Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBLIM:2020:6669

Instantie
Rechtbank Limburg
Datum uitspraak
07-09-2020
Datum publicatie
14-09-2020
Zaaknummer
C/03/280082 / KG ZA 20-278
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
Kort geding
Inhoudsindicatie

Onverschuldigde betaling?

Spoedeisend belang niet aannemelijk gemaakt.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

vonnis

RECHTBANK LIMBURG

Burgerlijk recht

Zittingsplaats Maastricht

zaaknummer / rolnummer: C/03/280082 / KG ZA 20-278

Vonnis in kort geding van 7 september 2020

in de zaak van

[eiser in conventie, gedaagde in reconventie] ,

wonende te [woonplaats] ,

eiser in conventie,

gedaagde in reconventie

advocaat mr. A.F.G. Bergmans-Jeurissen te Sittard,

tegen

[gedaagde in conventie, eiseres in reconventie] ,

wonende te [woonplaats] ,

gedaagde in conventie,

eiser in reconventie

advocaat mr. H.A.W. van Wel te Weert.

Partijen zullen hierna [eiser in conventie, gedaagde in reconventie] en [gedaagde in conventie, eiseres in reconventie] genoemd worden.

1 De procedure

1.1.

Het verloop van de procedure blijkt uit:

  • -

    de dagvaarding en de daarbij overgelegde producties 1 tot en met 11

  • -

    de door [gedaagde in conventie, eiseres in reconventie] als productie A overgelegde dagvaarding in de bodemprocedure en de daarbij behorende producties 1 tot en met 42

  • -

    de door [eiser in conventie, gedaagde in reconventie] overgelegde producties 12 tot en met 14

  • -

    de eis in reconventie van [gedaagde in conventie, eiseres in reconventie] en de op voorhand overgelegde producties B en C

  • -

    de aanvullende eis in reconventie en de daarbij overgelegde productie D

  • -

    de mondelinge behandeling op 1 september 2020

  • -

    de pleitnota van [eiser in conventie, gedaagde in reconventie]

  • -

    de pleitnota van [gedaagde in conventie, eiseres in reconventie]

  • -

    de ter zitting getroffen regeling ten aanzien van de vordering onder sub 2 in conventie, zoals opgenomen in het daarvan opgemaakte proces-verbaal.

1.2.

Ten slotte is vonnis bepaald.

2 De feiten

2.1.

Partijen zijn op 22 juli 1969 in algehele gemeenschap van goederen met elkaar gehuwd. [eiser in conventie, gedaagde in reconventie] heeft op 3 februari 2014 een verzoekschrift tot echtscheiding bij deze rechtbank ingediend. Bij beschikking van 14 oktober 2014 is de echtscheiding tussen partijen uitgesproken. Hierbij is tevens een bevel tot verdeling van de huwelijksgemeenschap ten overstaan van een notaris gegeven. De echtscheidingsbeschikking is op 25 februari 2015 ingeschreven in het register van de burgerlijke stand van de gemeente Heerlen.

2.2.

Partijen hebben in een procedure bij de rechtbank ( [gedaagde in conventie, eiseres in reconventie] in conventie en [eiser in conventie, gedaagde in reconventie] in reconventie) gevorderd dat de rechtbank de (wijze van) verdeling van de huwelijksgemeenschap vaststelt. In het tussenvonnis van 27 juli 2016 heeft de rechtbank de peildatum voor de bepaling van de omvang en samenstelling van de huwelijksgemeenschap vastgesteld op 3 februari 2014 (datum indiening verzoekschrift tot echtscheiding). Bij eindvonnis van 29 maart 2017 (productie 5 dagvaarding) heeft de rechtbank de (wijze van) verdeling van de ontbonden huwelijksgemeenschap vastgesteld. Daarbij is onder meer bepaald dat [eiser in conventie, gedaagde in reconventie] geheel draagplichtig is voor het debetsaldo op de kredietrekening bij Van Lanschot Bankiers (hierna: de kroonrekening) na de peildatum.

