Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBLIM:2020:6806

Instantie
Rechtbank Limburg
Datum uitspraak
09-09-2020
Datum publicatie
18-09-2020
Zaaknummer
8461070 CV 20-1709
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

Lening hoofdelijk? niet overeengekomen; toerekening betalingen medeschuldenaar aan gedaagde onvoldoende gemotiveerd

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK LIMBURG

Burgerlijk recht

Zittingsplaats Maastricht

Zaaknummer: 8461070 \ CV EXPL 20-1719

Vonnis van de kantonrechter van 9 september 2020

in de zaak van:

de besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid LIMBURGSE BOEK- EN KUNSTHANDEL HOLDING B.V.,

gevestigd te Hoensbroek,

eisende partij,

gemachtigde mr. A.L. Stegeman,

tegen:

[gedaagde] ,

wonend [adres] ,

[woonplaats] ,

gedaagde partij,

procederende in persoon.

Partijen zullen hierna LBK (of LBK Holding BV) en [gedaagde] worden genoemd.

1 De procedure

1.1.

Het verloop van de procedure blijkt uit:

  • -

    de dagvaarding van 27 maart 2020 met de producties 1-3

  • -

    het antwoord van gedaagde partij met bijlage

  • -

    de akte overlegging producties van mr. Stegeman met de producties 4-7

  • -

    het proces-verbaal van mondelinge behandeling van 13 augustus 2020.

1.2.

Ten slotte is vonnis bepaald.

2 De feiten

2.1.

De overeenkomst overgelegd als productie 1 bij dagvaarding houdt - voor zover relevant - in dat “LBK Holding BV” als geldverstrekker aan “[gedaagde]”, dus gedaagde, en “[naam broer gedaagde]” als geldnemers, omstreeks 16 juni 2018 uitleent € 15.000,-.

2.2.

Uit hoofde van die overeenkomst is aan [gedaagde] en zijn broer [naam broer gedaagde] een geldbedrag uitgeleend van € 15.000,00. De overeenkomst vermeldt dat het geld wordt overgemaakt op het bankrekeningnummer ten name van [naam bv] BV. [gedaagde] heeft dat bedrag ontvangen.

2.3.

Overeengekomen is dat de geldlening binnen 48 maanden zou worden afgelost en dat over het geleende en nog openstaande bedrag 4% rente per jaar verschuldigd was.

2.4.

In 2018 zijn 4 termijnen afgelost en in 2019 5 termijnen. In 2020 is de verschuldigde rente over 2018 en 2019 bijgeboekt.

2.5.

Het restantbedrag is opgeëist, maar niet betaald. [gedaagde] is door LBK en haar gemachtigde meermaals aangesproken op en gesommeerd tot betaling, maar dit heeft niet tot resultaat geleid.

3 Het geschil

3.1.

LBK vordert dat de kantonrechter bij vonnis, uitvoerbaar bij voorraad:

 gedaagde primair veroordeelt tot betaling aan LBK van het geldbedrag van € 13.790,85, te vermeerderen met een rente van 4% per jaar over het bedrag van € 12.187,50 vanaf 1 april 2020 en de wettelijke rente over € 903,88 vanaf de dag van dagvaarding, telkens tot aan de dag van behoorlijke voldoening;

 althans subsidiair gedaagde veroordeelt tot betaling aan LBK van het geldbedrag van € 8.617,75, te vermeerderen met een rente van 4% per maand over het bedrag van € 7.500,00 vanaf 1 april 2020 en de wettelijke rente over € 767,51 vanaf de dag van dagvaarding, telkens tot aan de dag van behoorlijke voldoening;

 gedaagde veroordeelt tot betaling aan LBK van een proceskostenvergoeding, salaris gemachtigde daaronder begrepen, en een nakostenvergoeding van €120,00, telkens te vermeerderen met de wettelijke rente vanaf de 2e dag na betekening van het vonnis tot aan de dag van behoorlijke voldoening.

3.2.

Aan die vorderingen legt LBK het volgende ten grondslag. [gedaagde] en zijn broer zijn in gebreke met correcte betaling van aflossing en rente uit hoofde van de gesloten leningsovereenkomst. De lening is opgeëist en [gedaagde] is meermaals op betaling van het openstaande bedrag (ad € 12.887,97) aangesproken, maar zonder enig resultaat, zodat hij ook buitengerechtelijke incassokosten ad € 903,88 verschuldigd is. Uit de overeenkomst en de correspondentie tussen partijen vloeit voort dat zij hoofdelijkheid overeengekomen zijn, zodat hij kan worden aangesproken op betaling van het volledige openstaande bedrag. Subsidiair voert LBK aan dat [gedaagde] in ieder geval € 7.500,00 plus € 350,24 wegens de tot 1 april 2020 vervallen rente en 4% rente over € 7.500,00 vanaf 1 april 2020 en € 767,51 buitengerechtelijke kosten moet betalen, omdat [gedaagde] aansprakelijk is voor de helft van de geldlening (zijnde € 7.500,00) en daarop niets in mindering is gebracht. De ontvangen betalingen rekent LBK toe aan de broer van [gedaagde] .

3.3.

[gedaagde] voert verweer. Hij stelt:

 “(…) “(…) dat er nu een volledig bedrag van mijn kant wordt gevraagd tart toch ieder verstandelijk vermogen.”,

 “(…) “Dit is onterecht en ook niet fair”,

 “(…) “Ik wil best aansprakelijk worden gesteld voor de helft van het nog openstaande bedrag.”,

 “(…) “Voor deze helft wil ik graag een betalingsregeling treffen, (…) Maar niet voor het hele bedrag.”,

 “(…) “Hetgeen op pagina 2 onder het kopje feiten bij punt 2 wordt aangehaald betreffende de aflossing klopt ook niet(…)” en

 “(…) “En volgens mijn broer klopt de berekening van jullie niet”.

4 De beoordeling

Hoofdelijkheid

4.1.

Partijen verschillen op de eerste plaats, zo begrijpt de kantonrechter het relaas van [gedaagde] , van mening of de lening hoofdelijk is aangegaan of niet. Op grond van artikel 6:6 lid 1 BW zijn [gedaagde] en zijn broer ieder voor een gelijk deel aansprakelijk voor de terugbetaling van de geldlening, tenzij uit de wet, gewoonte of rechtshandeling voortvloeit dat zij voor ongelijke delen of hoofdelijk verbonden zijn. Als hoofdelijkheid is overeengekomen of uit gewoonte voortvloeit, kan [gedaagde] ex artikel 6:7 BW worden aangesproken op het volledige uitstaande bedrag van de lening.

4.2.

Uit de overeenkomst blijkt niet met zoveel woorden dat hoofdelijkheid is overeengekomen. Het komt dus aan op de uitleg van die overeenkomst. Ter beantwoording van de vraag hoe de overeenkomst moeten worden uitgelegd, komt het aan op de zin die partijen in de gegeven omstandigheden over en weer redelijkerwijs daaraan mochten toekennen en op hetgeen zij te dien aanzien redelijkerwijs van elkaar mochten verwachten (HR 13 maart 1981, Haviltex, ECLI:NL:HR:1981:AG4158). Volgens LBK is sprake van een hoofdelijke verbintenis omdat dit uit de overeenkomst voortvloeit (zie nrs. 11 en 19 dagvaarding). In dat kader zijn de volgende omstandigheden van belang. In de overeenkomst worden twee partijen genoemd: LBK als geldverstrekker enerzijds en [gedaagde] , dus gedaagde, en [naam broer gedaagde] als geldnemer anderzijds. Weliswaar worden [gedaagde] en zijn broer in de overeenkomst gezamenlijk aangeduid als “partij B”, maar aan die omstandigheid kan niet de conclusie worden verbonden dat partijen bedoeld hebben om hoofdelijkheid overeen te komen. Het is immers niet ongebruikelijk om in een overeenkomst meerdere personen gemakshalve in de verdere overeenkomst aan te duiden als “één partij”. Dat het geld is overgemaakt naar één bankrekening en dat [gedaagde] de overeenkomst heeft opgesteld, maakt dat niet anders, omdat ook dat niet ongebruikelijk is. Ook in onderlinge samenhang beschouwd kunnen die omstandigheden niet tot de conclusie leiden dat hoofdelijkheid overeengekomen is.

4.3.

Uit de correspondentie tussen partijen, waarnaar LBK in algemene zin nog heeft verwezen, valt op te maken dat [gedaagde] en zijn broer onderling afstemden wie betaalde, maar ook daaruit kan geen hoofdelijkheid worden afgeleid. Die afspraken betreffen immers de interne verhouding tussen [gedaagde] en zijn broer, waaraan zonder nadere maar niet gegeven uitleg, geen externe werking kan worden toegekend.

4.4.

Het gevolg van al deze omstandigheden is dat het oordeel luidt dat geen hoofdelijkheid is overeengekomen.

4.5.

Vervolgens moet de vraag beantwoord worden of hoofdelijkheid voortvloeit uit hetgeen gebruikelijk is bij dit soort overeenkomsten, zoals LBK stelt. De kantonrechter begrijpt dat LBK hiermee doelt op “gewoonte” in artikel 6:6 lid 1 BW. Op degene die zich op een uitzondering op de hoofdregel van artikel 6:6 lid 1 BW beroept, rusten op grond van de hoofdregel van artikel 150 Rv in beginsel de stelplicht en bewijslast van feiten en omstandigheden waaruit volgt dat die uitzondering zich voordoet. LBK moet dus feiten en omstandigheden stellen waaruit het bestaan en de inhoud van de gewoonte blijkt. Dergelijke feiten en omstandigheden zijn niet gesteld. LBK heeft volstaan met de enkele opmerking dat hoofdelijkheid gebruikelijk is, maar heeft aan die opmerking geen nadere invulling gegeven. De conclusie luidt dat ook dat [gedaagde] aangesproken kan worden op terugbetaling van de helft van het geleende bedrag minus de betalingen die hij heeft verricht. De primaire vordering van LBK is gebaseerd op de situatie dat [gedaagde] en zijn broer hoofdelijk zijn verbonden en moet daarom worden afgewezen.

De hoogte van de vordering

4.6.

[gedaagde] betwist verder de hoogte van de vordering, maar doet dat onvoldoende onderbouwd gelet op het in artikel 150 Rv neergelegde uitgangspunt dat hij de aflossingen moet stellen en bewijzen. Zo legt [gedaagde] niet uit wat niet klopt aan de berekening en aflossing, terwijl LBK wel heeft aangevoerd hoe groot de lening was, welke bedragen daar op zijn afgelost (en door wie) en welke rente verschuldigd is. Het verweer van [gedaagde] op dit punt wordt daarom gepasseerd.

Welk(e) (deel van de) schuld is voldaan?

4.7.

Zoals hiervoor is overwogen, zijn [gedaagde] en zijn broer niet hoofdelijk verbonden, maar ieder aansprakelijk voor de helft van het geleende bedrag. Zodoende moet de vraag beantwoord worden ter aflossing van welk deel van de schuld (het deel van [gedaagde] en/of het deel van de broer van [gedaagde] ) betalingen zijn verricht.

4.8.

LBK rekent alle verrichte betalingen aan de broer van [gedaagde] toe. [gedaagde] stelt dat hij wel aansprakelijk gehouden wil worden voor de helft van het openstaande bedrag, hetgeen impliceert dat volgens hem alle betalingen die door zijn broer zijn verricht, bij helfte aan hem moeten worden toegerekend. Aan die stelling geeft [gedaagde] echter geen nadere onderbouwing, terwijl wel van hem verwacht mag worden dat hij uitlegt waarom zijn broer niet voor zichzelf, maar tevens of alleen voor [gedaagde] heeft betaald. Omdat [gedaagde] zijn stelling niet onderbouwt, luidt het oordeel dat op het deel van de lening waar [gedaagde] voor aansprakelijk is (€ 7.500,00), geen betalingen in mindering strekken. Het bedrag van € 7.500,00 komt dan ook voor toewijzing in aanmerking, evenals de niet weersproken rente van € 350,24 wegens de tot 1 april 2020 vervallen rente en 4% over € 7.500,00 vanaf 1 april 2020.

Buitengerechtelijke kosten

4.9.

De vordering met betrekking tot de buitengerechtelijke incassokosten en de wettelijke rente daarover wordt door [gedaagde] niet betwist. LBK heeft voldoende gesteld en onderbouwd dat buitengerechtelijke incassowerkzaamheden zijn verricht. Het gevorderde bedrag ad € 767,51 zal worden toegewezen, evenals de niet weersproken wettelijke rente daarover vanaf de dag der dagvaarding, zijnde 27 maart 2020.

Proces- en nakosten

4.10.

[gedaagde] zal als de overwegend in het ongelijk gestelde partij worden veroordeeld in de kosten van deze procedure. De kosten aan de zijde van LBK worden begroot op:

  • -

    dagvaarding € 86,85

  • -

    griffierecht € 996,00

  • -

    salaris gemachtigde € 720,00 (2x tarief € 360,00)

  • -

    totaal € 1.802,85

De gevorderde rente over de proceskosten zal worden toegewezen met ingang van de vijftiende dag na betekening van dit vonnis.

4.11.

De gevorderde nakosten zullen worden toegewezen overeenkomstig de richtlijnen van het LOVCK&T en worden vastgesteld op € 120,00 aan nakosten salaris, zij het dat [gedaagde] die kosten op aan de redelijkheid ontleende gronden eerst verschuldigd is indien hij niet binnen twee weken na aanschrijving door LBK volledig aan dit vonnis voldoet. De gevorderde wettelijke rente over de nakosten zal op dezelfde gronden worden toegewezen met ingang van de vijftiende dag na betekening van dit vonnis.

5 De beslissing

De kantonrechter

5.1.

veroordeelt [gedaagde] om aan LBK tegen behoorlijk bewijs van kwijting te betalen een bedrag van € 8.617,75, te vermeerderen met 4% rente per jaar over het bedrag van € 7.500,00 vanaf 1 april 2020 en de wettelijke rente over € 767,51 vanaf 27 maart 2020, tot de dag van volledige voldoening,

5.2.

veroordeelt [gedaagde] voorts in de kosten van de procedure, aan de zijde van LBK gevallen en aan die zijde tot op heden begroot op een bedrag van € 1.802,85, vermeerderd met de wettelijke rente met ingang van de vijftiende dag na betekening van dit vonnis tot de dag van volledige voldoening,

5.3.

veroordeelt [gedaagde] onder de voorwaarde dat hij niet binnen twee weken na aanschrijving door LBK volledig aan dit vonnis voldoet, in de na dit vonnis ontstane kosten, begroot op € 120,00 aan salaris gemachtigde, vermeerderd met de wettelijke rente als bedoeld in artikel 6:119 BW met ingang van de vijftiende dag na betekening tot de dag der voldoening,

5.4.

verklaart dit vonnis uitvoerbaar bij voorraad,

5.5.

wijst het meer of anders gevorderde af.

Dit vonnis is gewezen door mr. M. Driever en in het openbaar uitgesproken.

type: MD

coll: