Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBLIM:2020:7056

Instantie
Rechtbank Limburg
Datum uitspraak
15-09-2020
Datum publicatie
21-09-2020
Zaaknummer
20/988
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Rekestprocedure
Inhoudsindicatie

Artikel 552a Sv. Beklag tegen beslag. Beslag gelegd in kader EOB en later Rechtshulpverzoek. Geld gevonden in de woning van de ouders van een in België verdachte van Opiumwetfeiten.

Familieleden (ouders, broer en zus) claimen rechthebbenden te zijn op het geld. Rechtbank sluit aan bij het in “witwasjurisprudentie” ontwikkelde beoordelingskader. Beklag wordt deels gegrond verklaard, deels ongegrond.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK LIMBURG

Zittingsplaats Maastricht

Strafrecht

Rekestnummer : 20/988

kenmerk : EOB-I-2019045531

Beschikking van de enkelvoudige raadkamer van de rechtbank Limburg op het klaagschrift ex artikel 552a van het Wetboek van Strafvordering van:

[klaagster 1] (hierna: [klaagster 1] ),

geboren op [geboortedatum 1] 1990 te [geboorteplaats 1] ;

[klager 1] (hierna: [klager 1] ),

geboren op [geboortedatum 2] 1982 te [geboorteplaats 2] ;

[klager 2] ,

geboren op [geboortedatum 3] 1924 te [geboorteplaats 3] (Marokko)

[klaagster 2] (hierna: [klaagster 2] ),

geboren op [geboortedatum 4] 1955 te [geboorteplaats 4] (Marokko);

hierna gezamenlijk te noemen: de klagers,

allen woonplaats kiezende te 6221 CE Maastricht, Alexander Battalaan 40, ten kantore van hun raadsman, mr. P.W. Szymkowiak.

1 De procesgang

Het klaagschrift is op 2 juli 2020 ter griffie van deze rechtbank ingediend.

De rechtbank heeft het klaagschrift op 14 juli 2020 in openbare raadkamer behandeld. De rechtbank heeft gehoord de officier van justitie, [klaagster 1] in persoon, [Naam 1] als vertegenwoordigster van [klaagster 2] en [klager 1] , en de raadsman van klagers.

[klager 1] en [klaagster 2] zijn niet (in persoon) in raadkamer verschenen.

[klager 2] is na het indienen het klaagschrift overleden.

Naar aanleiding van de behandeling in raadkamer op 14 juli 2020 zijn op verzoek van de rechtbank zowel door klagers als door het openbaar ministerie nog diverse stukken verstrekt.

De zaak is vervolgens op 1 september 2020 opnieuw in openbare raadkamer behandeld, waarbij de rechtbank wederom de officier van justitie, [klaagster 1] in persoon, [Naam 1] als vertegenwoordigster van [klaagster 2] en [klager 1] (die zelf niet in persoon in raadkamer zijn verschenen), en de raadsman van klagers heeft gehoord.

Vervolgens is uitspraak bepaald op heden.

2 De feiten

In een Belgisch strafrechtelijk onderzoek naar de handel in harddrugs in Oostende, is als een van de verdachten aangemerkt:

[Naam 2] ,

geboren op [geboortedag] 1994 en ingeschreven op het adres [adres 1] te Maastricht (hierna te noemen: [Naam 2] ).

[Naam 2] is de zoon van [klager 2] en [klaagster 2] en de broer van [klaagster 1] en [klager 1] , zijnde de klagers.

In het kader van dit strafrechtelijk onderzoek heeft de Belgische onderzoeksrechter een Europees OnderzoeksBevel (EOB) uitgevaardigd waarin aan de Nederlandse autoriteiten werd verzocht om diverse onderzoekshandelingen uit te voeren, waaronder – voor zover hier van belang – het verrichten van een doorzoeking op het woonadres van [Naam 2] , het aanhouden en verhoren van [Naam 2] en het verrichten van een doorzoeking in de woning van de ouders van [Naam 2] aan de [adres 2] te Maastricht.

Blijkens het EOB werd de doorzoeking in de woning van de ouders nodig gevonden omdat in het onderzoek het volgende was gebleken: In een op 14 maart 2020 (afgeluisterd) telefoongesprek, dat plaatsvond onder de zendmast [adres 3] te Maastricht, zegt ene “ [Naam 3] ” (die volgens de Belgische autoriteiten te identificeren is als [Naam 2] ) tegen een persoon die kennelijk bij hem is ten tijde dit van dit telefoongesprek: “Pak hem hier rechts, Ik moet geld halen bij mijn moeder thuis, alles.” 20 minuten later bevindt het toestel van deze [Naam 3] zich onder de zendmast [adres 4] , welke mast is gelegen op 1,25 km van de woning van de ouders van [Naam 2] .

Bij de Belgische autoriteiten is door dit gesprek het vermoeden ontstaan dat [Naam 2] zijn (met de handel in verdovende middelen verdiende) geld in de woning van zijn ouders bewaarde.

Op 23 juni heeft de doorzoeking aan de [adres 2] plaatsgevonden. [Naam 2] was op dat moment in de woning aanwezig en werd aangehouden. De politie heeft bij deze doorzoeking een geldbedrag van in totaal € 61.300,00 aangetroffen en inbeslaggenomen.

Het geld werd de op de volgende plaatsen in de woning gevonden:

In een slaapkamer in een kast € 3.600,00

In de kelder in een meelpot € 4.500,00

In de kelder in een emmer € 53.200,00

Blijkens een proces-verbaal van bevindingen d.d. 23 juni 2020 werd voorafgaand aan de doorzoeking door [klaagster 2] (de moeder van de verdachte) verklaard dat behalve haar man en dochter niemand in de woning aanwezig was, terwijl [Naam 2] wél in de woning aanwezig was. [klaagster 2] heeft ook verklaard dat in de kelder van de woning geld lag dat afkomstig was van spaargeld, verzekeringsgeld en geld van de dochter en dat dit tussen de
€ 10.000,00 en € 15.000,00 was, terwijl in de kelder een bedrag van € 57.700,00 werd gevonden.

Op 30 juni 2020 heeft de onderzoeksrechter van de rechtbank in eerste aanleg West-Vlaanderen, afdeling Brugge, middels een rechtshulpverzoek verzocht het geldbedrag over te dragen aan de Belgische autoriteiten, omdat het aannemelijk is dat dit niet op legale wijze is verkregen en in aanmerking komt voor verbeurdverklaring op grond van het (Belgische) artikel 42 3e Strafwetboek. Dit verzoek is – blijkens een e-mail van de onderzoeksrechter d.d. 8 juli 2020 – gebaseerd op het Verdrag inzake het witwassen, de opsporing, de inbeslagneming en de confiscatie van opbrengsten van misdrijven en financiering van terrorisme (hierna: het Verdrag).

3 De standpunten van klagers en het openbaar ministerie

Het standpunt van de klagers

De klagers hebben betoogd dat het geld van hen is, en niet door misdrijf is verkregen.

Meer concreet hebben zij het volgende aangevoerd:

[klaagster 1] stelt dat het geldbedrag van € 3.600, dat is aangetroffen op een van de slaapkamers op de bovenverdieping, van haar is. Zij heeft regelmatig contant geld opgenomen, om te voorkomen dat zij dit zou uitgeven. Van het geld dat in de kelder is gevonden is ook nog eens een bedrag van € 15.000,00 van haar. Zij nam dit op van haar rekening en gaf dit aan haar moeder om te bewaren. Zij wilde sparen voor een wereldreis.

[klager 1] heeft aangevoerd dat het geld in de meelpot in de kelder van hem is. Ook hij stelt dat hij dit geld contant van zijn en zijn partners rekening heeft afgehaald en dit heeft bewaard in de kelder van zijn moeder.

[klaagster 2] heeft aangevoerd dat het geldbedrag van € 38.200,00 van haar en haar inmiddels overleden echtgenoot is. Ook dit bedrag is in de loop van de jaren middels contante opnames gespaard. De hoogte van het bedrag kan mede verklaard worden uit het feit dat zij een erfenis, een verhuisvergoeding en een schenking hebben ontvangen.

Klagers hebben ter onderbouwing van bovengenoemde stellingen bankafschriften overgelegd.

In raadkamer hebben [klaagster 1] en [Naam 1] nog aanvullend verklaard dat hun ouders eerste generatie Marokkanen zijn en geen geld op de bank willen hebben. Zij haalden hun geld contant af van de bank en bewaarden het in de kelder. Volgens [Naam 1] bewaarde haar moeder de pinbriefjes van de geldopnames samen met het geld.

Het standpunt van de officier van justitie

In het schriftelijk standpunt van het openbaar ministerie voor de zitting van 14 juli 2020 wordt als uitgangspunt genomen dat er sprake is van conservatoir beslag ex artikel 94a van het Wetboek van Strafvordering. Nu dat niet het geval is, zal de rechtbank daar niet verder op in gaan.

In raadkamer heeft de officier van justitie betoogd dat [Naam 2] verdacht wordt van handel in verdovende middelen en dat met deze handel grote contante geldbedragen worden verdiend. Uit de telefoontap in het politieonderzoek kan worden afgeleid dat [Naam 2] dit geld bij zijn ouders bewaarde. [Naam 2] was ook in de woning op de dag van de doorzoeking. Tijdens die doorzoeking zijn, op heel ongebruikelijke wijze verstopte, geldbedragen aangetroffen. Er moet dan ook vanuit worden gegaan dat dit geld van [Naam 2] is en van misdrijf afkomstig is en dat het niet hoogst onwaarschijnlijk is dat de rechter in België, die later over de strafzaak zal beslissen, dit geld verbeurd zal verklaren.

Het beslag dient dat ook gehandhaafd te blijven in afwachting van de uitkomst van de strafzaak in België.

4 De beoordeling door de rechtbank

4.1

De bevoegdheid van de rechtbank

De rechtbank is bevoegd van het onderhavige klaagschrift kennis te nemen.

4.2

De ontvankelijkheid van het beklag

Klagers zijn ontvankelijk in hun beklag, nu het klaagschrift tijdig is ingediend.

4.3

De inhoudelijke beoordeling

De toetsingsmaatstaf

Het geld is in eerste instantie inbeslaggenomen ter uitvoering van een EOB. Het EOB kan echter alleen worden gebruikt voor beslag in het kader van de waarheidsvinding.

Nu de Belgische autoriteiten voornemens zijn om de verbeurdverklaring van het geldbedrag te vorderen, is de grondslag van het beslag thans het reeds genoemde (witwas-)Verdrag. Dit Verdrag staat inderdaad toe dat voorwerpen in beslag worden genomen die in een later stadium het onderwerp zouden kunnen vormen van een verzoek om confiscatie, in de zin van het Verdrag. In het onderhavige geval heeft de Belgische autoriteit laten weten de verbeurdverklaring van het geldbedrag te willen vorderen aan de rechter die in een later stadium over de strafzaak zal oordelen. Verbeurdverklaring is een vorm van confiscatie als bedoeld in het Verdrag.

Uit het voorgaande volgt dat de beslaglegging op het geld rechtmatig was. De vraag is nu of het beslag gehandhaafd moet blijven.

Bij de beantwoording van die vraag dient de rechtbank als beklagrechter als toets aan te leggen of het “niet hoogst onwaarschijnlijk is dat de strafrechter in België, later oordelend in de strafzaak tegen [Naam 2] , de verbeurdverklaring van het inbeslaggenomen geld zal bevelen.” Is dat niet hoogst onwaarschijnlijk, dan dient het klaagschrift ongegrond te worden verklaard.

Wil er sprake zijn van verbeurdverklaring, dan dient in de eerste plaats in voldoende mate vast komen te staan dat het inbeslaggenomen geld van een door [Naam 2] gepleegd misdrijf afkomstig is.

De vraag of dat zo is, vormt de kern van het geschil tussen het openbaar ministerie en de klagers.

Voor de beantwoording van die vraag zal de rechtbank aansluiting zoeken bij de in witwaszaken ontwikkelde jurisprudentie betreffende het bewijs dat sprake is van voorwerpen (in casu geld) die afkomstig zijn uit enig misdrijf.

De eerste stap bij de beantwoording van die vraag is dat het openbaar ministerie feiten en omstandigheden dient aan te dragen die het vermoeden rechtvaardigen dat het niet anders kan zijn dat het inbeslaggenomen geld van een door [Naam 2] gepleegd misdrijf afkomstig is.

Het openbaar ministerie heeft in dat kader gewezen op het feit dat het ongebruikelijk is om dergelijke grote contante bedragen te bewaren in een meelpot, emmer en slaapkamerkast, het afgeluisterd telefoongesprek waaruit lijkt te volgen dat [Naam 2] geld in de woning van zijn moeder bewaart, het feit dat [Naam 2] in de woning aanwezig was toen de politie die kwam doorzoeken en het feit dat de moeder van [Naam 2] weliswaar tegen de politie heeft gezegd dat er contant geld in huis was, maar daarbij een veel lager bedrag noemde dan daadwerkelijk is gevonden.

De rechtbank is van oordeel dat uit deze feiten en omstandigheden inderdaad het vermoeden kon bestaan dat het geld dat in de woning van de ouders van [Naam 2] is aangetroffen, van (door [Naam 2] gepleegde) misdrijven afkomstig was.

De volgende stap is dan dat van de klagers (die immers stellen dat het geld een legale herkomst heeft) kan worden verlangd dat hij of zij een concrete, verifieerbare en niet op voorhand hoogst onwaarschijnlijke verklaring geeft dat het geldbedrag niet van misdrijf afkomstig is. Indien een dergelijke verklaring wordt gegeven, ligt het op de weg van het openbaar ministerie daar nader onderzoek naar te doen.

De rechter zal dan mede op basis van de resultaten van dat onderzoek moeten beoordelen of ondanks de verklaring van de klagers geoordeeld moet worden dat het niet anders kan zijn dan dat het geld uit een door [Naam 2] gepleegd misdrijf afkomstig is.

Als dat zo is, dan is het niet hoogst onwaarschijnlijk dat de strafrechter, die later over de strafzaak zal oordelen, het geld verbeurd zal verklaren en dient het klaagschrift ongegrond te worden verklaard.

De rechtbank zal in het onderstaande, per vindplaats, beoordelen of de door klagers gegeven verklaring voldoende is om het bewijsvermoeden dat het geld van misdrijf afkomstig was te ontkrachten.

Het geldbedrag van € 53.200,00 in de gele emmer in de kelder

[klaagster 1] en [klaagster 2] hebben een – met stukken onderbouwde – verklaring afgelegd dat het geld in de gele emmer in de kelder van hen is en uit legale bron afkomstig is. Zij hebben middels bankafschriften laten zien dat zij zeer vaak contante opnames doen van hun bankrekeningen en dat zij door de jaren heen ook sommen geld hebben ontvangen (een erfenis, een verhuisvergoeding, een schenking) die de hoogte van het inbeslaggenomen geldbedrag kunnen verklaren. Namens [klaagster 2] is nog door haar dochter aangevoerd dat zij het van de bank opgenomen geld keurig, met pinbonnetjes erbij, in de kelder verstopte en dat de politie dat had moeten zien toen zij het geld vonden.

Naar aanleiding van die verklaringen heeft de rechtbank aan het openbaar ministerie verzocht om foto’s te overleggen van de doorzoeking en de wijze waarop het geld in de woning was aangetroffen. Helaas zijn de foto’s niet heel duidelijk en blijkt hier niet uit of, zoals door en namens [klaagster 2] en [klaagster 1] is gesteld, de pinbonnen werden bewaard bij het geld dat in de kelder in de gele emmer is gevonden. Wel blijkt uit deze foto’s dat dit geld deels verpakt is in enveloppen waarop een logo van een bank te zien is, deels in een mapje lijkend op de mapjes die de bank verstrekt bij het opnemen van grote contante bedragen en dat de bankbiljetten in sommige enveloppen voorzien lijken te zijn van het soort wikkel die ook door banken wordt gebruikt. In deze emmer zijn ook een armband en 3 ringen gevonden waarvan het waarschijnlijk is dat het familiestukken zijn.

Deze wijze van aantreffen van het geld in de gele emmer biedt steun aan de verklaring van [Naam 1] in raadkamer dat haar moeder geld opnam van de bankrekening en dit verstopte in de kelder. Deze verklaring wordt ook ondersteund door de bankafschriften van de rekening van [klaagster 2] en [klager 2] , waaruit blijkt dat steeds het gehele inkomen, na automatische incasso van bepaalde vaste lasten, contant wordt opgenomen en dat door de jaren heen op de rekening een erfenis, een verhuisvergoeding en een schenking zijn ontvangen.

De rechtbank is van oordeel dat wat betreft het geld in de gele emmer op deze manier een concrete, verifieerbare en niet op voorhand onwaarschijnlijke verklaring is gegeven dat dit niet van misdrijf afkomstig is. Het openbaar ministerie heeft verder geen onderzoek gedaan (bijvoorbeeld DNA-onderzoek naar de verpakking of onderzoek naar de serienummers op de bankbiljetten) om deze verklaring te ontkrachten, noch aangeboden dat alsnog te doen. De rechtbank is dan ook van oordeel dat het bewijsvermoeden dat dit geld van een door [Naam 2] gepleegd misdrijf afkomstig is niet langer bestaat, en dat [klaagster 2] (de bewoonster van de woning waar het geld is gevonden) de rechthebbende op dit geldbedrag is. Nu de voor zowel [klaagster 2] als [klaagster 1] optredend advocaat heeft aangevoerd dat van dit geldbedrag in de gele emmer een bedrag van € 15.000,00 van [klaagster 1] is, zal de rechtbank deze stelling volgen. De rechtbank zal het klaagschrift op dit onderdeel gegrond verklaren en teruggave gelasten van dit geld aan [klaagster 1] en [klaagster 2] .

Het geldbedrag van € 3.600,00 in de kast op de slaapkamer

Wat betreft het geldbedrag van € 3.600,00 in de kast op de slaapkamer is een verklaring gegeven door [klaagster 1] . Ook dit bedrag zou contant zijn opgenomen. Zij heeft ook bankafschriften overgelegd waaruit blijkt dat ze inderdaad contante opnames doet van haar rekening en de (door haar beheerde) rekening van haar partner. Uit de foto’s (foto 35 t/m 39) van het aangetroffen geld blijkt dat er pinbonnen (van de rekening van de partner van [klaagster 1] , waarvan ook bankafschriften zijn overgelegd) en een handgeschreven brief bij het geld zaten. Deze brief lijkt qua inhoud inderdaad gericht aan [klaagster 1] . Hiermee heeft [klaagster 1] een concrete, verifieerbare en niet op voorhand onwaarschijnlijke verklaring gegeven dat het geld niet van een door [Naam 2] gepleegd misdrijf afkomstig is. Het openbaar ministerie heeft verder geen nader onderzoek gedaan waaruit het tegenovergestelde zou blijken, zodat ook dit geld teruggegeven dient te worden aan [klaagster 1] en het klaagschrift ook op dit onderdeel gegrond zal worden verklaard.

Het geldbedrag van € 4.500,00 in de meelpot in de kelder

Wat betreft het geldbedrag van € 4.500,00 in de meelpot in de kelder is de rechtbank van oordeel dat daarvoor door [klager 1] , die stelt daarop de rechthebbende te zijn, niet een voldoende concrete, verifieerbare en niet op voorhand onwaarschijnlijke verklaring is gegeven. Hij heeft weliswaar bankafschriften overgelegd van de rekening van hem en zijn echtgenote, waarvan inderdaad contante bedragen worden afgehaald, maar een verklaring waarom dat geld bij zijn ouders zou moeten worden bewaard, terwijl hij zelf in België woont, is niet gegeven. Ook zijn bij dit geld geen pinbonnen gevonden en was dit op een andere manier verpakt dan het geld in de gele emmer. Het vermoeden dat dit geld van [Naam 2] is, is door [klager 1] dan ook niet voldoende weggenomen. De rechtbank zal het klaagschrift wat dit onderdeel betreft dan ook ongegrond verklaren. Het beslag op dit geldbedrag blijft dan ook gehandhaafd.

5 Beslissing

De rechtbank:

- verklaart het klaagschrift deels gegrond;

- gelast de teruggave van € 18.600,00 aan [klaagster 1] en € 38.200,00 aan [klaagster 2] ;

- verklaart het beklag voor het overige (voor zover het ziet op het geldbedrag van
€ 4.500,00) ongegrond.

Deze beschikking is gegeven door mr. A.P.A. Bisscheroux, rechter, in tegenwoordigheid van D.C.H.B. Slenter griffier, en uitgesproken in openbare raadkamer van deze rechtbank van 15 september 2020.1

1 Tegen deze beschikking staat voor de klager beroep in cassatie open bij de Hoge Raad, in te stellen bij deze rechtbank binnen 14 dagen na betekening van deze beschikking.