2.3.

[eiser in conventie, gedaagde in reconventie] heeft tegen het eindvonnis appel ingesteld, [gedaagde in conventie, eiseres in reconventie] heeft incidenteel appel ingesteld.

2.4.

Op 10 augustus 2018 is vanuit het aandeel van [eiser in conventie, gedaagde in reconventie] in de overwaarde na verkoop van de echtelijke woning, welke overwaarde in depot stond bij Team Notarissen, een bedrag van € 71.500,- aan [gedaagde in conventie, eiseres in reconventie] betaald uit hoofde van de veroordeling op grond van het vonnis van 29 maart 2017.

2.5.

Bij arrest van 28 januari 2020 (productie 12 dagvaarding) heeft het hof het vonnis van de rechtbank van 29 maart 2017 vernietigd voor zover daarbij is beslist dat [eiser in conventie, gedaagde in reconventie] geheel draagplichtig is voor het debetsaldo (vzr: op de kroonrekening) voor zover dit na de peildatum is ontstaan (waarover rov. 6.17.5 van het hof) en voorts “voor wat betreft de verdeling van de boeken, het horloge en hetgeen is beslist onder 3.3.1, 3.5, 3.6 en 3.6.1”.

2.6.

Het hof heeft in zijn arrest van 28 januari 2020 in rechtsoverweging 6.17.5 het volgende overwogen ten aanzien van de draagplicht voor het debetsaldo dat na de peildatum is ontstaan op de kroonrekening:

Partijen waren, zo staat als onweersproken vast, hoofdelijk verbonden voor het krediet (waarover ook vs 27 juli 2016, rov. 4.4.6.7). Art. 6:10 BW is van toepassing op hoofdelijk verbonden schuldenaren zoals de man en de vrouw in deze zaak. Volgens dit wetsartikel zijn schuldenaren ieder voor het gedeelte van de schuld (hier: de verhogingen van het krediet, dus de extra schuld) dat hem of haar in hun onderlinge verhouding aangaat draagplichtig. (..)

De grootte van ieders bijdrageplicht hangt dus in de eerste plaats af van hetgeen partijen omtrent die bijdrageplicht zijn overeengekomen alsmede van hun onderlinge rechtsverhouding op grond waarvan zij zich gezamenlijk hebben verbonden. Partijen hebben weliswaar afgesproken dat de man kunstvoorwerpen zou gaan verkopen om daarmee af te lossen op het krediet, maar niet is gebleken dat deze afspraak specifiek verhogingen van het debetsaldo na de peildatum (de extra-schulden dus) betreft. Voorts betoogt de man dat hij de aan hem toegedeelde kunstvoorwerpen zou verkopen, terwijl het standpunt van de vrouw is dat de man gemeenschappelijke kunstvoorwerpen zou verkopen. Nu daarover geen duidelijkheid bestaat, valt ook daaraan geen aanwijzing te ontlenen voor wiens rekening de verhoging van de debetstand na de peildatum (de extra-schuld) komt. De man verwijt de vrouw voorts nog dat zij door haar handelen “de schulden” bij Van Lanschot verder heeft laten oplopen, maar of de man daarmee ook het oog heeft op het krediet en zo ja hoe hoog die schuld door toedoen van de vrouw is opgelopen, laat hij na duidelijk te maken. Bij gebreke van enige (uitdrukkelijke dan wel stilzwijgende) overeenkomst van partijen daarover, terwijl de onderlinge rechtsverhouding van partijen als hiervóór bedoeld daarover evenmin helderheid verschaft, komt het er op aan dat per mutatie op de Kredietrekening na de peildatum moet worden beoordeeld wie de extra-schuld ten goede is gekomen en daarmee wie de mutatie in de onderlinge verhouding tussen partijen aangaat. Een dergelijke toelichting op de mutaties na 3 februari 2014 ontbreekt. Weliswaar heeft de man als productie 63a bij de memorie van grieven veel afschriften van de Kredietrekening overgelegd, maar die administratie is niet volledig. Zo ontbreken de bankafschriften over de perioden vanaf 3 februari 2014 tot 25 juni 2014, van 1 november 2015 tot 31 december 2015, van 1 februari 2017 tot 18 mei 2017 en van 1 juni 2017 tot 30 juni 2017. Het betreft bovendien niet meer dan de bancaire transacties wat niets zegt over de vraag wie de mutaties, met name de verhogingen van de debetstand (dus de extra schulden) ten goede zijn gekomen. Zo is er op 23 juli 2014 (bankafschrift nr. 6 2014, blad 3 van 3) een bedrag van € 1.441,22 overgemaakt aan Sliepenbeek van Coolwijk familierecht maar is niet duidelijk of die betaling ten gunste van de man of van de vrouw of van partijen samen is gedaan.

