Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBLIM:2020:6791

Instantie
Rechtbank Limburg
Datum uitspraak
09-09-2020
Datum publicatie
16-09-2020
Zaaknummer
8201405 CV EXPL 19-8072
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

Ontbinding van de huurovereenkomst en ontruiming van het gehuurde wegens huurachterstand

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK LIMBURG

Burgerlijk recht

Zittingsplaats Maastricht

Zaaknummer: 8201405 CV EXPL 19-8072

Vonnis van de kantonrechter van 9 september 2020

in de zaak van

de stichting STICHTING WONEN LIMBURG,

gevestigd en kantoorhoudend aan de Willem II Singel 25, 6041 HP Roermond,

eisende partij,

gemachtigde P.M.F. Otten, gerechtsdeurwaarder,

tegen

[gedaagde] ,

wonend op een geheim adres te [woonplaats] ,

gedaagde partij,

gemachtigde mr. I. Rhodes.

Partijen zullen hierna Wonen Limburg en [gedaagde] genoemd worden.

1 De procedure

1.1.

Het verloop van de procedure blijkt uit:

- de dagvaarding

- de conclusie van antwoord

- de conclusie van repliek

- de vervallen verklaring van het recht van [gedaagde] om te concluderen voor dupliek.

1.2.

Ten slotte is vonnis bepaald.

2 Het geschil

2.1.

Tussen partijen bestaat een huurovereenkomst op grond waarvan [gedaagde] van Wonen Limburg huurt de woonruimte met aanhorigheden staande en gelegen aan de [adres] te [woonplaats] , tegen een maandelijkse bij vooruitbetaling verschuldigde huurprijs van € 526,34.

2.2.

Wonen Limburg vordert samengevat ontbinding van de huurovereenkomst, ontruiming van het gehuurde en betaling van de achterstallige huurpenningen tot en met november 2019, vermeerderd met de wettelijke rente, en een vergoeding gelijk aan huur over de periode van gebruik van de woning door [gedaagde] vanaf 30 november 2019 tot datum van ontruiming, de buitengerechtelijke incassokosten en de proceskosten. Wonen Limburg legt aan haar vorderingen ten grondslag dat [gedaagde] toerekenbaar is tekortgeschoten in de nakoming van zijn contractuele betalingsverplichtingen.

2.3.

[gedaagde] heeft veweer gevoerd.

2.4.

Op de stellingen van partijen wordt hierna, voor zover van belang, nader ingegaan.

3 De beoordeling

3.1.

De kantonrechter stelt voorop dat [gedaagde] door de griffier bij een niet-geretourneerde dienstbrief van 9 juli 2020 in de gelegenheid is gesteld mondeling of schriftelijk te reageren op de conclusie van repliek van Wonen Limburg. [gedaagde] heeft echter nagelaten te reageren en heeft evenmin uitstel voor dupliek verzocht. Het had op de weg gelegen van [gedaagde] om gedetailleerd in te gaan op de conclusie van repliek, nu de inhoud daarvan zeker tot aanvullende stellingname of tot toespitsing van het verweer aanleiding gaf.

3.2.

[gedaagde] betwist het bestaan en de hoogte van de huurachterstand niet.

3.3.

Uit het bepaalde in artikel 6:265 lid 1 BW volgt dat iedere tekortkoming van een partij in de nakoming van zijn verbintenissen, aan de wederpartij de bevoegdheid geeft om de overeenkomst geheel of gedeeltelijk te (doen) ontbinden, tenzij de tekortkoming gezien haar bijzondere aard of geringe betekenis deze ontbinding met haar gevolgen niet rechtvaardigt. Het is aan de tekortschietende partij om zich voldoende gemotiveerd op deze uitzondering te beroepen. Bij de beoordeling of ontbinding naar de aard en betekenis van de tekortkoming gerechtvaardigd is, dient rekening gehouden te worden met alle omstandigheden van het geval. Hieronder worden ook omstandigheden gerekend die na de gestelde tekortkoming hebben plaatsgevonden (HR 22 augustus 1992, NJ 1992, 715, ECLI:NL:HR:1992:ZC0673 en Hoge Raad van 29 september 2018, ECLI:NL:HR:2018:1810).

3.4.

[gedaagde] had op het moment van dagvaarden een huurachterstand van zes maanden. Deze huurachterstand is daarna, zo blijkt uit de conclusie van repliek, nog verder toegenomen en bedraagt tot en met mei 2020 € 5.745,12. Het besluit van 14 november 2019 tot intrekking van de bijstandsuitkering van [gedaagde] met ingang van 5 september 2019 is bij uitspraak van de voorzieningenrechter van de Afdeling Bestuursrecht van de Rechtbank Limburg, locatie Roermond, van 31 januari 2020 geschorst. De voorzieningenrechter heeft een voorlopige voorziening getroffen waardoor aan [gedaagde] een voorschot op de bijstandsuitkering wordt verleend naar de voor hem geldende norm. Echter, dit heeft er blijkbaar, anders dan [gedaagde] bij conclusie van antwoord meende, niet in geresulteerd dat hij (een deel van) de huur(achterstand) heeft kunnen betalen. Betalingsonmacht aan de zijde van [gedaagde] kan niet aan toewijzing van de vordering in de weg staan. Nu niet is gebleken dat [gedaagde] een rechtsgrond heeft om zijn huurbetalingsverplichtingen niet na te komen, is [gedaagde] jegens Wonen Limburg tekortgeschoten in de nakoming van die verplichting. [gedaagde] heeft geen feiten en omstandigheden gesteld op basis waarvan moet worden geoordeeld dat de tekortkoming bijzonder van aard of gering van betekenis is. De gevorderde ontbinding en ontruiming, alsmede de gevorderde betaling van de huurachterstand en van (een bedrag gelijk aan) de huurprijs tot aan de ontruiming zijn derhalve toewijsbaar, met dien verstande dat de gevorderde ontruimingstermijn zal worden bepaald op veertien dagen na betekening van dit vonnis.

3.5.

Wonen Limburg maakt aanspraak op de vergoeding van buitengerechtelijke incassokosten. De door Wonen Limburg overgelegde aanmaning van 22 oktober 2019 voldoet aan de eisen van artikel 6:96 BW. Een dergelijke aanmaning is aan te merken als een verklaring als bedoeld in artikel 3:37 lid 3 BW. Daarom heeft deze aanmaning pas werking indien deze de schuldenaar heeft bereikt. Nu [gedaagde] de ontvangst van deze veertiendagenbrief betwist, dient Wonen Limburg feiten en omstandigheden te stellen en zo nodig te bewijzen waaruit volgt dat die brief door haar is verzonden naar een adres waarvan zij redelijkerwijs mocht aannemen dat [gedaagde] daar door Wonen Limburg kon worden bereikt, en dat en op welke dag de brief daar is aangekomen (HR 25 november 2016 ECLI:NL:HR:2016:2704). Wonen Limburg heeft in haar conclusie van repliek geen concrete feiten en/of omstandigheden gesteld ten aanzien van de ontvangst van de veertiendagenbrief. Aldus is niet komen vast te staan dat [gedaagde] de veertiendagenbrief heeft ontvangen. De vordering tot vergoeding van de buitengerechtelijke incassokosten dient dan ook afgewezen te worden.

3.6.

De door het enkele betalingsverzuim verschuldigde wettelijke rente ligt voor toewijzing gereed.

3.7.

[gedaagde] zal, als de grotendeels in het ongelijk gestelde partij, worden veroordeeld in de kosten van deze procedure. De kosten aan de zijde van Wonen Limburg worden tot de uitspraak van dit vonnis begroot op:
- dagvaarding € 101,05

- griffierecht € 486,00
- gemachtigde salaris € 420,00 (2 punten x € 210,00)

Totaal € 1.007,05

4 De beslissing

De kantonrechter

4.1.

ontbindt de tussen partijen bestaande huurovereenkomst,

4.2.

veroordeelt [gedaagde] om het gehuurde staande en gelegen aan de [adres] te [woonplaats] binnen veertien dagen na betekening van dit vonnis te ontruimen en ontruimd te houden en onder afgifte van de sleutels ter vrije beschikking van Wonen Limburg te stellen,

4.3.

veroordeelt [gedaagde] tot betaling aan Wonen Limburg van:

  • -

    € 5.745,12 aan huurachterstand tot en met mei 2020, te vermeerderen met de wettelijke rente daarover vanaf 26 november 2019 tot aan de dag van voldoening,

  • -

    € 526,34 per maand aan huur c.q. gebruikersvergoeding voor elke ingegane maand vanaf 1 juni 2020 tot en met de maand van de ontruiming,

4.4.

veroordeelt [gedaagde] in de aan de zijde van Wonen Limburg gerezen proceskosten, welke worden begroot op € 1.007,05,

4.5.

verklaart dit vonnis uitvoerbaar bij voorraad,

4.6.

wijst af het meer of anders gevorderde.

Dit vonnis is gewezen door mr. P.H.M. Kuster en in het openbaar uitgesproken.

CJ