Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBLIM:2020:6928

Instantie
Rechtbank Limburg
Datum uitspraak
16-09-2020
Datum publicatie
01-10-2020
Zaaknummer
04 8433227 CV EXPL 20-1416
8433227 CV EXPL 20-1416
Rechtsgebieden
Verbintenissenrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

Het beroep op nietigheid van de inleidende dagvaarding wordt gepasseerd, omdat gedaagde door middel van verzet wel in de procedure is verschenen om verweer te voeren.

De vordering tot schadevergoeding wordt afgewezen, omdat gedaagde niet in verzuim is met zijn teruggaveverplichting.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK LIMBURG

Burgerlijk recht

Zittingsplaats Roermond

Zaaknummer: 8433227 \ CV EXPL 20-1416

Vonnis van de kantonrechter van 16 september 2020

in de zaak van:

Mr. M.A.J.M. MUIJRES q.q. handelend in zijn hoedanigheid van curator in de faillissementen van [failliet 1] en [failliet 2],

kantoorhoudend Deken van Oppensingel 130,

5911 AG Venlo,

eisende partij,

gedaagde partij in verzet,

gemachtigde mr. M.J.A.M. Muijres

tegen:

[gedaagde, eiser in verzet] ,

wonend [adres 1] ,

[woonplaats] ,

gedaagde partij,

eisende partij in verzet,

gemachtigde P.G.T.M. van Megen LL.M.,

Partijen zullen hierna “de curator” en “ [gedaagde, eiser in verzet] ” worden genoemd.

1 De procedure

1.1.

Het verloop van de procedure blijkt uit het navolgende:

  • -

    het door de kantonrechter op 15 januari 2020 tussen de curator als eisende partij en [gedaagde, eiser in verzet] als gedaagde partij bij verstek gewezen vonnis onder zaaknummer 8170831 CV EXPL 19-7995,

  • -

    de verzetdagvaarding, met producties;

  • -

    de akte van [gedaagde, eiser in verzet] voor de rolzitting van 13 mei 2020, waarbij hij zijn eis in reconventie intrekt;

  • -

    de conclusie van antwoord in verzet, met één productie;

  • -

    de conclusie van repliek in verzet, met twee producties.

1.2.

Ten slotte is vonnis bepaald.

2 De feiten

2.1.

Tussen [gedaagde, eiser in verzet] als verhuurder en [naam bedrijf] ( [failliet 1] ) als huurder is op 7 maart 2012 een huurovereenkomst gesloten met betrekking tot bedrijfsruimte met bedrijfswoning aan de [adres 2] in [plaats] . De huurovereenkomst is aangegaan voor de periode van 1 maart 2012 tot en met 28 februari 2017. [failliet 1] huurde het pand voor de exploitatie van een zonnestudio.

2.2.

De onderneming van [failliet 1] kwam na enkele maanden in financiële problemen. Vanaf augustus 2012 betaalde [failliet 1] geen huur meer aan [gedaagde, eiser in verzet] . [failliet 1] heeft de bedrijfsvoering van de zonnestudio omstreeks januari 2013 gestaakt.

2.3.

Bij niet van een specifieke datum voorziene schriftelijke overeenkomst van maart 2013 zijn [gedaagde, eiser in verzet] en [failliet 1] de tussentijdse beëindiging van de huurovereenkomst per 1 maart 2013 overeengekomen.

2.4.

Bij schriftelijke overeenkomst van 19 maart 2013 heeft [gedaagde, eiser in verzet] de in het pand aanwezige zonnebanken en overige inventaris van [failliet 1] gekocht voor een koopprijs van € 20.000,00. In de overeenkomst is vermeld dat de achterstallige huur en rente op dat moment € 20.700,00 bedraagt en dat partijen beide vorderingen verrekenen.

2.5.

[failliet 1] en zijn echtgenote zijn bij vonnis van de rechtbank Roermond van 9 april 2013 in staat van faillissement verklaard, met benoeming van eiser tot curator.

2.6.

Bij brief van 19 april 2013 gericht aan [gedaagde, eiser in verzet] heeft de curator de koopovereenkomst van de zonnebanken en overige inventaris vernietigd op grond van de faillissementspauliana en aanspraak gemaakt op de betreffende zaken.

[gedaagde, eiser in verzet] heeft de zaken niet afgegeven en de aanspraak van de curator op de zaken betwist. De curator heeft [gedaagde, eiser in verzet] hierop in rechte betrokken.

2.7.

De rechtbank Roermond heeft bij vonnis van 11 februari 2015 [gedaagde, eiser in verzet] veroordeeld “om de volledige van faillieten gekochte inventaris, zijnde 5 professionele Hapro zonnebanken, 1 professionele Hapro collageenbank, 2 professionele massagestoelen, 1 infraroodsauna en divers klein materiaal die werd gebruikt voor de nagelstudio in de macht van de curator te brengen binnen veertien dagen na de dag waarop dit vonnis aan [gedaagde, eiser in verzet] is betekend, in de staat waarin deze zich op 1 maart 2013 bevonden, een en ander op straffe van verbeurte van een dwangsom van € 200,00 voor iedere dag dat [gedaagde, eiser in verzet] na de veertiende dag na betekening in gebreke blijft aan de veroordeling te voldoen, met bepaling dat aan dwangsommen maximaal een bedrag van € 27.500,00 kan worden verbeurd.

2.8.

[gedaagde, eiser in verzet] is van dit vonnis in hoger beroep gekomen. Het Gerechtshof ’s-Hertogenbosch heeft bij arrest van 15 november 2016 het vonnis van de rechtbank bekrachtigd.

2.9.

In een e-mail van 1 maart 2017 schrijft de gemachtigde van [gedaagde, eiser in verzet] aan de curator:

(…) Op 2 februari 2015 waren de Hapro zonnebanken vervangen door Ergoline zonnebanken, zie Facebook (bijlage). Ten tijde van de veroordeling op 11 februari 2015 bevonden de zonnebanken zich (door demontage) niet meer in de staat van 1 maart 2013.

Gelet op het voorgaande kan [gedaagde, eiser in verzet] onmogelijk aan de veroordeling voldoen. De dwangsommen kunnen dus niet worden verbeurd.

In de appeldagvaarding van 10 maart 2015 heeft [gedaagde, eiser in verzet] zich bereid verklaard de zaken in uw macht te brengen. Per e-mail van 30 maart 2015 (bijlage) liet u weten het incident af te wachten. Het incident is geëindigd op 14 juli 2015. Op 11 december 2015 stelt u plotseling dat [gedaagde, eiser in verzet] vanaf 12 maart 2015 dwangsommen heeft verbeurd en legt u beslag. (…)

2.10.

Bij e-mails van 8 en 21 maart 2017 sommeert de curator [gedaagde, eiser in verzet] tot betaling van een bedrag van € 27.500,00 aan schadevergoeding.

2.11.

[gedaagde, eiser in verzet] voldoet daar niet aan. Wel is er blijkens een e-mail van 10 april 2017 van de gemachtigde van de curator aan de gemachtigde van [gedaagde, eiser in verzet] daarna telefonisch contact tussen de gemachtigden van partijen. De e-mail vermeldt onder meer:

“(…) Ik begrijp dat u een eigen interpretatie heeft van ons telefoongesprek van 6 april jl., maar dat is toch echt niet de juiste. (…) Ik gaf u immers aan dat het wel degelijk de bedoeling is dat de onderhavige zonnebanken in de boedel terugvloeien. Echter, daarmee voldoet [gedaagde, eiser in verzet] geenszins aan het vonnis/arrest. U heeft immers laten weten dat de zonnebanken niet verkeren in de staat zoals deze waren op 1 maart 2013, te meer nu de zonnebanken zijn gedemonteerd. (…)

(…) Zelfs wanneer de zonnebanken terstond worden teruggegeven in de huidige staat, is daarmee het vermogen niet hersteld in de toestand ten tijde van de vernietigde rechtshandeling. Ik heb u in dat kader twee mogelijkheden voorgehouden, namelijk i) ofwel dhr. [gedaagde, eiser in verzet] betaald een volledige vergoeding voor de zonnebanken, in welk geval hij de zonnebanken niet terug hoeft te geven, ofwel ii) dhr. [gedaagde, eiser in verzet] geeft de zonnebanken terug, doch dient daarbij een (gedeeltelijke) vergoeding te voldoen, teneinde te bewerkstelligen dat het vermogen in de juiste toestand wordt hersteld.(…)

2.12.

De gemachtigde van [gedaagde, eiser in verzet] reageert op deze e-mail dezelfde dag nog. Hij schrijft:

Geachte heer [naam] ,

(…)

De zonnebanken dienen bij voorkeur in gedemonteerde staat te worden vervoerd. Wenst uw cliënt de zonnebanken in gemonteerde of gedemonteerde staat op te halen?

Met vriendelijke groet,

(…)

2.13.

De zonnebanken zijn niet in de macht van de curator gebracht omdat partijen het niet eens zijn geworden over bijbetaling door [gedaagde, eiser in verzet] .

3 Het geschil

3.1.

