Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBLIM:2020:6987

Instantie
Rechtbank Limburg
Datum uitspraak
17-09-2020
Datum publicatie
25-09-2020
Zaaknummer
C/03/281717 / KG ZA 20-335
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
Kort geding
Inhoudsindicatie

Opheffing beslag. Vordering summierlijk ondeugdelijk.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
NJF 2020/378
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

vonnis

RECHTBANK LIMBURG

Burgerlijk recht

Zittingsplaats Maastricht

zaaknummer / rolnummer: C/03/281717 / KG ZA 20-335

Vonnis in kort geding van 17 september 2020

in de zaak van

1. de besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid

EISENDALHOF B.V.,

gevestigd te Maastricht en kantoorhoudende te Meerssen,

2. de besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid

BEHEERMAATSCHAPPIJ GEREM B.V.,

gevestigd en kantoorhoudende te Maastricht,

3. de besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid

ELBANA BEHEER B.V.,

gevestigd en kantoorhoudende te Maastricht,

eiseressen,

advocaat mr. H.H.T. Beukers,

tegen

de besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid

BEHEERMAATSCHAPPIJ ARROS B.V.,

gevestigd en kantoorhoudende te Maastricht,

gedaagde,

advocaat mr. R. Kerckhoffs.

Eisers zullen hierna gezamenlijk eisers worden genoemd, dan wel afzonderlijk Eisendalhof, Gerem en Elbana. Gedaagde zal Arros genoemd worden.

1 De procedure

1.1.

Het verloop van de procedure blijkt uit:

  • -

    de dagvaarding van 25 augustus 2020 met de daarbij gevoegde producties 1 tot en met 26,

  • -

    de door eisers ingediende aanvullende producties 27 tot en met 29,

  • -

    de door Arros ingediende producties 1 tot en met 3,

  • -

    de mondelinge behandeling van 3 september 2020,

  • -

    de pleitnota van eisers,

  • -

    de pleitnota van Arros.

1.2.

Ten slotte is vonnis bepaald.

2 De feiten

2.1.

[naam bv] B.V. (hierna: [naam bv] ) is de topholding van het familiebedrijf [familiebedrijf] . [familiebedrijf] houdt zich, via haar werkmaatschappijen, bezig met het internationaal tanktransport van vloeibare goederen, de handel en advisering in geokunststoffen voor grond-, weg-, water- en spoorwerken en sportvelden, en de handel in bouwstoffen ten behoeve van onder meer waterbouwwerken.

2.2.

De aandeelhouders van [naam bv] zijn - via hun persoonlijke beheersvennootschappen - de broers [naam 1] , [naam 2] , [naam 3] en [naam 4] . Ieder van hen houdt 25% van de aandelen. De persoonlijke beheersvennootschap van [naam 1] is Eisendalhof, die van [naam 2] is Gerem, die van [naam 3] is Elbana en die van [naam 4] is Arros.

2.3.

[naam 4] was op basis van een managementovereenkomst als statutair-bestuurder werkzaam voor [naam bv] . Tussen [naam 4] enerzijds en zijn broers [naam 2] , [naam 1] en [naam 3] anderzijds zijn zakelijke conflicten ontstaan die ertoe hebben geleid dat [naam 4] bij brief van

3 december 2013 zijn managementovereenkomst met [naam bv] per 1 juli 2014 heeft opgezegd.

2.4.

Naar aanleiding van die (en andere) zakelijke conflicten zijn tussen de broers verschillende juridische procedures gevoerd.

2.5.

In de procedure C/03/231360, waarin de rechtbank Limburg op 6 september 2017 vonnis heeft gewezen (productie 12 bij dagvaarding in kort geding), vorderen [naam 4] en Arros (hierna: [naam 4] c.s.) - onder meer - (primair) nakoming van een volgens [naam 4] c.s. overeengekomen aandelenruil (zie r.o.v. 3.7. van het vonnis van 6 september 2017).

De rechtbank heeft de vorderingen afgewezen (dan wel [naam 4] c.s. niet-ontvankelijk verklaard).

2.6.

[naam 4] c.s. zijn in hoger beroep gegaan van dit vonnis. De vorderingen van [naam 4] c.s. bestaan, na wijziging van de eis in hoger beroep, uit de door het Gerechtshof

Amsterdam in het arrest van 3 september 2019 weergegeven onderdelen I tot en met VII (r.o.v. 1.8., productie 19 bij dagvaarding in kort geding). Met betrekking tot de onderdelen I tot en met III en V en VI is de meervoudige burgerlijke kamer van het hof bevoegd (zaaknummer 200.237.643/01) en met betrekking tot onderdeel IV de Ondernemingskamer van het gerechtshof Amsterdam, hierna de Ondernemingskamer (zaaknummer 200.229.369/01 OK). Onderdeel IV van het petitum strekt ertoe [naam 1] , Eisenhof, [naam 2] , Gerem, [naam 3] en Elbana op de voet van artikel 2:343 lid 1 BW te veroordelen tot overname van de door Arros gehouden aandelen in [naam bv] , tegen een door de deskundige te bepalen prijs.

2.7.

De Ondernemingskamer heeft, voor zover thans van belang, als volgt in haar arrest van 3 september 2019 (productie 19 bij dagvaarding in kort geding) overwogen, geciteerd voor zover hier van belang:

“(…)

3.31

Bij de beoordeling van de uittredingsvordering stelt de Ondernemingskamer voorop dat voor toewijzing van deze vordering voldoende is dat Arros als aandeelhouder door gedragingen van een of meer medeaandeelhouders zodanig in haar rechten of belangen is geschaad dat het voortduren van zijn aandeelhouderschap in redelijkheid niet meer van hem kan worden gevergd (artikel 2:343 BW). Deze maatstaf houdt niet in dat dat de vordering slechts kan worden toegewezen in geval van ‘bijkomende zwaarwegende omstandigheden’, ‘zwaarwegende gronden’ of ‘verwijtbaarheid’ van de medeaandeelhouders of de vennootschap.

3.32

Op grond van onderstaande omstandigheden acht de Ondernemingskamer de uittredingsvordering toewijsbaar: (…).

3.33

De omstandigheid dat [naam 4] per 1 juli 2014 zijn werkzaamheden voor de onderneming heeft gestaakt (…) en is teruggetreden als bestuurder, staat aan toewijzing van de uittredingsvordering niet in de weg. Dat laatste geldt ook voor de omstandigheid dat [naam 4] mogelijk onrechtmatig heeft gehandeld door - kort gezegd - betrokkenheid bij concurrerende activiteiten van Roxx.

3.34

[naam bv] c.s. hebben erop gewezen dat [naam 4] de door Arros gehouden aandelen overeenkomstig artikel 8 van de statuten van [naam bv] kan aanbieden aan de overige aandeelhouders. Het bestaan van deze mogelijkheid – die geen zekerheid biedt dat het daadwerkelijk tot een aandelenoverdracht zal komen en geen regeling is als bedoeld in het slot van het tweede lid van artikel 2:337 BW – staat niet in de weg aan toewijzing van de uittredingsvordering, nog daargelaten dat [naam 4] de door Arros gehouden aandelen op 4 december 2013 en 9 febuari 2014 reeds heeft aangeboden en [naam 3] , [naam 1] en [naam 2] niet te kennen hebben gegeven de aandelen over te willen nemen.

3.35

De Ondernemingskamer zal op de voet van artikel 2:339 BW een deskundige benoemen ter vaststelling van de waarde van de aandelen in [naam bv] per 1 september 2019. De Ondernemingskamer zal partijen in de gelegenheid stellen zich bij akte uit te laten over de persoon van de deskundige en de vraagstelling.

3.36

De Ondernemingskamer zal de deskundige opdragen de waarde te bepalen zonder inachtneming van de hierboven in 3.1 sub A bedoelde vorderingen van [naam bv] , AM Exploitatie, AM Handel en AM België tot schadevergoeding, nu die vorderingen aanhangig zijn bij de rechtbank Limburg en van de deskundige niet kan worden gevraagd om de aandelen te waarderen op basis van een prognose van de uitkomst van die procedure. Na het deskundigenbericht kunnen partijen zich tevens uitlaten over de stand van zaken in de procedure bij de rechtbank Limburg met betrekking tot de in 3.1 sub A bedoelde vorderingen en over de wijze waarop die vorderingen verdisconteerd dienen te worden in de prijs van de over te dragen aandelen.

3.37

De Ondernemingskamer zal met betrekking tot de in 1.8 sub IV genoemde vordering iedere verdere beslissing aanhouden. (…)”

2.8.

Bij arrest van 3 december 2019 heeft de Ondernemingskamer, voor zover thans van belang, het volgende overwogen (productie 20 bij dagvaarding in kort geding):

“(…)

2.8

[naam bv] c.s. heeft nog opgemerkt dat het de voorkeur geniet de aandelen aan [naam bv] – in plaats van aan [naam 1] , Eisendalhof, [naam 2] , Gerem, [naam 3] en Elbana – over te dragen (door middel van inkoop) en dat dit tot de mogelijkheden behoort. Het komt de Ondernemingskamer voor dat een overdracht van de aandelen aan [naam bv] , hoewel dit niet door [naam 4] c.s. is gevorderd, niet bezwaarlijk zal zijn voor [naam 4] c.s. Partijen zullen zich hierover na afloop van het deskundigenonderzoek bij akte uitlating deskundigenbericht eveneens nader kunnen uitlaten en kunnen vanzelfsprekend hieromtrent vooruitlopend daarop onderlinge afspraken maken. (…)”

2.9.

De Ondernemingskamer heeft bij arrest van 3 december 2019 een onderzoek bevolen naar de waarde van de aandelen per 1 september 2019. De deskundige heeft de aandelen van de broers gewaardeerd op € 3.125.000,-.

2.10.

Arros heeft op 11 augustus 2020 aan de voorzieningenrechter van deze rechtbank verzocht de vordering van Arros op Eisendalhof, Gerem en Elbana ieder afzonderlijk te begroten op € 338.541,67 en verlof te verlenen om conservatoir beslag te leggen op de onroerende zaak van Elbana gelegen aan de [adres] te Maastricht en op gelden en/of geldswaarden van Eisendalhof, Gerem en Elbana bij de Rabobank U.A., de ING Bank N.V., de ABN Amro Group N.V. en Van Lanschot Kempen Wealth Management N.V. (productie 1 bij dagvaarding in kort geding).

2.11.

Het verlof is op 12 augustus 2020 verleend, met begroting van de vordering van Arros op Eisendalhof, Gerem en Albana ieder afzonderlijk op € 338.541,67, onder bepaling dat het beslag maximaal drie keer mag worden herhaald binnen dertig dagen na het eerst gelegde beslag.

3 Het geschil

3.1.

Eisers vorderen dat de voorzieningenrechter bij vonnis, uitvoerbaar bij voorraad:

  1. de door Arros ingevolge het beslagverlof d.d. 12 augustus 2020 ten laste van eisers gelegde conservatoire beslagen onder Coöperatieve Rabobank UA, ING Bank NV, ABN Amro Bank NV en Van Lanschot Kempen Wealth Management NV opheft, althans Arros veroordeelt om deze beslagen binnen twee dagen ná betekening van het in deze te wijzen vonnis op te heffen op straffe van een aan ieder van eisers verschuldigde dwangsom van € 10.000,00 per dag of dagdeel dat Arros niet aan de veroordeling daartoe voldoet,

  2. het door Arros ten laste van Elbana gelegde conservatoir beslag op de onroerende zaak, staande en gelegen te [plaats] aan de [adres] , kadastraal bekend onder [kadasternummer] , opheft, althans Arros veroordeelt om dit beslag binnen twee dagen ná betekening van dit vonnis op te heffen op straffe van een aan ieder van eisers verschuldigde dwangsom van € 10.000,00 per dag of dagdeel dat Arros niet aan de veroordeling daartoe voldoet,

  3. Arros verbiedt om nogmaals ter zekerheid van dezelfde gepretendeerde vorderingen ten laste van eisers conservatoir beslag te leggen, op straffe van een dwangsom van € 100.000,00 per overtreding, te verbeuren aan de partij ten laste van wie in strijd met deze veroordeling wordt gehandeld,

  4. Arros veroordeelt in de kosten van deze procedure, waaronder de nakosten, te voldoen binnen veertien dagen na dagtekening van het vonnis, en, indien voldoening binnen die termijn uitblijft, te vermeerderen met de wettelijke rente vanaf veertien dagen na dagtekening van het vonnis.

3.2.

Eisers stellen zich - kort gezegd - op het standpunt dat de vordering waarop beslag is gelegd niet vaststaat en niet opeisbaar is. De vordering bestaat pas wanneer als de Ondernemingskamer onvoorwaardelijk en uitvoerbaar bij voorraad een veroordeling tot betaling van een concreet bedrag met betrekking tot de waarde van de aandelen uitspreekt, dan wel indien een arrest met die strekking onherroepelijk is. Hierbij geldt dat alles behalve zeker is dat, als Arros als een vordering ter zake de koopsom zal verkrijgen, deze vordering op eisers zal rusten. Er bestaat een reële kans dat [naam bv] de koopprijs zal moeten voldoen. Voorts is van belang dat [naam bv] ten laste van Arros conservatoir beslag heeft gelegd op de door Arros in [naam bv] gehouden aandelen, en Arros de aandelen, na een veroordeling daartoe door de Ondernemingskamer, niet kan leveren en eisers dan ook niet gehouden kunnen zijn tot onmiddellijke betaling van de koopsom. Verder zijn de beslagen vexatoir, is er geen vrees voor verduistering met betrekking tot het beslag op de onroerende zaak, en is er geen verlof voor beslag verleend onder ABN Amro Bank N.V. Alle feiten en omstandigheden leiden, aldus eisers, tot het oordeel dat een belangenafweging noopt tot opheffing van de conservatoire beslagen.

3.3.

Arros voert verweer.

3.4.

Op de stellingen van partijen wordt hierna, voor zover van belang, nader ingegaan.

4 De beoordeling

4.1.

Ingevolge artikel 705 lid 2 Rv wordt een beslag opgeheven indien sprake is van een van de in dat artikel genoemde opheffingsgronden, zijnde verzuim van op straffe van nietigheid voorgeschreven vormen, indien summierlijk blijkt van de ondeugdelijkheid van het door de beslaglegger ingeroepen recht of van het onnodige van het beslag en, zo het beslag is gelegd voor een geldvordering, indien daarvoor voldoende zekerheid wordt gesteld. Ook indien zich een van deze opheffingsgronden voordoet, zal een belangenafweging moeten worden gemaakt, waarbij het belang van de beslagene bij opheffing van het beslag moet worden afgewogen tegen het belang van de beslaglegger bij handhaving daarvan (vgl. HR 14 juni 1996, ECLI:NL:HR 1996:ZC1205; HR 25 november 2005, ECLI:NL:HR:AT9060). Degene die opheffing vordert van een ten laste van hem gelegd beslag zal aannemelijk moeten maken dat het vorderingsrecht van de beslaglegger ondeugdelijk is, met in achtneming van de beperkingen van de kortgedingprocedure. De voorzieningenrechter zal hebben te beslissen aan de hand van een beoordeling van wat door beide partijen naar voren is gebracht en summierlijk met bewijsmateriaal is onderbouwd, welke beoordeling niet los kan geschieden van de in een zodanig geval vereiste afweging van wederzijdse belangen (zie laatstgenoemd arrest van de Hoge Raad).

4.2.

Het spoedeisend belang bij een op artikel 705 Rv gebaseerde vordering tot opheffing van een conservatoir beslag vloeit voor uit de aard ervan.

4.3.

De vordering van Arros waarvoor beslag is gelegd, strekt ertoe (onder andere) eisers te veroordelen tot overname van de door Arros gehouden aandelen in [naam bv] , tegen een door de deskundige te bepalen koopprijs (rov. 2.6.).

4.4.

De voorzieningenrechter overweegt dat de kern van het geschil derhalve de vraag betreft of eisers door de Ondernemingskamer zullen worden veroordeeld tot het overnemen van de door Arros gehouden aandelen. In kort geding is geen plaats voor een sluitend onderzoek naar welke vennootschap de aandelen dient over te nemen. Voor zodanig onderzoek dient de bodemprocedure als aanhangig bij de Ondernemingskamer.

4.5.

In het arrest van de Ondernemingskamer van 3 december 2019 is in rechtsoverweging 2.8 overwogen dat [naam bv] c.s. hebben opgemerkt dat het de voorkeur geniet de aandelen aan [naam bv] – in plaats van aan [naam 1] , Eisendalhof, [naam 2] , Gerem, [naam 3] en Elbana – over te dragen (door middel van inkoop) en dat dit tot de mogelijkheden behoort. De Ondernemingskamer heeft daarbij overwogen dat een overdracht van de aandelen aan [naam bv] , hoewel dit niet door [naam 4] c.s. is gevorderd, niet bezwaarlijk zal zijn voor [naam 4] c.s. en dat partijen zich hierover na afloop van het deskundigenonderzoek bij akte uitlating deskundigenbericht eveneens nader kunnen uitlaten (rov. 2.8.).

4.6.

Arros heeft tijdens de mondelinge behandeling naar voren gebracht dat sprake is van een reeds aanwezige of te verwachten rechtsverhouding tussen Arros en eisers, dat de Ondernemingskamer nog niet heeft geoordeeld dat de aandelen door eisers moeten worden ingekocht en dat - hoewel er een kans bestaat dat [naam bv] veroordeeld zal worden tot inkoop - dit niet aannemelijk is daar de wet zich hiertegen verzet. [naam bv] had dan immers, uiterlijk de dag voor het nemen van de conclusie van antwoord, opgeroepen moeten worden.

4.7.

Uit het vorenstaande volgt dat niet vaststaat wie tot inkoop van de aandelen zal worden gehouden. Dit kunnen eisers zijn, maar het kan ook [naam bv] zijn.

Het verweer van Arros dat [naam bv] de aandelen van Arros niet kan overnemen nu zij niet is opgeroepen kan alleen al niet slagen omdat uit de hiervoor weergegeven rechtsoverweging 2.8. uit het arrest van 3 december 2019 van de Ondernemingskamer (rov. 2.8. en 4.5.) volgt dat de Ondernemingskamer inkoop van de aandelen door [naam bv] als mogelijkheid ziet.

Nu onzeker is of Arros een vordering heeft of krijgt jegens eisers (of de vordering, zoals tijdens de mondelinge behandeling besproken, al dan niet reeds bestaat kan in het midden worden gelaten), is summierlijk van de ondeugdelijk van het door Arros ingeroepen recht gebleken.

Van eisers kan niet worden gevergd dat zij de lasten van een beslag gelegd voor een mogelijk niet jegens eisers (al dan nog niet reeds) bestaande vordering dragen. Het beslag dient dan ook te worden opgeheven.

4.8.

Het door eisers primair onder 1. en 2. gevorderde zal worden toegewezen. Vordering 3. zal worden afgewezen, nu niet is gesteld of gebleken dat Arros nogmaals beslag wil leggen bij eisers op grond van de door haar gestelde vordering.

4.9.

Arros zal als de grotendeels in het ongelijk gestelde partij in de proceskosten worden veroordeeld. De kosten aan de zijde van eisers worden begroot op:

- betekening oproeping € 87,99

- griffierecht 656,00

- salaris advocaat 980,00

Totaal € 1.723,99

4.10.

De gevorderde veroordeling in de nakosten is in het kader van deze procedure slechts toewijsbaar voor zover deze kosten op dit moment reeds kunnen worden begroot. De nakosten zullen dan ook worden toegewezen op de wijze zoals in het dictum vermeld.

5 De beslissing

De voorzieningenrechter

5.1.

heft de door Arros ingevolge het beslagverlof van 12 augustus 2020 ten laste van eisers gelegde conservatoire beslagen onder Coöperatieve Rabobank UA, ING Bank NV, ABN Amro Bank NV en Van Lanschot Kempen Wealth Management NV op,

5.2.

heft het door Arros ten laste van Elbana gelegde conservatoir beslag op de onroerende zaak, staande en gelegen te [plaats] aan de [adres] , kadastraal bekend onder [kadasternummer] , op,

5.3.

veroordeelt Arros in de proceskosten, aan de zijde van eisers tot op heden begroot op € 1.723,99,

5.4.

veroordeelt Arros in de na dit vonnis ontstane kosten, begroot op € 157,00 aan salaris advocaat, te vermeerderen, onder de voorwaarde dat Arros niet binnen 14 dagen na aanschrijving aan het vonnis heeft voldaan en er vervolgens betekening van de uitspraak heeft plaatsgevonden, met een bedrag van € 82,00 aan salaris advocaat en de explootkosten van betekening van de uitspraak, en te vermeerderen met de wettelijke rente als bedoeld in art. 6:119 BW over de nakosten met ingang van veertien dagen na de betekening van dit vonnis tot aan de voldoening,

5.5.

verklaart dit vonnis tot zover uitvoerbaar bij voorraad,

5.6.

wijst het meer of anders gevorderde af.

Dit vonnis is gewezen door mr. K.J.H. Hoofs en in het openbaar uitgesproken op 17 september 2020.1

1 type: AP