Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBLIM:2020:6805

Instantie
Rechtbank Limburg
Datum uitspraak
10-09-2020
Datum publicatie
12-11-2020
Zaaknummer
AWB - 20 _ 761
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Bodemzaak
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

Betreft beroep tegen een last onder dwangsom tot verwijdering van een loods op eisers perceel. Het is niet in geschil dat eiser de loods zonder omgevingsvergunning heeft gebouwd en dat daardoor de volgens het vigerend bestemmingsplan toegestane maximale bebouwingsoppervlakte wordt overschreden. Eiser voert in beroep primair aan dat concreet zicht op legalisering bestaat omdat hij bereid is de (met vergunning) op zijn perceel gebouwde berging te slopen waardoor de strijd met de planregels wordt weggenomen. Subsidiair - voor zover na sloop van de berging nog sprake is van strijd met de planregels - voert eiser aan dat er sprake is van concreet zicht op legalisatie omdat hij bereid is een aanvraag ter legalisatie van de loods in te dienen. Volgens hem kan daaraan medewerking worden verleend omdat die past in verweerders ‘kruimelbeleid’. De rechtbank overweegt dat verweerder voor de beoordeling of er concreet zicht op legalisatie bestaat terecht van de feitelijke situatie is uitgegaan en terecht heeft aangenomen dat geen sprake is van concreet zicht op legalisatie. Zij verklaart het beroep ongegrond.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK LIMBURG

Zittingsplaats Roermond

Bestuursrecht

Zaaknummer: ROE 20 / 761

Uitspraak van de enkelvoudige kamer van 10 september 2020 in de zaak tussen

[eiser] , wonend te [woonplaats] , eiser,

en

het college van burgemeester en wethouders van de gemeente Leudal, verweerder.

Procesverloop

Bij besluit van 26 november 2019 (hierna: het dwangsombesluit) heeft verweerder aan eiser een last onder dwangsom opgelegd om binnen drie maanden na verzending van dit besluit een loods op het adres plaatselijk bekend [adres] , kadastraal bekend [gemeente], [sectieletter] , [sectienummer] (hierna: het perceel), te verwijderen.

Bij besluit van 26 februari 2020 (hierna: het bestreden besluit) heeft verweerder het bezwaar van eiser tegen het dwangsombesluit ongegrond verklaard.

Eiser heeft tegen het bestreden besluit beroep ingesteld. Als gemachtigde heeft zich gesteld mr. M. van Hoorne, rechtsbijstandverlener te Roermond.

Verweerder heeft de stukken die op zaak betrekking hebben ingezonden en heeft een verweerschrift ingediend.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 25 augustus 2020, waar eiser, bijgestaan door zijn gemachtigde en [naam] , en verweerder, vertegenwoordigd door [naam medewerker gemeente] , werkzaam bij de gemeente, zijn verschenen.

Overwegingen

1. Bij een controle medio augustus 2015 heeft verweerder geconstateerd dat er op het perceel tegen een met vergunning opgerichte berging een loods is opgericht. Tussen partijen is niet in geschil dat eiser die loods zonder omgevingsvergunning heeft gebouwd. Evenmin is in geschil dat de totale bebouwde oppervlakte van het perceel het in artikel 23.2.1, onder b, van het ter plaatse geldend bestemmingsplan ‘Woonkernen Leudal 2017’ genoemde maximum van 275 m² overschrijdt.

2. Het bestreden besluit strekt tot handhaving van het dwangsombesluit waarbij eiser is gelast de loods op straffe van verbeurte van een dwangsom van € 10.000,00 ineens te verwijderen. Verweerder stelt zich op het standpunt dat eiser in strijd in strijd heeft gehandeld met artikel 2.1, eerste lid, aanhef en onder a, van de Wet algemene bepalingen omgevingsrecht (hierna: de Wabo) respectievelijk handelt in strijd met artikel 2.3a, eerste lid, van die wet en dat eiser tevens in strijd heeft gehandeld met artikel 2.1, eerste lid, aanhef en onder c, van de Wabo omdat genoemd artikel 23.2.1, onder b, van de planregels is overtreden.

3. Eiser voert aan dat verweerder van handhavend optreden af had moeten zien omdat er concreet zicht op legalisering bestaat. Daartoe heeft hij primair aangevoerd dat voor de loods alleen een omgevingsvergunning als bedoeld in artikel 2.1, eerste lid, aanhef en onder a, van de Wabo is vereist en dat er niets aan verlening van die vergunning in de weg staat. Daartoe heeft eiser aangevoerd dat de bebouwde oppervlakte thans weliswaar in totaal 400 m² bedraagt – en niet 440 m² zoals verweerder heeft berekend – maar dat hij verweerder heeft voorgesteld om de (met vergunning gebouwde) berging met een oppervlakte van 150 m² te slopen zodat het bebouwde oppervlak, ook wanneer de op te richten overkapping bij de loods wordt meegerekend, de maximaal te bebouwen oppervlakte van 275 m² niet langer overschrijdt.

3.1.

Indien wordt aangenomen dat de maximaal te bebouwen oppervlakte ook na sloop van de berging wordt overschreden, zoals verweerder betoogt, dan voert eiser subsidiair aan dat hij bereid is om ter legalisatie een aanvraag tot het verlenen van een omgevingsvergunning in te dienen en dat op voorhand duidelijk is dat verweerders standpunt dat daaraan geen medewerking kan worden verleend, onhoudbaar is. Volgens eiser is namelijk sprake van een bijbehorend bouwwerk waarvoor met toepassing van verweerders ‘Beleidsnotitie over de kruimelgevallenregeling’ een omgevingsvergunning kan worden verleend omdat aan alle daarin gestelde voorwaarden waaronder maatwerk kan worden geleverd, wordt voldaan.

4. De rechtbank overweegt als volgt.

5. Gelet op het algemeen belang dat gediend is met handhaving, zal in geval van overtreding van een wettelijk voorschrift het bestuursorgaan dat bevoegd is om met een last onder bestuursdwang of dwangsom op te treden, in de regel van deze bevoegdheid gebruik moeten maken. Slechts onder bijzondere omstandigheden mag van het bestuursorgaan worden gevergd, dit niet te doen. Dit kan zich voordoen indien concreet zicht op legalisering bestaat. Voorts kan handhavend optreden zodanig onevenredig zijn in verhouding tot de daarmee te dienen belangen dat van optreden in die concrete situatie behoort te worden afgezien.

6. Vast staat dat eiser de berging niet heeft gesloopt en dat het maximaal te bebouwen oppervlak door de bouw van de loods is overschreden. Tevens staat vast dat eiser niet beschikte over een omgevingsvergunning voor het bouwen van de loods en dat hij daar ook geen aanvraag voor heeft ingediend. Eiser handelt dus in strijd met de door verweerder aan het dwangsombesluit ten grondslag gelegde artikelen van de Wabo. Verweerder was dan ook bevoegd tegen deze overtredingen handhavend op te treden. In het kader van de beoordeling of concreet zicht op legalisatie bestaat, acht de rechtbank niet relevant dat eiser heeft voorgesteld en de bereidheid heeft uitgesproken om de berging te slopen en om zo nodig een aanvraag ter legalisatie van de loods in te dienen. Ook indien de bebouwde oppervlakte na sloop van de berging minder dan 275 m² zou gaan bedragen en na sloop van de berging alleen een omgevingsvergunning als bedoeld in artikel 2.1, eerste lid, aanhef en onder a, van de Wabo zou zijn vereist, neemt dat niet weg dat verweerder zijn besluitvorming moet baseren op de feitelijk bestaande situatie. Verweerder hoeft bij de voorbereiding van zijn besluit en de beoordeling of legalisatie mogelijk is geen rekening te houden met eventuele voorstellen van eiser die wijziging in die feitelijke situatie kunnen brengen. Het zou in strijd met de rechtszekerheid zijn indien verweerder voorwaardelijk zou handhaven of voorwaardelijk zou afzien van handhaving, zoals eiser in wezen van verweerder verlangt. Van concreet zicht op legalisatie is geen sprake omdat verweerder niet bereid is om de feitelijk bestaande overschrijding van het maximaal te bebouwen oppervlak te legaliseren omdat dit in strijd met een goede ruimtelijke ordening is. Gezien de ruime bebouwingsmogelijkheden die het geldend bestemmingsplan bij een woning toestaat, kan niet op voorhand worden gezegd dat dit standpunt niet houdbaar is. Indien eiser bereid was de berging in plaats van de loods te slopen, dan had het op zijn weg gelegen om een aanvraag tot het verlenen van een omgevingsvergunning ter legalisatie van de loods in te dienen, waarin tevens wordt verzocht als voorwaarde aan die vergunning te verbinden dat de aanwezige, met vergunning gebouwde, berging wordt gesloopt. Verweerder had dan moeten onderzoeken en objectief moeten aantonen of er nog steeds sprake is van een overschrijding van het bebouwde oppervlak en moeten beslissen of daarvoor een omgevingsvergunning kan worden verleend. Tevens had verweerder daar bij zijn beslissing(en) over concreet zicht op legalisatie en handhaving rekening mee moeten houden. Omdat een dergelijke aanvraag niet is gedaan en het bebouwd oppervlak wordt overschreden, kan verweerder tegen deze situatie handhavend optreden. Naar het oordeel van de rechtbank was verweerder dus niet alleen bevoegd handhavend op te treden tegen de zonder omgevingsvergunning gerealiseerde loods, maar heeft verweerder ook terecht aangenomen dat er geen concreet zicht op legalisatie bestond. Verder gaat het niet om een overtreding van geringe aard of ernst en is handhavend optreden in dit geval niet zodanig onevenredig in verhouding tot de daarmee te dienen belangen dat verweerder om die reden van handhavend optreden af had moeten zien.

7. Het beroep is ongegrond. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

Beslissing

De rechtbank:

verklaart het beroep ongegrond.

Aldus vastgesteld door mr. R.M.M. Kleijkers, rechter, in aanwezigheid van mr. F.A. Timmers, griffier.

De uitspraak is openbaar gemaakt op 10 september 2020.

griffier rechter

Afschrift verzonden aan partijen op: 10 september 2020

Rechtsmiddel

Voor een belanghebbende en het bestuursorgaan staat tegen deze uitspraak hoger beroep open bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State. De termijn voor het instellen van het hoger beroep bedraagt zes weken na de datum van verzending van deze uitspraak.