Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBLIM:2020:6963

Instantie
Rechtbank Limburg
Datum uitspraak
16-09-2020
Datum publicatie
22-09-2020
Zaaknummer
C03/264695/HA ZA 19-272
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

Tussenvonnis. Kernverplichting overeenkomst niet nagekomen. Boetebedrag in beginsel verschuldigd. Beroep op matiging boete. Onduidelijk aan de hand waarvan de boete is berekend en vastgesteld. Gelegenheid partijen om zich hierover uit te laten.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

vonnis

RECHTBANK LIMBURG

Burgerlijk recht

Zittingsplaats Maastricht

zaaknummer / rolnummer: C/03/264695 / HA ZA 19-272

Vonnis van 16 september 2020

in de zaak van

de publiekrechtelijke rechtspersoon

PROVINCIE LIMBURG,

zetelend te Maastricht,

eiseres in conventie,

verweerster in voorwaardelijke reconventie

advocaat mrs. H. Coppens en J.J.J. Kil,

tegen

[gedaagde in conventie, eiser in voorwaardelijke reconventie] ,

wonende te [woonplaats] ,

gedaagde in conventie,

eiser in voorwaardelijke reconventie,

advocaat mr. A.M.H.C. Coppens.

Partijen zullen hierna de provincie en [gedaagde in conventie, eiser in voorwaardelijke reconventie] genoemd worden.

1 De procedure

1.1.

Het verloop van de procedure blijkt uit:

  • -

    het vonnis in incident van 9 oktober 2019,

  • -

    de conclusie van antwoord in voorwaardelijke reconventie,

  • -

    de akte in geding brengen producties van [gedaagde in conventie, eiser in voorwaardelijke reconventie] met bijlagen 3 tot en met 9,

  • -

    het proces-verbaal van comparitie van 4 juni 2020.

1.2.

Ten slotte is vonnis bepaald.

2 De feiten

2.1.

[gedaagde in conventie, eiser in voorwaardelijke reconventie] is eigenaar van een aantal percelen grond in de gemeente [gemeentenaam] . Op deze percelen exploiteert [gedaagde in conventie, eiser in voorwaardelijke reconventie] een agrarisch bedrijf met (onder andere) een rundveetak.

2.2.

De provincie en [gedaagde in conventie, eiser in voorwaardelijke reconventie] hebben een op 2 juli 2010 door de provincie en op 14 juli 2010 door [gedaagde in conventie, eiser in voorwaardelijke reconventie] ondertekende overeenkomst (de grasovereenkomst) gesloten, inhoudende, voor zover hier van belang, het volgende (productie 1 dagvaarding):

“(..)

Artikel 2 Omzetting naar grasland en instandhouding grasland

2.1.

De ondernemer verplicht zich om de deelnemende grond, te weten de percelen bouwland, (..) als aangegeven in de bijlage 1 als “om te zetten in permanent grasland” bij deze overeenkomst, kadastraal bekend (..), gemeente [gemeentenaam] (..) nummers (..)

a. in permanent grasland om te zetten.

Deze kadastrale percelen bevinden zich allen op hellingen steiler dan 5% (..)

(..)

Artikel 4 Niet nakoming

4.1.

Bij niet nakoming van een verplichting als bedoeld in het artikel 2 is de ondernemer ten behoeve van de provincie een direct opeisbare boete verschuldigd ter grootte van € 1.000,-- (duizend euro) per dag voor iedere niet nakoming en voor iedere dag dat de niet-nakoming voortduurt. Deze boete zal verschuldigd zijn nadat de ondernemer schriftelijk op de overtreding is gewezen en zolang de overtreding voortduurt, en geldt onverminderd het recht van de provincie op vergoeding van de eventueel meer geleden schade en onverminderd het recht van de provincie om tegelijk nakoming van de boete én de verbintenis te verlangen.

(..)

Artikel 6 Compensatie waardevermindering

De provincie vergoedt aan de ondernemer als compensatie voor de door hem geleden schade, bestaande uit de waardevermindering van de percelen bedoeld in artikel 2.1 ten gevolge van de omzetting ervan van bouwland naar grasland, eenmalig een bedrag van € 104.554,- (..)

Artikel 9 Inwerkingtreding en looptijd

9.1

Deze overeenkomst treedt in werking de dag na ondertekening door partijen.

(..)

9.2

Deze overeenkomst geldt voor

a. onbepaalde tijd. (..)

(..)

Artikel 10 Opzegging en wijziging

(..)

10.2

Indien zich onvoorziene omstandigheden voordoen die van dien aard kunnen zijn dat deze overeenkomst redelijkerwijs dient te worden gewijzigd zullen partijen over de noodzaak van wijziging in overleg treden.

(..)”

2.3.

De provincie heeft [gedaagde in conventie, eiser in voorwaardelijke reconventie] in een brief van 10 september 2015 (verzonden 11 september 2015), onder verwijzing naar de grasovereenkomst, onder meer als volgt bericht (productie 4 dagvaarding).

“(..) Ingevolge artikel 2.1 van de overeenkomst heeft u zich verplicht de betreffende percelen in permanent grasland om te zetten.(..)

Bij controle op 3 september 2015 is gebleken dat u op percelen gelegen binnen blok 1 en blok 2 van de betreffende overeenkomst in strijd met deze verplichting mais heeft ingezaaid (..) Hierbij (…) sommeren (wij) u deze nalatigheid zo spoedig mogelijk te beëindigen. Tevens bent u de boete zoals overeengekomen in artikel 4.1 van de overeenkomst verschuldigd.”

2.4.

De provincie heeft [gedaagde in conventie, eiser in voorwaardelijke reconventie] vervolgens bij brief van 19 april 2017, onder verwijzing naar haar eerdere brief van 11 september 2015, voor zover hier van belang, als volgt bericht (productie 10 dagvaarding).

“(..) Meermaals is geconstateerd, het meest recent op 7 februari 2017, dat op de betreffende percelen nog steeds mais geteeld wordt (..)

Dat betekent dat u sedert lange tijd, doch tenminste sedert 11 september 2015 tekort schiet in de nakoming van uw verplichtingen. (..)

Daarmee bent u thans een boete verschuldigd groot € 560.000,00. Elke dag dat u niet voldoet aan de overeenkomst loopt de boete verder op. (..)”

2.5.

De provincie heeft [gedaagde in conventie, eiser in voorwaardelijke reconventie] bij brief van 15 oktober 2018, voor zover hier van belang, als volgt bericht (productie 16 dagvaarding).

“(..) Bij brief van 11 september 2015 bent u voor het eerst gesommeerd (..)Ook aan opvolgende sommatiebrieven (..) heeft u niet voldaan. (..)Tot op heden heeft u niet aan voormelde sommatie voldaan.(..) Besprekingen tussen u en de Provincie hebben ook tot geen enkel tastbaar resultaat geleid. (..) is de boete opgelopen tot € 1.000.000,00. (..) de Provincie (..) nog eenmaal bereid (..) minnelijke oplossing (..)”

2.6.

In het als productie 19 door de provincie ingebrachte controlerapport van 15 april 2019 is onder meer het navolgende opgenomen.

“(..) geconstateerd dat de grond op de percelen van blok 1 weliswaar zijn bewerkt maar dat er geen gewas en dus geen gras groeit. Er is niets ingezaaid of het zaaigoed moet nog uitkomen. (..) Op de percelen van blok 2 is wel gras ingezaaid. (..) Niet alle percelen zijn conform artikel 2 van de overeenkomst in grasland gezet. (..).

2.7.

In het als productie 20 door de provincie ingebrachte controlerapport van 13 mei 2019 is onder meer het navolgende geconstateerd.

“(..) Bij de controle op 13 mei 2019 heb ik geconstateerd dat de losgewerkte grond zoals gezien op 15 april jl. is verdicht (geëgaliseerd) en dat recent gras is ingezaaid. Het jonge gras is net opgekomen. (..) Conclusie Alle percelen (percelen blok 1 en blok 2) zijn conform artikel 2 van de overeenkomst in grasland gezet. (..). De overtreding op artikel 2 van de overeenkomst [gedaagde in conventie, eiser in voorwaardelijke reconventie] is opgeheven. (..).

2.8.

[gedaagde in conventie, eiser in voorwaardelijke reconventie] heeft in strijd met de grasovereenkomst op (gedeeltes van) de percelen geen gras geteeld tussen in elk geval 11 september 2015 tot en met 1 mei 2019.

3 Het geschil

in conventie

3.1.

De provincie vordert dat de rechtbank [gedaagde in conventie, eiser in voorwaardelijke reconventie] bij vonnis, voor zover mogelijk uitvoerbaar bij voorraad, veroordeelt tot betaling aan de provincie van:

  1. € 1.328.000,-, althans een door de rechtbank in goede justitie te bepalen bedrag, te vermeerderen met de wettelijke rente ex art. 6:119 BW over dat bedrag vanaf 3 maart 2017, althans een door de rechtbank in goede justitie te bepalen datum, tot de dag der algehele voldoening,

  2. € 6.775,-, bij wijze van vergoeding van de buitengerechtelijke kosten,

  3. de kosten van het geding, een en ander te voldoen binnen veertien dagen na dagtekening van het te wijzen vonnis, en – voor het geval voldoening van de kosten niet binnen de gestelde termijn plaatsvindt – te vermeerderen met de wettelijke rente over de kosten, te rekenen vanaf bedoelde termijn voor voldoening.

3.2.

De provincie legt het navolgende aan haar vordering ten grondslag.

[gedaagde in conventie, eiser in voorwaardelijke reconventie] is tekortgeschoten in de uit artikel 2.1 van de in juli 2010 tussen partijen gesloten overeenkomst voortvloeiende hoofdverplichting, ondanks herhaalde sommaties tot nakoming. [gedaagde in conventie, eiser in voorwaardelijke reconventie] is, gelet op het bepaalde in artikel 2.1 gehouden om de in de overeenkomst genoemde percelen permanent om te zetten in grasland. [gedaagde in conventie, eiser in voorwaardelijke reconventie] heeft hier ook een tegenprestatie voor ontvangen. Aan hem is door de provincie in dat verband een bedrag van € 104.554,- betaald. Door de provincie is bij controle echter herhaaldelijk geconstateerd dat hij, op (enkele van de) percelen waar de overeenkomst op ziet, mais verbouwde. [gedaagde in conventie, eiser in voorwaardelijke reconventie] is naar aanleiding daarvan herhaaldelijk door de provincie gesommeerd om de betreffende percelen alsnog in permanent grasland om te zetten (zie rov. 2.3 tot en met 2.5 en zie ook productie 8, 9 en 15 dagvaarding). [gedaagde in conventie, eiser in voorwaardelijke reconventie] heeft echter eerst vanaf 1 mei 2019 daadwerkelijk op alle percelen gras gezaaid en daarmee voldaan aan artikel 2.1.van de overeenkomst (zie de onder rov. 2.6 en 2.7 weergegeven controlerapporten). Dat hij inmiddels aan zijn verplichtingen heeft voldaan, doet niet af aan het feit dat hij over de periode dat hij in overtreding was de contractuele boete verschuldigd is. [gedaagde in conventie, eiser in voorwaardelijke reconventie] is conform artikel 4.1 van de overeenkomst een boete van € 1.000,- per dag verschuldigd voor iedere dag dat hij zijn verplichtingen ex artikel 2.1 niet nakomt. [gedaagde in conventie, eiser in voorwaardelijke reconventie] was in overtreding in de periode van 11 september 2015 tot en met 1 mei 2019, zijnde 1.328 dagen x € 1.000,- is in totaal € 1.328.000,-.

3.3.

[gedaagde in conventie, eiser in voorwaardelijke reconventie] voert aan dat de provincie met de privaatrechtelijke grasovereenkomst op onaanvaardbare wijze het bestuursrecht doorkruist. Verder bestaat de grasovereenkomst niet meer omdat deze is ‘vervallen’ door de titelzuiverende werking van de Akte toedeling herinrichting Mergelland-Oost. Hij kan verder niet (meer) aan de grasovereenkomst worden gehouden wegens onvoorziene omstandigheden. Omzetting van de landbouwgronden in grasland zorgde ervoor dat er grote hoeveelheden gras van de percelen af kwamen. Hij verkeerde in de veronderstelling dat hij de balen gras (als wintervoer voor zijn vee) mocht opslaan op zijn landbouwpercelen, maar dit mocht van de gemeente niet. Met de gemeente kwam hij niet tot een oplossing voor dit probleem. Vanwege deze onvoorziene omstandigheden kon hij zijn verplichtingen niet langer nakomen. Tenslotte is [gedaagde in conventie, eiser in voorwaardelijke reconventie] van mening dat de boete moet worden gematigd.

3.4.

Op de stellingen van partijen wordt hierna, voor zover van belang, nader ingegaan.

in voorwaardelijke reconventie

3.5.

[gedaagde in conventie, eiser in voorwaardelijke reconventie] vordert onder de voorwaarde dat de vorderingen in conventie al dan niet gedeeltelijk worden toegewezen:

I. een verklaring voor recht dat de overeenkomst is ontbonden op grond van onvoorziene omstandigheden die van dien aard zijn dat de provincie naar maatstaven van redelijkheid en billijkheid ongewijzigde instandhouding van de overeenkomst niet mag verwachten, althans subsidiair de overeenkomst te ontbinden,

II. veroordeling van de provincie in de kosten van het geding, te vermeerderen met de nakosten, een en ander te voldoen binnen veertien dagen na dagtekening van dit vonnis en – voor het geval voldoening van de (na)kosten niet binnen de gestelde termijn plaatsvindt – te vermeerderen met de wettelijke rente over de (na)kosten te rekenen vanaf bedoelde termijn voor voldoening.

3.6.

De provincie voert verweer.

3.7.

Op de stellingen van partijen wordt hierna, voor zover van belang, nader ingegaan.

4 De beoordeling

in conventie

Onaanvaardbare doorkruising?

4.1.

Voor zover [gedaagde in conventie, eiser in voorwaardelijke reconventie] aanvoert dat sprake is van onaanvaardbare doorkruising omdat de provincie een privaatrechtelijk instrument gebruikt voor de uitoefening van een publiekrechtelijke taak, geldt blijkens vaste jurisprudentie (zie laatstelijk ECLI:NL:HR:2020:890, ECLI:NL:PHR:2020:47) dat als de publiekrechtelijke regeling van de taakuitoefening door de overheid het gebruik van het privaatrecht niet uitsluit, en die regeling bepaalde aspecten van die taakuitoefening evenmin (uitputtend) regelt, de overheid ook het privaatrecht kan gebruiken voor haar publieke taakuitoefening. Een en ander behoudens onaanvaardbare doorkruising van een publiekrechtelijke regeling, bijvoorbeeld als het gebruik van het privaatrecht publiekrechtelijke waarborgen frustreert of maatschappelijk wenselijk gedrag ontmoedigt. Daar is in dit geval geen sprake van. De overheid mag zich in het kader van haar publieke taak, op het terrein van het private begeven om bepaalde publieke doelen te bereiken, zoals in casu het nastreven van landbouwbehoud (voorkomen erosie heuvellandschap). Daarmee is nog geen sprake van onaanvaardbare doorkruising. Dat sprake is van onaanvaardbare doorkruising is met de enkele stelling van [gedaagde in conventie, eiser in voorwaardelijke reconventie] dat in het publiekrecht – in zijn algemeenheid – aan de overheid het middel van het opleggen van een last onder dwangsom of last onder bestuursdwang ten dienste staat, onvoldoende (concreet) onderbouwd. In welke zin in dit geval anderszins concreet sprake zou zijn van onaanvaardbare doorkruising is evenmin onderbouwd. De enkele verwijzing naar (het uiterst algemene) artikel 92 Wet inrichting landelijk gebied in combinatie met de stelling dat die wet het gebruik van privaatrecht in zijn geval uitdrukkelijk beperkt, is zonder nadere toelichting, die ontbreekt, eveneens onvoldoende onderbouwd. Dat een publiekrechtelijke regel het onderhavige gebruik van het privaatrecht door de provincie uitsluit, dan wel publiekrechtelijke waarborgen frustreert, dan wel op enige andere wijze het publiekrecht onaanvaardbaar doorkruist, is gelet op het voorgaande dan ook onvoldoende onderbouwd.

Titelzuiverende werking akte van toedeling?

4.2.

Voor zover [gedaagde in conventie, eiser in voorwaardelijke reconventie] aanvoert dat hij niet (meer) aan de verplichtingen voorvloeiende uit de grasovereenkomst gehouden kan worden omdat de akte toedeling herinrichting Mergelland-Oost, gepasseerd op 8 september 2010 (bijlage 1 [gedaagde in conventie, eiser in voorwaardelijke reconventie] ) titelzuiverende werking heeft, geldt het volgende.

4.3.

De herinrichting maakt, zoals door de provincie ook is gesteld, geen onderdeel uit van de tussen partijen gesloten grasovereenkomst en is dus niet van invloed op de daaruit voor [gedaagde in conventie, eiser in voorwaardelijke reconventie] voorvloeiende privaatrechtelijke aan de persoon van [gedaagde in conventie, eiser in voorwaardelijke reconventie] verbonden verplichting om permanent grasland te zaaien. Dat de percelen waar de overeenkomst op ziet niet langer zijn eigendom zouden zijn, en de verplichtingen in zoverre niet langer zouden gelden, is gesteld noch gebleken.

Onvoorziene omstandigheden (artikel 10.2 overeenkomst)?

4.4.1

Voor zover [gedaagde in conventie, eiser in voorwaardelijke reconventie] zijn beroep op onvoorziene omstandigheden zonder meer heeft gebaseerd op artikel 10.2 van de grasovereenkomst, faalt dit beroep. Genoemd artikel houdt niet meer in dan dat partijen in overleg treden over de noodzaak van een wijziging indien sprake is van onvoorziene omstandigheden. Er is overleg geweest, maar dit heeft niet tot overeenstemming geleid. De grasovereenkomst kent geen bepaling inhoudende dat [gedaagde in conventie, eiser in voorwaardelijke reconventie] vervolgens eenzijdig menend dat sprake is van onvoorziene omstandigheden, de grasovereenkomst vervolgens eenzijdig zou mogen wijzigen.

4.4.2

De door [gedaagde in conventie, eiser in voorwaardelijke reconventie] genoemde omstandigheden vallen evenmin binnen het bereik van art. 6:258 BW. Het moet ervoor worden gehouden dat een boer als [gedaagde in conventie, eiser in voorwaardelijke reconventie] die, zoals is vermeld in het proces-verbaal van comparitie, zijn vak uitoefent op 60 hectare grond, bij het sluiten van de grasovereenkomst weet dat bij de teelt van gras, de opbrengst bestaat uit gras en dat met de maaiopbrengst iets moet gebeuren. Dat kan bijvoorbeeld verhakselen zijn als de markt slecht is, maar normaal gesproken zal opslag voor (winter)voer voor de hand liggen of het inscharen van vee op het grasland. Als opslag op eigen percelen niet kan, dient ergens anders opslag te worden gehuurd. Dit alles valt binnen de normale bedrijfsvoeringsproblematiek. Indien er vervolgens tegenvallende antwoorden komen of er blijkt sprake te zijn van commerciële misrekening, valt dit alles niet binnen het bereik van onvoorziene omstandigheden. Om deze redenen valt ook niet in te zien dat voor [gedaagde in conventie, eiser in voorwaardelijke reconventie] sprake was van overmacht. Hij kon het gras verhakselen, ergens anders opslag huren of het gras verkopen.

Daarnaast heeft nog te gelden dat [gedaagde in conventie, eiser in voorwaardelijke reconventie] aan zijn gestelde bedrijfsproblematiek geen voldoende duidelijk en concreet kostenplaatje heeft verbonden. Daarom kan niet worden vastgesteld dat hij tegenover het door de provincie in of omstreeks 2010 aan hem betaalde bedrag van € 104.554,- (zie rov. 2.2) al in 2015 zoveel extra kosten had gemaakt wegens onvoorziene omstandigheden dat het onaanvaardbaar zou zijn geweest als de provincie hem aan zijn woord had gehouden.

Matiging boete?

4.5.

Uit het vorenstaande en het vaststaande feit dat is vermeld in rov. 2.8 volgt in beginsel dat [gedaagde in conventie, eiser in voorwaardelijke reconventie] het gevorderde bedrag van € 1.328.000,- is verschuldigd behoudens mogelijke matiging, die door [gedaagde in conventie, eiser in voorwaardelijke reconventie] wordt voorgestaan. De bevoegdheid van de rechter om een overeengekomen boete te matigen is geregeld in art. 6:94 lid 1 BW. Dit artikel bepaalt dat de matigingsbevoegdheid uitsluitend geldt in die gevallen dat de billijkheid die matiging klaarblijkelijk eist. De matigingsbevoegdheid is een specifieke toepassing van de beperkende werking van de redelijkheid en billijkheid en dient (daarom) terughoudend te worden toegepast. Voor matiging is slechts plaats wanneer onverkorte toepassing van het boetebeding een buitensporig, en dus onaanvaardbaar, resultaat zou opleveren. Beslissend is uiteindelijk de weging van alle relevante omstandigheden van het geval. Blijkens de jurisprudentie kunnen de navolgende omstandigheden bij de beoordeling van de vraag of er aanleiding bestaat om te matigen een rol spelen: een eventuele wanverhouding tussen boete en schade, de aard en gedraging van de schuldenaar dan wel schuldeiser, de aard van de overeenkomst, de inhoud en strekking van het beding, de omstandigheden waaronder het boetebeding is ingeroepen, zoals de ernst van de overtreding, de mate van schuld bij de schuldenaar, de mate waarin de schuldenaar zich van de schending van het boetebeding bewust is geweest, de hoedanigheid van partijen en het gegeven dat het gaat om een eenheidsboete, waarbij het boetebeding voor alle soorten overtredingen slechts één soort bedrag voorschrijft (zie ECLI:NL:HR:2019:852 en ECLI:NL:PHR:2019:344).

4.6.

De rechtbank neemt bij haar beoordeling van de vraag of er reden is voor matiging de navolgende omstandigheden in aanmerking.

4.6.1.

De niet nagekomen verplichting is de kernverplichting waartoe [gedaagde in conventie, eiser in voorwaardelijke reconventie] zich in het kader van de grasovereenkomst heeft verbonden. Die schending van de kernverplichting is door [gedaagde in conventie, eiser in voorwaardelijke reconventie] willens en wetens en eenzijdig gepleegd. Dit is een zwaarwegend argument om de boete niet te matigen. Het argument is in elk geval zo zwaar dat zo er mogelijkerwijze wordt gematigd, [gedaagde in conventie, eiser in voorwaardelijke reconventie] in elk geval zal worden veroordeeld tot betaling van een substantieel deel van het gevorderde bedrag.

4.6.2.

De niet-nakoming strekt zich, ondanks herhaalde waarschuwingen, correspondentie en overlegsituaties uit over een lange periode (11 september 2015 tot en met 1 mei 2019). Hierbij is nuancering op zijn plaats omdat, voor zover de rechtbank voorshands meent, niet het gehele jaar door met succes gras kan worden ingezaaid. De ratio van een contractuele boete is (mede) dat er een (financiële) prikkel is die tot nakoming van de aan de orde zijnde verplichtingen beweegt. Voor zover de rechtbank het overziet, zijn er periodes in een kalenderjaar dat gras zaaien geen of slecht zin heeft, omdat het toch niet opkomt. In die periodes heeft een boeteprikkel geen nut. Dit maakt voorshands dat de berekening van de provincie, € 1.000,- voor elke dag van het jaar, niet passend lijkt te zijn. Partijen worden in staat gesteld zich over al dan niet succesvolle graszaaiperiodes in een kalenderjaar voldoende onderbouwd uit te laten.

4.6.3.

Het sluiten van de overeenkomst diende een publiekrechtelijk doel, namelijk het behartigen van het landschappelijk belang en het voorkomen van erosie. Dit zijn zaken van belang, maar geen zaken die zich eenvoudig op geld laten waarderen. Daar tegenover staat een dagboete van € 1.000,-, een fors bedrag. Daarmee is de verhouding tussen de niet direct op geld waardeerbare belangen van de provincie, met inachtneming van het feit dat de provincie [gedaagde in conventie, eiser in voorwaardelijke reconventie] € 104.554,- heeft uitgekeerd enerzijds en de hoog en snel oplopende door [gedaagde in conventie, eiser in voorwaardelijke reconventie] te betalen boete anderzijds moeilijk vast te stellen.

4.6.4.

De overeenkomst is gesloten tussen de provincie, een overheidsorgaan en [gedaagde in conventie, eiser in voorwaardelijke reconventie] , een natuurlijke persoon. Het past de provincie als overheidsorgaan in beginsel niet om zijn “onderdanen” bij een overeenkomst als de onderhavige, via het innen van boetes tot de bedelstaf te brengen. Of dit zo is, is nu niet voldoende duidelijk omdat [gedaagde in conventie, eiser in voorwaardelijke reconventie] niet voldoende financiële bescheiden heeft overgelegd. Hij wordt in staat gesteld om bescheiden over te leggen waaruit zijn vermogenspositie valt af te leiden. Dit betreft niet alleen zijn privé omstandigheden, maar ook, indien van toepassing, de rechtspersonen waarin hij zijn bedrijf uitoefent. Indien [gedaagde in conventie, eiser in voorwaardelijke reconventie] niet voldoende compleet is in de presentatie van zijn financieel wel en wee, zal de rechtbank ervan uitgaan dat hij in staat is het gevorderde bedrag te betalen zonder dat dit al te ernstige gevolgen voor hem heeft.

4.6.5.

Het is onduidelijk aan de hand waarvan de boete is berekend en vastgesteld en waarom die boete op overtreding per dag is gesteld. Partijen mogen zich hierover nader uitlaten. Gesteld noch gebleken is verder dat over de hoogte van de boete is onderhandeld, noch is duidelijk dat partijen de gevolgen van deze boete hebben overzien. Met de provincie is de rechtbank van oordeel dat de boete en ook de inning daarvan van belang is om precedentwerking te voorkomen. Dit lijkt ook wel te kunnen indien wat minder dan het thans gevorderde € 1.328.000,- te vermeerderen met de wettelijke rente kan worden geïnd. Ook dan zal het elke grasovereenkomst sluitende boer wel duidelijk zijn dat er dient te worden nagekomen omdat aan niet-nakoming serieuze consequenties zijn verbonden.

4.7.

Uit het vorenstaande blijkt dat er mogelijk aanknopingspunten zijn om gebruik te maken van de bevoegdheid tot matiging van de boete. Nu in dat kader mede van belang is gedurende welke periode de kernverplichting daadwerkelijk nagekomen kon worden en de financiële positie van [gedaagde in conventie, eiser in voorwaardelijke reconventie] , ziet de rechtbank aanleiding om de zaak aan te houden en partijen in de gelegenheid te stellen zich hierover uit te laten.

Overeenkomst opgezegd?

4.8.

Volgens [gedaagde in conventie, eiser in voorwaardelijke reconventie] heeft hij de grasovereenkomst opgezegd, zodat voor een boete geen aanleiding bestaat. De e-mail van 15 januari 2015 (productie 6 dagvaarding) is geen opzegging, maar betreft een uiterst algemeen verzoek om een reactie en [gedaagde in conventie, eiser in voorwaardelijke reconventie] omschrijft daarin (onder meer) de door hem ondervonden (opslag)problemen. De e-mail van 24 september 2015 (productie 5 dagvaarding) behelst niet meer dan een opsomming van een aantal vragen en opmerkingen. De rechtbank ziet, zonder nadere toelichting, die ontbreekt, geen aanknopingspunten voor de stelling dat [gedaagde in conventie, eiser in voorwaardelijke reconventie] de grasovereenkomst tijdig heeft opgezegd. Ook overigens zijn er (in de tussen partijen gevoerde correspondentie) geen aanknopingspunten voor een dergelijke opzegging, die blijkens artikel 10.1 van de overeenkomst niet zonder (financiële) gevolgen zou zijn (geweest). De gestelde opzegging is dan ook onvoldoende onderbouwd en daarom is evenmin voldoende onderbouwd dat op die grond geen sprake zou zijn van verschuldigdheid van de door de provincie gevorderde contractuele boete.

in voorwaardelijke reconventie

4.9.

[gedaagde in conventie, eiser in voorwaardelijke reconventie] vordert (voorwaardelijk) primair een verklaring voor recht dat de overeenkomst is ontbonden op grond van onvoorziene omstandigheden, althans subsidiair ontbinding van de overeenkomst.

Verklaring voor recht

4.10.

[gedaagde in conventie, eiser in voorwaardelijke reconventie] heeft nagelaten te stellen waar hij de door hem gevorderde verklaring voor recht dat de overeenkomst is ontbonden op baseert. Dit deel van de vordering zal daarom bij eindvonnis worden afgewezen.

Ontbinding wegens onvoorziene omstandigheden?

4.11.

De vordering van [gedaagde in conventie, eiser in voorwaardelijke reconventie] tot ontbinding op grond van onvoorziene omstandigheden in de zin van art. 6:258 lid 1 BW faalt op dezelfde gronden als hiervoor in rov. 4.4.1 en 4.4.2 zijn vermeld. Die worden als hier herhaald en ingelast beschouwd.

Het verbeuren van een contractuele boete kan, gelet op het bepaalde in artikel 4.1 van de grasovereenkomst evenmin worden aangemerkt als een omstandigheid waar [gedaagde in conventie, eiser in voorwaardelijke reconventie] van tevoren geen rekening mee had hoeven houden. De stelling dat niet over het boetebeding is onderhandeld, maakt dit niet anders.

De gevorderde ontbinding van de grasovereenkomst zal, gelet op het voorgaande, bij eindvonnis dan ook worden afgewezen.

5 De beslissing

De rechtbank

in conventie

5.1.

verwijst de zaak naar de rol van 14 oktober 2020 voor zijdens beide partijen gelijktijdig te nemen akte uitlating omtrent de vraag:

a. aan de hand waarvan de boete is berekend en vastgesteld en waarom die boete op overtreding per dag is gesteld;

b. gedurende welke periode(s) van het jaar het inzaaien van gras volgens hen onvoldoende kans op succes heeft;

5.2.

beveelt [gedaagde in conventie, eiser in voorwaardelijke reconventie] om op de rol van 14 oktober 2020 bij akte bescheiden over te leggen waaruit genoegzaam zijn inkomens- en vermogenspositie vanaf 2015 tot heden blijkt, inclusief betreffende stukken van rechtspersonen waarin of waarmee hij zijn beroep uitoefent;

5.3.

houdt iedere verdere beslissing aan;

in voorwaardelijke reconventie

5.4.

houdt iedere verdere beslissing aan.

Dit vonnis is gewezen door mr. J.R. Sijmonsma en in het openbaar uitgesproken op 16 september 2020.1

1 type: CB