Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBLIM:2020:7098

Instantie
Rechtbank Limburg
Datum uitspraak
22-09-2020
Datum publicatie
22-09-2020
Zaaknummer
03.036163-20
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

De verdachte wordt veroordeeld tot een gevangenisstraf voor de duur van zes jaren wegens het doodsteken van zijn broer (doodslag). Een beroep op noodweer(excess) is door de rechtbank verworpen.

De rechtbank heeft de vergoeding van affectieschade toegekend aan de kinderen van het slachtoffer.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK LIMBURG

Zittingsplaats Maastricht

Strafrecht

Parketnummer : 03/036163-20

Tegenspraak

Vonnis van de meervoudige kamer d.d. 22 september 2020

in de strafzaak tegen

[verdachte] ,

geboren te [geboorteplaats] op [geboortedag] 1964,

thans gedetineerd in de P.I. Grave te Grave.

De verdachte wordt bijgestaan door mr. I.T.H.L. van de Bergh, advocaat kantoorhoudende te Maastricht.

1 Onderzoek van de zaak

De zaak is inhoudelijk behandeld op de zitting van 8 september 2020. De verdachte en zijn raadsman zijn verschenen. De officier van justitie en de verdediging hebben hun standpunten kenbaar gemaakt.

2 De tenlastelegging

De tenlastelegging is als bijlage aan dit vonnis gehecht.

De verdenking komt er, kort en feitelijk weergegeven, op neer dat de verdachte opzettelijk [slachtoffer] heeft gedood.

3 De beoordeling van het bewijs

3.1

Het standpunt van de officier van justitie

De officier van justitie heeft zich op het standpunt gesteld dat de verdachte zijn broer, [slachtoffer] , heeft gedood door hem met een mes in de borst te steken. Zij heeft betoogd dat de verdachte dit opzettelijk heeft gedaan. Zij heeft dit afgeleid uit de uitlatingen van de verdachte voorafgaand aan het steekincident in het bijzijn van zijn moeder en de getuige [Naam 1] en de uitlatingen direct na het incident ten overstaan van de politie. Ook heeft de verdachte geen aannemelijke verklaring gegeven voor het feit dat hij een mes in zijn handen had ten tijde van de ruzie.

3.2

Het standpunt van de verdediging

De raadsman heeft betoogd dat het tenlastegelegde bewezen kan worden verklaard. Er is sprake van voorwaardelijk opzet op de dood van [slachtoffer] .

3.3

Het oordeel van de rechtbank 1

Redengevende feiten en omstandigheden

Op 9 februari 2020 waren in de woonwagen aan het adres [adres 1] te Kerkrade de verdachte en zijn broer [slachtoffer] aanwezig. De moeder van de broers, getuige [Naam 2] , alsmede de vriendin van [slachtoffer] , getuige [Naam 1] , waren ook in de woonwagen aanwezig.2

Getuige [Naam 2] werd op enig moment wakker van kabaal afkomstig uit de woonkamer. De verdachte en [slachtoffer] hadden ruzie en waren aan het schelden. Op enig moment werd de ruzie erger en de verdachte bleef [slachtoffer] uitdagen. [slachtoffer] zei op een gegeven moment “hou je kop of ik sla je”. Op dat moment pakte de verdachte een keukenmes uit de keukenla en riep tegen [slachtoffer] “kom maar ik steek je neer”.3 [slachtoffer] liep toen op de verdachte af en maakte een slaande beweging in zijn richting, terwijl de verdachte het mes (een vleesmes met een zwart handvat en een lemmet van ongeveer 15 cm) nog in zijn handen had.4 Direct hierop stak de verdachte [slachtoffer] .5 Getuige [Naam 1] , ook aanwezig in de woonwagen, hoorde [slachtoffer] iets zeggen als : “Hou je kop anders sla ik je ene erin”, waarna verdachte zei “Ik laat me door jou niet meer slaan” of zoiets. Zij zag eveneens dat [slachtoffer] een slaande beweging maakte in de richting van de verdachte en [slachtoffer] op datzelfde moment achteruit deinsde. Vervolgens zag ze bloed spuiten vanuit de richting van de borst van [slachtoffer] .6 Op de plaats delict is het mes aangetroffen, welk mes doormidden was gebroken.7

Na een 112-melding was de politie om 5.17 uur ter plaatse en werd de verdachte om 5.18 uur aangehouden.8

[slachtoffer] werd naar het ziekenhuis overgebracht en is daar overleden.9 Bij het pathologieonderzoek is vervolgens vastgesteld dat als gevolg van de steekwond in de borstkast tot in het hart, functieverlies van hart, longen en hersenen is opgetreden als gevolg waarvan [slachtoffer] overleden is.10

De verdachte verklaarde omstreeks 5.46 uur, dus kort na zijn aanhouding, dat hij zijn broer [slachtoffer] had gestoken en dat hij het zat was om door hem te worden mishandeld.11

Bewijsoverweging

Op grond van het voorgaande staat vast dat de verdachte zijn broer [slachtoffer] met een mes in zijn hart/borst heeft gestoken als gevolg waarvan [slachtoffer] is overleden.

Voor een bewezenverklaring van de ten laste gelegde doodslag moet de rechtbank vervolgens de vraag beantwoorden of de verdachte opzet heeft gehad op de dood van het slachtoffer.

Uit de hiervoor weergegeven bewijsmiddelen leidt de rechtbank af dat de verdachte en [slachtoffer] ruzie hadden, waarbij de verdachte [slachtoffer] uitdaagde tot confrontatie. De verdachte heeft daarbij de woorden gebruikt “kom maar ik steek je neer”, terwijl hij een mes in zijn hand hield. Vervolgens heeft de verdachte daad bij het woord gevoegd en [slachtoffer] met kracht in de hartstreek gestoken. Dat dit steken met kracht moet zijn gebeurd leidt de rechtbank af uit het feit dat het mes doormidden was gebroken. Gelet op bovengenoemde omstandigheden concludeert de rechtbank dat het handelen van verdachte naar de uiterlijke verschijningsvorm gericht is geweest op de dood van [slachtoffer] . Dit betekent dat de verdachte met vol opzet heeft gehandeld, in die zin dat hij willens en wetens heeft geprobeerd om [slachtoffer] te doden.

De rechtbank wordt in deze conclusie nog gesterkt door de woorden van de verdachte kort na het betreffende feit waarin hij heeft aangegeven dat hij het zat was om door zijn broer te worden mishandeld.

Door de verdediging is in dit verband een betrouwbaarheidsverweer gevoerd wat betreft de verklaringen van de moeder van de verdachte en [slachtoffer] , getuige [Naam 2] . Dit verweer komt er - kort samengevat - op neer dat zij tegenstrijdig verklaart, waarbij vooral opvalt het gegeven dat zij zich in haar derde verklaring (verklaring van 3 september 2020) niet veel kan herinneren van hetgeen zij in haar eerste twee verklaringen heeft verklaard.

De rechtbank overweegt in dit verband als volgt. Getuige [Naam 2] heeft, kort na het incident, op 9 en 10 februari 2020 een verklaring afgelegd. De rechtbank constateert dat deze verklaringen gedetailleerd en op hoofdlijnen consistent zijn met elkaar. Voorts worden deze verklaringen op hoofdlijnen ondersteund door de verklaringen van getuige [Naam 1] . Dat getuige [Naam 2] in haar laatste verklaring - die van 3 september 2020 - anders heeft verklaard en heeft aangegeven sommige zaken zich niet meer te kunnen herinneren maakt dit niet anders, nu deze verklaring maanden na het incident is afgelegd. De rechtbank gaat derhalve uit van de ‘verse’ verklaringen van getuige [Naam 2] waarbij er, gelet op het vorenoverwogene, geen reden is om daaraan te twijfelen. Het verweer van de verdediging kan dan ook geen doel treffen.

Conclusie

Gelet op het voorgaande acht de rechtbank wettig en overtuigend bewezen dat de verdachte opzettelijk [slachtoffer] van het leven heeft beroofd door met een mes in zijn hart en borst te steken.

3.4

De bewezenverklaring

De rechtbank acht bewezen dat de verdachte

op 9 februari 2020 in de gemeente Kerkrade [slachtoffer] opzettelijk van het leven heeft beroofd, door die [slachtoffer] met een mes in zijn, [slachtoffer] , hart en borst te steken.

4 De strafbaarheid van het bewezenverklaarde en de verdachte

4.1

Het standpunt van de verdediging en de officier van justitie

De verdediging heeft een beroep gedaan op noodweer(exces) en heeft verzocht de verdachte te ontslaan van alle rechtsvervolging. De officier van justitie heeft zich op het standpunt gesteld dat de verdachte geen gerechtvaardigd beroep op noodweer(exces) toekomt.

4.3

Het oordeel van de rechtbank

Een beroep op noodweer kan volgens de Hoge Raad niet worden aanvaard indien de gedraging van degene die zich daarop beroept, noch op grond van diens bedoeling, noch op grond van de uiterlijke verschijningsvorm van zijn gedraging kan worden aangemerkt als ‘verdediging’ maar als aanvallend moet worden gezien, bijvoorbeeld gericht op confrontatie.12

Gelet op de hiervoor weergegeven feiten en omstandigheden waaronder de verdachte het tenlastegelegde feit heeft begaan (waaronder de uitdagende rol van de verdachte en de bewoordingen die hij gebruikt waaruit de intentie om te steken blijkt), is de rechtbank van oordeel dat het handelen van de verdachte niet als een verdedigingsactie dient te worden beschouwd, maar als aanvallend moet worden gezien. Het verweer op noodweer dient dan ook te worden verworpen. Gelet hierop komt de rechtbank niet toe aan de vraag of sprake is van noodweerexces.

Het bewezenverklaarde levert het volgende strafbare feit op:

Doodslag

Er zijn ook overigens geen feiten of omstandigheden aannemelijk geworden die de strafbaarheid van het feit of de verdachte uitsluiten. Het feit is strafbaar en de verdachte is strafbaar.

5 De straf

5.1

De vordering van de officier van justitie

De officier van justitie heeft gevorderd aan de verdachte op te leggen een gevangenisstraf voor de duur van 8 jaren.

5.2

Het standpunt van de verdediging

De raadsman heeft, onder verwijzing naar andere rechtspraak, betoogd dat het uitgangspunt van acht jaren bij een voltooide doodslag in dit geval niet passend is. Hij heeft verzocht rekening te houden met de rol die het slachtoffer heeft gespeeld bij de escalatie van het conflict en het feit dat het slachtoffer als eerste de verdachte aanviel. Deze omstandigheden dienen matigend te werken.

5.3

Het oordeel van de rechtbank

Bij de bepaling van de op te leggen straf is gelet op de aard en ernst van hetgeen bewezen is verklaard, op de omstandigheden waaronder het bewezenverklaarde is begaan en op de persoon van de verdachte, zoals een en ander uit het onderzoek ter terechtzitting naar voren is gekomen.

De verdachte heeft zich schuldig gemaakt aan het doden van zijn broer [slachtoffer] , door deze [slachtoffer] met een mes in zijn borst/hart te steken. In de nacht van 9 februari 2020 ontstond er een woordenwisseling tussen de verdachte en het slachtoffer in de woning van de moeder van de twee broers. Beiden waren (behoorlijk) onder invloed van alcohol. Na het uiten van dreigementen over en weer, kwam het in de keuken tot een fysieke confrontatie, waarbij het slachtoffer naar verdachte sloeg en de verdachte het slachtoffer met een mes stak. Na het steekincident heeft de verdachte 112 gebeld. Het slachtoffer werd nog naar het ziekenhuis gebracht. Medisch ingrijpen mocht echter niet meer baten. Hij is ’s avonds overleden.

De relatie tussen de verdachte en het slachtoffer kan als problematisch worden omschreven. Moeder omschrijft het contact tussen de broers als “beestachtig”. De verdachte heeft verklaard dat zijn broer hem al 25 jaar mishandelde en bedreigde. Vier weken voor het fatale steekincident werd de verdachte nog door zijn broer mishandeld in een café, waarbij de verdachte letsel opliep. De verdachte heeft verklaard dat hij het zat was dat zijn broer hem mishandelde. Het bewezenverklaarde dient aldus te worden gezien als, zoals de psycholoog het treffend verwoordde in diens rapportage, de tragische finale van een zeer langslepende, zeer conflictueuze en zeer specifieke interactie tussen de twee broers. Kennelijk was deze ruzie de zogenoemde druppel voor de verdachte.

De verdachte heeft met zijn handelen veel leed veroorzaakt. Hij heeft zijn moeder en zijn overige broers en zussen hun zoon en broer ontnomen. De kinderen van het slachtoffer hebben opeens geen vader meer. De vriendin van het slachtoffer moet door toedoen van de verdachte haar vriend missen. De vriendin en moeder van het slachtoffer waren aanwezig tijdens die fatale ruzie en hebben gezien hoe het slachtoffer in de woning voor zijn leven vocht.

De verdachte zal moeten leven met het feit dat hij zijn broer heeft gedood.

Doodslag is een van de ernstigste delicten uit het Wetboek van Strafrecht. De verdachte heeft het leven van een ander mens genomen, het grootste goed dat een persoon heeft. Voor een voltooide doodslag wordt doorgaans een gevangenisstraf voor de duur van 8 jaren opgelegd.

Hoewel er geen enkele rechtvaardiging is voor het feit dat de verdachte zijn broer tijdens het zoveelste conflict tussen beiden met een mes heeft gestoken, is de rechtbank van oordeel dat er in de strafmaat rekening dient te worden gehouden met de rol van het slachtoffer ten tijde van het fatale steekincident. Verder houdt de rechtbank, in strafverminderende zin, rekening met het volgende. In het Pro Justitia rapport van 4 mei 2020 (opgemaakt door psycholoog [Naam 3] ) wordt ingegaan op het verleden van de verdachte en de omgang die zijn vader en broers met hem hadden. Er wordt aangegeven dat verdachte hulpeloos was en dat die hulpeloosheid niet alleen werd versterkt door het feit dat hij nooit teruggeslagen heeft en zich nooit heeft verzet, maar ook door het feit dat hij geen idee had waarom hij genegeerd en mishandeld werd. De verdachte is, aldus de psycholoog, slachtoffer geweest van structureel geweld. Hij werd afgewezen en mishandeld om wie hij was en kon er niets aan doen. De psycholoog concludeert dat bij verdachte sprake is van een vorm van aangeleerde hulpeloosheid, die gepaard gaat met een meer dan gemiddelde agressieremming en conflictmijding, juist omdat hij tegen hem gericht geweld angstvallig wil voorkomen. Dit beeld dat van de verdachte in voornoemd rapport wordt geschetst wordt, zo constateert de rechtbank, bevestigd door het incident vier weken voor het fatale steekincident, toen de verdachte door het slachtoffer werd mishandeld in een café. De rechtbank heeft de camerabeelden van dat incident bekeken en heeft geconstateerd dat het slachtoffer de verdachte mishandelde en dat de verdachte deze agressie lijdzaam onderging.

Gelet op het voorgaande acht de rechtbank een gevangenisstraf voor de duur van zes jaren passend en geboden.

6 De benadeelde partij en de schadevergoedingsmaatregel

6.1

De vordering van de benadeelde partij

De volgende benadeelde partijen hebben zich in het strafproces gevoegd met een vordering tot schadevergoeding:

- De kinderen van het slachtoffer: [Naam 4] en [Naam 5] , elk voor een bedrag van € 17.500,- en [Naam 6] voor een bedrag van € 20.000 aan affectieschade;

- De vriendin van het slachtoffer P. [Naam 1] , voor een bedrag van € 35.000,-, bestaande uit € 20.000,- aan affectieschade en € 15.000,- aan shockschade.

6.2

Het standpunt van de officier van justitie

De officier van justitie heeft zich op het standpunt gesteld dat de vorderingen kunnen worden toegewezen.

6.3

Het standpunt van de verdediging

De raadsman heeft betoogd dat [Naam 1] in haar vordering voor wat betreft de gevorderde shockschade niet-ontvankelijk dient te worden verklaard, omdat deze onvoldoende is onderbouwd. Subsidiair heeft de raadsman aangevoerd dat de gevorderde shockschade dient te worden gematigd tot € 7.000,-.

De raadsman heeft voorts betoogd dat de vordering van [Naam 1] voor wat betreft de gevorderde affectieschade dient te worden afgewezen.

De raadsman heeft ten slotte, ten aanzien van de vorderingen van de kinderen, betoogd dat het eigen aandeel van het slachtoffer op grond van eigen schuld tot matiging van de gevorderde affectieschade dient te leiden.

6.4

Het oordeel van de rechtbank

De rechtbank is van oordeel dat de vorderingen van de kinderen van het slachtoffer kunnen worden toegewezen. Sinds 1 januari 2019 is het namelijk mogelijk om vergoeding van affectieschade te vorderen voor (onder andere) nabestaanden van overleden slachtoffers. Het overlijden van het slachtoffer moet dan het gevolg zijn van een gebeurtenis waarvoor een ander aansprakelijk is. De rechtbank stelt vast dat elk van de kinderen die deze vorm van schadevergoeding heeft gevorderd, tot de kring van gerechtigden behoort en bij zijn of haar vordering aansluiting heeft gezocht bij de in het Besluit vergoeding affectieschade vermelde bedragen. De vorderingen van de kinderen zullen worden vermeerderd met de wettelijke rente vanaf 9 februari 2020. Ook zal de schadevergoedingsmaatregel worden opgelegd.

Ook de partner van het slachtoffer, mevrouw [Naam 1] , heeft affectieschade gevorderd. In de vordering is aansluiting gezocht bij het in het Besluit vergoeding affectieschade vermelde bedrag voor een levensgezel. Als levensgezel wordt aangemerkt hij/zij die ten tijde van de gebeurtenis duurzaam met het slachtoffer een gemeenschappelijke huishouding voert. De rechtbank is van oordeel dat daarvan geen sprake is. [Naam 1] en het slachtoffer woonden niet samen. Sterker nog, het slachtoffer had een contactverbod met [Naam 1] . Ondanks dit contactverbod probeerden zij hun relatie opnieuw op te pakken. Er kan echter niet gesproken worden van het voeren van een duurzaam gemeenschappelijke huishouding. De vordering dient voor wat betreft de gevorderde affectieschade dan ook te worden afgewezen.

[Naam 1] heeft voorts nog shockschade gevorderd. Shockschade is een vorm van immateriële schade voor nabestaanden. Onder shockschade wordt geestelijk letsel verstaan, dat voortvloeit uit een hevige emotionele schok, teweeggebracht door de directe waarneming van een ongeval of misdrijf dat een naaste overkomt of de directe confrontatie met de ernstige gevolgen ervan. In dat geval is er namelijk sprake van aantasting in de persoon (van de nabestaande zelf) en dat valt onder de reikwijdte van artikel 6:106 van het Burgerlijk Wetboek. Er moet dan wel sprake zijn van een in de psychiatrie erkend ziektebeeld.

Door [Naam 1] is ter onderbouwing van dit deel van de vordering een behandelplan van “Oh my mood” overgelegd, opgesteld door een klinisch psycholoog. De rechtbank stelt vast dat in dit behandelplan wordt gesteld dat [Naam 1] “voldoet aan de criteria behorende bij een depressie recidiverend met PTSS door de meegemaakte live-events de afgelopen periode.” Uit het behandelplan volgt dat hierbij niet alleen wordt geduid op de dodelijke steekpartij, maar ook op eerdere gebeurtenissen in de relatie met “haar echtgenoot”, het slachtoffer. Naar het oordeel van de rechtbank is hierdoor moeilijk vast te stellen in hoeverre er geestelijk letsel is die kan worden aangemerkt als shockschade. Er is, gelet op de gerezen vragen omtrent de behandeling van [Naam 1] , een nader onderzoek nodig om die vragen te beantwoorden. Dit levert echter een onevenredige belasting van het strafproces op. Gelet op het voorgaande zal [Naam 1] voor dit deel van haar vordering niet-ontvankelijk worden verklaard.

7 De wettelijke voorschriften

De beslissing berust op de artikelen 36f, 60a en 287 van het Wetboek van Strafrecht, zoals deze artikelen luidden ten tijde van het bewezenverklaarde.

8 De beslissing

De rechtbank:

Bewezenverklaring

  • -

    verklaart het tenlastegelegde feit bewezen zoals hierboven onder 3.4 is omschreven;

  • -

    spreekt de verdachte vrij van wat meer of anders is ten laste gelegd;

Strafbaarheid

  • -

    verklaart dat het bewezenverklaarde het strafbare feit oplevert zoals hierboven onder 4 is omschreven;

  • -

    verklaart de verdachte strafbaar;

Straf

  • -

    veroordeelt de verdachte tot een gevangenisstraf van zes jaren;

  • -

    beveelt dat de tijd die door de veroordeelde vóór de tenuitvoerlegging van deze uitspraak in voorarrest is doorgebracht, bij de uitvoering van deze gevangenisstraf in mindering zal worden gebracht;

Benadeelde partijen en schadevergoedingsmaatregelen

  • -

    veroordeelt verdachte tot betaling aan de benadeelde partij [Naam 4] te Sittard, van een bedrag van € 17.500,-, vermeerderd met de wettelijke rente te berekenen over de periode van 9 februari 2020 tot aan de dag van volledige voldoening;

  • -

    veroordeelt verdachte tevens in de kosten van de benadeelde partij tot nu toe gemaakt en ten behoeve van de tenuitvoerlegging nog te maken, tot op heden begroot op nihil;

  • -

    legt aan verdachte de verplichting op aan de Staat, ten behoeve van het slachtoffer [Naam 4] voornoemd bedrag te betalen, bij niet betaling te vervangen door

118 dagen gijzeling, met dien verstande dat de gijzeling de betalingsverplichting niet opheft, te vermeerderen met de wettelijke rente vanaf 9 februari 2020;

- bepaalt dat bij voldoening van de schadevergoedingsmaatregel de betalingsverplichting aan de benadeelde partij vervalt en omgekeerd;

  • -

    veroordeelt verdachte tot betaling aan de benadeelde partij [Naam 5], wonende te Born, van een bedrag van € 17.500,-, vermeerderd met de wettelijke rente te berekenen over de periode van 9 februari 2020 tot aan de dag van volledige voldoening;

  • -

    veroordeelt verdachte tevens in de kosten van de benadeelde partij tot nu toe gemaakt en ten behoeve van de tenuitvoerlegging nog te maken, tot op heden begroot op nihil;

  • -

    legt aan verdachte de verplichting op aan de Staat, ten behoeve van het slachtoffer [Naam 5] voornoemd bedrag te betalen, bij niet betaling te vervangen door 118 dagen gijzeling, met dien verstande dat de gijzeling de betalingsverplichting niet opheft, te vermeerderen met de wettelijke rente vanaf 9 februari 2020;

  • -

    bepaalt dat bij voldoening van de schadevergoedingsmaatregel de betalingsverplichting aan de benadeelde partij vervalt en omgekeerd;

  • -

    veroordeelt verdachte tot betaling aan de benadeelde partij [Naam 6] , wonende te Gronsveld, van een bedrag van € 20.000,-, vermeerderd met de wettelijke rente te berekenen over de periode van 9 februari 2020 tot aan de dag van volledige voldoening;

  • -

    veroordeelt verdachte tevens in de kosten van de benadeelde partij tot nu toe gemaakt en ten behoeve van de tenuitvoerlegging nog te maken, tot op heden begroot op nihil;

  • -

    legt aan verdachte de verplichting op aan de Staat, ten behoeve van het slachtoffer [Naam 6] voornoemd bedrag te betalen, bij niet betaling te vervangen door 129 dagen gijzeling, met dien verstande dat de gijzeling de betalingsverplichting niet opheft, te vermeerderen met de wettelijke rente vanaf 9 februari 2020;

  • -

    bepaalt dat bij voldoening van de schadevergoedingsmaatregel de betalingsverplichting aan de benadeelde partij vervalt en omgekeerd;

  • -

    verklaart de benadeelde partij [Naam 1], wonende te Heerlen, niet-ontvankelijk in haar vordering wat betreft de shockschade;

  • -

    wijst de vordering wat betreft de affectieschade af;

  • -

    veroordeelt de benadeelde partij in de kosten, door de verdachte ter verdediging tegen de vordering gemaakt, begroot tot heden op nihil.

Dit vonnis is gewezen door mr. A.M. Schutte, voorzitter, mr. D. Osmić en mr. C.J.M. Brands, rechters, in tegenwoordigheid van mr. C.K. Spronk, griffier, en uitgesproken ter openbare zitting van 22 september 2020.

BIJLAGE I: De tenlastelegging

Aan de verdachte is ten laste gelegd dat

hij op of omstreeks 9 februari 2020 in de gemeente Kerkrade [slachtoffer] opzettelijk van het leven heeft beroofd, door die [slachtoffer] met een mes, in elk geval een scherp en/of puntig voorwerp in zijn, [slachtoffer] , hart en/of borst, in elk geval in het bovenlichaam, te steken.

1 Waar hierna wordt verwezen naar paginanummers, wordt - tenzij anders vermeld - gedoeld op paginanummers uit het proces-verbaal van politie Parkstad-Limburg, proces-verbaalnummer [Nummer] , gesloten d.d. 10 april 2020, doorgenummerd van pagina 1 tot en met pagina 128 en aanvullende stukken.

2 Proces-verbaal van bevindingen d.d. 9 februari 2020, p. 13 en 14.

3 Proces-verbaal verhoor getuige [Naam 2] d.d. 9 februari 2020, pagina 41-43.

4 Proces-verbaal verhoor getuige [Naam 2] d.d. 10 februari 2020, pagina 44-50.

5 Proces-verbaal verhoor getuige [Naam 2] d.d. 9 februari 2020, pagina 41-43.

6 Proces-verbaal verhoor getuige [Naam 1] d.d. 9 februari 2020, pagina 32-33.

7 Proces-verbaal van relaas betreffende het forensisch onderzoek naar aanleiding van een dodelijk steekincident te Kerkrade op 9 februari 2020 d.d. 8 juni 2020.

8 Proces-verbaal van bevindingen d.d. 9 februari 2020, pagina 13.

9 Het geschrift, te weten het verslag betreffende niet-natuurlijke dood, d.d. 9 februari 2020.

10 Het geschrift, te weten het rapport van de patholoog van het NFI d.d. 3 juni 2020.

11 Proces-verbaal van voorgeleiding i.v.m. aanhouding d.d. 9 februari 2020, pagina 75-76.

12 HR 22 maart 2016, ECLI:NL:HR:2016:456