Partijen hebben aldus onvoldoende inzicht gegeven in de besteding van de verhogingen van het debetsaldo (de extra schulden) na de peildatum. Omdat daardoor niet is vast te stellen wie van partijen draagplichtig is voor het debetsaldo voor zover dat na de peildatum is ontstaan, zal het hof het bestreden vonnis op dat onderdeel vernietigen. (..)

Het slagen van de grief brengt mee dat het hof de in eerste aanleg verworpen en/of niet behandelde verweren die in hoger beroep niet zijn prijsgegeven, opnieuw dient te beoordelen. De vrouw heeft in eerste aanleg als verweer aangevoerd dat de man als heer en meester over deze bankrekening heeft beschikt, dat het saldo wordt verrekend met andere saldi en dat op haar geen afzonderlijke verplichting rust. Dit een en ander kan de vrouw niet baten. Het hof verwijst daartoe kortheidshalve naar hetgeen reeds in rov. 6.17.1 tot en met 6.17.3 is overwogen. Aldus wordt voorbij gegaan aan de verweren van de vrouw.

De verschuldigde rente voor het krediet

Daarnaast heeft de man verzocht de vrouw te veroordelen de helft van de rente ter hoogte van 11,5% over het debetsaldo te voldoen, met dien verstande dat toekomstige termijnen bij vooruitbetaling op voormeld rekeningnummer dienen te worden voldaan en over de achterliggende periode vanaf peildatum aan de man dient te worden vergoed hetgeen de man meer dan de helft van deze rente heeft betaald.

Deze vordering zal worden afgewezen. Het is de man te doen om de rente over het debetsaldo, kennelijk over de periode vanaf 3 februari 2014 (“de achterliggende periode vanaf de peildatum” waarover de man spreekt). Omdat het hof niet kan vaststellen welke mutaties na 3 februari 2014 partijen in hun onderlinge verhouding aangaan (zoals hiervóór overwogen), kan niet worden beoordeeld of de vrouw gehouden is de helft van de rente van 11,5% over het debetsaldo – te voldoen.

De grief van de man faalt dus in zoverre.”

2.7.

[eiser in conventie, gedaagde in reconventie] heeft het arrest van het hof op 19 mei 2020 aan [gedaagde in conventie, eiseres in reconventie] laten betekenen.

2.8.

Bij vonnis in kort geding van 11 juni 2020 heeft de voorzieningenrechter de vordering van [gedaagde in conventie, eiseres in reconventie] tot veroordeling van [eiser in conventie, gedaagde in reconventie] tot betaling van € 110.000,00 en een gebod voor de notaris om het restant van het daar aanwezige depot geheel aan haar uit te betalen afgewezen. Het subsidiaire gevorderde verbod voor [eiser in conventie, gedaagde in reconventie] tot het ondernemen van enige executie-maatregel op grond van het arrest van het hof zolang niet is beslist op een door [gedaagde in conventie, eiseres in reconventie] aanhangig te maken bodemprocedure ter zake door haar betaalde woonlasten voor de woning in [plaats] en de verdeling/afrekening van de kroonrekening, alsmede een verbod voor [eiser in conventie, gedaagde in reconventie] om gedurende die tijd aanspraak te maken op voormeld depot is eveneens afgewezen.

2.8.1.

[gedaagde in conventie, eiseres in reconventie] had aan haar vorderingen de stelling ten grondslag gelegd dat op eenvoudige wijze kan worden vastgesteld dat zij een vordering op [eiser in conventie, gedaagde in reconventie] heeft van meer dan € 110.000,00. Dat kan volgens [gedaagde in conventie, eiseres in reconventie] inmiddels vanwege de veiling van de woning in [plaats] en de volledige aflossing van de kroonrekening in januari 2020. Het hof kon met die feiten nog geen rekening houden, omdat de stukken al waren gefourneerd voor wijzen arrest voordat de kroonrekening volledig was afgelost. Het hof heeft overwogen dat aan de hand van het verloop van de kroonrekening niet was vast te stellen welke mutaties daarop aan welke partij ten goede waren gekomen en heeft de zaak niet aangehouden om partijen de gelegenheid te geven deze rekensommen nog te maken. Het hof heeft het oordeel van de rechtbank vernietigd voor zover [eiser in conventie, gedaagde in reconventie] geheel draagplichtig is gehouden voor het debetsaldo voor zover dit na de peildatum is ontstaan. De feiten zijn inmiddels wel duidelijk genoeg. Indien het hof deze feiten nog had kunnen meenemen, zou ze [eiser in conventie, gedaagde in reconventie] hebben veroordeeld om minimaal voormeld bedrag te voldoen.

2.8.2.

De voorzieningenrechter heeft naar aanleiding hiervan in het vonnis van 11 juni 2020 overwogen dat “de uitleg die [eiser in conventie, gedaagde in reconventie] aan het arrest geeft, niet in overeenstemming is te brengen met de overwegingen van het hof. Het hof heeft uitdrukkelijk overwogen dat partijen hebben nagelaten per mutatie toe te lichten aan wie de besteding ten goede is gekomen. De door [eiser in conventie, gedaagde in reconventie] aangevoerde verweren – afwijkende peildatum, van artikel 1:100 BW afwijkende draagplicht en benadeling ingevolge artikel 1:164 BW – zijn beoordeeld en afgewezen wegens onvoldoende onderbouwing. Het hof heeft daarom een definitief oordeel gegeven over de draagplicht van partijen ten aanzien van dit onderdeel van de verdeling. Het betreft hier geen open oordeel, waarop in een later stadium kan worden teruggekomen met een nadere onderbouwing of – voor zover daar hier al sprake van zou zijn – vanwege nieuwe feiten, zoals [eiser in conventie, gedaagde in reconventie] lijkt te betogen. Met dit arrest is de verdeling tussen partijen vastgesteld. Daar partijen geen cassatie hebben ingesteld tegen het arrest, heeft het arrest van het hof kracht van gewijsde gekregen en staan ingevolge artikel 236 Rv de beslissingen van het hof ten aanzien van deze rechtsbetrekking bindend tussen hen vast. Dit onderdeel van de verdeling kan dus ook niet opnieuw aan een bodemrechter worden voorgelegd.

De voorzieningenrechter kan gelet op hetgeen hiervoor is overwogen niet tot het oordeel komen dat – het aannemelijk is dat – [gedaagde in conventie, eiseres in reconventie] een vordering op [eiser in conventie, gedaagde in reconventie] heeft van € 110.000,-. Dit bedrag is immers gebaseerd op een van de in het arrest van het hof afwijkende verdeling van de draagplicht. Deze vordering zal dan ook worden afgewezen, evenals de daarmee samenhangende vordering tot het uitkeren van het zich in depot bij de notaris bevindende saldo aan [gedaagde in conventie, eiseres in reconventie] .”

