Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBLIM:2020:6823

Instantie
Rechtbank Limburg
Datum uitspraak
14-09-2020
Datum publicatie
14-09-2020
Zaaknummer
03/005443-20
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

Veroordeling tot 3 jaar gevangenisstraf voor poging doodslag. Verdachte heeft een medegedetineerde in PI Sittard in zijn hoofd en rug gestoken met een schaar.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK LIMBURG

Zittingsplaats Maastricht

Strafrecht

Parketnummer : 03/005443-20

Tegenspraak (gemachtigde raadsman)

Vonnis van de meervoudige kamer d.d. 14 september 2020

in de strafzaak tegen

[verdachte] ,

geboren te [geboorteplaats] , op [geboortedatum] 1998,

zonder bekende woon- of verblijfplaats hier te lande.

De verdachte wordt bijgestaan door mr. P.C. Saris, advocaat kantoorhoudende te Eindhoven.

1 Onderzoek van de zaak

De zaak is inhoudelijk behandeld op de zitting van 31 augustus 2020. De verdachte is niet verschenen. Wel is verschenen zijn gemachtigde raadsman. De officier van justitie en de verdediging hebben hun standpunten kenbaar gemaakt.

2 De tenlastelegging

De tenlastelegging is als bijlage aan dit vonnis gehecht.

De primaire verdenking komt er, kort en feitelijk weergegeven, op neer dat de verdachte heeft geprobeerd om [slachtoffer] van het leven te beroven door hem met een schaar in zijn hoofd en rug te steken. Subsidiair is dit ten laste gelegd als een poging tot zware mishandeling.

3 De beoordeling van het bewijs

3.1

Het standpunt van de officier van justitie

De officier van justitie acht bewezen dat de verdachte [slachtoffer] van achteren heeft aangevallen en hem met een schaar in zijn rug en achter zijn oor heeft gestoken. De officier van justitie heeft hierbij verwezen naar de aangifte, de getuigenverklaringen van [getuige 1] en [getuige 2] , de camerabeelden en de letselbeschrijving van [slachtoffer] . Dit handelen van de verdachte levert volgens de officier van justitie poging tot doodslag op. Er was immers een aanmerkelijke kans dat de verdachte tijdens de aanval een vitaal onderdeel van het lichaam van [slachtoffer] zou raken waardoor [slachtoffer] had kunnen overlijden.

3.2

Het standpunt van de verdediging

De raadsman heeft vrijspraak bepleit. Op basis van de inhoud van het dossier kan enkel bewezen worden dat de verdachte [slachtoffer] van achteren heeft aangevallen en hem een klap heeft gegeven. Dat de verdachte [slachtoffer] heeft gestoken met een schaar kan niet bewezen worden. Mocht de rechtbank het gebruik van een schaar wel bewezen achten, dan levert dat, gelet op het (geringe) letsel dat [slachtoffer] heeft opgelopen, nog geen poging tot doodslag of zware mishandeling op.

3.3

Het oordeel van de rechtbank 1

Inleiding

Op 22 april 2019 heeft er een incident plaatsgevonden in de Penitentiaire Inrichting De Geerhorst in Sittard (hierna: P.I. Sittard). Bij dit incident waren de verdachte en zijn medegedetineerde [slachtoffer] betrokken. De rechtbank ziet zich voor de vraag gesteld of de verdachte zich hierbij schuldig heeft gemaakt aan poging tot doodslag of poging tot zware mishandeling. De rechtbank gaat daarbij uit van de volgende bewijsmiddelen.

Bewijsmiddelen

[naam afdelingshoofd] , afdelingshoofd van de P.I. Sittard, heeft namens [slachtoffer] aangifte gedaan. [slachtoffer] had hem verteld dat hij op 22 april 2019 is neergestoken door de verdachte. Bij [slachtoffer] werden een snee op zijn achterhoofd en een bloedende steekwond op zijn rug waargenomen. In de cel/verblijfsruimte van de verdachte werd een schaar met daarop bloed aangetroffen.2 [slachtoffer] heeft verklaard dat hetgeen in de aangifte vermeld staat, klopt.3

[slachtoffer] heeft na het incident de spoedeisende hulp bezocht. Aldaar werden bij [slachtoffer] twee huidonderbrekingen geconstateerd: een oppervlakkige scheurwond achter het oor van 3 cm tot aan het onderhuidse weefsel en een oppervlakkige scheurwond op de rug naast de wervelkolom van 1 cm tot aan het onderhuidse weefsel. De forensisch geneeskundige heeft gerapporteerd dat de verwondingen waarschijnlijk genezen met een klein litteken.4

Getuige [getuige 1] heeft verklaard dat hij zag dat de verdachte achter [slachtoffer] aanliep en een schaar uit zijn kleding haalde. Met deze schaar stak de verdachte [slachtoffer] eerst in zijn rug, waarna [slachtoffer] begon te bloeden. Daarna probeerde de verdachte [slachtoffer] nog een keer te steken. [slachtoffer] probeerde zich op dat moment om te draaien en werd met de schaar in zijn nek geraakt.5

Getuige [getuige 2] heeft verklaard dat hij zag dat de verdachte een schaar uit zijn broekzak haalde en daarmee [slachtoffer] in zijn rug stak. De tweede keer dat de verdachte stak, raakte hij [slachtoffer] op het hoofd net achter zijn slaap.6

Verbalisant [verbalisant] heeft de camerabeelden van het incident beschreven. Hij beschrijft dat de persoon in de zwarte joggingbroek [verdachte] snel van achter de deur tevoorschijn komt en dat hij de persoon met het ontblote bovenlichaam [ [slachtoffer] ] van achter aanvalt en begint te slaan op zijn achterhoofd en de zijkant van het hoofd. Vervolgens is te zien dat de persoon in de zwarte joggingbroek een stekende beweging maakt met zijn rechterhand. Hierna verdwijnen de vechtende personen uit het zicht van de camera.7

De rechtbank heeft de camerabeelden zelf ook bekeken. Op de camerabeelden is te zien dat [slachtoffer] de verdachte passeert, waarna de verdachte [slachtoffer] van achteren aanvalt. Vervolgens ontstaat er een worsteling, waarbij de verdachte - met kracht - stekende bewegingen maakt in de richting van [slachtoffer] .

De rechtbank stelt op basis van de hiervoor weergegeven bewijsmiddelen vast dat de verdachte [slachtoffer] van achteren heeft aangevallen en hem vervolgens meerdere keren lukraak en met kracht met een schaar heeft gestoken. Dat de verdachte een schaar heeft gebruikt, acht de rechtbank op grond van voornoemde bewijsmiddelen eveneens bewezen. [slachtoffer] is hierbij geraakt in zijn rug en in zijn hoofd (achter zijn oor). Gelet op het feit dat [slachtoffer] na het incident bloedende wonden had, merkt de rechtbank de schaar aan als “een scherp voorwerp”.

Is er sprake van poging tot doodslag?

De rechtbank ziet zich vervolgens voor de vraag gesteld of dit handelen van de verdachte kan worden aangemerkt als een poging om [slachtoffer] van het leven te beroven (primair). Hierbij stelt de rechtbank voorop dat het (met kracht) met een scherp voorwerp steken in de rug en het hoofd onder omstandigheden dodelijk kan zijn. Het is immers een feit van algemene bekendheid dat zich in het bovenlichaam belangrijke organen en aderen bevinden. Vooral nabij het oor bevindt zich een slagader dicht onder de huid. Het is ook algemeen bekend dat het raken van een slagader of een vitaal orgaan tot de dood kan leiden. Indien met een scherp voorwerp lukraak gestoken wordt in het bovenlichaam of in het hoofd achter het oor, is de kans dat een vitaal orgaan of een slagader wordt geraakt dan ook aanmerkelijk te noemen.

De gedragingen van de verdachte, te weten het ongecontroleerd en krachtig met een schaar insteken op plaatsen in het lichaam waar zich vitale organen en een slagader bevinden, zijn naar hun uiterlijke verschijningsvorm zozeer gericht op het toebrengen van dodelijk letsel dat het, behoudens aanwijzingen voor het tegendeel, niet anders kan zijn geweest dan dat de verdachte ook daadwerkelijk opzet had op de dood van [slachtoffer] . De verdachte heeft zelf geen verklaring afgelegd over zijn beweegredenen, en van bijzondere omstandigheden die tot een ander oordeel zouden moeten leiden is ook overigens niet gebleken. Het is puur geluk geweest dat de verdachte geen slagader heeft geraakt en dat het letsel uiteindelijk beperkt is gebleven. Gelet op het voorgaande acht de rechtbank het primair tenlastegelegde bewezen.

3.4

De bewezenverklaring

De rechtbank acht bewezen dat de verdachte

op 22 april 2019 te Sittard ter uitvoering van het door verdachte voorgenomen misdrijf om

[slachtoffer] opzettelijk van het leven te beroven, met dat opzet die [slachtoffer] met een schaar meermalen in diens lichaam, te weten hoofd en rug, heeft gestoken, terwijl de uitvoering van dat voorgenomen misdrijf niet is voltooid.

De rechtbank acht niet bewezen hetgeen meer of anders is ten laste gelegd. De verdachte zal daarvan worden vrijgesproken.

4 De strafbaarheid van het bewezenverklaarde

Het bewezenverklaarde levert het volgende strafbare feit op:

poging tot doodslag.

Er zijn geen feiten of omstandigheden aannemelijk geworden die de strafbaarheid van het feit uitsluiten.

5 De strafbaarheid van de verdachte

De verdachte is strafbaar, omdat geen feiten of omstandigheden aannemelijk zijn geworden die zijn strafbaarheid uitsluiten.

6 De straf en/of de maatregel

6.1

De vordering van de officier van justitie

De officier van justitie heeft gevorderd aan de verdachte een onvoorwaardelijke gevangenisstraf op te leggen voor de duur van drie jaren met aftrek van de tijd die de verdachte in voorlopige hechtenis heeft doorgebracht. Een deels voorwaardelijke straf acht de officier van justitie niet passend, gelet op de ernst van het feit en omdat uit niets blijkt dat de verdachte bereid is om hulp te accepteren.

6.2

Het standpunt van de verdediging

Mocht de rechtbank tot een bewezenverklaring komen, dan verzoekt de raadsman om te volstaan met het opleggen van een onvoorwaardelijke gevangenisstraf voor maximaal de duur van het reeds ondergane voorarrest. De rechtbank moet er rekening mee houden dat de verdachte in de P.I. reeds disciplinair is gestraft en dat door dit incident is afgezien van voorwaardelijke invrijheidsstelling in een andere zaak van de verdachte.

Daarnaast dient een voorwaardelijk strafdeel aan de verdachte opgelegd te worden met als bijzondere voorwaarde reclasseringstoezicht. De verdachte heeft immers hulp nodig op diverse leefgebieden.

6.3

Het oordeel van de rechtbank

Bij de bepaling van de op te leggen straf is gelet op de aard en ernst van hetgeen bewezen is verklaard, op de omstandigheden waaronder het bewezenverklaarde is begaan en op de persoon van de verdachte, zoals een en ander uit het onderzoek ter terechtzitting naar voren is gekomen.

De verdachte heeft geprobeerd om medegedetineerde [slachtoffer] van het leven te beroven door hem aan te vallen en te steken met een schaar. Dit incident vond plaats terwijl de verdachte in de P.I. verbleef om een gevangenisstraf uit te zitten die aan hem was opgelegd voor het plegen van onder andere geweldsdelicten. Kennelijk heeft deze gevangenisstraf hem er niet van weerhouden om wederom een geweldsdelict te plegen. Het is een ernstig feit. Het is puur geluk geweest dat de gevolgen voor [slachtoffer] niet ernstiger zijn, en dat hij er waarschijnlijk ‘maar’ twee kleine littekens aan heeft overgehouden. De verdachte heeft met zijn gedrag geen enkel respect getoond voor het leven van [slachtoffer] en hem, en de andere gedetineerden, veel angst bezorgd.

Gelet op de ernst van het feit, kan naar het oordeel van de rechtbank slechts worden volstaan met een vrijheidsbenemende straf. De rechtbank heeft bij de vaststelling van de duur daarvan in het bijzonder het volgende laten meewegen.

De rechtbank heeft gekeken naar het strafblad van de verdachte. Hieruit blijkt dat de verdachte reeds eerder is veroordeeld tot lange gevangenisstraffen voor uiteenlopende strafbare feiten, waaronder geweldsdelicten.

De reclassering heeft op 16 april 2020 advies uitgebracht. De reclassering schat zowel het risico op recidive als het risico op onttrekking aan voorwaarden hoog in. Omdat de verdachte zich steeds op zijn zwijgrecht heeft beroepen en verder ook niet met de reclassering in gesprek wilde, kon de reclassering niet adviseren over interventies en/of toezicht. Er zijn veel zaken onduidelijk. De reclassering heeft veel zorgen over de toekomst van de verdachte, aangezien eerdere trajecten van de verdachte zijn mislukt.

De rechtbank houdt bij de strafbepaling géén rekening met de omstandigheid dat de verdachte in de P.I. een disciplinaire straf heeft gekregen en dat hij door het incident in een andere strafzaak niet voorwaardelijk in vrijheid is gesteld. Deze gevolgen voor de verdachte staan los van de bestraffing in deze strafzaak.

De rechtbank ziet geen reden om een deels voorwaardelijke straf aan de verdachte op te leggen met daaraan gekoppeld bijzondere voorwaarden. Het ontbreekt de rechtbank daarvoor aan informatie over de hulp/behandeling die de verdachte op dit moment nodig heeft en aan hem geboden zou kunnen worden. De verdachte is ook niet ter terechtzitting verschenen om toe te lichten of en zo ja welke hulp hij zou willen en hoe hij hieraan invulling zou willen geven. De rechtbank ziet daarom geen meerwaarde in het opleggen van reclasseringstoezicht als bijzondere voorwaarde. De rechtbank ziet wel in dat de verdachte behandeling behoeft voor zijn problematiek, maar deze behandeling kan de verdachte op termijn ook geboden worden in het kader van een voorwaardelijke invrijheidsstelling.

Gelet op al hetgeen hiervoor is overwogen zal aan de verdachte, conform de eis van de officier van justitie, een gevangenisstraf voor de duur van drie jaren opgelegd worden.

7 De voorlopige hechtenis

De officier van justitie heeft de gevangenneming van de verdachte gevorderd.

De rechtbank is van oordeel dat de ernstige bezwaren tegen de verdachte nog steeds aanwezig zijn. Ook moet er nog steeds ernstig rekening mee worden gehouden dat de verdachte een misdrijf zal begaan waarop naar de wettelijke omschrijving een gevangenisstraf van zes jaren of meer is gesteld en waardoor de gezondheid en/of veiligheid van personen in gevaar kan worden gebracht. De reclassering schat het risico op recidive ook hoog in. Bovendien bestaat het risico dat de verdachte, die geen vaste woon- of verblijfplaats in Nederland heeft, zich bij een hoger beroep aan zijn verdere berechting en bestraffing zal onttrekken.

Gelet op de ernst van het feit, de hoogte van de straf die aan de verdachte wordt opgelegd en ook het signaal dat van de straf moet uitgaan, is de rechtbank van oordeel dat het onaanvaardbaar is dat de verdachte een eventueel hoger beroep in vrijheid zou mogen afwachten. De rechtbank zal daarom de gevangenneming van de verdachte bevelen.

8 De wettelijke voorschriften

De beslissing berust op de artikelen 45, 63 en 287 van het Wetboek van Strafrecht.

9 De beslissing

De rechtbank:

Bewezenverklaring

  • -

    verklaart het tenlastegelegde bewezen zoals hierboven onder 3.4 is omschreven;

  • -

    spreekt de verdachte vrij van wat meer of anders is ten laste gelegd;

Strafbaarheid

  • -

    verklaart dat het bewezenverklaarde het strafbare feit oplevert zoals hierboven onder 4 is omschreven;

  • -

    verklaart de verdachte strafbaar;

Gevangenisstraf

  • -

    veroordeelt de verdachte tot een gevangenisstraf voor de duur van drie jaren;

  • -

    beveelt dat de tijd die door de veroordeelde vóór de tenuitvoerlegging van deze uitspraak in voorarrest is doorgebracht, bij de uitvoering van deze gevangenisstraf in mindering zal worden gebracht;

Voorlopige hechtenis

- beveelt de gevangenneming van de verdachte. Dit bevel is afzonderlijk geminuteerd.

Dit vonnis is gewezen door mr K.G. Witteman, voorzitter, mr. A.P.A. Bisscheroux en

mr. D. Osmić, rechters, in tegenwoordigheid van mr. S.H.J. Muijlkens, griffier, en uitgesproken ter openbare zitting van 14 september 2020.

BIJLAGE I: De tenlastelegging

Aan de verdachte is ten laste gelegd dat

hij op of omstreeks 22 april 2019 te Sittard, in elk geval in de gemeente Sittard-Geleen ter uitvoering van het door verdachte voorgenomen misdrijf om [slachtoffer] opzettelijk van het leven te beroven, met dat opzet die [slachtoffer] met een schaar, in elk geval met een scherp en/of puntig voorwerp, meermalen, althans eenmaal, in diens lichaam, te weten hoofd en rug, heeft gestoken en/of gesneden, terwijl de uitvoering van dat voorgenomen misdrijf niet is voltooid;

( art 287 Wetboek van Strafrecht, art 45 lid 1 Wetboek van Strafrecht)

subsidiair althans, indien het vorenstaande niet tot een veroordeling mocht of zou kunnen leiden:

hij op of omstreeks 22 april 2019 te Sittard, in elk geval in de gemeente Sittard-Geleen ter uitvoering van het door verdachte voorgenomen misdrijf om aan P. Janssen opzettelijk zwaar lichamelijk letsel toe te brengen, met dat opzet die [slachtoffer] met een schaar, in elk geval met een scherp en/of puntig voorwerp, meermalen, althans eenmaal, in diens lichaam, te weten hoofd en rug, heeft gestoken en/of gesneden, terwijl de uitvoering van dat voorgenomen misdrijf niet is voltooid;

( art 302 lid 1 Wetboek van Strafrecht, art 45 lid 1 Wetboek van Strafrecht

1 Waar hierna wordt verwezen naar paginanummers, wordt - tenzij anders vermeld - gedoeld op paginanummers uit het proces-verbaal van politie eenheid Limburg, district Zuid-West-Limburg, basisteam Westelijke Mijnstreek, proces-verbaalnummer Pl2300-2019069386, gesloten d.d. 8 januari 2020, doorgenummerd van pagina 1 tot en met pagina 84.

2 Het proces-verbaal van aangifte, p. 14 en 15.

3 Het proces-verbaal van verhoor van slachtoffer [slachtoffer] , p. 18.

4 De letselbeschrijving, p. 22 en 23, alsmede de toelichting op de letselbeschrijving d.d. 14 januari 2020.

5 Het proces-verbaal van verhoor van getuige [getuige 1] , p. 61 en 62.

6 Het proces-verbaal van verhoor van getuige [getuige 2] , p. 63.

7 Het proces-verbaal van bevindingen, p. 26-27.