Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBLIM:2020:6756

Instantie
Rechtbank Limburg
Datum uitspraak
01-09-2020
Datum publicatie
16-09-2020
Zaaknummer
C/03/277941 / HA RK 20-108
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
Beschikking
Inhoudsindicatie

Erfrecht. Verzoek wijziging legaat ex art. 4:123 afgewezen, Opschortingsrecht gerechtvaardigd; echter geen reden om legaat te wijzigen.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
ERF-Updates.nl 2020-0295
JERF Actueel 2020/307
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

beschikking

RECHTBANK LIMBURG

Burgerlijk recht

Zittingsplaats Maastricht

zaaknummer / rekestnummer: C/03/277941 / HA RK 20-108

Beschikking van 1 september 2020

in de zaak van

[verzoekster] ,

wonende te [woonplaats 1] ,

verzoekster,

advocaat mr. J.P. den Besten,

tegen

[verweerder] ,

wonende te [woonplaats 2] ,

verweerder,

advocaat mr. H.A.J. Stollenwerck.

Partijen worden nader aangeduid als [verzoekster] en [verweerder] .

1 De procedure

1.1.

Het verloop van de procedure blijkt uit:

  • -

    het verzoekschrift met bijlagen 1 t/m 4, ingediend op 7 mei 2020

  • -

    het verweerschrift met bijlagen 1 t/m 5, ingediend op 9 juni 2020

  • -

    de mondelinge behandeling op 19 juni 2020,

  • -

    de pleitaantekeningen van mr. Den Besten,

  • -

    het schrijven van mr. Stollenwerck van 1 juli 2020 (ontvangen 2 juli 2020) met bijlage,

  • -

    het schrijven van mr. Den Besten van 6 augustus 2020, ontvangen 10 augustus 2020.

1.2.

Ter gelegenheid van de mondelinge behandeling zijn verschenen:

- [verzoekster] , bijgestaan door mr. Den Besten,

- [verweerder] , bijgestaan door mr. Stollenwerck.

1.3.

Vervolgens is beschikking bepaald op heden.

2 Het geschil

2.1.

Tussen partijen staat als niet, althans niet voldoende, weersproken vast

- dat op [overlijdensdatum] [erflater] (hierna erflater), laatstelijk woonachtig te [woonplaats 1] , is overleden;

- dat erflater ten tijde van zijn overlijden ongehuwd was en geen geregistreerd partner,

- dat [verzoekster] en erflater sinds 2007 een affectieve relatie hadden,

- dat erflater één zoon had uit een eerder huwelijk, zijnde [verweerder] ,

- dat erflater op 14 december 2017 een testament heeft opgemaakt, waarin alle voorgaande testamenten zijn herroepen en de rechtskeuze is gemaakt voor de vererving en afwikkeling volgens Nederlands recht,

- dat [verweerder] enig en algeheel erfgenaam van de nalatenschap van erflater is,

- dat [verweerder] tevens tot executeur is benoemd,

- dat [verweerder] de nalatenschap heeft aanvaard.

2.2.

In het testament zijn de volgende legaten opgenomen:

“Ik legateer aan mijn partner, [verzoekster] , geboren op [geboortedatum] :

1. een bedrag in contanten ad vijf en dertig duizend euro (€ 35.000,00);

2. het persoonlijk recht van gebruik en het recht van bewoning van mijn woning die ten tijde van mijn overlijden door ons samen wordt bewoond alsmede het recht van gebruik

van de inboedel die in die woning aanwezig is. Deze rechten worden hierna samen

genoemd: ‘het recht van gebruik en bewoning’. Onder Inboedel wordt hier onder meer

begrepen: mijn meubels, de stoffering, mijn boeken, mijn computer(s), mijn beeld-,

muziek- en fotoapparatuur, mijn geluids- en beelddragers mijn papieren, mijn

gereedschappen, al mijn apparatuur van huishoudelijke aard, mijn fiets(en), en mijn kunstvoorwerpen. Een en ander voor zover ik over deze inboedel niet anders heb beschikt.

De legataris mag de woning alleen zelf bewonen en de zaken alleen zelf gebruiken.

I. Het recht van gebruik en bewoning gaat in bij mijn overlijden en eindigt één jaar na mijn overlijden.

Het recht van gebruik en bewoning eindigt ook bij het overlijden van de legataris of zoveel eerder als zij de woning metterwoon verlaat en zich inschrijft op een ander adres. Ook eindigt het recht van gebruik en bewoning als de legataris trouwt of gaat samenwonen als ware zij getrouwd.

II. De gewone lasten en herstellingen, de rente van schulden die door mij zijn aangegaan voor de aanschaf, verbetering of onderhoud van de woning waarop het recht van gebruik en bewoning heeft alsmede de aflossingen zijn voor rekening van de hoofdgerechtigde.

III. De legataris is niet bevoegd de goederen waarop het recht van gebruik en bewoning rust in gebruik te geven aan derde(n), te vervreemden (daaronder begrepen bezwaren).

3. een maandelijks uit te keren bedrag groot twee duizend vijf honderd euro (€ 2.500,00),

ingaande de maand van mijn overlijden.

Mijn erfgenaam leg ik de last op een bedrag ad vijf honderd duizend euro

(€ 500.000,00) te reserveren ten behoeve van vorenmelde maandelijkse uitkering

alsmede voor de uitkering van de overige geldlegaten aan mijn partner, te weten een

bedrag ter grootte van de door haar verschuldigde erfbelasing (de rechtbank leest: erfbelasting) alsmede een bedrag in contanten groot vijf en dertig duizend euro (€ 35.000,00).

Gemelde uitkering geschiedt in beginsel maandelijks gedurende het leven van mijn

partner, met dien verstande dat de uitkering eerder stopt voor zover het voor de

uitkering gereserveerde bedrag alsmede de daarover ontvangen rente gebruikt is voor

het vorenstaande.

Op eerste verzoek van de legataris dient door de erfgenaam zekerheid te worden

gesteld voor de reservering van vorenmeld (de rechtbank leest: voorvermeld) geldbedrag.

4. Een bedrag in contanten gelijk aan de verschuldigde erfbelasting door mijn partner

naar aanleiding van de verkrijging uit mijn nalatenschap.

Gemelde legaten dienen te worden afgegeven binnen vier (4) maanden na mijn overlijden,

met dien verstande dat het bedrag in contanten gelijk aan de door mijn partner

verschuldigde erfbelasting rechtstreeks aan de fiscus zal worden voldaan, mitsdien niet uitgekeerd wordt aan mijn voornoemde partner.”

2.3.

[verzoekster] heeft de legaten met de daaraan verbonden voorwaarden geaccepteerd. Dit brengt mee dat [verzoekster] alle inboedelgoederen waarvan zij niet kan aantonen dat die van haar zijn, dient terug te geven aan [verweerder] .

2.4.

In februari 2019 heeft [verweerder] om teruggave van de inboedel gevraagd.

2.5.

Door de aanvaarding van de nalatenschap is [verweerder] gebonden aan het testament en dient hij als executeur er in beginsel zorg voor te dragen dat hetgeen op grond van de legaten aan [verzoekster] verschuldigd is, wordt voldaan/wordt nagekomen. Door [verweerder] is een bedrag van € 35.000,- aan [verzoekster] betaald, alsook tot 1 juni 2019 de maandelijkse bijdrage van € 2.500,- (totaal € 77.500,-). Na 1 juni 2019 heeft [verweerder] de maandelijkse uitkering opgeschort, als drukmiddel om [verzoekster] te bewegen de roerende zaken die voor hem grote emotionele waarde hebben aan hem af te geven.

2.6.

Ter gelegenheid van de mondelinge behandeling heeft [verzoekster] medegedeeld dat zij de persoonlijke spullen, de foto’s en het diploma, in een emotionele bui heeft weggedaan. De urn is uit haar handen gevallen waarna zij de as bij elkaar heeft geveegd en heeft uitgestrooid op het terras. De gsm van erflater heeft zij zelf gebruikt. Zij heeft echter wel de foto’s van de kleinkinderen volledig gewist. Dat was ook wat ze met erflater had afgesproken: als zij de gsm zou gaan gebruiken diende ze alles te wissen. Erflater had op de zaak een back-up gemaakt.

2.7.

[verzoekster] stelt dat de opschorting disproportioneel is want deze goederen hebben louter emotionele waarde. Het liefste zou zij zien dat partijen niets meer met elkaar te maken hoeven hebben. Op de manier zoals het nu gaat, kan er telkens opgeschort worden. Reden voor haar om de rechtbank te verzoeken om de verbintenissen uit het legaat onder VII. onder 3. in het testament van erflater zodanig te wijzigen dat [verweerder] aan [verzoekster] (nog) eenmalig een bedrag van € 465.000,- uitkeert en het legaat c.q. de legaten aan [verzoekster] voor het overige in stand te laten, met veroordeling van [verweerder] in de kosten van deze procedure.

2.8.

[verweerder] heeft gemotiveerd verweer gevoerd, op welk verweer de rechtbank voor zoveel nodig hierna nader zal ingaan.

3 De beoordeling

3.1.

Uit de bijlage bij het schrijven van mr. Stollenwerck van 1 juli 2020 blijkt dat door Van Lanschot Kempen Wealth Management N.V. een bankgarantie is gesteld tot een bedrag van € 422.500,- voor [verweerder] ten behoeve van [verzoekster] . [verweerder] is daarmee de aan hem in het testament onder VII. sub 3. opgelegde verplichting nagekomen.

3.2.

Voorop staat dat de rechter volgens art. 4:123 lid 1 BW “op verzoek van de legataris of van hem die met het legaat belast is, de verbintenissen uit het legaat kan wijzigen of geheel of gedeeltelijk opheffen op grond van na het overlijden van de erflater ingetreden omstandigheden welke die van dien aard zijn, dat de andere partij naar maatstaven van redelijkheid en billijkheid ongewijzigde instandhouding van die verbintenissen niet mag verwachten.

Bij een wijziging of opheffing neemt de rechter zoveel mogelijk de bedoeling van de erflater in acht”, aldus lid 2 van genoemd artikel.

3.3.

De rechtbank is van oordeel dat uit het testament duidelijk blijkt dat erflater slechts zolang [verzoekster] leeft een maandelijkse verplichting in het leven wilde roepen tot het betalen van een maandelijkse toelage tot een maximum van € 500.000,-. [verweerder] heeft onweerspro-ken gesteld dat er inmiddels € 77.500,00 is betaald. Tot 16 juni 2020 (mondelinge behandeling) heeft [verzoekster] [verweerder] in het ongewisse gelaten over de reden van het niet afgeven van de inboedelgoederen met evident grote emotionele waarde. Tot dat moment heeft [verweerder] , naar het oordeel van de rechtbank, dan ook een beroep mogen doen op zijn opschortingsrecht voortvloeiend uit art. 6: 52 BW. [verzoekster] had moeten begrijpen dat deze goederen een grote emotionele waarde hebben voor [verweerder] en had hem omtrent haar bedoelingen met / het lot van die goederen niet zolang in het ongewisse mogen laten.

3.4.

De rechtbank ziet in het gerechtvaardigd beroep op het opschortingsrecht door [verweerder] dan ook geen aanleiding de voorwaarden van het legaat te wijzigen. [verweerder] is de verplichting om zekerheid te stellen voor de betaling van de maandelijkse termijnen inmiddels nagekomen. Ook dat kan geen grond meer zijn voor toewijzing van het verzoek van [verzoekster] . Haar verzoek zal dan ook worden afgewezen.

3.5.

De rechtbank overweegt ten overvloede dat vanaf 1 juli 2020 aan [verweerder] , gelet op hetgeen hiervoor is overwogen, naar het voorlopig oordeel van de rechtbank geen gerechtvaardigd beroep op het opschortingsrecht meer toekomt. Inmiddels is duidelijk dat [verzoekster] die goederen heeft weggegooid of vernietigd, waardoor het opschortingsrecht niet meer zal leiden tot teruggave van de goederen.

3.6.

[verzoekster] dient als de geheel in het ongelijk gestelde partij te worden veroordeeld in de kosten van deze procedure, in totaal € 1.390,00 ( 2 punten + griffierecht).

4 De beslissing

De rechtbank

4.1.

wijst het verzoek af,

4.2.

veroordeelt [verzoekster] in de kosten van deze procedure, aan de zijde van [verweerder] gevallen en tot op heden begroot op € 1.390,00 waaronder een bedrag van € 1.086,00 voor salaris van de advocaat van [verweerder] .

Deze beschikking is gegeven door mr. W.E. Elzinga en in het openbaar uitgesproken op 1 september 2020.1

1 type: JvdH coll: