Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBLIM:2020:6792

Instantie
Rechtbank Limburg
Datum uitspraak
09-09-2020
Datum publicatie
16-09-2020
Zaaknummer
8294058 CV EXPL 20-471
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

Ontbinding van de huurovereenkomst en ontruiming van het gehuurde wegens huurachterstand

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK LIMBURG

Burgerlijk recht

Zittingsplaats Maastricht

Zaaknummer: 8294058 CV EXPL 20-471

Vonnis van de kantonrechter van 9 september 2020

in de zaak van

de stichting STICHTING KRIJTLAND WONEN, voorheen mede genaamd de stichting Woningstichting Vaals en de stichting Woningstichting Gulpen,

gevestigd en kantoorhoudend aan In ’t Oord 18, 6291 VP Vaals,

eisende partij,

gemachtigde J.M.H.C. Haenen, gerechtsdeurwaarder,

tegen

[gedaagde] ,

wonend aan de [adres] , [woonplaats] ,

gedaagde partij,

aanvankelijk verschenen bij gemachtigde mr. P.J.C. Bolton, advocaat te Heerlen, die bij akte d.d. 15 juli 2020 als zodanig heeft gedesisteerd.

Partijen zullen hierna Krijtland Wonen en [gedaagde] genoemd worden.

1 De procedure

1.1.

Het verloop van de procedure blijkt uit:

- de dagvaarding

- de conclusie van antwoord

- de conclusie van repliek, tevens akte vermindering van eis

- de akte niet in staat

1.2.

Vervolgens is [gedaagde] bij brief van 15 juli 2020 in de gelegenheid gesteld zelf een conclusie van dupliek in te dienen. Bij e-mailbericht van 10 augustus 2020 heeft mr. Bolton meegedeeld dat [gedaagde] met hem contact heeft opgenomen en heeft meegedeeld de woning te hebben ontruimd.

1.3.

Ten slotte is vonnis bepaald.

2 Het geschil

2.1.

Tussen partijen bestaat een huurovereenkomst op grond waarvan [gedaagde] van Krijtland Wonen huurt de woonruimte met aanhorigheden staande en gelegen aan de [adres] te [woonplaats] , tegen een maandelijkse bij vooruitbetaling verschuldigde huurprijs van € 503,88.

2.2.

Krijtland Wonen vordert samengevat (primair) ontbinding van de huurovereenkomst, ontruiming van het gehuurde en (primair en subsidiair) betaling van de achterstallige huurpenningen tot 1 februari 2020, vermeerderd met de wettelijke rente, en (primair) een vergoeding gelijk aan huur over de periode van gebruik van de woning door [gedaagde] vanaf 1 februari 2020 tot datum van ontruiming, (primair en subsdiair) de buitengerechtelijke incassokosten en de proceskosten. Krijtland Wonen legt aan haar vorderingen ten grondslag dat [gedaagde] toerekenbaar is tekortgeschoten in de nakoming van zijn contractuele betalingsverplichtingen.

2.3.

[gedaagde] heeft veweer gevoerd.

2.4.

Op de stellingen van partijen wordt hierna, voor zover van belang, nader ingegaan.

3 De beoordeling

3.1.

[gedaagde] betwist het bestaan en de hoogte van de huurachterstand niet.

3.2.

Uit het bepaalde in artikel 6:265 lid 1 BW volgt dat iedere tekortkoming van een partij in de nakoming van zijn verbintenissen, aan de wederpartij de bevoegdheid geeft om de overeenkomst geheel of gedeeltelijk te (doen) ontbinden, tenzij de tekortkoming gezien haar bijzondere aard of geringe betekenis deze ontbinding met haar gevolgen niet rechtvaardigt. Het is aan de tekortschietende partij om zich voldoende gemotiveerd op deze uitzondering te beroepen. Bij de beoordeling of ontbinding naar de aard en betekenis van de tekortkoming gerechtvaardigd is, dient rekening gehouden te worden met alle omstandigheden van het geval. Hieronder worden ook omstandigheden gerekend die na de gestelde tekortkoming hebben plaatsgevonden (HR 22 augustus 1992, NJ 1992, 715, ECLI:NL:HR:1992:ZC0673 en Hoge Raad van 29 september 2018, ECLI:NL:HR:2018:1810).

3.3.

[gedaagde] had op het moment van dagvaarden een huurachterstand van 4,5 maand. Voor wat betreft het niet treffen van een betalingsregeling merkt de kantonrechter op dat op Krijtland Wonen niet de wettelijke plicht rustte om met [gedaagde] een (door hem voorgestane) regeling te treffen. Voor wat betreft het overige verweer moet de kantonrechter vaststellen dat betalingsonmacht aan de zijde van [gedaagde] niet aan toewijzing van de vordering in de weg kan staan. Nu niet is gebleken dat [gedaagde] een rechtsgrond heeft om zijn huurbetalingsverplichtingen niet na te komen, is [gedaagde] jegens Krijtland Wonen tekortgeschoten in de nakoming van die verplichting. [gedaagde] heeft geen feiten en omstandigheden gesteld op basis waarvan moet worden geoordeeld dat de tekortkoming bijzonder van aard of gering van betekenis is. De gevorderde ontbinding en (voor zover nog niet plaatsgevonden) ontruiming (Krijtland Wonen heeft gezien de stand van de procedure niet meer kunnen reageren op de mededeling van de zijde van [gedaagde] dat de woning is ontruimd), alsmede de gevorderde betaling van de huurachterstand en van (een bedrag gelijk aan) de huurprijs tot aan de ontruiming zijn derhalve toewijsbaar.

3.4.

Krijtland Wonen maakt aanspraak op vergoeding van buitengerechtelijke incassokosten. [gedaagde] betwist de bij dagvaarding overgelegde brieven, waaronder de veertiendagenbrief van 13 augustus 2019 en 8 oktober 2019, te hebben ontvangen. De kantonrechter passeert deze betwisting. Alhoewel uitgangspunt is dat een verklaring eerst werking heeft zodra zij de geadresseerde heeft bereikt en in voorkomend geval de bewijslast ter zake op de verzender rust, mag van [gedaagde] worden gevergd dat hij ter staving van zijn verweer voldoende feitelijke gegevens verstrekt. [gedaagde] heeft echter volstaan met een enkele ontkenning van de ontvangst van alle brieven. Die enkele ontkenning brengt in het licht van de omstandigheden van het onderhavige geval niet met zich dat van de juistheid van de stelling van [gedaagde] moet worden uitgegaan. Immers, de brieven zijn gericht aan het adres van [gedaagde] en niet is gesteld of gebleken dat [gedaagde] in die periode is verhuisd of dat sprake was van een incorrecte postbezorging aan het adres van [gedaagde] . Voorts heeft [gedaagde] op bedoeld adres de dagvaarding ontvangen. Aldus zijn de (veertiendagen)brieven verzonden naar een adres waarvan Krijtland Wonen redelijkerwijs mocht aannemen dat [gedaagde] daar kon worden bereikt. Er zal derhalve van worden uitgegaan dat [gedaagde] de veertiendagenbrief heeft ontvangen. De door Krijtland Wonen overgelegde aanmaningen van 13 augustus 2019 en 8 oktober 2019 voldoen aan de eisen van artikel 6:96 BW. Het gevorderde bedrag aan buitengerechtelijke kosten komt overeen met het in het Besluit bepaalde tarief en zal worden toegewezen.

3.5.

De door het enkele betalingsverzuim verschuldigde wettelijke rente ligt voor toewijzing gereed.

3.6.

Ingevolge het bepaalde in artikel 6:44 lid 1 BW strekt de door [gedaagde] verrichte betaling van in totaal € 500,00 in de eerste plaats in mindering van de kosten, vervolgens in mindering van de verschenen rente en ten slotte van de hoofdsom en de lopende rente.

3.7.

[gedaagde] zal, als de in het ongelijk gestelde partij, worden veroordeeld in de kosten van deze procedure. De kosten aan de zijde van Krijtland Wonen worden tot de uitspraak van dit vonnis begroot op:
- dagvaarding € 102,96

- griffierecht € 499,00
- gemachtigde salaris € 420,00 (2 punten x € 210,00)

Totaal € 1.021,96

4 De beslissing

De kantonrechter

4.1.

ontbindt de tussen partijen bestaande huurovereenkomst,

4.2.

veroordeelt [gedaagde] om het gehuurde staande en gelegen aan de [adres] te [woonplaats] binnen veertien dagen na betekening van dit vonnis te ontruimen en ontruimd te houden en onder afgifte van de sleutels ter vrije beschikking van Krijtland Wonen te stellen,

4.3.

veroordeelt [gedaagde] tot betaling aan Krijtland Wonen van:

  • -

    € 2.112,73 aan huurachterstand tot en met januari 2020, te vermeerderen met de wettelijke rente daarover vanaf 27 januari 2020 tot aan de dag van voldoening,

  • -

    € 503,88 per maand aan huur c.q. gebruikersvergoeding - of zoveel hoger als bij een wettelijke huurverhoging zal zijn toegelaten - voor elke ingegane maand vanaf 1 februari 2020 tot en met de maand van de ontruiming,

4.4.

veroordeelt [gedaagde] in de aan de zijde van Krijtland Wonen gerezen proceskosten, welke worden begroot op € 1.021,96,

4.5.

verklaart dit vonnis uitvoerbaar bij voorraad.

Dit vonnis is gewezen door mr. P.H.M. Kuster en in het openbaar uitgesproken.

CJ