De curator vordert in de verstekprocedure, na vermindering van eis, bij vonnis, uitvoerbaar bij voorraad:

1. voor recht te verklaren dat [gedaagde, eiser in verzet] is tekort geschoten in de nakoming van zijn teruggaveverplichtingen uit hoofde van het vonnis van de rechtbank Limburg, zittingsplaats Roermond, gewezen op 11 februari 2015 onder zaaknummer C/03/189850/HAZA 14-178, welk vonnis werd bekrachtigd door het gerechtshof in ’s-Hertogenbosch bij arrest van 15 november 2016 (er staat 2015, maar dat is een kennelijke verschrijving);

2. [gedaagde, eiser in verzet] te veroordelen tot primair betaling aan de curator van € 25.000,00, geheel subsidiair tot betaling van de door de curator geleden schade, nader op te maken bij staat en te vereffenen volgens de wet, zowel primair als subsidiair te vermeerderen met de wettelijke rente vanaf de dag van dagvaarding tot aan de dag van voldoening;

3. en 4. (samengevat) met veroordeling van [gedaagde, eiser in verzet] in de proces- en nakosten.

3.2.

Bij verstekvonnis van 15 januari 2020 is de vordering toegewezen.

3.3.

[gedaagde, eiser in verzet] vordert in de verzetprocedure, na wijziging van eis, het verstekvonnis te vernietigen en opnieuw rechtdoende primair de inleidende dagvaarding nietig te verklaren en subsidiair het gevorderde af te wijzen.

3.4.

Op de stellingen van partijen wordt hierna, voor zover van belang, nader ingegaan.

4 De beoordeling

4.1.

Het verzet kan geacht worden tijdig en op de juiste wijze te zijn ingesteld, nu het tegendeel gesteld noch gebleken is, zodat [gedaagde, eiser in verzet] in zoverre in het verzet kan worden ontvangen.

4.2.

[gedaagde, eiser in verzet] stelt zich primair op het standpunt dat de inleidende dagvaarding nietig is. De deurwaarder had volgens hem niet mogen kiezen voor bezorging ter post, nadat hij had vastgesteld dat er geen brievenbus aanwezig was. [gedaagde, eiser in verzet] heeft de dagvaarding niet ontvangen en is daarom onredelijk benadeeld.

De kantonrechter gaat aan deze stellingen voorbij, nu [gedaagde, eiser in verzet] door middel van verzet wel in de procedure is verschenen om verweer te voeren. Nietigverklaring van de inleidende dagvaarding dient dan ook geen doel.

4.3.

De curator legt aan zijn vorderingen in de inleidende dagvaarding - samengevat - het volgende ten grondslag.

Op grond van het vonnis van de rechtbank en het arrest van het hof dient [gedaagde, eiser in verzet] de zaken aan de curator af te geven. [gedaagde, eiser in verzet] heeft echter bij e-mail van 1 maart 2017 aangegeven dat hij niet in staat was om de zonnebanken in de oorspronkelijke staat te leveren. Volgens de curator was teruggave van de zonnebanken na de e-mail van 1 maart 2017 van [gedaagde, eiser in verzet] dan ook een gepasseerd station, omdat daarmee het vermogen nog niet zou zijn hersteld naar de toestand ten tijde van de vernietigde rechtshandeling. Om die reden heeft de curator [gedaagde, eiser in verzet] de in de e-mail van 10 april 2017 verwoorde keuzes voorgelegd. [gedaagde, eiser in verzet] heeft echter beide mogelijkheden van de hand gewezen, aldus de curator.

[gedaagde, eiser in verzet] is dan ook in verzuim met de nakoming van zijn verbintenis tot teruggave van de zonnebanken en overige inventaris en uit dien hoofde verplicht de schade aan de curator te vergoeden. De curator begroot deze schade op een bedrag van € 27.500,00, doch beperkt zijn vordering om procestechnische redenen tot een bedrag van € 25.000,00.

4.4.

[gedaagde, eiser in verzet] betwist dat hij niet in staat is om aan het vonnis van de rechtbank te voldoen. Om de kosten te beperken heeft [gedaagde, eiser in verzet] de zonnebanken gedemonteerd om ze elders voor een lager bedrag op te slaan. Demontage was nodig omdat ze anders niet uit het pand konden worden gebracht. [gedaagde, eiser in verzet] heeft de zonnebanken diverse malen ter keuze van de curator in gemonteerde of gedemonteerde staat aangeboden. [gedaagde, eiser in verzet] is dan ook van mening dat hij niet is tekortgeschoten in zijn verbintenis tot teruggave van de zonnebanken en overige inventaris.

4.5.

De kantonrechter overweegt als volgt.

De in het vonnis opgenomen veroordeling ziet op het in de macht brengen van de genoemde zaken in de staat waarin deze zich op 1 maart 2013 bevonden. Het gaat hier om de feitelijke, fysieke staat op dat moment, dus zonder latere gebruikssporen. Gesteld noch gebleken is dat de zaken fysiek geleden hebben na 1 maart 2013. Enkel is komen vast te staan dat de zaken zijn gedemonteerd. [gedaagde, eiser in verzet] heeft de zaken in april 2017 nog in gemonteerde staat aangeboden aan de curator. In dat licht kan de curator ter onderbouwing van zijn stelling, dat [gedaagde, eiser in verzet] niet aan het vonnis kan voldoen, niet volstaan met te wijzen op de (eerdere) e-mail van 1 maart 2017. De curator had moeten stellen waarom de zonnebanken ook in gemonteerde staat niet voldeden aan de staat per 1 maart 2013. Nu hij dit niet heeft gedaan, is hij tekort geschoten in zijn stelplicht en gaat de kantonrechter er van uit dat [gedaagde, eiser in verzet] wel nog aan het vonnis kon voldoen.

Vast staat echter dat [gedaagde, eiser in verzet] de zaken nog steeds niet in de macht van de curator heeft gebracht. Partijen verschillen van mening wat in dit geval onder “in de macht brengen” dient te worden verstaan. Volgens de curator diende [gedaagde, eiser in verzet] de zaken te brengen. [gedaagde, eiser in verzet] spreekt in zijn mails over ophalen. Naar het oordeel van de kantonrechter hangt het af van de omstandigheden van het geval, waaronder de aard van de zaken, of gehaald of gebracht moet worden. Bij zaken als de onderhavige dienen partijen daarover in overleg te treden. Het lijkt de kantonrechter om verschillende redenen ook voor de curator immers niet wenselijk dat de zonnebanken voor zijn kantoor op de stoep worden gezet! Van de curator had dan ook verwacht mogen worden met [gedaagde, eiser in verzet] in overleg te treden, waarbij hij zijn wensen aan [gedaagde, eiser in verzet] kenbaar had kunnen maken. Nu niet gebleken is dat hij dat heeft gedaan, kan niet worden gezegd dat [gedaagde, eiser in verzet] in verzuim is met de voldoening aan zijn verbintenis tot teruggave.

4.6.

Het voorgaande leidt tot de conclusie dat de vorderingen van de curator alsnog moeten worden afgewezen en dat het verstekvonnis dient te worden vernietigd.

4.7.

De curator zal als de in het ongelijk gestelde partij in de kosten van de verstek- en verzetprocedure worden verwezen. De kosten van het uitbrengen van de verzetdagvaarding zullen echter op grond van het bepaalde in art. 141 Rv voor rekening van [gedaagde, eiser in verzet] komen, omdat deze kosten een gevolg zijn van het feit dat [gedaagde, eiser in verzet] in eerste instantie niet is verschenen. De kantonrechter gaat daarmee voorbij aan de stelling van [gedaagde, eiser in verzet] , dat de deurwaarder het exploot van de inleidende dagvaarding tussen de deur had moeten schuiven. Weliswaar heet [gedaagde, eiser in verzet] dit onderbouwd met een verklaring van een deurwaarder dat dit mogelijk was (productie 5 conclusie van repliek in oppositie), echter [gedaagde, eiser in verzet] heeft verzuimd de foto’s behorende bij dat proces-verbaal over te leggen, zodat niet nader behoeft te worden onderzocht of dit een serieuze optie was. De deurwaarder die de inleidende dagvaarding heeft betekend heeft over zijn werkwijze eveneens een verklaring afgelegd (productie 12 bij de conclusie van antwoord in oppositie). Daaruit blijkt voldoende dat hij met het ter post bezorgen van het exploot de wettelijke regeling heeft gevolgd. Dat [gedaagde, eiser in verzet] geen brievenbus heeft, komt dan ook voor zijn eigen rekening en risico.

4.8.

De gevorderde nakosten worden toegewezen als hierna vermeld.

5 De beslissing

De kantonrechter

5.1.

vernietigt het door de kantonrechter op 15 januari 2020 onder zaaknummer 8170831 CV EXPL 19-7995 gewezen verstekvonnis,

en opnieuw beslissend

5.2.

wijst het gevorderde af,

5.3.

veroordeelt de curator in de kosten van de verstekprocedure, aan de zijde van [gedaagde, eiser in verzet] tot op heden begroot op nihil, en in de kosten van de verzetprocedure tot op heden begroot op € 960,00, voor gemachtigdensalaris,

5.4.

veroordeelt de curator onder de voorwaarde dat deze niet binnen twee weken na aanschrijving door [gedaagde, eiser in verzet] volledig aan dit vonnis voldoet, in de na dit vonnis ontstane kosten, begroot op:

- € 120,00 aan salaris gemachtigde,

- te vermeerderen, indien betekening van het vonnis heeft plaatsgevonden, met de explootkosten van betekening van het vonnis,

5.5.

verklaart dit vonnis uitvoerbaar bij voorraad.

Dit vonnis is gewezen door mr. G.M.P. Brouns en in het openbaar uitgesproken.

type: EB

coll: