Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBLIM:2020:6702

Instantie
Rechtbank Limburg
Datum uitspraak
04-09-2020
Datum publicatie
16-09-2020
Zaaknummer
C/03/278775 / HA RK 20-119
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

Art. 35 AVG; registratie BKR proportioneel; verwijdering toegestaan op korte termijn.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

beschikking

RECHTBANK LIMBURG

Burgerlijk recht

Zittingsplaats Maastricht

zaaknummer / rekestnummer: C/03/278775 / HA RK 20-119

Beschikking van 4 september 2020

in de zaak van

[verzoekster] ,

wonende te [woonplaats] ,

verzoekster,

gemachtigde B. de Haan LL.B.

tegen

COÖPERATIEVE RABOBANK U.A.,

gevestigd te Utrecht,

verweerster,

advocaat mr. P.W. van Kooij.

Partijen worden nader aangeduid als [verzoekster] en Rabobank.

1 De procedure

1.1.

Het verloop van de procedure blijkt uit:

  • -

    het verzoekschrift met bijlagen 1 t/m 21, zoals ontvangen op 8 juni 2020

  • -

    het verweerschrift, ontvangen op 4 augustus 2020

  • -

    het e-mailbericht met bijlagen, ingediend namens [verzoekster] op 10 augustus 2020

  • -

    de mondelinge behandeling op 11 augustus 2020.

1.2.

Ter gelegenheid van de mondelinge behandeling zijn verschenen:

  • -

    [verzoekster] , bijgestaan door dhr. De Haan

  • -

    mr. D.S. Volleberg, namens mr. Van der Kooij, vertegenwoordigend Rabobank.

1.3.

Na de mondelinge behandeling hebben partijen nog getracht het geschil in der minne te regelen. Bij e-mailbericht van 12 augustus 2020 (14.48 uur) heeft dhr. De Haan medegedeeld dat partijen geen minnelijke regeling hebben kunnen bereiken.

1.4.

Vervolgens is beschikking bepaald op heden.

2 De feiten

2.1.

[verzoekster] staat in het Centraal Krediet Informatiesysteem (hierna CKI) van het BKR (Bureau Kredietregistratie) geregistreerd vanwege een tweetal kredieten, met contractnummers 999959062 (een doorlopend krediet uit 2010 van aanvankelijk € 2.500,00) en 102794979 (een betaalrekening met in 2009 overeengekomen roodstand van € 500,00).

2.2.

De registratie van het doorlopend krediet bevat thans een zogenoemde achterstandscodering, geplaatst per 12 juni 2012 en een bijzonderheidscodering 2, geplaatst per 22 mei 2013. Nadat [verzoekster] ondanks diverse aanmaningen van Rabobank haar verplichtingen niet volledig was nagekomen heeft de Rabobank het krediet op 21 mei 2013 beëindigd en heeft Rabobank haar vordering uit deze overeenkomst overgedragen aan de deurwaarder. [verzoekster] heeft in 2016 hiervoor met de deurwaarder een betalingsregeling getroffen die in augustus 2019 is afgerond. Aanvankelijk was op dit contract een bijzonderheidscodering 3 geplaatst, maar deze is in verband met volledige betaling van de vordering alsnog op verzoek van [verzoekster] verwijderd door Rabobank. De registratiedatum heeft als einddatum 28 augustus 2019 en zal zichtbaar blijven tot augustus 2024.

2.3.

De registratie van de betaalrekening heeft eveneens een achterstandscodering, geplaatst per 24 juli 2013 met bijzonderheidscodering 3, geplaatst per 30 augustus 2016. Op die datum had [verzoekster] een negatief saldo op de betaalrekening van € 1.008,-. Dit negatieve saldo is door Rabobank afgeboekt en het openstaande saldo is kwijtgescholden, De registratie heeft als einddatum 30 augustus 2016 en zal zichtbaar blijven tot augustus 2021. In juni 2020, na herhaaldelijk verzoek van [verzoekster] aan Rabobank om aan te geven op welke wijze dit bedrag alsnog kon worden betaald, heeft [verzoekster] van Rabobank een reactie mogen ontvangen, waarna zij het bedrag alsnog op 5 juni 2020 volledig heeft voldaan aan Rabobank.

2.4.

Ondanks herhaalde verzoeken van [verzoekster] blijft Rabobank weigerachtig om deze registratie te wijzigen, reden voor [verzoekster] om onderhavig verzoek in te dienen.

3 Het verzoek en het verweer

3.1.

[verzoekster] verzoekt de rechtbank om:

I. Primair: Rabobank te bevelen binnen twee dagen na de in deze te wijzen beslissing de genoemde registraties, dan wel de (bijzonderheids)codering(en) A en/of 2 en/of 3, in het CKI met contractnummers 999959062 en/of 102794979 op naam van [verzoekster] te (doen laten) verwijderen;

Subsidiair: Rabobank te bevelen de duur van de registratie van de genoemde registraties, dan wel de (bijzonderheids)codering(en) A en/of 2 en/of 3, in het CKI met contractnummers 999959062 en/of 102794979 te beperken tot twee jaar, in die zin dat Rabobank de registraties verwijderd (de rechtbank leest: verwijdert) per augustus 2021;

Uiterst subsidiair: een beslissing te nemen als de rechtbank in goed justitie zal vernemen (de rechtbank leest: vermenen) te behoren;

II. te bepalen dat Rabobank de onder I. genoemde veroordeling zal voldoen op straffe van een dwangsom ad € 1.000,- voor iedere dag dat Rabobank niet aan deze veroordeling voldoet, met een maximum van € 50.000,-;

III. Rabobank te veroordelen tot betaling van de kosten van dit geding, waaronder salaris gemachtigde en nakosten.

3.2.