Ten aanzien van de subsidiaire vordering is de voorzieningenrechter tot het oordeel gekomen dat [eiser in conventie, gedaagde in reconventie] geen misbruik maakt van zijn bevoegdheid door gebruik te maken van zijn recht om het arrest van het hof te executeren overeenkomstig de daarin genomen beslissingen.

2.9.

[gedaagde in conventie, eiseres in reconventie] heeft op 25 juni 2020 een bedrag van € 21.000,00 aan [eiser in conventie, gedaagde in reconventie] betaald (vanuit het depot bij de notaris).

2.10.

[eiser in conventie, gedaagde in reconventie] heeft op 3 juli 2020 conservatoir beslag laten leggen onder de rekening van [gedaagde in conventie, eiseres in reconventie] bij de ING Bank en op een parkeerplaats die eigendom is van [gedaagde in conventie, eiseres in reconventie] .

2.11.

Bij dagvaarding van 6 juli 2020 heeft [gedaagde in conventie, eiseres in reconventie] in een bodemprocedure bij de rechtbank gevorderd dat [eiser in conventie, gedaagde in reconventie] wordt veroordeeld tot betaling van het bedrag van € 110.444,78, vermeerderd met rente, dat een gebod aan de notaris wordt gegeven om het restant-saldo van het depot uit te betalen aan [gedaagde in conventie, eiseres in reconventie] , dat [eiser in conventie, gedaagde in reconventie] wordt veroordeeld tot betaling aan [gedaagde in conventie, eiseres in reconventie] van het bedrag van € 21.000,00, vermeerderd met rente, alsmede dat [eiser in conventie, gedaagde in reconventie] wordt veroordeeld tot betaling van de schade [gedaagde in conventie, eiseres in reconventie] heeft geleden door de veiling van de woning te [plaats] en de schade die [gedaagde in conventie, eiseres in reconventie] heeft geleden door de gelegde beslagen.

3 Het geschil

In conventie

3.1.

[eiser in conventie, gedaagde in reconventie] vordert samengevat en met in achtneming van de bij gelegenheid van de mondelinge behandeling ten aanzien van het oorspronkelijk onder 2 gevorderde tussen partijen getroffen regeling - veroordeling van [gedaagde in conventie, eiseres in reconventie] tot betaling van € 57.171,91 en veroordeling van [gedaagde in conventie, eiseres in reconventie] in de proceskosten, de beslagkosten en nakosten daaronder begrepen, vermeerderd met wettelijke rente.

3.2.

Ten aanzien van de in de dagvaarding onder sub 2 opgenomen vordering met betrekking tot de zaken met emotionele waarde, te weten de treinen, (studie)boeken, archiefstukken en het Piaget-horloge, evenals met betrekking tot het bureau en boekenkasten van [eiser in conventie, gedaagde in reconventie] , is door partijen ter zitting een regeling getroffen, zodat de voorzieningenrechter daarover geen beslissing meer hoeft te nemen.

3.3.

[eiser in conventie, gedaagde in reconventie] stelt dat de geldvordering strekt tot verkrijging van een executoriale titel voor de vordering die hij op [gedaagde in conventie, eiseres in reconventie] heeft uit onverschuldigde betaling. Op grond van het arrest van het hof heeft hij recht op terugbetaling van het bedrag dat hij op grond van het eindvonnis van de rechtbank teveel aan [gedaagde in conventie, eiseres in reconventie] heeft voldaan, vermeerderd met rente en kosten. Hij heeft op grond van dat vonnis voldaan € 71.500,00. De rente daarover bedraagt € 2.749,99. Op grond van de verdeling van de huwelijksgemeenschap heeft hij een vordering op [gedaagde in conventie, eiseres in reconventie] van € 38.458,80. [gedaagde in conventie, eiseres in reconventie] heeft uit dien hoofde een vordering op hem van € 34.632,42. Per saldo heeft [eiser in conventie, gedaagde in reconventie] dus € 3.826,38 van [gedaagde in conventie, eiseres in reconventie] te vorderen, alsmede € 95,54 voor kosten exploot deurwaarder. Na aftrek van het bedrag van € 21.000,00 dat door [gedaagde in conventie, eiseres in reconventie] is voldaan komt [eiser in conventie, gedaagde in reconventie] uit op een vordering van € 57.171,91.

3.4.

[gedaagde in conventie, eiseres in reconventie] voert verweer.

3.5.

Op de stellingen van partijen wordt hierna, voor zover van belang, nader ingegaan.

In reconventie

3.6.

[gedaagde in conventie, eiseres in reconventie] vordert – samengevat – opheffing van de op 3 juli 2020 gelegde beslagen, op straffe van een dwangsom van € 500,00 per dag en veroordeling van [eiser in conventie, gedaagde in reconventie] tot betaling van een voorschot van € 50.000,00 op (het restant van) haar regresvordering, te vermeerderen met rente en de kosten van de procedure in reconventie. In aanvulling hierop heeft zij tevens opheffing gevorderd van het op 7 november 2019 gelegde en op 11 november 2019 aan haar betekende maritaal beslag op alle inboedelgoederen en kunstvoorwerpen in de woning aan de [adres] te [woonplaats] .

3.7.

Ten aanzien van de beslagen stelt zij dat de vorderingen van [eiser in conventie, gedaagde in reconventie] in conventie dienen te worden afgewezen en de beslagen dus ten onrechte zijn gelegd. Zij heeft last van deze beslagen en hoeft geen onterechte inbreuken op haar eigendomsrechten te dulden. Op de rekening bij de ING is meer dan € 1.000,- beslagen.

Ten aanzien van het op 11 november 2019 betekende beslag stelt zij primair dat zij aan alle executoriale titels van het arrest van het hof heeft voldaan.

3.8.

[eiser in conventie, gedaagde in reconventie] voert verweer.

3.9.

Op de stellingen van partijen wordt hierna, voor zover van belang, nader ingegaan.

4 De beoordeling

In conventie en in reconventie

4.1.

Met betrekking tot een voorziening in kort geding, bestaande in veroordeling tot betaling van een geldsom, is terughoudendheid op zijn plaats. De rechter zal daarbij niet alleen hebben te onderzoeken of het bestaan van een vordering van de eiser op de gedaagde voldoende aannemelijk is, maar ook of daarnaast sprake is van feiten en omstandigheden die meebrengen dat uit hoofde van onverwijlde spoed een onmiddellijke voorziening is vereist, terwijl de rechter in de afweging van de belangen van partijen mede zal hebben te betrekken de vraag naar - kort gezegd - het risico van onmogelijkheid van terugbetaling, welk risico kan bijdragen tot weigering van de voorziening.

4.2.

[eiser in conventie, gedaagde in reconventie] stelt dat hij voldoende spoedeisend belang heeft bij het terugontvangen van hetgeen hij onverschuldigd betaald heeft. De spoedeisendheid volgt volgens [eiser in conventie, gedaagde in reconventie] uit de aard van de zaak, want ‘hij heeft immers in 2018 het niet onaanzienlijke bedrag van

€ 71.500 onverschuldigd betaald aan de vrouw’. Hij had een ongedaanmakingsvordering kunnen instellen in de appelprocedure teneinde een executoriale titel te verkrijgen, maar heeft dat niet gedaan. Dat staat er niet aan in de weg dat hij zodanige vordering alsnog, bijvoorbeeld via deze procedure, kan instellen.

4.3.

Ter zitting heeft hij in aanvulling hierop gesteld dat hij zijn volledige aandeel in de overwaarde uit de voormalige echtelijke woning in [woonplaats] heeft moeten aanwenden voor het aflossen van gemeenschappelijke schulden en de betaling van het bedrag van

€ 71.5000,00 aan [gedaagde in conventie, eiseres in reconventie] . Hij heeft niets meer in depot staan bij de notaris, terwijl [gedaagde in conventie, eiseres in reconventie] wel nog gelden in depot heeft staan. [eiser in conventie, gedaagde in reconventie] heeft zelfs nog gelden bij moeten storten in het depot om zijn helft van het debetsaldo van de kroonrekening na verkoop van de woning in [plaats] te kunnen betalen. Van hem kan niet verwacht worden dat hij nog langer verstoken blijft van zijn gelden, omdat [gedaagde in conventie, eiseres in reconventie] zich maar niet wil neerleggen bij het vonnis van het hof.

4.4.

[gedaagde in conventie, eiseres in reconventie] betwist dat [eiser in conventie, gedaagde in reconventie] onverschuldigd aan haar heeft betaald.

Zij stelt zich op het standpunt dat zij een regresvordering heeft op [eiser in conventie, gedaagde in reconventie] , omdat zij meer dan de helft van het na peildatum (3 februari 2014) ontstane debetsaldo van de kroonrekening voor zover dat haar aangaat heeft afgelost.

Ter toelichting op dit standpunt stelt zij het volgende. De rechtbank heeft in het vonnis van 29 maart 2017 vastgesteld dat aan [gedaagde in conventie, eiseres in reconventie] een bedrag van € 71.350,65 toekomt als aan haar toekomende helft van door [eiser in conventie, gedaagde in reconventie] verkochte kunstvoorwerpen die tot de gemeenschap behoorden. [eiser in conventie, gedaagde in reconventie] heeft in hoger beroep gesteld dat de gehele verkoopopbrengst, dus ook de aan [gedaagde in conventie, eiseres in reconventie] toekomende helft, op de kroonrekening is gestort en dat daarvan gemeenschappelijke lasten zijn betaald. Het hof heeft vastgesteld dat dit het geval is geweest, maar dat wie van partijen nog aanspraak kan maken op een deel van de verkoopopbrengsten samenhangt met de vraag voor welke mutaties (en dus ook ten gunste van wie) de verkoopopbrengst is aangewend na de peildatum. Dat kon het hof op dat moment bij gebrek aan stukken en een daarbij behorende toelichting niet vaststellen. De betreffende rekening was op het moment van fourneren van de stukken bij het hof ook nog lang niet afgewikkeld, aldus [gedaagde in conventie, eiseres in reconventie] . Deze is begin februari 2020 beëindigd en pas toen was het mogelijk een compleet beeld te krijgen. [gedaagde in conventie, eiseres in reconventie] heeft gespecificeerd op een rij gezet welke stortingen door haar zijn gedaan na de peildatum. Haar bevinding is dat er vanaf de peildatum ten laste van de kroonrekening enkel uitgaven ten gunste van [eiser in conventie, gedaagde in reconventie] zijn gedaan, waarvoor hij draagplichtig was. Haar helft van de verkochte kunstvoorwerpen is niet aangewend voor lasten waarvoor zowel [eiser in conventie, gedaagde in reconventie] als [gedaagde in conventie, eiseres in reconventie] draagplichtig waren. Dus had en heeft zij een regresrecht voor die storting van de aan haar toekomende helft van de verkoopopbrengst van die kunst. Dat had zij ook al op het moment dat het bedrag van € 71.500,00 werd betaald. Haar regresvordering is hoger dan dat bedrag; zij stelt dat deze minimaal € 110.000,00 bedraagt. Dus is het bedrag van € 71.500,00 niet onverschuldigd aan haar betaald. In de door haar aangespannen bodemprocedure kan zij dit aantonen.

4.5.

Daarnaast betwist zij de omvang van het bedrag dat volgens [eiser in conventie, gedaagde in reconventie] onverschuldigd is betaald. Het hof heeft het vonnis van de rechtbank slechts ten dele vernietigd. Dit ziet op een bedrag van € 56.350,65 en niet op het volledige bedrag van € 71.500,00.

4.6.

Om te kunnen beoordelen of er sprake is van de gestelde onverschuldigde betaling door [eiser in conventie, gedaagde in reconventie] en de gestelde (omvang van de) regresvordering van [gedaagde in conventie, eiseres in reconventie] , is uitgebreid feitenonderzoek nodig. In het kader van een kort geding voert het te ver om dit onderzoek te verrichten. De voorzieningenrechter is dan ook van oordeel dat de vorderingen van partijen over en weer niet op eenvoudige wijze zijn vast te stellen.

4.7.

Daarnaast is door partijen ook niet aannemelijk gemaakt dat het treffen van een onmiddellijke voorziening bij voorraad noodzakelijk is. De hiervoor weergegeven onderbouwing van het spoedeisend belang door [eiser in conventie, gedaagde in reconventie] vormt daartoe geen aanleiding en ook [gedaagde in conventie, eiseres in reconventie] heeft niet onderbouwd dat zij een spoedeisend belang bij haar vordering heeft. Partijen hebben niet gesteld dat er een dringende financiële noodzaak bestaat tot het treffen van de gevraagde voorzieningen. [eiser in conventie, gedaagde in reconventie] heeft beslag gelegd op onroerende en roerende goederen van [gedaagde in conventie, eiseres in reconventie] , zodat onvoldoende aannemelijk is gemaakt dat hij de uitkomst van de inmiddels aanhangig gemaakte bodemprocedure niet kan afwachten. Ook [gedaagde in conventie, eiseres in reconventie] heeft dat niet aannemelijk gemaakt.

4.8.

De vordering van [eiser in conventie, gedaagde in reconventie] zal gelet op het voorgaande worden afgewezen.

4.9.

Het door [gedaagde in conventie, eiseres in reconventie] gevorderde voorschot op haar regresvordering zal op dezelfde gronden eveneens worden afgewezen.

De vordering tot opheffing van de op 3 juli 2020 gelegde beslagen zal worden afgewezen, nu voorshands niet kan worden vastgesteld dat deze beslagen ten onrechte of onnodig zijn gelegd en [gedaagde in conventie, eiseres in reconventie] niet aannemelijk heeft gemaakt dat zij door deze beslagen schade lijdt. De voorzieningenrechter komt op grond hiervan tot het oordeel dat voorshands niet is gebleken dat het belang van [gedaagde in conventie, eiseres in reconventie] bij opheffing van het beslag zwaarder dient te wegen dan het belang van [eiser in conventie, gedaagde in reconventie] bij handhaving van het beslag, zodat verhaal mogelijk zal zijn indien de regresvordering van [gedaagde in conventie, eiseres in reconventie] in de bodemprocedure geheel of ten dele wordt afgewezen.

4.10.

Ten aanzien van de eerst op 31 augustus 2020 ingediende vordering tot opheffing van het op 7 november 2019 gelegde maritaal beslag, heeft [eiser in conventie, gedaagde in reconventie] terecht aangevoerd dat deze vordering te laat is ingediend. [eiser in conventie, gedaagde in reconventie] is hierdoor niet in staat gesteld zijn verweer deugdelijk voor te bereiden. Deze vordering wordt daarom eveneens afgewezen.

4.11.

Nu partijen over en weer in het ongelijk zijn gesteld, zullen de kosten van deze procedure worden gecompenseerd, in die zin dat iedere partij zijn eigen kosten dient te dragen. proceskosten compenseren.

5 De beslissing

De voorzieningenrechter

5.1.

wijst de vorderingen in conventie en in reconventie af,

5.2.

compenseert de kosten van deze procedure tussen partijen, in die zin dat iedere partij de eigen kosten draagt.

Dit vonnis is gewezen door mr. W.E. Elzinga en in het openbaar uitgesproken op 7 september 2020.1

1 type: EvdS coll: