Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBLIM:2020:6793

Instantie
Rechtbank Limburg
Datum uitspraak
09-09-2020
Datum publicatie
16-09-2020
Zaaknummer
7275560 CV EXPL 18-6401
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

Eiser niet-ontvankelijk in zijn vordering; Eiser heeft geen belang bij zijn vordering, omdat dezelfde kwestie in hoger beroep al onder de rechter is

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK LIMBURG

Burgerlijk recht

Zittingsplaats Maastricht

Zaaknummer: 7275560 CV EXPL 18-6401

Vonnis van de kantonrechter van 9 september 2020

in de zaak van

[eiser] ,

wonend te [woonplaats 1] ,

eisende partij,

gemachtigde mr. J.P.C.M. van Riet,

tegen

[gedaagde] ,

wonend aan de [adres 1] , [woonplaats 2] ,

gedaagde partij,

gemachtigde mr. A. Schmidt.

Partijen zullen hierna [eiser] en [gedaagde] worden genoemd.

1 De procedure

1.1.

Het verdere verloop van de procedure blijkt uit:

- de rolbeslissing van 23 oktober 2019

- de door beide partijen genomen akte d.d. 6 november 2019

- de brief van 2 maart 2020 van [gedaagde]

- de brief van 3 maart 2020 van [eiser]

- de brief van 7 april 2020 van [eiser]

- de brief van 6 juli 2020 van [gedaagde] met twee bijlagen

- de brief van 14 juli 2020 van [eiser] .

1.2.

Ten slotte is vonnis bepaald.

2 De feiten

2.1.

Partijen, broer en zus, zijn de enige erfgenamen van hun moeder, [erflaatster] , overleden op [overlijdensdatum] te [overlijdensplaats] , en ieder tot de helft van haar nalatenschap gerechtigd. Tot de onverdeelde gemeenschap behoort onder meer de woning staande en gelegen aan de [adres 2] te [woonplaats 2] .

2.2.

In een eerder tussen partijen gevoerde procedure heeft de rechtbank bij vonnis van

6 juli 2016 op vordering van [eiser] in conventie de verdeling van de nalatenschap van de moeder ten overstaan van een notaris bevolen en bevolen dat [gedaagde] ten overstaan van de notaris rekening en verantwoording zal afleggen ten aanzien van het door haar gevoerde vermogensrechtelijke beleid met betrekking tot de bankrekening van de moeder. De reconventionele vordering van [gedaagde] om [eiser] te bevelen mee te werken aan verhuur van de woning is afgewezen.

2.3.

[gedaagde] heeft voormelde woning per 1 juli 2017 aan een derde (de heer [naam huurder] ) verhuurd voor bepaalde tijd tot en met 30 juni 2018, welke huurovereenkomst na laatstgenoemde datum is verlengd voor onbepaalde tijd. De maandelijkse huurprijs bedraagt

€ 700,00.

2.4.

Bij vonnis van 3 januari 2018 van deze rechtbank is bepaald dat de woning aan een derde zal worden verkocht met inschakeling van makelaarskantoor Boek & Offermans als bemiddelaar bij de verkoop.

2.5.

[gedaagde] heeft hoger beroep ingesteld tegen laatstgenoemd vonnis.

2.6.

Bij exploot van dagvaarding van 28 september 2018 heeft [eiser] onderhavige procedure gestart.

2.7.

Bij gelegenheid van de comparitie van partijen van 25 januari 2019 zijn partijen overeengekomen dat zij zullen trachten om de woning aan een derde te verkopen, een en ander op de wijze zoals gelast in het vonnis van 3 januari 2018 onder 5.1. a tot en met f. Dat wil zeggen:

(…) 6. De onroerende zaak wordt thans verhuurd voor € 700 per maand en de eigenaarslasten (hypotheekrente, verzekeringspremie en gemeentelijke belastingen) bedragen ongeveer € 550. De ‘winst’ op de verhuur die aldus resteert maakt deel uit van de gemeenschap die op een later moment zal worden verdeeld.

7. Partijen zullen de overeenkomst van opdracht met de makelaar aangaan voor de duur van zes maanden, met de mogelijkheid van verlenging. In verband hiermee wordt deze procedure verwezen naar de rolzitting voor uitlating van partijen en zal ook de procedure in hoger beroep tegen het vonnis van 3 januari 2018 worden opgeschort en zal dit vonnis ondertussen niet ten uitvoer worden gelegd. (…)

2.8.

De woning is op 30 januari 2020 aan een derde geleverd.

2.9.

Het hof heeft in de tussen partijen lopende appelprocedure bij (tussen)arrest van

28 april 2020 onder meer overwogen:

3.12

De grieven VI en VII lenen zich voor een gezamenlijke bespreking. Deze grieven richten zich tegen de verwerping van het verweer van appellante in eerste aanleg dat bij de eindafrekening verrekening moet plaatsvinden van de door haar gemaakte kosten ten behoeve van de nalatenschap omdat zij daarvoor naar het oordeel van de rechtbank geen, althans onvoldoende openheid van zaken had gegeven (…)

3.13

Appellante heeft in hoger beroep een overzicht overgelegd van de kosten die zij ten behoeve van de nalatenschap heeft gemaakt en de baten die ten gunste van de nalatenschap zijn gekomen (mvg prod. 8). Volgens appellante is het volledige banksaldo van moeder aangewend ten behoeve van de nalatenschap, heeft zij vanaf augustus 2015 alle kosten van de nalatenschap van haar bankrekening voldaan omdat het banksaldo van haar moeder niet meer toereikend was en worden daarom de huurtermijnen van de woning op haar rekening voldaan. Appellante is van mening dat zij per 1 februari 2018 nog een bedrag van € 10.076,53 van geïntimeerde tegoed heeft. Dit bedrag bestaat uit de helft van de eigen middelen die appellante in de nalatenschap heeft gestoken (€ 25.753,06) minus de inkomsten uit hoofde van de verhuur die zij op haar rekening heeft ontvangen (tot februari 2018 zijnde € 5.600,-), aldus appellante.

3.14

Geïntimeerde heeft dit betwist. Hij heeft onder meer naar voren gebracht dat appellante zelf de situatie heeft laten ontstaan dat zij, na het banksaldo van moeder te hebben uitgegeven, haar eigen rekening heeft aangesproken om kosten te voldoen. Volgens geïntimeerde bestaat geen wettelijke basis voor de vordering van appellante, omdat zij niet over een volmacht beschikte om de nalatenschap te beheren en geen grond bestond om zijn belang te behartigen, omdat hij steeds heeft gesteld ter zake geen kosten te maken en over te gaan tot verkoop. (…) Volgens geïntimeerde heeft appellante al per juli 2018 een bedrag van € 9.800,- aan huur ontvangen zodat zij hem een bedrag is verschuldigd van € 4.900,-.

3.15

Het hof stelt appellante in de gelegenheid om zich bij akte uit te laten over dit verweer van geïntimeerde (…)

3 Het geschil

3.1.

Tegen de achtergrond van deze vaststaande feiten vordert [eiser] bij vonnis uitvoerbaar bij voorraad veroordeling van [gedaagde] tot betaling van:

- € 5.250,00, vermeerderd met de wettelijke rente vanaf de dag van dagvaarding tot de dag van algehele voldoening,

- € 350,00 per maand, te voldoen op de eerste dag van elke maand, vanaf 1 oktober 2018 tot de onrechtmatigheid voortduurt dan wel voor de duur dat de huurovereenkomst voortduurt althans het registergoed een opbrengst kent in de vorm van o.a. een huur,

- de proceskosten en nakosten.

3.2.

[eiser] stelt daartoe dat [gedaagde] voormelde bedragen (de helft van de maandelijkse huuropbrengsten) verschuldigd is primair op grond van ongerechtvaardigde verrijking en subsidiair op grond van artikel 3:172 BW.

3.3.

Gelet op de bij gelegenheid van comparitie getroffen regeling en het gegeven dat de woning op 30 januari 2020 aan een derde is geleverd, heeft [eiser] het bedrag van € 350,00 per maand gewijzigd in € 150,00 per maand vanaf 1 oktober 2018 tot en met 30 januari 2020 en luidt zijn vordering thans dat [gedaagde] aan hem € 8.450,00 verschuldigd is.

3.4.

[gedaagde] voert verweer.

3.5.

Op de stellingen van partijen zal hierna, voor zover relevant, worden ingegaan.

4 De beoordeling

4.1.

Het verzoek van [eiser] om de door [gedaagde] bij brief van 6 juli 2020 in het geding gebrachte producties buiten beschouwing te laten, zal niet worden gehonoreerd. [eiser] had daarop in zijn brief van 14 juli 2020 kunnen reageren. Voorts betreffen de bij brief van 6 juli 2020 overgelegde stukken een door het hof gewezen tussenarrest en een door [gedaagde] genomen akte uitlating in de tussen partijen aanhangige hoger beroepsprocedure. Derhalve wordt geacht, nu [eiser] procespartij is, dat hij op de hoogte is van de inhoud daarvan.

4.2.

[gedaagde] heeft het hof verzocht om bij de beoordeling van de gronden van het beroep tegen het vonnis van 3 januari 2018 rekening te houden met gemaakte en nog te maken kosten ten behoeve van de nalatenschap ten opzichte van de gegenereerde opbrengsten. In dat kader heeft [eiser] de (verdeling van de) ontvangen huurtermijnen bij de rechter aan de orde gesteld. Met [gedaagde] is de kantonrechter van oordeel dat [eiser] geen belang heeft bij zijn onderhavige vordering, omdat dezelfde kwestie in hoger beroep al onder de rechter is. Onder omstandigheden is denkbaar dat, mede gelet op het uit artikel 6 EVRM voortvloeiende recht op toegang tot de rechter, daarover anders geoordeeld zou moeten worden, maar dergelijke omstandigheden zijn niet gesteld door [eiser] .

4.3.

Het vorenstaande brengt met zich dat [eiser] bij gebrek aan belang niet-ontvankelijk verklaard zal worden in zijn vordering.

4.4.

Gezien de familieverhouding tussen partijen zullen de proceskosten worden gecompenseerd aldus dat iedere partij haar eigen kosten draagt.

5 De beslissing

De kantonrechter

5.1.

verklaart [eiser] niet-ontvankelijk in zijn vordering,

5.2.

compenseert de proceskosten aldus dat iedere partij de eigen kosten draagt.

Dit vonnis is gewezen door mr. R.P.J. Quaedackers en in het openbaar uitgesproken.

CJ