Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBLIM:2020:7099

Instantie
Rechtbank Limburg
Datum uitspraak
22-09-2020
Datum publicatie
22-09-2020
Zaaknummer
03/700095-19
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

Verdachte wordt veroordeeld tot een gevangenisstraf van 5 jaren. De rechtbank acht bewezen dat hij samen met een ander in het weekend van 6 tot 8 december 2019 drie overvallen op winkels in Geleen heeft gepleegd.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK LIMBURG

Zittingsplaats Maastricht

Strafrecht

Parketnummer: 03/700095-19

Tegenspraak

Vonnis van de meervoudige kamer d.d. 22 september 2020

in de strafzaak tegen

[verdachte] ,

geboren te [geboorteplaats] (Syrië) op [geboortedag] 1998,

wonende te [adres] ,

gedetineerd in P.I. Sittard te Sittard.

De verdachte wordt bijgestaan door mr. F.A.G.M. Landerloo, advocaat kantoorhoudende te Maastricht.

1 Onderzoek van de zaak

De zaak is inhoudelijk behandeld op de zitting van 8 september 2020. De verdachte en zijn raadsvrouw zijn verschenen. De officier van justitie en de verdediging hebben hun standpunten kenbaar gemaakt.

2 De tenlastelegging

De tenlastelegging is als bijlage aan dit vonnis gehecht.

De verdenking komt er, kort en feitelijk weergegeven, op neer dat de verdachte:

Feit 1: op 8 december 2019 samen met een ander een overval heeft gepleegd op [slachtoffer 1] in Geleen;

Feit 2: op 6 december 2019 samen met een ander een overval heeft gepleegd op [slachtoffer 2] in Geleen;

Feit 3: op 7 december 2019 samen met een ander heeft geprobeerd om [slachtoffer 3] in Geleen te overvallen.

De feiten zijn ten laste gelegd als afpersing of diefstal met geweld.

3 De beoordeling van het bewijs

3.1

Het standpunt van de officier van justitie

De officier van justitie acht de feiten bewezen, gelet op de inhoud van het dossier en de bekennende verklaring die de verdachte bij de politie en ter terechtzitting heeft afgelegd. Dit levert twee keer diefstal met geweld in vereniging gepleegd op en één keer de poging daartoe.

3.2

Het standpunt van de verdediging

De raadsvrouw heeft geen bewijsverweer gevoerd en zich op het standpunt gesteld dat twee keer diefstal met geweld in vereniging gepleegd en één keer de poging daartoe bewezen kunnen worden.

3.3

Het oordeel van de rechtbank

Ten aanzien van de tenlastegelegde feiten zal de rechtbank volstaan met een opgave van de bewijsmiddelen overeenkomstig het bepaalde in artikel 359, derde lid tweede volzin, van het Wetboek van Strafvordering, nu de verdachte deze feiten ter terechtzitting duidelijk en ondubbelzinnig heeft bekend en namens hem geen vrijspraak is bepleit.

De rechtbank acht de feiten bewezen, gelet op:1

t.a.v. feiten 1, 2 en 3:

- de verklaring van de verdachte ter terechtzitting d.d. 8 september 2020;

t.a.v. feit 1:

- het proces-verbaal van aangifte namens [slachtoffer 1] d.d. 10 december 2019;2

- het proces-verbaal van verhoor van getuige [getuige 1] d.d. 8 december 2019;3

- het proces-verbaal van aangifte van [getuige 1] d.d. 10 december 2019;4

- het proces-verbaal van verhoor van getuige [getuige 2] d.d. 8 december 2019;5

- het proces-verbaal van verhoor van getuige [getuige 3] d.d. 8 december 2019;6

t.a.v. feit 2:

- het proces-verbaal van aangifte van [getuige 6] d.d. 6 december 2019;7

t.a.v. feit 3:

- het proces-verbaal van aangifte door [getuige 7] namens [slachtoffer 3] d.d. 7 december 2019;8

- het proces-verbaal van aangifte van [getuige 8] d.d. 7 december 2019.9

Het handelen van de verdachte kwalificeert op grond van hiervoor opgesomde bewijsmiddelen telkens als diefstal met geweld (in vereniging gepleegd) en niet als afpersing. Voor zover aan de verdachte afpersing ten laste is gelegd, zal hij dan ook vrijgesproken worden.

3.4

De bewezenverklaring

De rechtbank acht bewezen dat de verdachte

1.

op 8 december 2019 te Geleen tezamen en in vereniging met een ander met het oogmerk van wederrechtelijke toe-eigening heeft weggenomen 583,68 euro toebehorende aan [slachtoffer 1] , welke diefstal werd voorafgegaan en vergezeld en gevolgd van geweld en bedreiging met geweld tegen [getuige 1] , in functie als kassière bij de [slachtoffer 1] , en/of tegen [getuige 2] (klant [slachtoffer 1] ) en/of [getuige 3] (klant [slachtoffer 1] ),

gepleegd met het oogmerk om die diefstal voor te bereiden en gemakkelijk te maken en om bij betrapping op heterdaad aan zichzelf en aan zijn mededader hetzij de vlucht mogelijk te maken, hetzij het bezit van het gestolene te verzekeren,

welk geweld en welke bedreiging met geweld hierin heeft bestaan dat verdachte

-een mes meermalen met kracht tegen de linkerzijde van het lichaam van die [getuige 1] heeft gedrukt en/of geprikt, en

-die [getuige 1] daarbij dreigend de woorden "Doe de la open" heeft toegevoegd,

en dat zijn mededader

-dreigend een pistool, althans een op een vuurwapen gelijkend voorwerp, op [getuige 2] (klant [slachtoffer 1] ) en [getuige 3] (klant [slachtoffer 1] ) , heeft gericht, althans dat voorwerp dreigend heeft getoond.

2.

op 6 december 2019 te Geleen tezamen en in vereniging met een ander met het oogmerk van wederrechtelijke toe-eigening heeft weggenomen ongeveer 300,-- euro toebehorende aan [slachtoffer 2] , welke diefstal werd voorafgegaan en vergezeld en gevolgd van geweld en bedreiging met geweld tegen [getuige 6] , medewerkster bij [slachtoffer 2] ,

gepleegd met het oogmerk om die diefstal voor te bereiden en gemakkelijk te maken en om bij betrapping op heterdaad aan zichzelf en aan zijn mededader hetzij de vlucht mogelijk te maken, hetzij het bezit van het gestolene te verzekeren,

welk geweld en welke bedreiging met geweld hierin heeft bestaan dat verdachte

-een mes met kracht tegen de keel van die [getuige 6] heeft gedrukt en

-die [getuige 6] daarbij dreigend de woorden "La open nu! Geld!" en "La open of ik snij je keel door" heeft toegevoegd,

en dat zijn mededader

-dreigend een pistool, althans een op een vuurwapen gelijkend voorwerp, op die [getuige 6] heeft gericht, althans voornoemd voorwerp dreigend heeft getoond.

3.

op 7 december 2019 te Geleen, tezamen en in vereniging met een ander ter uitvoering van het door verdachte en zijn mededader voorgenomen misdrijf om goederen en/of geld van hun gading, toebehorende aan " [slachtoffer 3] ", weg te nemen met het oogmerk om het zich wederrechtelijk toe te eigenen,

deze poging tot diefstal hebben doen voorafgaan van bedreiging met geweld tegen het zich in het pand van " [slachtoffer 3] " bevindende personeel, te weten [getuige 7] en/of [getuige 8] , gepleegd met het oogmerk om die voorgenomen diefstal voor te bereiden en/of gemakkelijk te maken, of om, bij betrapping op heterdaad, aan zichzelf en/of andere deelnemer(s) aan het misdrijf hetzij de vlucht mogelijk te maken, hetzij het bezit van het gestolene te verzekeren,

welke bedreiging met geweld hierin heeft bestaan dat verdachte

-met een hamer meermalen met kracht op de toonbank heeft geslagen en dreigend aan die [getuige 8] en [getuige 7] heeft getoond, en

-die [getuige 8] en/of [getuige 7] daarbij dreigend de woorden heeft toegevoegd: "Maak de kassa open" en "Maak de kassa open nu en geef me geld",

en dat zijn mededader:

- dreigend een pistool, althans een op een vuurwapen gelijkend voorwerp, op die [getuige 8] en [getuige 7] heeft gericht, althans dat voorwerp dreigend heeft getoond,

terwijl de uitvoering van dat voorgenomen misdrijf niet is voltooid.

De rechtbank acht niet bewezen hetgeen meer of anders is ten laste gelegd. De verdachte zal daarvan worden vrijgesproken.

4 De strafbaarheid van het bewezenverklaarde

Het bewezenverklaarde levert de volgende strafbare feiten op:

t.a.v. feit 1 en 2:

diefstal, voorafgegaan, vergezeld en gevolgd van geweld en bedreiging met geweld tegen personen, gepleegd met het oogmerk om die diefstal voor te bereiden, gemakkelijk te maken en bij betrapping op heter daad, aan zichzelf of andere deelnemers van het misdrijf hetzij de vlucht mogelijk te maken, hetzij het bezit van het gestolene te verzekeren, terwijl het feit wordt gepleegd door twee of meer verenigde personen

t.a.v. feit 3:

poging tot diefstal, voorafgegaan van bedreiging met geweld tegen personen, gepleegd met het oogmerk om die diefstal voor te bereiden, terwijl het feit wordt gepleegd door twee of meer verenigde personen

Er zijn geen feiten of omstandigheden aannemelijk geworden die de strafbaarheid van de feiten uitsluiten.

5 De strafbaarheid van de verdachte

De verdachte is strafbaar, omdat geen feiten of omstandigheden aannemelijk zijn geworden die zijn strafbaarheid uitsluiten.

6 De straf en/of de maatregel

6.1

De vordering van de officier van justitie

De officier van justitie heeft gevorderd aan de verdachte op te leggen een gevangenisstraf voor de duur van 5 jaren en 6 maanden, met aftrek van de tijd die de verdachte al in voorarrest zit. Bij het bepalen van de strafeis heeft de officier van justitie rekening gehouden met de ernst van de feiten, de gevolgen die de feiten voor de slachtoffers en de samenleving hebben gehad, het (bijna blanco) strafblad van de verdachte en het reclasseringsadvies. De officier van justitie ziet, anders dan de reclassering, geen reden om over te gaan tot toepassing van het adolescentenstrafrecht.

Omdat de verdachte spijt heeft betuigd, excuusbrieven naar de slachtoffers heeft geschreven en het initiatief heeft genomen tot herstelbemiddeling eist de officier van justitie voor deze verdachte een lagere gevangenisstraf dan voor medeverdachte [naam] .

6.2

Het standpunt van de verdediging

De raadsvrouw heeft zich op het standpunt gesteld dat het adolescentenstrafrecht toegepast moet worden. De reclassering adviseert dit ook, gelet op de persoonlijkheid van de verdachte en omdat enkele bijzondere voorwaarden opgelegd kunnen worden die bij het volwassenenstrafrecht niet mogelijk zijn. Gelet op de ernst van de feiten dient de maximale jeugddetentie van 24 maanden opgelegd te worden, waarvan 8 maanden voorwaardelijk met de door de reclassering geadviseerde bijzondere voorwaarden.

Indien de rechtbank het adolescentenstrafrecht niet wil toepassen, dan is een gevangenisstraf voor de duur van 4 jaren passend, waarvan 1 jaar voorwaardelijk met de door de reclassering geadviseerde bijzondere voorwaarden, voor zover die aan volwassenen opgelegd kunnen worden. Volgens de LOVS-oriëntatiepunten is uitgangspunt voor de drie feiten namelijk een gevangenisstraf voor de duur van 5 jaren en strafverminderend moet daarbij nog rekening gehouden worden met de jonge leeftijd van de verdachte, de inhoud van het reclasseringsadvies, de houding van de verdachte (ook richting de slachtoffers), mogelijke problemen met de verlenging van zijn verblijfsvergunning bij een lange veroordeling, de slechte gezondheid van de moeder van de verdachte en het feit dat de verdachte geen relevant strafblad heeft.

6.3

Het oordeel van de rechtbank

Toepassing adolescentenstrafrecht?

Vooropgesteld zij dat het uitgangspunt in het Nederlandse strafrecht is dat verdachten die 18 jaar of ouder zijn worden berecht volgens het volwassenenstrafrecht. Hierop is een uitzondering mogelijk voor jongvolwassenen. De rechtbank kan voor jongvolwassenen (= adolescenten) kiezen voor een afdoening met sancties die worden toegepast bij minderjarigen. De rechtbank kan dit zogeheten adolescentenstrafrecht toepassen, indien daartoe grond wordt gevonden in de persoonlijkheid van verdachte of de omstandigheden waaronder het feit is begaan. De rechtbank heeft voor het beantwoorden van de vraag of ten aanzien van verdachte het adolescentenstrafrecht moet worden toegepast, niet alleen acht geslagen op het advies van de reclassering, waarin wordt geconcludeerd dat toepassing gegeven moet worden aan het adolescentenstrafrecht, maar ook gekeken naar omstandigheden die de persoonlijkheid van de verdachte betreffen. De rechtbank hecht hierbij veel waarde aan hetgeen de verdachte zelf ter terechtzitting naar voren heeft gebracht. De verdachte heeft verklaard dat hij op 17-jarige leeftijd alleen naar Nederland is gekomen en dat hij pas later is herenigd met zijn moeder en broer. De verdachte woonde ten tijde van de feiten wel (weer) bij zijn moeder, maar dat sprake was van een afhankelijke situatie van de verdachte ten opzichte van zijn moeder is niet gebleken. Hij ging zijn eigen gang. Zo had de verdachte een relatie met een 38-jarige vrouw met 4 kinderen. De verdachte voelde zich, naar eigen zeggen, ook verantwoordelijk voor deze kinderen. Verder verrichtte de verdachte vrijwilligerswerk en betaald werk. Kortom: alles wijst erop dat de verdachte een leven als volwassene leidt, zelfstandig beslissingen neemt en als volwassene moet worden aangemerkt. Dat hij zich makkelijk laat beïnvloeden en risico’s slecht inschat, leidt er in het onderhavige geval niet toe dat een aanpak via het adolescentenstrafrecht geïndiceerd is.

Dat bepaalde bijzondere voorwaarden die aan jongeren gesteld kunnen worden, niet in het volwassenenstrafrecht opgelegd kunnen worden, rechtvaardigt op zichzelf evenmin toepassing van het adolescentenstrafrecht.

Gelet op het voorgaande zal de rechtbank het volwassenenstrafrecht toepassen.

Strafmotivering

Bij de bepaling van de op te leggen straf is gelet op de aard en ernst van hetgeen bewezen is verklaard, op de omstandigheden waaronder het bewezenverklaarde is begaan en op de persoon van de verdachte, zoals een en ander uit het onderzoek ter terechtzitting naar voren is gekomen.

De verdachte heeft zich samen met [medeverdachte] in één weekend schuldig gemaakt aan drie overvallen op winkels. Eén overval werd niet voltooid, omdat het slachtoffer de verdachte wist te verjagen. De verdachten waren enkel uit op hun eigen financieel gewin en ontzagen niemand. Uit de verschillende slachtofferverklaringen die zich in het dossier bevinden en ter terechtzitting zijn voorgelezen, blijkt de enorme impact die de overvallen op de slachtoffers hebben gehad. Terwijl zij ‘gewoon’ aan het werk waren of een boodschap wilden doen, werden zij geconfronteerd met de verdachten met een hamer, een mes of een vuurwapen. [getuige 1] kreeg zelfs een mes tegen haar zij gedrukt en [getuige 6] werd het mes tegen haar keel gedrukt terwijl tegelijkertijd een vuurwapen op haar werd gericht. De rechtbank rekent het verdachte aan dat hij niet stil heeft gestaan bij de gevolgen die zo’n gewelddadig misdrijf voor de slachtoffers heeft. De ervaring leert namelijk dat zij daarna vaak nog lang last hebben van angstgevoelens en een gevoel van onveiligheid ervaren. Bovendien veroorzaakt en versterkt zo’n gewelddadig feit in meer algemene zin ook gevoelens van angst en onveiligheid in de maatschappij, zeker bij winkeliers en werknemers achter de kassa in Geleen en omstreken.

De rechtbank is van oordeel dat de aard en de ernst van de bewezenverklaarde feiten een forse onvoorwaardelijke gevangenisstraf rechtvaardigen. Bij het bepalen van de straf heeft de rechtbank gekeken naar de landelijke oriëntatiepunten voor straftoemeting (de LOVS-oriëntatiepunten). Het oriëntatiepunt voor één overval op een winkel met gebruik van licht geweld of bedreiging is een gevangenisstraf voor de duur van twee jaren. In geval van een poging (feit 3) wordt de straf doorgaans met een derde verminderd. Strafvermeerderende en/of strafverminderende factoren zijn hierbij nog niet meegewogen. In deze zaak zijn een aantal feiten en omstandigheden aan de orde die voor de rechtbank strafverzwarend werken. Zo werkt strafverzwarend dat de verdachten de feiten met zijn tweeën pleegden. Ook werkt strafverzwarend dat de verdachten een mes en een pistool gebruikten tijdens de overvallen. Of het mes en pistool nu echt of nep waren, maakt voor de rechtbank geen verschil. De slachtoffers beschrijven de wapens als lijkend op echte wapens en de dreiging richting slachtoffers en de angst die de verdachten hen hebben aangedaan, blijven dan ook even groot.

Dat de verdachte als asielzoeker in Nederland strafbare feiten heeft gepleegd, heeft de rechtbank eveneens strafverzwarend meegewogen. Zoals de verdachte zelf ter terechtzitting aangaf, geldt dat de verdachte vluchtte uit zijn geboorteland omdat hij een veilig en beter leven wilde leiden. In Nederland is hem deze kans geboden. De verdachte heeft ter terechtzitting ook verklaard dat hij dankbaar is dat hij in Nederland mag verblijven. Het plegen van overvallen getuigt van een totaal gebrek aan respect voor de gastvrijheid die hem wordt geboden, zoals verdachte inmiddels ook lijkt in te zien.

De proceshouding van de verdachte heeft de rechtbank in strafverminderende zin laten meewegen. De verdachte heeft uiteindelijk bekend de feiten gepleegd te hebben en hij neemt sindsdien verantwoordelijkheid voor zijn daden. Hij heeft excuusbrieven geschreven naar de slachtoffers en ter terechtzitting heeft hij aangegeven dat hij de schade van de slachtoffers wil vergoeden en dat hij veel spijt heeft van zijn daden. Ook heeft de verdachte zijn tijd in de gevangenis benut om diverse cursussen te gaan volgen. De houding van de verdachte vormt voor de rechtbank aanleiding om aan deze verdachte een aanzienlijk lagere gevangenisstraf op te leggen dan aan medeverdachte [naam] .

Alles overwegend vindt de rechtbank voor deze verdachte een gevangenisstraf voor de duur van 5 jaren passend, zodat deze straf aan de verdachte opgelegd wordt. Gelet op de hoogte van de straf kan geen deel van de straf in voorwaardelijke zin aan de verdachte opgelegd worden. De rechtbank ziet hier, gelet op de ernst van de feiten, ook geen aanleiding voor. Bijzondere voorwaarden die passen bij de persoon van de verdachte kunnen nog in het kader van de voorwaardelijke invrijheidsstelling aan hem opgelegd worden.

7 De benadeelde partijen en de schadevergoedingsmaatregel

7.1

De vorderingen van de benadeelde partij

In deze strafbaar hebben zich zes personen als benadeelde partij gevoegd.

De benadeelde partij [getuige 1] vordert een bedrag van € 9,07 aan materiële schadevergoeding (reiskosten) en € 1.200,00 aan immateriële schadevergoeding ter zake van feit 1.

De benadeelde partij [getuige 2] vordert een bedrag van € 387,94 aan materiële schadevergoeding (reiskosten, kosten medicatie en eigen risico zorgverzekering) en een bedrag van € 3.000,00 aan immateriële schadevergoeding ter zake van feit 1.

De benadeelde partij [getuige 3] vordert een bedrag van € 815,00 aan immateriële schadevergoeding ter zake van feit 1.

De benadeelde partij [getuige 6] vordert een bedrag van € 5,77 aan materiële schadevergoeding (reiskosten) en € 1.200,00 aan immateriële schadevergoeding ter zake van feit 2.

De benadeelde partij [getuige 7] vordert een bedrag van € 2,10 aan materiële schadevergoeding (reiskosten) en € 1.200,00 aan immateriële schadevergoeding ter zake van feit 3.

De benadeelde partij [getuige 8] vordert een bedrag van € 2.500,00 aan immateriële schadevergoeding ter zake van feit 3.

7.2

Het standpunt van de officier van justitie

De officier van justitie heeft zich op het standpunt gesteld dat de vorderingen van de benadeelde partijen (met uitzondering van de vordering van [getuige 8] ) volledig toewijsbaar zijn, inclusief de wettelijke rente en met oplegging van de schadevergoedingsmaatregel. De vordering van [getuige 8] dient gematigd te worden tot een bedrag van € 1.200,00. Daarnaast dient aan de verdachte de schadevergoedingsmaatregel opgelegd te worden voor een bedrag van € 405,00 ten behoeve van het slachtoffer [slachtoffer 2] . Dit geldbedrag is namelijk tijdens de overval weggenomen uit de kassa. [slachtoffer 2] heeft haar verzoek tot schadevergoeding enkel ingetrokken omdat zij niet op tijd een machtiging van de bevoegde persoon kon overleggen. Het is wel op zijn plaats dat de schade aan [slachtoffer 2] vergoed wordt.

7.3

Het standpunt van de verdediging

De raadsvrouw heeft zich ten aanzien van de ingediende materiële schadevorderingen gerefereerd aan het oordeel van de rechtbank.

[getuige 1] , [getuige 3] , [getuige 6] , [getuige 7] en [getuige 8] moeten volgens de raadsvrouw niet-ontvankelijk verklaard worden in hun immateriële schadevorderingen, omdat niet is voldaan aan de vereisten van artikel 6:106 BW: zij hebben namelijk niet met voldoende concrete gegevens onderbouwd dat sprake is geweest van een aantasting in de persoon ‘op andere wijze’.

[getuige 2] heeft zijn immateriële schadevordering wel voldoende onderbouwd, maar deze vordering dient, gelet op soortgelijke zaken, gematigd te worden tot een bedrag van

€ 1.000,00.

7.4

Het oordeel van de rechtbank

Beoordelingskader schadevergoeding

Voor vergoeding aan de benadeelde partij komt overeenkomstig de regels van het materiële burgerlijk recht slechts in aanmerking de schade die de benadeelde partij heeft geleden als gevolg van de onrechtmatige gedragingen van de verdachte, voor zover deze schade op de voet van art. 6:98 BW aan de verdachte kan worden toegerekend. Deze schade kan bestaan uit vermogensschade en, voor zover de wet daarop aanspraak geeft, ander nadeel (art. 6:95, eerste lid, BW).

Vermogensschade kan zowel geleden verlies als gederfde winst omvatten (art. 6:96, eerste lid, BW). Zij bestaat uit de daadwerkelijke verandering die het vermogen van de benadeelde partij door het strafbare feit heeft ondergaan. Uitgangspunt is dus de vergoeding van de concreet geleden schade.

Art. 6:106 BW geeft een limitatieve opsomming van gevallen waarin aanspraak gemaakt kan worden op vergoeding van immateriële schade als gevolg van onrechtmatig handelen.

In deze zaak zijn de volgende categorieën van belang:

a. Indien de aansprakelijke persoon het oogmerk had zodanig nadeel toe te brengen. Conform de bestendige jurisprudentie van de Hoge Raad is hiervan slechts zelden sprake.

b. Indien de benadeelde lichamelijk letsel heeft opgelopen, in zijn eer of goede naam is geschaad of op andere wijze in zijn persoon is aangetast. Van aantasting van de persoon op ‘andere wijze’ is in ieder geval sprake indien de benadeelde partij geestelijk letsel heeft opgelopen. Degene die zich hierop beroept, zal voldoende concrete gegevens moeten aanvoeren waaruit kan volgen dat in verband met de omstandigheden van het geval psychische schade is ontstaan. Daartoe is vereist dat naar objectieve maatstaven het bestaan van geestelijk letsel kan worden vastgesteld.

Ook als het bestaan van geestelijk letsel in voornoemde zin niet kan worden aangenomen, is niet uitgesloten dat de aard en de ernst van de normschending en van de gevolgen daarvan voor de benadeelde, meebrengen dat van bedoelde aantasting in zijn persoon ‘op andere wijze’ sprake is. In zo een geval zal degene die zich hierop beroept de aantasting in zijn persoon met concrete gegevens moeten onderbouwen. Dat is slechts anders indien de aard en de ernst van de normschending meebrengen dat de in dit verband relevante nadelige gevolgen daarvan voor de benadeelde zo voor de hand liggen, dat een aantasting in de persoon kan worden aangenomen. Van een aantasting in de persoon ‘op andere wijze’ als bedoeld in art. 6:106 is niet reeds sprake bij de enkele schending van een fundamenteel recht.

In het geval de verdachte de (voldoende onderbouwde) vordering van de benadeelde partij niet (gemotiveerd) betwist, zal de rechter uitgaan van de juistheid van de daaraan ten grondslag gelegde feiten en zal de vordering in de regel worden toegewezen, tenzij de vordering onrechtmatig of ongegrond voorkomt.

De begroting van immateriële schade geschiedt naar billijkheid met inachtneming van alle omstandigheden van het geval. Voorts dient de rechter bij die begroting, indien mogelijk, te letten op de bedragen die door Nederlandse rechters in vergelijkbare gevallen zijn toegekend.

De rechtbank zal hieronder, aan de hand van voornoemd kader, de vorderingen nader beoordelen.

De vordering van [getuige 1]

vordert vergoeding van reiskosten die zij heeft gemaakt naar Slachtofferhulp. De reiskosten vormen een rechtstreeks gevolg van het bewezenverklaarde feit (feit 1), zijn voldoende onderbouwd en door de verdediging niet weersproken. De vordering ter hoogte van € 9,07 wordt daarom toegewezen.

Daarnaast vordert [getuige 1] vergoeding van immateriële schade. [getuige 1] heeft onvoldoende aangevoerd om naar objectieve maatstaven vast te kunnen stellen dat bij haar als gevolg van het feit geestelijk letsel is ontstaan. Naar het oordeel van de rechtbank staat echter wel vast dat er sprake is van een dermate ernstig strafbare feit dat sprake is van een aantasting in de persoon ‘op andere wijze’. [getuige 1] was immers als caissière aan het werk, toen verdachte [naam] plotseling een mes tegen haar zij drukte en riep dat zij geld moest geven. Ondertussen hield [medeverdachte] een pistool vast dat hij naar voren richtte. De aard en ernst van dit handelen door de verdachten is dusdanig dat voor de hand ligt dat [getuige 1] hier zo’n nadelige gevolgen van heeft ondervonden dat zij in haar persoon is aangetast. De rechtbank acht het gevorderde bedrag van € 1.200,00 billijk, zodat dit bedrag zal worden toegewezen.

De verdachte en zijn mededader zijn naar burgerlijk recht hoofdelijk aansprakelijk voor de door [getuige 1] geleden schade.

Het toegewezen bedrag dient te worden vermeerderd met de wettelijke rente vanaf de dag waarop het feit is gepleegd tot aan de dag der algehele voldoening.

De rechtbank zal tevens de schadevergoedingsmaatregel van artikel 36f van het Wetboek van Strafrecht opleggen aan de verdachte.

Daarnaast dient verdachte te worden veroordeeld in de kosten die de benadeelde partij heeft gemaakt en voor de tenuitvoerlegging nog moet maken, welke kosten worden begroot op nihil.

De vordering van [getuige 2]

vordert vergoeding van diverse materiële schadeposten. Deze schadeposten vormen een rechtstreeks gevolg van het bewezenverklaarde (feit 1), zijn voldoende onderbouwd en door de verdediging niet weersproken. De materiële schade ter hoogte van

€ 387,94 wordt daarom geheel toegewezen.

Daarnaast vordert [getuige 2] immateriële schadevergoeding. Uit de door [getuige 2] overgelegde stukken volgt dat hij gediagnosticeerd is met een posttraumatische stresstoornis, als gevolg van het strafbare feit, waarvoor hij EMDR-therapie heeft moeten volgen. Het voorgaande betekent dat [getuige 2] aanspraak kan maken op immateriële schadevergoeding. Het door hem gevorderde bedrag komt de rechtbank, gelet op bedragen die doorgaans in vergelijkbare zaken toegewezen worden, te hoog voor. De rechtbank zal het schadebedrag op € 1.200,00 bepalen en de vordering voor het overige afwijzen.

De verdachte en zijn mededader zijn naar burgerlijk recht hoofdelijk aansprakelijk voor de door [getuige 2] geleden schade.

Het toegewezen bedrag dient te worden vermeerderd met de wettelijke rente vanaf de dag waarop het feit is gepleegd tot aan de dag der algehele voldoening.

De rechtbank zal tevens de schadevergoedingsmaatregel van artikel 36f van het Wetboek van Strafrecht opleggen aan de verdachte.

Daarnaast dient verdachte te worden veroordeeld in de kosten die de benadeelde partij heeft gemaakt en voor de tenuitvoerlegging nog moet maken, welke kosten worden begroot op nihil.

De vordering van [getuige 3]

vordert immateriële schadevergoeding. [getuige 3] baseert zijn vordering op artikel 6:106 sub a BW: de verdachten hadden het oogmerk om aan hem nadeel toe te brengen. Zoals eerder overwogen zal een vordering op deze grondslag slechts zelden kunnen slagen. Uit het dossier en hetgeen door [getuige 3] naar voren is gebracht volgt niet dat de verdachten het oogmerk hadden om schade aan hem toe te brengen. Voor zover [getuige 3] heeft bedoeld zijn vordering te stoelen op het bepaalde in artikel 6:106 sub b BW (aantasting op andere wijze), kan het navolgende gelden. Niet gebleken is dat bij [getuige 3] als gevolg van het feit geestelijk letsel is ontstaan. Het enkel door hem stellen dat hij last heeft van slaapproblemen, gevoelens van onveiligheid en andere vervelende gevolgen biedt, hoe naar ook voor hem, onvoldoende grond om in aanmerking te komen voor smartengeld. De aard en de ernst van de bedreiging door de verdachten zijn ook niet dusdanig dat de nadelige gevolgen zo voor de hand liggen dat hieruit een aantasting in de persoon kan worden afgeleid. [getuige 3] zal dan ook niet-ontvankelijk worden verklaard in zijn vordering.

[getuige 3] dient te worden veroordeeld in de kosten in de kosten, door de verdachte ter verdediging tegen de vordering gemaakt, begroot tot heden op nihil.

De vordering van [getuige 6]

vordert vergoeding van reiskosten die zij heeft gemaakt naar Slachtofferhulp en het politiebureau. De reiskosten vormen een rechtstreeks gevolg van het bewezenverklaarde (feit 2), zijn voldoende onderbouwd en door de verdediging niet weersproken. De materiële schade ter hoogte van € 5,77 wordt daarom toegewezen.

Daarnaast vordert [getuige 6] immateriële schadevergoeding. [getuige 6] heeft onvoldoende aangevoerd om naar objectieve maatstaven vast te kunnen stellen dat bij haar als gevolg van het feit geestelijk letsel is ontstaan. Naar het oordeel van de rechtbank staat echter wel vast dat er sprake is van een dermate ernstige strafbare feit dat er wel gesproken kan worden van een aantasting in de persoon ‘op andere wijze’. [getuige 6] stond in haar eentje in de winkel, toen de verdachten binnenkwamen. Verdachte [naam] pakte haar vast en drukte een mes tegen haar keel terwijl [medeverdachte] een pistool op haar richtte. De aard en ernst van dit handelen door de verdachten is dusdanig dat voor de hand ligt dat [getuige 6] hier zo’n nadelige gevolgen van heeft ondervonden dat zij in haar persoon is aangetast. De rechtbank acht het gevorderde bedrag van € 1.200,00 billijk, zodat dit bedrag zal worden toegewezen.

De verdachte en zijn mededader zijn naar burgerlijk recht hoofdelijk aansprakelijk voor de door [getuige 6] geleden schade.

Het toegewezen bedrag dient te worden vermeerderd met de wettelijke rente vanaf de dag waarop het feit is gepleegd tot aan de dag der algehele voldoening.

De rechtbank zal tevens de schadevergoedingsmaatregel van artikel 36f van het Wetboek van Strafrecht opleggen aan de verdachte.

Daarnaast dient verdachte te worden veroordeeld in de kosten die de benadeelde partij heeft gemaakt en voor de tenuitvoerlegging nog moet maken, welke kosten worden begroot op nihil.

[slachtoffer 2]

had zich als benadeelde partij in het strafproces gevoegd met een vordering tot schadevergoeding. De door [slachtoffer 2] geleden schade was onderbouwd en bestond uit het geldbedrag dat bij de overval uit de kassalade was weggenomen. Voorafgaand aan de zitting heeft degene die de vordering had ingediend echter laten weten dat [slachtoffer 2] de vordering introk, omdat het niet meer lukte voor de zitting een machtiging van de bevoegde persoon in het geding te brengen. Dat betekent dat de rechtbank niet toekomt aan een behandeling van de vordering. De rechtbank heeft echter op basis van het dossier in combinatie met het voegingsformulier van [slachtoffer 2] kunnen vaststellen dat de verdachte en zijn mededader een bedrag van € 405,00 hebben weggenomen.

De rechtbank acht daarom gelet op de bewezenverklaring termen aanwezig om ambtshalve de schadevergoedingsmaatregel op te leggen, zodat de door [slachtoffer 2] geleden schade alsnog vergoed wordt. De rechtbank zal beslissen tot het opleggen van een schadevergoedingsmaatregel van € 405,00, zijnde het geldbedrag dat uit de kassalade is weggenomen.

De vordering van [getuige 7]

vordert vergoeding van reiskosten die zij heeft gemaakt naar Slachtofferhulp. De reiskosten vormen een rechtstreeks gevolg van het bewezenverklaarde feit (feit 3), zijn voldoende onderbouwd en door de verdediging niet weersproken. De materiële schade wordt ter hoogte van € 2,10 daarom toegewezen.

De verdachte en zijn mededader zijn naar burgerlijk recht hoofdelijk aansprakelijk voor de door [getuige 7] geleden schade.

Daarnaast vordert [getuige 7] immateriële schadevergoeding. Niet gebleken is dat bij [getuige 7] als gevolg van het feit psychisch letsel is ontstaan. Het enkel door [getuige 7] stellen dat zij last heeft van angstaanvallen, slaapproblemen, gevoelens van onveiligheid en andere vervelende gevolgen biedt, hoe naar ook voor haar, onvoldoende grond om in aanmerking te komen voor smartengeld. De aard en de ernst van de bedreiging door de verdachten zijn ook niet dusdanig dat de nadelige gevolgen zo voor de hand liggen dat hieruit een aantasting in de persoon kan worden afgeleid.

Gelet op het voorgaande komt de rechtbank tot de conclusie dat de door [getuige 7] gevorderde immateriële schadevergoeding niet onder het bereik van artikel 6:106 van het Burgerlijk Wetboek valt. [getuige 7] wordt daarom niet-ontvankelijk verklaard in haar vordering.

De vordering van [getuige 8]

maakt aanspraak op immateriële schadevergoeding. Niet gebleken is dat bij [getuige 8] als gevolg van het feit geestelijk letsel is ontstaan. Het enkel door [getuige 8] stellen dat hij last heeft van angstaanvallen, slaapproblemen, gevoelens van onveiligheid en andere vervelende gevolgen biedt, hoe naar ook voor hem, onvoldoende grond om in aanmerking te komen voor smartengeld. De aard en de ernst van de bedreiging door de verdachten zijn ook niet dusdanig dat de nadelige gevolgen zo voor de hand liggen dat hieruit een aantasting in de persoon kan worden afgeleid.

Gelet op het voorgaande komt de rechtbank tot de conclusie dat de door [getuige 8] gevorderde immateriële schadevergoeding niet onder het bereik van artikel 6:106 van het Burgerlijk Wetboek valt. [getuige 8] wordt daarom niet-ontvankelijk verklaard in zijn vordering.

8 De wettelijke voorschriften

De beslissing berust op de artikelen 36f, 45, 57 en 312 van het Wetboek van Strafrecht, zoals deze artikelen luidden ten tijde van het bewezenverklaarde.

9 De beslissing

De rechtbank:

Bewezenverklaring

  • -

    verklaart het tenlastegelegde bewezen zoals hierboven onder 3.4 is omschreven;

  • -

    spreekt de verdachte vrij van wat meer of anders is ten laste gelegd;

Strafbaarheid

  • -

    verklaart dat het bewezenverklaarde de strafbare feiten oplevert zoals hierboven onder 4 is omschreven;

  • -

    verklaart de verdachte strafbaar;

Gevangenisstraf

  • -

    veroordeelt de verdachte tot een gevangenisstraf van 5 jaren;

  • -

    beveelt dat de tijd die door de veroordeelde vóór de tenuitvoerlegging van deze uitspraak in voorarrest is doorgebracht, bij de uitvoering van deze gevangenisstraf in mindering zal worden gebracht;

Benadeelde partij [getuige 1] en schadevergoedingsmaatregel

  • -

    wijst de vordering van de benadeelde partij [getuige 1] volledig toe en veroordeelt de verdachte mitsdien hoofdelijk om aan de benadeelde partij [getuige 1] te betalen een bedrag van € 1.209,70, te vermeerderen met de wettelijke rente te berekenen over de periode van 8 december 2019 tot aan de dag van de volledige voldoening. Dit bedrag bestaat uit € 9,70 materiële schade en € 1.200,00 immateriële schade;

  • -

    veroordeelt de verdachte in de kosten door de benadeelde partij in het kader van deze procedure gemaakt en ten behoeve van de tenuitvoerlegging nog te maken, begroot tot heden op nihil;

  • -

    legt aan de verdachte de verplichting op tot betaling aan de Staat ten behoeve van het slachtoffer [getuige 1] van een bedrag van € 1.209,70, te vermeerderen met de wettelijke rente te berekenen over de periode vanaf 8 december 2019 tot aan de dag van de volledige voldoening;

  • -

    bepaalt dat, indien volledig verhaal niet mogelijk blijkt, gijzeling kan worden toegepast voor de duur van 22 dagen. De toepassing van gijzeling heft de betalingsverplichting niet op;

  • -

    bepaalt dat, indien de verdachte heeft voldaan aan de verplichting tot betaling aan de Staat daarmee de verplichting tot betaling aan de benadeelde partij in zoverre komt te vervallen en andersom dat, indien de verdachte heeft voldaan aan de verplichting tot betaling aan de benadeelde partij daarmee de verplichting tot betaling aan de Staat in zoverre komt te vervallen;

  • -

    bepaalt dat voor zover dit bedrag door de mededader [naam] is betaald, de verdachte niet gehouden is dit bedrag aan de Staat te betalen;

Benadeelde partij [getuige 2] en schadevergoedingsmaatregel

  • -

    wijst de vordering van de benadeelde partij [getuige 2] gedeeltelijk toe en veroordeelt de verdachte mitsdien hoofdelijk om aan de benadeelde partij [getuige 2] te betalen een bedrag van € 1.587,94, te vermeerderen met de wettelijke rente te berekenen over de periode van 8 december 2019 tot aan de dag van de volledige voldoening. Dit bedrag bestaat uit € 387,94 materiële schade en € 1.200,00 immateriële schade;

  • -

    wijst de vordering ten aanzien van het meergevorderde aan immateriële schadevergoeding af;

  • -

    veroordeelt de verdachte in de kosten door de benadeelde partij in het kader van deze procedure gemaakt en ten behoeve van de tenuitvoerlegging nog te maken, begroot tot heden op nihil;

  • -

    legt aan de verdachte de verplichting op tot betaling aan de Staat ten behoeve van het slachtoffer [getuige 2] van een bedrag van € 1.587,94, te vermeerderen met de wettelijke rente te berekenen over de periode vanaf 8 december 2019 tot aan de dag van de volledige voldoening;

  • -

    bepaalt dat, indien volledig verhaal niet mogelijk blijkt, gijzeling kan worden toegepast voor de duur van 25 dagen. De toepassing van gijzeling heft de betalingsverplichting niet op;

  • -

    bepaalt dat, indien de verdachte heeft voldaan aan de verplichting tot betaling aan de Staat daarmee de verplichting tot betaling aan de benadeelde partij in zoverre komt te vervallen en andersom dat, indien de verdachte heeft voldaan aan de verplichting tot betaling aan de benadeelde partij daarmee de verplichting tot betaling aan de Staat in zoverre komt te vervallen;

  • -

    bepaalt dat voor zover dit bedrag door de mededader [naam] is betaald, de verdachte niet gehouden is dit bedrag aan de Staat te betalen;

Benadeelde partij [getuige 3] en schadevergoedingsmaatregel

  • -

    verklaart de benadeelde partij [getuige 3] niet-ontvankelijk in zijn vordering;

  • -

    veroordeelt de benadeelde partij [getuige 3] in de kosten, door de verdachte ter verdediging tegen de vordering gemaakt, begroot tot heden op nihil;

Benadeelde partij [getuige 6] en schadevergoedingsmaatregel

  • -

    wijst de vordering van de benadeelde partij [getuige 6] volledig toe en veroordeelt de verdachte mitsdien hoofdelijk om aan de benadeelde partij [getuige 6] te betalen een bedrag van € 1.205,77, te vermeerderen met de wettelijke rente te berekenen over de periode van 6 december 2019 tot aan de dag van de volledige voldoening. Dit bedrag bestaat uit € 5,77 materiële schade en € 1.200,00 immateriële schade;

  • -

    veroordeelt de verdachte in de kosten door de benadeelde partij in het kader van deze procedure gemaakt en ten behoeve van de tenuitvoerlegging nog te maken, begroot tot heden op nihil;

  • -

    legt aan de verdachte de verplichting op tot betaling aan de Staat ten behoeve van het slachtoffer [getuige 6] van een bedrag van € 1.205,77, te vermeerderen met de wettelijke rente te berekenen over de periode vanaf 6 december 2019 tot aan de dag van de volledige voldoening;

  • -

    bepaalt dat, indien volledig verhaal niet mogelijk blijkt, gijzeling kan worden toegepast voor de duur van 22 dagen. De toepassing van gijzeling heft de betalingsverplichting niet op;

  • -

    bepaalt dat, indien de verdachte heeft voldaan aan de verplichting tot betaling aan de Staat daarmee de verplichting tot betaling aan de benadeelde partij in zoverre komt te vervallen en andersom dat, indien de verdachte heeft voldaan aan de verplichting tot betaling aan de benadeelde partij daarmee de verplichting tot betaling aan de Staat in zoverre komt te vervallen;

  • -

    bepaalt dat voor zover dit bedrag door de mededader [naam] is betaald, de verdachte niet gehouden is dit bedrag aan de Staat te betalen;

Schadevergoedingsmaatregel [slachtoffer 2]

  • -

    legt aan de verdachte de verplichting op tot betaling aan de Staat ten behoeve van het slachtoffer [slachtoffer 2] van een bedrag van € 405,00, te vermeerderen met de wettelijke rente te berekenen over de periode vanaf 6 december 2019 tot aan de dag van de volledige voldoening;

  • -

    bepaalt dat, indien volledig verhaal niet mogelijk blijkt, gijzeling kan worden toegepast voor de duur van 8 dagen. De toepassing van gijzeling heft de betalingsverplichting niet op;

  • -

    bepaalt dat voor zover dit bedrag door de mededader [naam] is betaald, de verdachte niet gehouden is dit bedrag aan de Staat te betalen;

Benadeelde partij [getuige 7] en schadevergoedingsmaatregel

  • -

    wijst de vordering van de benadeelde partij [getuige 7] gedeeltelijk toe en veroordeelt de verdachte mitsdien hoofdelijk om aan de benadeelde partij [getuige 7] te betalen een bedrag van € 2,10 aan materiële schade, te vermeerderen met de wettelijke rente te berekenen over de periode van 7 december 2019 tot aan de dag van de volledige voldoening;

  • -

    verklaart de benadeelde partij [getuige 7] niet-ontvankelijk in haar vordering tot vergoeding van immateriële schade;

  • -

    veroordeelt de verdachte in de kosten door de benadeelde partij in het kader van deze procedure gemaakt en ten behoeve van de tenuitvoerlegging nog te maken, begroot tot heden op nihil;

  • -

    legt aan de verdachte de verplichting op tot betaling aan de Staat ten behoeve van het slachtoffer [getuige 7] van een bedrag van € 2,10, te vermeerderen met de wettelijke rente te berekenen over de periode vanaf 7 december 2019 tot aan de dag van de volledige voldoening;

  • -

    bepaalt dat, indien volledig verhaal niet mogelijk blijkt, gijzeling kan worden toegepast voor de duur van 1 dag. De toepassing van gijzeling heft de betalingsverplichting niet op;

  • -

    bepaalt dat, indien de verdachte heeft voldaan aan de verplichting tot betaling aan de Staat daarmee de verplichting tot betaling aan de benadeelde partij in zoverre komt te vervallen en andersom dat, indien de verdachte heeft voldaan aan de verplichting tot betaling aan de benadeelde partij daarmee de verplichting tot betaling aan de Staat in zoverre komt te vervallen;

  • -

    bepaalt dat voor zover dit bedrag door de mededader [naam] is betaald, de verdachte niet gehouden is dit bedrag aan de Staat te betalen;

Benadeelde partij [getuige 8] en schadevergoedingsmaatregel

  • -

    verklaart de benadeelde partij [getuige 8] niet-ontvankelijk in zijn vordering;

  • -

    veroordeelt de benadeelde partij [getuige 8] in de kosten, door de verdachte ter verdediging tegen de vordering gemaakt, begroot tot heden op nihil.

Dit vonnis is gewezen door mr. D. Osmić, voorzitter, mr. A.M. Schutte en

mr. C.J.M. Brands, rechters, in tegenwoordigheid van mr. S.H.J. Muijlkens, griffier, en uitgesproken ter openbare zitting van 22 september 2020.

BIJLAGE I: De tenlastelegging

Aan de verdachte is ten laste gelegd dat

1.

hij op of omstreeks 8 december 2019 te Geleen, in elk geval binnen het arrondissement Limburg, tezamen en in vereniging met een ander of anderen, althans alleen,

A.

met het oogmerk om zich en/of (een) ander(en) wederrechtelijk te bevoordelen door geweld en/of bedreiging met geweld mevrouw [getuige 1] , in functie als kassière bij de [slachtoffer 1] , heeft gedwongen tot de afgifte van 583,68 euro, in elk geval enig goed en/of enig bedrag aan geld, geheel of ten dele toebehorende aan de [slachtoffer 1] , in elk geval aan een ander of anderen dan aan verdachte en/of zijn mededader(s),

welk geweld en/of welke bedreiging met geweld hierin heeft bestaan dat verdachte en/of zijn mededader(s),

-een mes, althans een scherp en/of puntig voorwerp, meermalen, althans eenmaal, (met kracht) tegen de linkerzijde van het lichaam van die [getuige 1] heeft geduwd en/of gedrukt en/of geprikt, althans voornoemd voorwerp dreigend aan die [getuige 1] heeft getoond, en/of

-die [getuige 1] daarbij dreigend de woorden "Doe de la open" heeft toegevoegd, en/of

-dreigend een pistool, althans een op een vuurwapen gelijkend voorwerp, op [getuige 2] (klant [slachtoffer 1] ) en/of [getuige 3] (klant [slachtoffer 1] ), heeft gericht, althans dat voorwerp dreigend heeft getoond;

EN/OF

B.

met het oogmerk van wederrechtelijke toe-eigening heeft weggenomen 583,68 euro, in elk geval enig goed en/of enig bedrag aan geld, geheel of ten dele toebehorende aan [slachtoffer 1] , in elk geval aan een ander of anderen dan aan verdachte en/of zijn mededader(s),

welke diefstal werd voorafgegaan en/of vergezeld en/of gevolgd van geweld en/of bedreiging met geweld tegen [getuige 1] , in functie als kassière bij de [slachtoffer 1] , en/of tegen [getuige 2] (klant [slachtoffer 1] ) en/of [getuige 3] (klant [slachtoffer 1] ),

gepleegd met het oogmerk om die diefstal voor te bereiden en/of gemakkelijk te maken en/of om bij betrapping op heterdaad aan zichzelf en/of aan zijn mededader(s) hetzij de vlucht mogelijk te maken, hetzij het bezit van het gestolene te verzekeren,

welk geweld en/of welke bedreiging met geweld hierin heeft bestaan dat verdachte en/of zijn mededader(s).

-een mes, althans een scherp en/of puntig voorwerp, meermalen, althans eenmaal, (met kracht) tegen de linkerzijde van het lichaam van die [getuige 1] heeft geduwd en/of gedrukt en/of geprikt, althans voornoemd voorwerp dreigend aan die [getuige 1] heeft getoond, en/of

-die [getuige 1] daarbij dreigend de woorden "Doe de la open" heeft toegevoegd, en/of

-dreigend een pistool, althans een op een vuurwapen gelijkend voorwerp, op [getuige 2] (klant [slachtoffer 1] ) en/of [getuige 3] (klant [slachtoffer 1] ), heeft gericht, althans dat voorwerp dreigend heeft getoond;

(art 317 lid 1 Wetboek van Strafrecht, art 312 lid 2 ahf/sub 2 Wetboek van Strafrecht, art 317 lid 3 Wetboek van Strafrecht)

2.

hij op of omstreeks 6 december 2019 te Geleen, in elk geval binnen het arrondissement Limburg, tezamen en in vereniging met een ander of anderen, althans alleen,

A.

met het oogmerk om zich en/of (een) ander(en) wederrechtelijk te bevoordelen door geweld en/of bedreiging met geweld mevrouw [getuige 6] , medewerker bij de [slachtoffer 2] , heeft gedwongen tot de afgifte van (ongeveer) 300,-- euro, in elk geval enig goed en/of enig bedrag aan geld, geheel of ten dele toebehorende aan de [slachtoffer 2] , in elk geval aan een ander of anderen dan aan verdachte en/of zijn mededader(s),

welk geweld en/of welke bedreiging met geweld hierin heeft bestaan dat verdachte en/of zijn mededader(s),

-een mes, althans een scherp en/of puntig voorwerp, meermalen, althans eenmaal, (met kracht) tegen de keel van die [getuige 6] heeft geduwd en/of gedrukt en/of geprikt, althans voornoemd voorwerp dreigend aan die [getuige 6] heeft getoond, en/of

-die [getuige 6] daarbij (ondermeer) dreigend de woorden "La open nu! Geld!" en/of "La open of ik snij je keel door" heeft toegevoegd, en/of in

-dreigend een pistool, althans een op een vuurwapen gelijkend voorwerp, op die [getuige 6] heeft gericht, althans voornoemd voorwerp dreigend heeft getoond;

EN/OF

B.

met het oogmerk van wederrechtelijke toe-eigening heeft weggenomen (ongeveer) 300,-- euro, in elk geval enig goed en/of enig bedrag aan geld, geheel of ten dele toebehorende aan [slachtoffer 2] , in elk geval aan een ander of anderen dan aan verdachte en/of zijn mededader(s),

welke diefstal werd voorafgegaan en/of vergezeld en/of gevolgd van geweld en/of bedreiging met geweld tegen [getuige 6] , medewerker bij de [slachtoffer 2] ,

gepleegd met het oogmerk om die diefstal voor te bereiden en/of gemakkelijk te maken en/of om bij betrapping op heterdaad aan zichzelf en/of aan zijn mededader(s) hetzij de vlucht mogelijk te maken, hetzij het bezit van het gestolene te verzekeren,

welk geweld en/of welke bedreiging met geweld hierin heeft bestaan dat verdachte en/of zijn mededader(s).

-een mes, althans een scherp en/of puntig voorwerp, meermalen, althans eenmaal, (met kracht) tegen de keel van die [getuige 6] heeft geduwd en/of gedrukt en/of geprikt, althans voornoemd voorwerp dreigend aan die [getuige 6] heeft getoond, en/of

-die [getuige 6] daarbij (ondermeer) dreigend de woorden "La open nu! Geld!" en/of "La open of ik snij je keel door" heeft toegevoegd, en/of in

-dreigend een pistool, althans een op een vuurwapen gelijkend voorwerp, op die [getuige 6] heeft gericht, althans voornoemd voorwerp dreigend heeft getoond;

(art 317 lid 1 Wetboek van Strafrecht, art 312 lid 2 ahf/sub 2 Wetboek van Strafrecht, art 317 lid 3 Wetboek van Strafrecht)

3.

hij op of omstreeks 7 december 2019 te Geleen, in elk geval binnen het arrondissement Limburg, tezamen en in vereniging met een ander of anderen, althans alleen,

A.

ter uitvoering van het door verdachte en/of zijn mededader(s)voorgenomen misdrijf om goederen en/of geld van zijn of hun gading, in elk geval enig goed, dat geheel of ten dele aan een ander dan aan verdachte en/of zijn mededader(s) toebehoorde, te weten aan " [slachtoffer 3] ", weg te nemen met het oogmerk om het zich wederrechtelijk toe te eigenen,

deze poging tot diefstal heeft/hebben doen voorafgaan, doen vergezellen en/of doen volgen van geweld en/of bedreiging met geweld tegen het zich in het pand van " [slachtoffer 3] " bevindende personeel, te weten [getuige 7] en/of [getuige 8] , gepleegd met het oogmerk om die voorgenomen diefstal voor te bereiden en/of gemakkelijk te maken, of om, bij betrapping op heterdaad, aan zichzelf en/of andere deelnemer(s) aan het misdrijf hetzij de vlucht mogelijk te maken, hetzij het bezit van het gestolene te verzekeren,

welk geweld en/of welke bedreiging met geweld hierin heeft bestaan dat verdachte en/of zijn mededader(s)

-een hamer, althans een soortgelijk voorwerp, meermalen althans eenmaal (met kracht) op de toonbank heeft geslagen en/of voornoemd voorwerp dreigend aan die [getuige 8] en/of [getuige 7] heeft getoond, en/of

-die [getuige 8] en/of [getuige 7] (daarbij) meermalen, althans eenmaal, dreigend de woorden heeft toegevoegd: "Maak de kassa open" en/of "Maak de kassa open nu en geef me geld", en/of

-dreigend een pistool, althans een op een vuurwapen gelijkend voorwerp, op die [getuige 8] en/of [getuige 7] heeft gericht, althans dat voorwerp dreigend heeft getoond,

terwijl de uitvoering van dat voorgenomen misdrijf niet is voltooid;

EN/OF

B.

ter uitvoering van het door verdachte en/of zijn mededader(s) voorgenomen misdrijf om met het oogmerk om zich en/of een ander wederrechtelijk te bevoordelen door geweld en/of bedreiging met geweld tegen het zich in het pand " [slachtoffer 3] " bevindende personeel, te weten [getuige 7] en/of [getuige 8] , die [getuige 7] en/of [getuige 8] te dwingen tot de afgifte van goederen en/of geld van zijn/hun gading, in elk geval enig goed, dat geheel of te dele aan " [slachtoffer 3] " toebehoorde, in elk geval aan een ander of anderen dan aan verdachte en/of zijn mededader(s),

welk geweld en/of welke bedreiging met geweld hierin heeft bestaan dat verdachte en/of zijn mededader(s)

-een hamer, althans een soortgelijk voorwerp, meermalen althans eenmaal (met kracht) op de toonbank heeft geslagen en/of voornoemd voorwerp dreigend aan die [getuige 8] en/of [getuige 7] heeft getoond, en/of

-die [getuige 8] en/of [getuige 7] (daarbij) meermalen, althans eenmaal, dreigend de woorden heeft toegevoegd: "Maak de kassa open" en/of "Maak de kassa open nu en geef me geld", en/of

-dreigend een pistool, althans een op een vuurwapen gelijkend voorwerp, op die [getuige 8] en/of [getuige 7] heeft gericht, althans dat voorwerp dreigend heeft getoond,

terwijl de uitvoering van dat voorgenomen misdrijf niet is voltooid;

(art 310 Wetboek van Strafrecht, art 312 lid 2 ahf/sub 2 Wetboek van Strafrecht, art 45 lid 1 Wetboek van Strafrecht, art 312 lid 1 Wetboek van Strafrecht)

1 Waar hierna wordt verwezen naar paginanummers, wordt - tenzij anders vermeld - gedoeld op paginanummers uit het proces-verbaal van politie districtsrecherche Zuid-West-Limburg, onderzoeksnummer [Nummer] , gesloten d.d. 11 mei 2020, doorgenummerd van pagina 1 tot en met pagina 499.

2 Het proces-verbaal van aangifte, p. 50 en 51.

3 Het proces-verbaal van verhoor van getuige [getuige 1] , p. 58 en 59.

4 Het proces-verbaal van aangifte, p. 60.

5 Het proces-verbaal van verhoor van getuige [getuige 2] , p. 63 en 64.

6 Het proces-verbaal van verhoor van getuige [getuige 3] , p. 72.

7 Het proces-verbaal van aangifte, p. 124 tot en met 127.

8 Het proces-verbaal van aangifte, p. 224 en 225.

9 Het proces-verbaal van aangifte, p. 227 en 228.