Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBLIM:2020:6774

Instantie
Rechtbank Limburg
Datum uitspraak
09-09-2020
Datum publicatie
30-09-2020
Zaaknummer
ROE 20/19
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

Eiseres en haar zoon wonen in [woonplaats], gemeente Roermond. Eiseres vraagt voor haar zoon aangepast leerlingenvervoer aan van hun woonadres naar SBO [naam SBO 1] in Echt voor het schooljaar 2018-2019. Verweerder wijst de aanvraag af omdat de Synergieschool SBO [naam SBO 2] in Roermond de dichtstbijzijnde toegankelijke speciaal basisonderwijs-school is voor leerlingen die woonachtig zijn in de gemeente Roermond. SBO [naam SBO 2] heeft op basis van de problematiek van de zoon van eiseres en de kennismaking met hem aangegeven tegemoet te kunnen komen aan zijn ondersteuningsbehoeften. Hieruit leidt de rechtbank af dat SBO [naam SBO 2]voor [minderjarige] de dichtstbijzijnde toegankelijke speciaal basisonderwijs-school is voor de zoon van eiseres. Eiseres mag een andere school beter en fijner vinden en haar zoon daar inschrijven, maar op grond van de Verordening leerlingenvervoer gemeente Roermond 2014 hoeft er dan geen vervoersvoorziening te worden toegekend. Het gaat immers niet om de subjectief betere school maar om de objectief dichtstbijzijnde toegankelijke school zoals bedoeld in de Verordening. Eiseres heeft ten slotte geen bijzondere omstandigheden aangevoerd die aanleiding geven om tot een andere beslissing te komen. Het beroep is ongegrond.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK limburg

Zittingsplaats Roermond

Bestuursrecht

zaaknummer: ROE 20/19

uitspraak van de enkelvoudige kamer van 9 september 2020 in de zaak tussen

[eiseres] , te [woonplaats] , eiseres,

en

het college van burgemeester en wethouders van de gemeente Roermond, verweerder.

Procesverloop

Bij besluit van 23 juli 2019 (het primaire besluit) heeft verweerder de aanvraag van eiseres voor aangepast leerlingenvervoer voor haar zoon afgewezen.

Bij besluit van 21 november 2019 (het bestreden besluit) heeft verweerder het bezwaar van eiseres ongegrond verklaard.

Eiseres heeft tegen het bestreden besluit beroep ingesteld.

Verweerder heeft een verweerschrift ingediend.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 11 augustus 2020.

Eiseres is verschenen vergezeld door haar partner [naam partner] . Verweerder heeft zich laten vertegenwoordigen door zijn gemachtigde [naam gemachtigde] .

Overwegingen

1. Eiseres en haar zoon, [minderjarige] , van destijds 7 jaar oud wonen in [woonplaats] , gemeente Roermond. De zoon van eiseres heeft speciaal basisonderwijs nodig. Eiseres kiest voor SBO [naam SBO 1] in Echt. [minderjarige] gaat er ook al naar school. Eiseres vraagt voor [minderjarige] aangepast leerlingenvervoer aan van hun woonadres naar de school voor het schooljaar 2018-2019. Verweerder wijst de aanvraag af omdat de Synergieschool SBO [naam SBO 2] in Roermond de dichtstbijzijnde toegankelijke speciaal basisonderwijs-school is voor leerlingen die woonachtig zijn in de gemeente Roermond.

2. Eiseres is het niet eens met het oordeel van verweerder en voert daartoe het volgende aan. De Synergieschool is een grote school, het is er heel druk en het gaat er ongestructureerd aan toe. Daar wordt niet klassikaal gewerkt maar in stamgroepen. SBO [naam SBO 2] is daarom geen passende school voor [minderjarige] . [minderjarige] is juist gebaat bij rust, structuur en kleinschaligheid. De kinderrevalidatiearts, de logopediste en de directeur van de vorige reguliere basisschool van haar zoon adviseren daarom SBO [naam SBO 1] . Binnen die school wordt bovendien ergotherapie, logopedie en fysiotherapie aangeboden. Binnen de gemeente Roermond zelf wordt geen kleinschalige SBO aangeboden. Zij vindt dat zij mag kiezen voor de beste school voor [minderjarige] en dat is SBO [naam SBO 1] . Aangezien die school passend is, moet de aanvraag voor aangepast vervoer worden toegewezen. Nu eiseres weer werk heeft, is het tijdrovend en belastend om [minderjarige] zelf naar school te brengen.

3. Verweerder stelt zich op het standpunt dat hij bij de aanvraag om een vervoersvoorziening niet nader inhoudelijk kan afwegen welke school beter is voor een leerling. Het gaat erom dat SBO [naam SBO 2] de dichtstbijzijnde school is van het woonadres van [minderjarige] . Alleen wanneer deze school [minderjarige] niet kan bieden wat hij nodig heeft, dan kan een andere school een alternatief zijn. Er zijn hier echter geen bijzondere omstandigheden om een afwijkend besluit te nemen. Er kan daarom geen vervoersvoorziening worden toegewezen voor [minderjarige] naar de school in Echt.

4. Artikel 4 van de wet op het primair onderwijs (wpo) luidt – voor zover hier van belang – als volgt:

1. Ten behoeve van het schoolbezoek verstrekken burgemeester en wethouders aan ouders van in de gemeente verblijvende leerlingen op aanvraag bekostiging van de door burgemeester en wethouders noodzakelijk te achten vervoerskosten. De gemeenteraad stelt daartoe een nadere regeling vast, met inachtneming van het bepaalde in de volgende leden.

(…)

3 De regeling eerbiedigt de op godsdienst of levensbeschouwing van de ouders berustende keuze van een school.

(…)

5. De regeling bepaalt dat de kosten worden vergoed van vervoer over de afstand tussen de woning van de leerling en

a. de dichtstbijzijnde voor de leerling toegankelijke basisschool of, indien een leerling op het onderwijs van een speciale school voor basisonderwijs is aangewezen, de dichtstbijzijnde voor de leerling toegankelijke speciale school voor basisonderwijs,

(…)

10. De regeling kan bepalen dat de gemeente, in plaats van vergoeding in geld te geven, het vervoer verzorgt of doet verzorgen.

4.1. Artikel 2, eerste lid, van de Verordening leerlingenvervoer gemeente Roermond 2014 (hierna de Verordening)luidt als volgt: Ten behoeve van het schoolbezoek kent het college aan de ouders van de in de gemeente verblijvende leerlingen op aanvraag een vervoersvoorziening toe met inachtneming van het bepaalde in deze verordening.

4.2. Artikel 3 van de Verordening luidt als volgt:

1. Een vervoersvoorziening wordt toegekend over de afstand tussen de woning dan wel de opstapplaats en de dichtstbijzijnde voor de leerling toegankelijke school, tenzij vervoer naar een verder weggelegen school voor de gemeente minder kosten met zich mee zou brengen en de ouders met het vervoer naar die school schriftelijk instemmen.

2. Indien ouders een vervoersvoorziening aanvragen voor het bezoeken van een school, die op grotere afstand van de woning is gelegen dan een andere school van dezelfde onderwijssoort, ontstaat slechts aanspraak op een vervoersvoorziening naar eerstgenoemde school als door de ouders schriftelijk wordt verklaard dat zij overwegende bezwaren hebben tegen het openbaar onderwijs dan wel tegen de richting van het onderwijs van alle bijzondere scholen, van de soort waarop de leerling is aangewezen, die dichterbij de woning zijn gelegen.

3. Het college betrekt bij de beoordeling van de aanvraag van een vervoersvoorziening het ondersteuningsplan, zoals dat is vastgesteld door het samenwerkingsverband na overleg met het college.

4.3. Het staat vast dat [minderjarige] extra ondersteuning nodig heeft en dat hij is aangewezen op speciaal basisonderwijs. Het staat ook vast dat zowel SBO [naam SBO 1] en SBO [naam SBO 2] speciaal basisonderwijs aanbiedt en dat SBO [naam SBO 2] de dichtstbijzijnde school is van het woonadres van [minderjarige] . Het gaat dus om de vraag of SBO [naam SBO 2] een toegankelijke school is zoals bedoeld in de Verordening.

4.4. Omdat SBO [naam SBO 2] speciaal onderwijs aanbiedt, kan deze school in beginsel als dichtstbijzijnde toegankelijke school worden aangemerkt. Volgens vaste rechtspraak van de Afdeling Bestuursrechtspraak van de Raad van State (ABRvS), onder meer de uitspraak van 28 november 2012, ECLI:NL:RVS:2012:BY4422, is het aan de ouders om aannemelijk te maken dat de dichtstbijzijnde school niet toegankelijk is. Daarbij moet het gaan om objectieve factoren die betrekking hebben op het gegeven onderwijs. Dat een ouder een andere school van de soort waarop het betrokken kind is aangewezen een betere vindt dan de dichtstbijzijnde school, maakt dus op zichzelf nog niet dat de dichtstbijzijnde school niet als toegankelijke school kan worden aangemerkt en een vervoersvoorziening moet worden toegekend.

4.5. Verweerder neemt het standpunt in dat SBO [naam SBO 2] de dichtstbijzijnde toegankelijke school voor [minderjarige] is. In oktober 2017 zijn de onderwijs- en ondersteuningsbehoeften van [minderjarige] aan de SBO [naam SBO 2] voorgelegd. SBO [naam SBO 2] heeft aangegeven hieraan tegemoet te kunnen komen, zo blijkt uit de brief van 8 oktober 2019 van [naam directeur] , de directeur van de Synergieschool. In de brief staat verder dat er aandacht is voor de persoonlijke ontwikkeling van kinderen en dat er expertise aanwezig is in verband met de multi-problematieken. [minderjarige] heeft een middag meegedaan op de school. Hij was enthousiast en deed goed mee met de activiteiten van dat moment. De individueel begeleider en de leerkrachten hebben aangegeven [minderjarige] voldoende te kunnen bieden en dat hij welkom is. Op basis van die kennismaking is het beeld versterkt dat SBO [naam SBO 2] tegemoet kan komen aan de ondersteuningsbehoeften van [minderjarige] . Hieruit leidt de rechtbank af dat SBO [naam SBO 2] voor [minderjarige] toegankelijk is.

Over hetgeen eiseres heeft aangevoerd, oordeelt de rechtbank als volgt. Uit de brief van 26 september 2019 van de logopediste van [minderjarige] blijkt dat zij SBO [naam SBO 1] het meest passend vindt vanwege de kleinschaligheid van die school, hoewel beide scholen een goede naam hebben. [minderjarige] heeft het er naar zijn zin en het gaat goed met hem. Ook de revalidatiearts van [minderjarige] schrijft in zijn brief van 25 september 2019 dat er duidelijke vooruitgang zichtbaar is sinds de start van [minderjarige] op SBO [naam SBO 1] , mede dankzij de goede extra mogelijkheden voor ondersteuning in een kleine, aangepaste en gestructureerde klas. De directeur van de vorige school van [minderjarige] schrijft in zijn brief van 25 september 2019 dat er een goed overwogen keuze is gemaakt voor SBO [naam SBO 1] . Hoewel deze brieven de in haar ogen goede keuze voor de school onderbouwen, maakt dat niet dat SBO [naam SBO 2] niet kan tegemoetkomen aan de ondersteuningsbehoeften van [minderjarige] . Integendeel, zoals uit de brief van [naam directeur] blijkt. De bezwaren die eiseres heeft tegen SBO [naam SBO 2] zijn begrijpelijk, maar betreffen geen bezwaren zoals bedoeld in artikel 4, derde lid van de wpo en in artikel 3, tweede lid, van de Verordening. Dat gaat over bezwaren van godsdienstige of levensbeschouwende aard. Eiseres mag een andere school beter en fijner vinden en [minderjarige] daar inschrijven, maar op grond van de Verordening hoeft er dan geen vervoersvoorziening te worden toegekend. Het gaat immers niet om subjectief de betere school maar om de objectief dichtstbijzijnde toegankelijke school zoals bedoeld in de Verordening. Eiseres heeft ten slotte geen bijzondere omstandigheden aangevoerd die aanleiding geven om tot een andere beslissing te komen. De beroepsgrond slaagt niet.

5 Het beroep is ongegrond.

6 Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding

Beslissing

De rechtbank verklaart het beroep ongegrond.

Deze uitspraak is gedaan door mr. L.N. Geerman, rechter, in aanwezigheid van J.W.J.M. van Rijt, griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 9 september 2020.

griffier rechter

Afschrift verzonden aan partijen op: 9 september 2020

Rechtsmiddel

Tegen deze uitspraak kan binnen zes weken na de dag van verzending daarvan hoger beroep worden ingesteld bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State. Als hoger beroep is ingesteld, kan bij de voorzieningenrechter van de hogerberoepsrechter worden verzocht om het treffen van een voorlopige voorziening.