedreiging door de verdachten zijn ook niet dusdanig dat de nadelige gevolgen zo voor de hand liggen dat hieruit een aantasting in de persoon kan worden afgeleid. [getuige 3] zal dan ook niet-ontvankelijk worden verklaard in zijn vordering.

[getuige 3] dient te worden veroordeeld in de kosten in de kosten, door de verdachte ter verdediging tegen de vordering gemaakt, begroot tot heden op nihil.

De vordering van [getuige 5]

vordert vergoeding van reiskosten die zij heeft gemaakt naar Slachtofferhulp en het politiebureau. De reiskosten vormen een rechtstreeks gevolg van het bewezenverklaarde (feit 2), zijn voldoende onderbouwd en door de verdediging niet weersproken. De materiële schade ter hoogte van € 5,77 wordt daarom toegewezen.

Daarnaast vordert [getuige 5] immateriële schadevergoeding. [getuige 5] heeft onvoldoende aangevoerd om naar objectieve maatstaven vast te kunnen stellen dat bij haar als gevolg van het feit geestelijk letsel is ontstaan. Naar het oordeel van de rechtbank staat echter wel vast dat er sprake is van een dermate ernstige strafbare feit dat er wel gesproken kan worden van een aantasting in de persoon ‘op andere wijze’. [getuige 5] stond in haar eentje in de winkel, toen de verdachten binnenkwamen. Verdachte [medeverdachte] pakte haar vast en drukte een mes tegen haar keel terwijl verdachte [verdachte] een pistool op haar richtte. De aard en ernst van dit handelen door de verdachten is dusdanig dat voor de hand ligt dat [getuige 5] hier zo’n nadelige gevolgen van heeft ondervonden dat zij in haar persoon is aangetast. De rechtbank acht het gevorderde bedrag van € 1.200,00 billijk, zodat dit bedrag zal worden toegewezen.

De verdachte en zijn mededader zijn naar burgerlijk recht hoofdelijk aansprakelijk voor de door [getuige 5] geleden schade.

Het toegewezen bedrag dient te worden vermeerderd met de wettelijke rente vanaf de dag waarop het feit is gepleegd tot aan de dag der algehele voldoening.

De rechtbank zal tevens de schadevergoedingsmaatregel van artikel 36f van het Wetboek van Strafrecht opleggen aan de verdachte.

Daarnaast dient verdachte te worden veroordeeld in de kosten die de benadeelde partij heeft gemaakt en voor de tenuitvoerlegging nog moet maken, welke kosten worden begroot op nihil.

[slachtoffer 2]

had zich als benadeelde partij in het strafproces gevoegd met een vordering tot schadevergoeding. De door [slachtoffer 2] geleden schade was onderbouwd en bestond uit het geldbedrag dat bij de overval uit de kassalade was weggenomen. Voorafgaand aan de zitting heeft degene die de vordering had ingediend echter laten weten dat [slachtoffer 2] de vordering introk, omdat het niet meer lukte voor de zitting een machtiging van de bevoegde persoon in het geding te brengen. Dat betekent dat de rechtbank niet toekomt aan een behandeling van de vordering. De rechtbank heeft echter op basis van het dossier in combinatie met het voegingsformulier van [slachtoffer 2] kunnen vaststellen dat de verdachte en zijn mededader een bedrag van € 405,00 hebben weggenomen.

De rechtbank acht daarom gelet op de bewezenverklaring termen aanwezig om ambtshalve de schadevergoedingsmaatregel op te leggen, zodat de door [slachtoffer 2] geleden schade alsnog vergoed wordt. De rechtbank zal beslissen tot het opleggen van een schadevergoedingsmaatregel van € 405,00, zijnde het geldbedrag dat uit de kassalade is weggenomen.

De vordering van [getuige 6]

vordert vergoeding van reiskosten die zij heeft gemaakt naar Slachtofferhulp. De reiskosten vormen een rechtstreeks gevolg van het bewezenverklaarde feit (feit 3), zijn voldoende onderbouwd en door de verdediging niet weersproken. De materiële schade wordt ter hoogte van € 2,10 daarom toegewezen.

De verdachte en zijn mededader zijn naar burgerlijk recht hoofdelijk aansprakelijk voor de door [getuige 6] geleden schade.

Daarnaast vordert [getuige 6] immateriële schadevergoeding. Niet gebleken is dat bij [getuige 6] als gevolg van het feit psychisch letsel is ontstaan. Het enkel door [getuige 6] stellen dat zij last heeft van angstaanvallen, slaapproblemen, gevoelens van onveiligheid en andere vervelende gevolgen biedt, hoe naar ook voor haar, onvoldoende grond om in aanmerking te komen voor smartengeld. De aard en de ernst van de bedreiging door de verdachten zijn ook niet dusdanig dat de nadelige gevolgen zo voor de hand liggen dat hieruit een aantasting in de persoon kan worden afgeleid.

Gelet op het voorgaande komt de rechtbank tot de conclusie dat de door [getuige 6] gevorderde immateriële schadevergoeding niet onder het bereik van artikel 6:106 van het Burgerlijk Wetboek valt. [getuige 6] wordt daarom niet-ontvankelijk verklaard in haar vordering.

De vordering van [getuige 7]

maakt aanspraak op immateriële schadevergoeding. Niet gebleken is dat bij [getuige 7] als gevolg van het feit geestelijk letsel is ontstaan. Het enkel door [getuige 7] stellen dat hij last heeft van angstaanvallen, slaapproblemen, gevoelens van onveiligheid en andere vervelende gevolgen biedt, hoe naar ook voor hem, onvoldoende grond om in aanmerking te komen voor smartengeld. De aard en de ernst van de bedreiging door de verdachten zijn ook niet dusdanig dat de nadelige gevolgen zo voor de hand liggen dat hieruit een aantasting in de persoon kan worden afgeleid.

Gelet op het voorgaande komt de rechtbank tot de conclusie dat de door [getuige 7] gevorderde immateriële schadevergoeding niet onder het bereik van artikel 6:106 van het Burgerlijk Wetboek valt. [getuige 7] wordt daarom niet-ontvankelijk verklaard in zijn vordering.

8 De wettelijke voorschriften

De beslissing berust op de artikelen 36f, 45, 57 en 312 van het Wetboek van Strafrecht, zoals deze artikelen luidden ten tijde van het bewezenverklaarde.

9 De beslissing

De rechtbank:

Bewezenverklaring

  • -

    verklaart het tenlastegelegde bewezen zoals hierboven onder 3.4 is omschreven;

  • -

    spreekt de verdachte vrij van wat meer of anders is ten laste gelegd;

Strafbaarheid

  • -

    verklaart dat het bewezenverklaarde de strafbare feiten oplevert zoals hierboven onder 4 is omschreven;

  • -

    verklaart de verdachte strafbaar;

Gevangenisstraf

  • -

    veroordeelt de verdachte tot een gevangenisstraf van 6 jaren;

  • -

    beveelt dat de tijd die door de veroordeelde vóór de tenuitvoerlegging van deze uitspraak in voorarrest is doorgebracht, bij de uitvoering van deze gevangenisstraf in mindering zal worden gebracht;

Benadeelde partij [getuige 1] en schadevergoedingsmaatregel

  • -

    wijst de vordering van de benadeelde partij [getuige 1] volledig toe en veroordeelt de verdachte mitsdien hoofdelijk om aan de benadeelde partij [getuige 1] te betalen een bedrag van € 1.209,70, te vermeerderen met de wettelijke rente te berekenen over de periode van 8 december 2019 tot aan de dag van de volledige voldoening. Dit bedrag bestaat uit € 9,70 materiële schade en € 1.200,00 immateriële schade;

  • -

    veroordeelt de verdachte in de kosten door de benadeelde partij in het kader van deze procedure gemaakt en ten behoeve van de tenuitvoerlegging nog te maken, begroot tot heden op nihil;

  • -

    legt aan de verdachte de verplichting op tot betaling aan de Staat ten behoeve van het slachtoffer [getuige 1] van een bedrag van € 1.209,70, te vermeerderen met de wettelijke rente te berekenen over de periode vanaf 8 december 2019 tot aan de dag van de volledige voldoening;

  • -

    bepaalt dat, indien volledig verhaal niet mogelijk blijkt, gijzeling kan worden toegepast voor de duur van 22 dagen. De toepassing van gijzeling heft de betalingsverplichting niet op;

  • -

    bepaalt dat, indien de verdachte heeft voldaan aan de verplichting tot betaling aan de Staat daarmee de verplichting tot betaling aan de benadeelde partij in zoverre komt te vervallen en andersom dat, indien de verdachte heeft voldaan aan de verplichting tot betaling aan de benadeelde partij daarmee de verplichting tot betaling aan de Staat in zoverre komt te vervallen;

  • -

    bepaalt dat voor zover dit bedrag door de mededader [medeverdachte] is betaald, de verdachte niet gehouden is dit bedrag aan de Staat te betalen;

Benadeelde partij [getuige 2] en schadevergoedingsmaatregel

  • -

    wijst de vordering van de benadeelde partij [getuige 2] gedeeltelijk toe en veroordeelt de verdachte mitsdien hoofdelijk om aan de benadeelde partij [getuige 2] te betalen een bedrag van € 1.587,94, te vermeerderen met de wettelijke rente te berekenen over de periode van 8 december 2019 tot aan de dag van de volledige voldoening. Dit bedrag bestaat uit € 387,94 materiële schade en € 1.200,00 immateriële schade;

  • -

    wijst de vordering ten aanzien van het meergevorderde aan immateriële schadevergoeding af;

  • -

    veroordeelt de verdachte in de kosten door de benadeelde partij in het kader van deze procedure gemaakt en ten behoeve van de tenuitvoerlegging nog te maken, begroot tot heden op nihil;

  • -

    legt aan de verdachte de verplichting op tot betaling aan de Staat ten behoeve van het slachtoffer [getuige 2] van een bedrag van € 1.587,94, te vermeerderen met de wettelijke rente te berekenen over de periode vanaf 8 december 2019 tot aan de dag van de volledige voldoening;

  • -

    bepaalt dat, indien volledig verhaal niet mogelijk blijkt, gijzeling kan worden toegepast voor de duur van 25 dagen. De toepassing van gijzeling heft de betalingsverplichting niet op;

  • -

    bepaalt dat, indien de verdachte heeft voldaan aan de verplichting tot betaling aan de Staat daarmee de verplichting tot betaling aan de benadeelde partij in zoverre komt te vervallen en andersom dat, indien de verdachte heeft voldaan aan de verplichting tot betaling aan de benadeelde partij daarmee de verplichting tot betaling aan de Staat in zoverre komt te vervallen;

  • -

    bepaalt dat voor zover dit bedrag door de mededader [medeverdachte] is betaald, de verdachte niet gehouden is dit bedrag aan de Staat te betalen;

Benadeelde partij [getuige 3] en schadevergoedingsmaatregel

  • -

    verklaart de benadeelde partij [getuige 3] niet-ontvankelijk in zijn vordering;

  • -

    veroordeelt de benadeelde partij [getuige 3] in de kosten, door de verdachte ter verdediging tegen de vordering gemaakt, begroot tot heden op nihil;

Benadeelde partij [getuige 5] en schadevergoedingsmaatregel

  • -

    wijst de vordering van de benadeelde partij [getuige 5] volledig toe en veroordeelt de verdachte mitsdien hoofdelijk om aan de benadeelde partij [getuige 5] te betalen een bedrag van € 1.205,77, te vermeerderen met de wettelijke rente te berekenen over de periode van 6 december 2019 tot aan de dag van de volledige voldoening. Dit bedrag bestaat uit € 5,77 materiële schade en € 1.200,00 immateriële schade;

  • -

    veroordeelt de verdachte in de kosten door de benadeelde partij in het kader van deze procedure gemaakt en ten behoeve van de tenuitvoerlegging nog te maken, begroot tot heden op nihil;

  • -

    legt aan de verdachte de verplichting op tot betaling aan de Staat ten behoeve van het slachtoffer [getuige 5] van een bedrag van € 1.205,77, te vermeerderen met de wettelijke rente te berekenen over de periode vanaf 6 december 2019 tot aan de dag van de volledige voldoening;

  • -

    bepaalt dat, indien volledig verhaal niet mogelijk blijkt, gijzeling kan worden toegepast voor de duur van 22 dagen. De toepassing van gijzeling heft de betalingsverplichting niet op;

  • -

    bepaalt dat, indien de verdachte heeft voldaan aan de verplichting tot betaling aan de Staat daarmee de verplichting tot betaling aan de benadeelde partij in zoverre komt te vervallen en andersom dat, indien de verdachte heeft voldaan aan de verplichting tot betaling aan de benadeelde partij daarmee de verplichting tot betaling aan de Staat in zoverre komt te vervallen;

  • -

    bepaalt dat voor zover dit bedrag door de mededader [medeverdachte] is betaald, de verdachte niet gehouden is dit bedrag aan de Staat te betalen;

Schadevergoedingsmaatregel [slachtoffer 2]

  • -

    legt aan de verdachte de verplichting op tot betaling aan de Staat ten behoeve van het slachtoffer [slachtoffer 2] van een bedrag van € 405,00, te vermeerderen met de wettelijke rente te berekenen over de periode vanaf 6 december 2019 tot aan de dag van de volledige voldoening;

  • -

    bepaalt dat, indien volledig verhaal niet mogelijk blijkt, gijzeling kan worden toegepast voor de duur van 8 dagen. De toepassing van gijzeling heft de betalingsverplichting niet op;

  • -

    bepaalt dat voor zover dit bedrag door de mededader [medeverdachte] is betaald, de verdachte niet gehouden is dit bedrag aan de Staat te betalen;

Benadeelde partij [getuige 6] en schadevergoedingsmaatregel

  • -

    wijst de vordering van de benadeelde partij [getuige 6] gedeeltelijk toe en veroordeelt de verdachte mitsdien hoofdelijk om aan de benadeelde partij [getuige 6] te betalen een bedrag van € 2,10 aan materiële schade, te vermeerderen met de wettelijke rente te berekenen over de periode van 7 december 2019 tot aan de dag van de volledige voldoening;

  • -

    verklaart de benadeelde partij [getuige 6] niet-ontvankelijk in haar vordering tot vergoeding van immateriële schade;

  • -

    veroordeelt de verdachte in de kosten door de benadeelde partij in het kader van deze procedure gemaakt en ten behoeve van de tenuitvoerlegging nog te maken, begroot tot heden op nihil;

  • -

    legt aan de verdachte de verplichting op tot betaling aan de Staat ten behoeve van het slachtoffer [getuige 6] van een bedrag van € 2,10, te vermeerderen met de wettelijke rente te berekenen over de periode vanaf 7 december 2019 tot aan de dag van de volledige voldoening;

  • -

    bepaalt dat, indien volledig verhaal niet mogelijk blijkt, gijzeling kan worden toegepast voor de duur van 1 dag. De toepassing van gijzeling heft de betalingsverplichting niet op;

  • -

    bepaalt dat, indien de verdachte heeft voldaan aan de verplichting tot betaling aan de Staat daarmee de verplichting tot betaling aan de benadeelde partij in zoverre komt te vervallen en andersom dat, indien de verdachte heeft voldaan aan de verplichting tot betaling aan de benadeelde partij daarmee de verplichting tot betaling aan de Staat in zoverre komt te vervallen;

  • -

    bepaalt dat voor zover dit bedrag door de mededader [medeverdachte] is betaald, de verdachte niet gehouden is dit bedrag aan de Staat te betalen;

Benadeelde partij [getuige 7] en schadevergoedingsmaatregel

  • -

    verklaart de benadeelde partij [getuige 7] niet-ontvankelijk in zijn vordering;

  • -

    veroordeelt de benadeelde partij [getuige 7] in de kosten, door de verdachte ter verdediging tegen de vordering gemaakt, begroot tot heden op nihil.

Dit vonnis is gewezen door mr. D. Osmić, voorzitter, mr. A.M. Schutte en mr. C.J.M. Brands, rechters, in tegenwoordigheid van mr. S.H.J. Muijlkens, griffier, en uitgesproken ter openbare zitting van 22 september 2020.

BIJLAGE I: De tenlastelegging

Aan de verdachte is ten laste gelegd dat

1.

hij op of omstreeks 8 december 2019 te Geleen, in elk geval binnen het arrondissement Limburg, tezamen en in vereniging met een ander of anderen, althans alleen,

A.

met het oogmerk om zich en/of (een) ander(en) wederrechtelijk te bevoordelen door geweld en/of bedreiging met geweld mevrouw [getuige 1] , in functie als kassière bij de [slachtoffer 1] , heeft gedwongen tot de afgifte van 583,68 euro, in elk geval enig goed en/of enig bedrag aan geld, geheel of ten dele toebehorende aan de [slachtoffer 1] , in elk geval aan een ander of anderen dan aan verdachte en/of zijn mededader(s),

welk geweld en/of welke bedreiging met geweld hierin heeft bestaan dat verdachte en/of zijn mededader(s),

-een mes, althans een scherp en/of puntig voorwerp, meermalen, althans eenmaal, (met kracht) tegen de linkerzijde van het lichaam van die [getuige 1] heeft geduwd en/of gedrukt en/of geprikt, althans voornoemd voorwerp dreigend aan die [getuige 1] heeft getoond, en/of

-die [getuige 1] daarbij dreigend de woorden "Doe de la open" heeft toegevoegd, en/of

-dreigend een pistool, althans een op een vuurwapen gelijkend voorwerp, op [getuige 2] (klant [slachtoffer 1] ) en/of [getuige 3] (klant [slachtoffer 1] ), heeft gericht, althans dat voorwerp dreigend heeft getoond;

EN/OF

B.

met het oogmerk van wederrechtelijke toe-eigening heeft weggenomen 583,68 euro, in elk geval enig goed en/of enig bedrag aan geld, geheel of ten dele toebehorende aan [slachtoffer 1] , in elk geval aan een ander of anderen dan aan verdachte en/of zijn mededader(s),

welke diefstal werd voorafgegaan en/of vergezeld en/of gevolgd van geweld en/of bedreiging met geweld tegen [getuige 1] , in functie als kassière bij de [slachtoffer 1] , en/of tegen [getuige 2] (klant [slachtoffer 1] ) en/of [getuige 3] (klant [slachtoffer 1] ),

gepleegd met het oogmerk om die diefstal voor te bereiden en/of gemakkelijk te maken en/of om bij betrapping op heterdaad aan zichzelf en/of aan zijn mededader(s) hetzij de vlucht mogelijk te maken, hetzij het bezit van het gestolene te verzekeren,

welk geweld en/of welke bedreiging met geweld hierin heeft bestaan dat verdachte en/of zijn mededader(s).

-een mes, althans een scherp en/of puntig voorwerp, meermalen, althanseenmaal, (met kracht) tegen de linkerzijde van het lichaam van die [getuige 1] heeft geduwd en/of gedrukt en/of geprikt, althans voornoemd voorwerp dreigend aan die [getuige 1] heeft getoond, en/of

-die [getuige 1] daarbij dreigend de woorden "Doe de la open" heeft toegevoegd, en/of

-dreigend een pistool, althans een op een vuurwapen gelijkend voorwerp, op [getuige 2] (klant [slachtoffer 1] ) en/of [getuige 3] (klant [slachtoffer 1] ), heeft gericht, althans dat voorwerp dreigend heeft getoond;

(art 317 lid 1 Wetboek van Strafrecht, art 312 lid 2 ahf/sub 2 Wetboek van Strafrecht, art 317 lid 3 Wetboek van Strafrecht)

2.

hij op of omstreeks 6 december 2019 te Geleen, in elk geval binnen het arrondissement Limburg, tezamen en in vereniging met een ander of anderen, althans alleen,

A.

met het oogmerk om zich en/of (een) ander(en) wederrechtelijk te bevoordelen door geweld en/of bedreiging met geweld mevrouw [getuige 5] , medewerker bij de [slachtoffer 2] , heeft gedwongen tot de afgifte van (ongeveer) 300,-- euro, in elk geval enig goed en/of enig bedrag aan geld, geheel of ten dele toebehorende aan de [slachtoffer 2] , in elk geval aan een ander of anderen dan aan verdachte en/of zijn mededader(s),

welk geweld en/of welke bedreiging met geweld hierin heeft bestaan dat verdachte en/of zijn mededader(s),

-een mes, althans een scherp en/of puntig voorwerp, meermalen, althans eenmaal, (met kracht) tegen de keel van die [getuige 5] heeft geduwd en/of gedrukt en/of geprikt, althans voornoemd voorwerp dreigend aan die [getuige 5] heeft getoond, en/of

-die [getuige 5] daarbij (ondermeer) dreigend de woorden "La open nu! Geld!" en/of "La open of ik snij je keel door" heeft toegevoegd, en/of in

-dreigend een pistool, althans een op een vuurwapen gelijkend voorwerp, op die [getuige 5] heeft gericht, althans voornoemd voorwerp dreigend heeft getoond;

EN/OF

B.

met het oogmerk van wederrechtelijke toe-eigening heeft weggenomen (ongeveer) 300,-- euro, in elk geval enig goed en/of enig bedrag aan geld, geheel of ten dele toebehorende aan [slachtoffer 2] , in elk geval aan een ander of anderen dan aan verdachte en/of zijn mededader(s),

welke diefstal werd voorafgegaan en/of vergezeld en/of gevolgd van geweld en/of bedreiging met geweld tegen [getuige 5] , medewerker bij de [slachtoffer 2] ,

gepleegd met het oogmerk om die diefstal voor te bereiden en/of gemakkelijk te maken en/of om bij betrapping op heterdaad aan zichzelf en/of aan zijn mededader(s) hetzij de vlucht mogelijk te maken, hetzij het bezit van het gestolene te verzekeren,

welk geweld en/of welke bedreiging met geweld hierin heeft bestaan dat verdachte en/of zijn mededader(s).

-een mes, althans een scherp en/of puntig voorwerp, meermalen, althans eenmaal, (met kracht) tegen de keel van die [getuige 5] heeft geduwd en/of gedrukt en/of geprikt, althans voornoemd voorwerp dreigend aan die [getuige 5] heeft getoond, en/of

-die [getuige 5] daarbij (ondermeer) dreigend de woorden "La open nu! Geld!" en/of "La open of ik snij je keel door" heeft toegevoegd, en/of in

-dreigend een pistool, althans een op een vuurwapen gelijkend voorwerp, op die [getuige 5] heeft gericht, althans voornoemd voorwerp dreigend heeft getoond;

(art 317 lid 1 Wetboek van Strafrecht, art 312 lid 2 ahf/sub 2 Wetboek van Strafrecht, art 317 lid 3 Wetboek van Strafrecht)

3.

hij op of omstreeks 7 december 2019 te Geleen, in elk geval binnen het arrondissement Limburg, tezamen en in vereniging met een ander of anderen, althans alleen,

A.

ter uitvoering van het door verdachte en/of zijn mededader(s)voorgenomen misdrijf om goederen en/of geld van zijn of hun gading, in elk geval enig goed, dat geheel of ten dele aan een ander dan aan verdachte en/of zijn mededader(s) toebehoorde, te weten aan " [slachtoffer 3] ", weg te nemen met het oogmerk om het zich wederrechtelijk toe te eigenen,

deze poging tot diefstal heeft/hebben doen voorafgaan, doen vergezellen en/of doen volgen van geweld en/of bedreiging met geweld tegen het zich in het pand van " [slachtoffer 3] " bevindende personeel, te weten [getuige 6] en/of [getuige 7] , gepleegd met het oogmerk om die voorgenomen diefstal voor te bereiden en/of gemakkelijk te maken, of om, bij betrapping op heterdaad, aan zichzelf en/of andere deelnemer(s) aan het misdrijf hetzij de vlucht mogelijk te maken, hetzij het bezit van het gestolene te verzekeren,

welk geweld en/of welke bedreiging met geweld hierin heeft bestaan dat verdachte en/of zijn mededader(s)

-een hamer, althans een soortgelijk voorwerp, meermalen althans eenmaal (met kracht) op de toonbank heeft geslagen en/of voornoemd voorwerp dreigend aan die [getuige 7] en/of [getuige 6] heeft getoond, en/of

-die [getuige 7] en/of [getuige 6] (daarbij) meermalen, althans eenmaal, dreigend de woorden heeft toegevoegd: "Maak de kassa open" en/of "Maak de kassa open nu en geef me geld", en/of

-dreigend een pistool, althans een op een vuurwapen gelijkend voorwerp, op die [getuige 7] en/of [getuige 6] heeft gericht, althans dat voorwerp dreigend heeft getoond,

terwijl de uitvoering van dat voorgenomen misdrijf niet is voltooid;

EN/OF

B.

ter uitvoering van het door verdachte en/of zijn mededader(s) voorgenomen misdrijf om met het oogmerk om zich en/of een ander wederrechtelijk te bevoordelen door geweld en/of bedreiging met geweld tegen het zich in het pand " [slachtoffer 3] " bevindende personeel, te weten [getuige 6] en/of [getuige 7] , die [getuige 6] en/of [getuige 7] te dwingen tot de afgifte van goederen en/of geld van

zijn/hun gading, in elk geval enig goed, dat geheel of te dele aan " [slachtoffer 3] " toebehoorde, in elk geval aan een ander of anderen dan aan verdachte en/of zijn mededader(s),

welk geweld en/of welke bedreiging met geweld hierin heeft bestaan dat verdachte en/of zijn mededader(s)

-een hamer, althans een soortgelijk voorwerp, meermalen althans eenmaal (met kracht) op de toonbank heeft geslagen en/of voornoemd voorwerp dreigend aan die [getuige 7] en/of [getuige 6] heeft getoond, en/of

-die [getuige 7] en/of [getuige 6] (daarbij) meermalen, althans eenmaal, dreigend de woorden heeft toegevoegd: "Maak de kassa open" en/of "Maak de kassa open nu en geef me geld", en/of

-dreigend een pistool, althans een op een vuurwapen gelijkend voorwerp, op die [getuige 7] en/of [getuige 6] heeft gericht, althans dat voorwerp dreigend heeft getoond,

terwijl de uitvoering van dat voorgenomen misdrijf niet is voltooid;

(art 310 Wetboek van Strafrecht, art 312 lid 2 ahf/sub 2 Wetboek van Strafrecht, art 45 lid 1 Wetboek van Strafrecht, art 312 lid 1 Wetboek van Strafrecht)

1 Waar hierna wordt verwezen naar paginanummers, wordt - tenzij anders vermeld - gedoeld op paginanummers uit het proces-verbaal van politie districtsrecherche Zuid-West-Limburg, onderzoeksnummer [Nummer] gesloten d.d. 11 mei 2020, doorgenummerd van pagina 1 tot en met pagina 499.

2 Het proces-verbaal van aangifte namens [slachtoffer 1] , p. 55.

3 Het proces-verbaal van verhoor van getuige [getuige 1] , p. 58 en 59.

4 Het proces-verbaal van aangifte van [getuige 1] , p. 60.

5 Het proces-verbaal van verhoor van getuige [getuige 2] , p. 63 en 64.

6 Het proces-verbaal van verhoor van getuige [getuige 3] , p. 72.

7 Het proces-verbaal van verhoor van getuige [getuige 4] , p. 68 en 69.

8 Het proces-verbaal van verhoor van getuige [getuige 8] , p. 80, en het proces-verbaal van verhoor van getuige [getuige 9] , p. 82.

9 Het proces-verbaal van bevindingen, p. 89.

10 Het proces-verbaal van verhoor van verdachte [medeverdachte] , p. 362-363.

11 Het proces-verbaal van aangifte van M.I.J. [getuige 5] , p. 124 en 125.

12 Het proces-verbaal van bevindingen, p. 134 en 135.

13 Het proces-verbaal van bevindingen, p. 145 tot en met 147.

14 Het proces-verbaal van bevindingen, p. 139 tot en met 143.

15 Het proces-verbaal van verhoor van verdachte [medeverdachte] , p. 362.

16 Het proces-verbaal van aangifte namens [slachtoffer 3] , p. 224 en 255.

17 Het proces-verbaal van aangifte van [getuige 7] , p. 227 en 228.

18 Het proces-verbaal van bevindingen, p. 237 tot en met 240.

19 Het proces-verbaal van bevindingen, p. 256 en 257.

20 Het proces-verbaal van verhoor van verdachte [medeverdachte] , p. 362.