Rabobank heeft verweer gevoerd. Rabobank concludeert tot afwijzing van het verzoek als ongegrond en/of onbewezen met veroordeling van [verzoekster] in de kosten van het geding.

3.3.

Op de stellingen van partijen wordt hierna, voor zover van belang voor de beoordeling, nader ingegaan.

4 De beoordeling

4.1.

Op een verzoek tot verwijderen van een BKR-registratie is de Algemene Verordening Gegevensbescherming (hierna te noemen: AVG) van toepassing. Een persoon van wie gegevens geregistreerd zijn kan een verzoek doen op grond van artikel 21 jo. 79 AVG en artikel 35 lid 2 Uitvoeringswet AVG (hierna te noemen: UAVG) aan degene die de persoonsgegevens heeft geregistreerd om deze te verwijderen. Als dit verzoek wordt afgewezen, moet op grond van artikel 35 lid 2 UAVG binnen zes weken na ontvangst van dit antwoord een verzoekschrift worden ingediend bij de rechtbank.

4.2.

Rabobank heeft op het verzoek tot verwijdering van [verzoekster] op 29 april 2020 gereageerd. De zes-wekentermijn verstrijkt dan op 10 juni 2020. Het verzoek van [verzoekster] is tijdig (op 8 juni 2020 per faxbericht) ter griffie ontvangen. [verzoekster] is dan ook ontvankelijk in haar verzoek.

4.3.

Op grond van artikel 21 lid 1 AVG kunnen personen zoals [verzoekster] vanwege hun specifieke situatie bezwaar maken tegen de verwerking van hun betreffende persoonsgegevens op basis van artikel 6 lid 1 onder e of f AVG. De verwerkingsverantwoordelijke, in casu Rabobank, moet het bezwaar honoreren, tenzij zij dwingende gerechtvaardigde gronden aanvoert voor de verwerking die zwaarder wegen dan de belangen, rechten en vrijheden van de betrokken personen. Als het bezwaar wordt gehonoreerd, moet de verwerkingsverantwoordelijke de persoonsgegevens zonder onredelijke vertraging wissen. Als de verwerkingsverantwoordelijke het bezwaar niet honoreert, kan de betrokkene de rechter zo nodig om een doeltreffende voorziening vragen (artikel 79 AVG en artikel 35 UAVG). De rechter toetst of de verwerkingsverantwoordelijke aannemelijk heeft gemaakt dat zijn dwingende gerechtvaardigde belangen (in dit geval het tweeledige doel van de kredietregistratie: het beschermen van de consument tegen overkreditering en het waarschuwen van andere kredietinstellingen) in dit specifieke geval zwaarder wegen dan de belangen of de grondrechten en de fundamentele vrijheden van de betrokkene (overweging 69 AVG).

4.4.

Deze afweging moet worden gemaakt aan de hand van de op het moment van de afweging bekende feiten en omstandigheden, zodat daarbij ook feiten en omstandigheden die zich eerst na de registratie hebben voorgedaan kunnen worden betrokken. Bij een dergelijke registratie en de handhaving daarvan moet zijn voldaan aan de beginselen van proportionaliteit en subsidiariteit zodanig dat de inbreuk op de belangen van de bij de verwerking van persoonsgegevens betrokkenen, in casu [verzoekster] , niet onevenredig is in verhouding tot het met de verwerking te dienen doel (proportionaliteitsbeginsel) en dat het doel waarvoor de persoonsgegevens worden verwerkt in redelijkheid niet op een andere, voor de bij de verwerking van persoonsgegevens betrokkene minder nadelige wijze kan worden verwezenlijkt (subsidiariteitsbeginsel). Hiervoor wordt verwezen naar het arrest van de Hoge Raad van 9 september 2011 (ECLI:NL:HR:2011:BQ8097).

4.5.

Rabobank stelt volledig voldaan te hebben aan hetgeen de Wet Financieel Toezicht (art. 4:32) haar verplicht. Het toevoegen van code 3 aan de beide registraties betekent dat een bedrag is kwijtgescholden of afgeboekt. [verzoekster] is vooraf meermaals in kennis gesteld van mogelijke BKR-meldingen. De achterstand op de betaalrekening was afgeboekt en het openstaande saldo kwijtgescholden, daarom is deze registratie afgemeld met een code 3 per 30 augustus 2016, zie randnummer 2.2 verweerschrift. [verzoekster] heeft er drie jaar over gedaan om een regeling met betrekking tot het doorlopend krediet te treffen en daarna nog eens 3 jaar om de regeling te betalen. Rabobank wil niet verwijderen in verband met het betaalgedrag van [verzoekster] in het verleden. Bovendien kan Rabobank de registratie niet verwijderen. Zij kan wel het BKR verzoeken daarvoor zorg te dragen. Indien de rechtbank het verzoek tot verwijdering van de registratie toe staat, zal Rabobank aan die veroordeling voldoen. Om die reden is er geen grond voor het toewijzen van de vordering ter zake de oplegging van een dwangsom.

4.6.

[verzoekster] heeft aangevoerd dat handhaving van de BKR-registratie niet proportioneel is. [verzoekster] en haar partner willen met de twee kinderen van [verzoekster] graag verhuizen van een huurwoning naar een koopwoning. Zij en haar partner kan (kunnen) op dit moment op geen enkele wijze meer een krediet verkrijgen en geen hypotheek afsluiten terwijl de doelstelling van een dergelijke registratie is om een bijdrage te leveren aan het beperken van risico’s voor mensen met een krediet en overkreditering bij betrokkenen te voorkomen, alsmede aan voorkoming en bestrijding van misbruik en fraude in het financiële verkeer. Bij [verzoekster] is geen sprake van overkreditering of misbruik dan wel fraude. Zij heeft haar verantwoordelijkheid genomen en alles afbetaald. De inbreuk op haar belangen staat niet in verhouding met het belang waarmee de registratie is gediend.

4.7.

Voor de beoordeling in deze zaak is het volgende van belang.

Rabobank had, na afweging van de betrokken belangen, op basis van het haar bekende betaalgedrag van [verzoekster] met betrekking tot zowel het doorlopend krediet als het inlopen van de achterstand op de betaalrekening voldoende redenen om tot registratie van de bijzonderheidscodering over te gaan. Er waren achterstanden en deze werden niet, of niet voldoende, ingelopen/aangezuiverd. Dat dit is geschied moet voor rekening en risico van [verzoekster] blijven. Het primaire verzoek zal daarom worden afgewezen.

4.8.

Thans moet beoordeeld worden of de BKR-registratie en de bijzonderheids-codering in het licht van de huidige wensen van [verzoekster] nu nog proportioneel zijn.

Onweersproken is vast komen te staan dat privéproblemen, hoe deze zijn ontstaan kan in het midden blijven, ertoe hebben geleid dat bij [verzoekster] psychische problemen zijn ontstaan waardoor zij arbeidsongeschikt is geraakt. Door het wegvallen van haar werk kon zij haar reguliere aflossingsverplichtingen op dat moment niet (geheel) voldoen. Zij is hulp gaan zoeken voor haar psychische problemen en is in 2016 in staat gebleken met de deurwaarder een afbetalingsregeling te treffen van € 100,- per maand die ze is nagekomen. Dat deze betalingsregeling – gesloten met de deurwaarder die op dat moment Rabobank vertegenwoordigde – een langere looptijd had dan Rabobank wenste, kan [verzoekster] niet verweten worden. Uit hetgeen zij onweersproken heeft gesteld met betrekking tot haar arbeidsongeschiktheid en draagkracht blijkt dat zij voldoende inspanningen heeft verricht om de openstaande vorderingen af te lossen.

4.9.

Alle achterstanden zijn (ook al is dat niet altijd tijdig gebeurd) inmiddels geheel voldaan. [verzoekster] is nu doende haar 12-urig dienstverband uit te breiden. De registraties blijven haar echter belemmeren met name met betrekking tot het verkrijgen van een (volledige) financiering ten behoeve van een andere woning.

4.10.

Om [verzoekster] en haar partner ook na augustus 2021 te belemmeren bij het verkrijgen van een woningfinanciering oordeelt de rechtbank in deze specifieke situatie als disproportioneel. Reden voor de rechtbank om Rabobank te gelasten de BKR-registratie (met de bijzonderheidscorderingen A en/of 2 en/of 3) te doen verwijderen, per 1 augustus 2021 zoals [verzoekster] subsidiair heeft gevorderd.

4.11.

Nu Rabobank heeft aangegeven aan een bevel tot verwijdering te zullen voldoen, zal een veroordeling tot het betalen van een dwangsom achterwege blijven.

4.12.

Nu partijen deels in het gelijk, deels in het ongelijk zijn gesteld, zullen de kosten van deze procedure gecompenseerd worden in die zin dat iedere partij haar eigen kosten draagt.

5 De beslissing

De rechtbank

5.1.

beveelt Rabobank om aan BKR de opdracht te geven om de genoemde registraties, dan wel de (bijzonderheids)codering(en) A en/of 2 en/of 3, in het CKI met contractnummers 999959062 en/of 102794979 op naam van [verzoekster] te (doen) verwijderen per 1 augustus 2021,

5.2.

compenseert de kosten van deze procedure aldus, dat iedere partij haar eigen kosten draagt,

5.3.

wijst het meer of anders verzochte af.

Deze beschikking is gegeven door mr. W.E. Elzinga en in het openbaar uitgesproken op 4 september 2020.1

1 type: JvdH coll: