Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBLIM:2020:6626

Instantie
Rechtbank Limburg
Datum uitspraak
25-08-2020
Datum publicatie
04-09-2020
Zaaknummer
C/03/256521 / FA RK 18-4047
Formele relaties
Hoger beroep: ECLI:NL:GHSHE:2021:925
Rechtsgebieden
Personen- en familierecht
Bijzondere kenmerken
Beschikking
Inhoudsindicatie

Overrule beslissing ex artikel 11 lid 7 Brussel II bis, moeder met kinderen naar Polen vertrokken zonder instemming van vader, beslissing Poolse rechter dat kinderen niet naar Nederland terug mogen ex artikel 13 Haags Kinderontvoeringsverdrag, verzoeken vader mbt “kwestie van gezagsrecht”, hoofdverblijf kinderen bij vader ?, recht op omgang vader met kinderen in Polen door moeder met voeten getreden, gezagspositie vader uitgehold, uitgummen vader in leven kinderen, betekenis arrest Hof van Beroep te Warschau, terugkeer kinderen naar Nederland en rol moeder, raad en jeugdteam woongemeente kinderen, BOR moeder – kinderen in Nederland, keuze moeder Polen of Nederland/omringend land, motivering uitvoerbaarheid bij voorraad.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
JPF 2020/135
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK LIMBURG

Familie en jeugd

Zittingsplaats Maastricht

Zaaknummer: C/03/256521 / FA RK 18-4047

Eindbeschikking van 25 augustus 2020 betreffende de echtscheiding in de zaak van:

[de vader] ,

wonend te [woonplaats 1] ,

hierna te noemen: de vader,

advocaat mr. L. Stam, kantoor houdend te Vught,

tegen

[de moeder] ,

wonend te [woonplaats 2] ,

hierna te noemen: de moeder,

advocaat mr. R.C.C.M. Nadaud, kantoor houdend te Vaals.

Op de voet van het bepaalde in artikel 810 van het Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering is de raad voor de kinderbescherming, Zuidoost-Nederland, locatie Maastricht, verder te noemen: de raad, als adviseur van de rechtbank bij deze zaak betrokken.

1 De verdere procedure

Na de beschikking van 17 juli 2020 heeft de moeder met een F9-formulier op 29 juli 2020 een viertal producties ingediend.

De rechtbank heeft de moeder gelegenheid geboden om via skype of telefoon door tussenkomst van een tolk Pools-Nederlands deel te nemen aan de zitting op 31 juli 2020.

Tijdens de behandeling ter zitting van 31 juli 2020 zijn verschenen:

- de vader en zijn advocaat;

- de advocaat van de moeder vergezeld door een beëdigd tolk Nederlands-Pools v.v., alsmede de moeder (deels via skype en met name via de telefoon) bijgestaan door haar Poolse advocaat mr Brelinski;

- een vertegenwoordiger van de raad.

2 De verdere beoordeling

2.1.

Na wijziging van zijn verzoeken tijdens de zitting van 31 juli 2020 (waartegen de moeder geen bezwaar heeft gemaakt zodat met deze wijziging rekening wordt gehouden) heeft de vader primair verzocht het hoofdverblijf van de kinderen bij hem te bepalen en subsidiair om hem het eenhoofdig gezag over de kinderen toe te kennen.

2.2.

In het kader van zijn primaire verzoek heeft de vader betoogd dat er bij toewijzing van zijn verzoek ook een verdeling van de zorg- en opvoedtaken met de moeder moet komen. De vader wenst daaraan zijn medewerking te geven maar hij heeft sterke twijfels of de moeder bereid is daaraan haar medewerking te geven. In dit verband verzoekt de vader een wekelijkse contactregeling van de kinderen met hun moeder maar voorlopig wel onder toezicht omdat de vader geen vertrouwen heeft dat de moeder niet opnieuw de kinderen zonder toestemming van de vader naar Polen zal meenemen. Als de begeleide contacten goed verlopen, wil de vader meewerken aan een uitbreiding ervan en is op termijn een co-ouderschap (week/week-regeling) niet onbespreekbaar, aldus de vader. De vader sluit niet uit dat bij het afwijzen van het verzochte hoofdverblijf de moeder ieder contact tussen de kinderen en hun vader zal (blijven) tegenwerken. In dat geval (dus subsidiair) heeft de vader bepleit hem het eenhoofdig gezag toe te kennen omdat daarmee de vader én de kinderen meer zekerheid wordt geboden om met elkaar contact te hebben en te houden. De houding van de moeder tegenover de vader sinds haar vertrek naar Polen doet vrezen voor de rol die hij zal krijgen als de kinderen in Polen kunnen blijven.

2.3.

Hetgeen de vader aan zijn verzoek ten grondslag heeft gelegd, alsmede hetgeen de moeder daartegen als verweer heeft aangevoerd, zal hierna aan de orde komen voor zover die stellingen en verweren voor de beoordeling relevant worden geoordeeld. Voor de standpunten van partijen wordt verwezen naar hetgeen daarover in de processtukken door partijen is aangevoerd en naar hetgeen tijdens de zitting van 31 juli 2020 naar voren is gebracht.

2.4.

De raad heeft ter zitting op 31 juli 2020 advies gegeven aan de rechtbank inhoudende in essentie dat het feit dat er sinds januari 2020 geen fysiek contact tussen de kinderen en hun vader meer heeft plaatsgevonden niet in het belang van de kinderen is. Een goed contact van de kinderen met beide ouders is voor hun verdere ontwikkeling van groot belang. Beide ouders moeten de kinderen een herkenbare thuisplek kunnen bieden. Dat de moeder haar voorwaarden stelt aan een contact tussen de vader en de kinderen is niet in het belang van de kinderen. De verzorgende ouder heeft de plicht om de niet verzorgende ouder in staat te stellen fysiek contact te hebben met de kinderen. De vader stelt dat hij daaraan zal meewerken en de moeder stelt daaraan voorwaarden. Kinderen moeten met beide ouders een onbelast contact kunnen hebben. Geadviseerd wordt om bij de beslissing met name te betrekken welke ouder in staat is om het contact tussen de kinderen met de andere ouder te faciliteren.

De rechtbank oordeelt als volgt.

2.5.

Allereerst dient de rechtbank stil te staan bij de vraag of zij bevoegd is in deze zaak met internationale aspecten te beslissen en zo ja, met toepassing van welk recht.

De vader heeft de Nederlandse nationaliteit, de moeder de Poolse en de kinderen hebben de Nederlandse nationaliteit.

2.6.

Onbetwist is dat de kinderen vóór hun overbrenging naar Polen door hun moeder in oktober 2018 samen met de vader enkele jaren in Nederland een gezinsleven hebben gehad en ook in Nederland (Limburg) hebben gewoond. Onbetwist is daarmee dat de gewone verblijfsplaats van de kinderen onmiddellijk voor het niet doen terugkeren van hen naar Nederland alhier lag. Deze vaststellingen leiden ertoe dat de rechtbank op grond van artikel 10 Brussel II bis Verordening bevoegd is te beslissen over de verzoeken die betrekking hebben op de ouderlijke verantwoordelijkheid van de kinderen. De Poolse rechter wordt eerst bevoegd beslissingen met betrekking tot de kinderen te nemen als aan de aanvullende voorwaarden conform artikel 10 voornoemd is voldaan.

Dat daaraan is voldaan, is niet gesteld of gebleken. Integendeel, de vader heeft blijkens deze nog steeds lopende en niet gesloten verklaarde echtscheidingsprocedure en zijn verzoeken inzake hoofdverblijf en eenhoofdig gezag (waarop nog moet worden beslist) niet berust in het niet doen terugkeren van zijn kinderen. De vader heeft verder kort na de overbrenging van de kinderen naar Polen in Polen bij de bevoegde autoriteiten een verzoek tot terugkeer ingediend en deze gehandhaafd, waarna op dit verzoek tot in hoogste feitelijke rechterlijke instantie in Polen is beslist.

2.7.

De rechtbank past op de voorliggende verzoeken van de vader het interne (Nederlandse) recht toe op grond van artikel 17 Haags Kinderbeschermingsverdrag.

2.8.

Centraal in deze echtscheidingsprocedure, die tevens heeft te gelden als een overrule-procedure in de zin van artikel 11 lid 7 Brussel II bis Verordening, staan de verzoeken van de vader met betrekking tot de kinderen. Zowel het genoemde primaire als het subsidiaire verzoek van de vader valt onder “de kwestie van het gezagsrecht” als bedoeld in artikel 11 lid 7 voornoemd.

2.9.

In de terug-geleidingsprocedure heeft zowel de Poolse rechter in eerste aanleg als in hoger beroep het Hof van Warschau (Polen) op grond van artikel 13 van het Haags Kinderontvoeringsverdrag van 1980 (verder te noemen: Verdrag van 1980) beslist dat de kinderen van partijen niet naar Nederland hoeven terug te keren. Het arrest van het Poolse Hof is onherroepelijk geworden omdat geen van partijen daartegen cassatieberoep in Polen heeft aangetekend. De rechtbank zal hierna de overwegingen en vaststellingen door het Poolse Hof voor zover nodig betrekken bij de te nemen beslissing over de verzoeken van de vader.

2.10.

Uitgangspunt bij de te nemen beslissing over het hoofdverblijf van de kinderen is dat deze in het belang van de kinderen is en niet in strijd met het belang van de kinderen moet zijn.

2.11.

De kinderen hebben vanaf hun geboorte tot hun vertrek naar Polen in oktober 2018 (in feite tot eind augustus 2018 en een escalatie tussen de ouders thuis) met de ouders in gezinsverband samengeleefd. De vader heeft onbetwist naar voren gebracht dat beide ouders een belangrijke rol hebben gespeeld in de opvoeding en verzorging van de kinderen. De vader heeft ook onbetwist naar voren gebracht dat de kinderen tot hun vertrek naar Polen zich in Nederland thuis hebben gevoeld en ingebed waren in de Nederlandse samenleving en dat zij in [plaats] in een woning hebben samengewoond en samengeleefd. De kinderen ( [minderjarige 1] vanaf december 2014 en [minderjarige 2] vanaf januari 2017) zijn naar het kinderdagverblijf [naam kinderdagverblijf] gegaan. [minderjarige 1] is daar naar toe blijven gaan tot haar overstap naar de basisschool op 4-jarige leeftijd. Ten tijde van hun vertrek naar Polen verbleef [minderjarige 2] nog steeds op regelmatige basis bij [naam kinderdagverblijf] . [minderjarige 1] zat tot haar vertrek naar Polen nog steeds op de basisschool [naam basisschool] in de buurgemeente [woonplaats 1] .

2.12.

Voor een gezonde en evenwichtige ontwikkeling van deze jonge kinderen, waaronder hun identiteitsontwikkeling, is van groot belang dat zij na de scheiding van hun ouders, met beide ouders in contact kunnen blijven en dat beide ouders een relevante rol (kunnen) spelen in hun opvoeding en verzorging. Dit algemeen geldende uitgangspunt dat ook ten grondslag ligt aan het familierecht na scheiding in Nederland heeft ook voor deze kinderen en deze ouders te gelden tenzij sprake zou zijn van zodanige zwaarwegende feiten en omstandigheden dat het in het belang van de kinderen is om dat uitgangspunt los te laten.

2.13.

De kinderen hebben sedert eind oktober 2018 feitelijk bij alleen hun moeder in Polen verbleven en zijn door haar verzorgd en opgevoed. In deze periode heeft op de moeder de verantwoordelijkheid gelegen om het contact van de kinderen met hun vader te stimuleren en zo veel mogelijk feitelijk mogelijk te maken. In artikel 1: 247 lid 3 Burgerlijk Wetboek is dat met zoveel woorden ook duidelijk bepaald. De moeder heeft als gezaghebbende moeder in de woorden van de wetgever de verplichting “om de ontwikkeling van de banden van zijn kind met de andere ouder te bevorderen”. In dit verband heeft de moeder (in Polen verblijvende met de kinderen) ook de plicht gehad om de vader bij belangrijke beslissingen betreffende de kinderen te betrekken en hem te informeren over de ontwikkeling van de kinderen.

2.14.

De vader heeft gemotiveerd aangevoerd dat de moeder deze verplichtingen niet is nagekomen. Als het hoofdverblijf van de kinderen bij hem wordt bepaald, zal de vader van zijn kant het contact tussen de moeder en de kinderen wel bevorderen en de moeder informeren en betrekken, zo heeft hij aangevoerd.

2.15.

Heeft de moeder aan haar verplichtingen voldaan in de periode dat zij onafgebroken met de kinderen in Polen verblijft ?

2.16.

De vader heeft bij de Poolse rechter op 16 april 2019 een verzoek ingediend tot het vaststellen van een omgangsregeling met zijn kinderen. De Poolse rechter heeft op 28 juni 2019 beslist dat de vader fysiek omgang met zijn kinderen mag hebben op de eerste zaterdag van de maand van 10.00 tot 13.00 uur in aanwezigheid van een jeugdzorgdeskundige en met het recht van de moeder om daarbij aanwezig te zijn. Verder is beslist dat er afstandscontacten door middel van telefoon of internet op het telefoonnummer van de moeder op elke maandag, woensdag en zondag van 18.00 tot 18.40 uur moesten zijn tussen de vader en de kinderen.

2.17.

Onbetwist heeft de vader naar voren gebracht dat hij na de uitspraak van 28 juni 2019 voor het eerst op 6 juli 2019 fysiek contact met de kinderen mocht hebben. Daartoe is hij op 6 juli 2019 per auto naar Polen gereisd, maar bij aankomst in de actuele woonplaats van de kinderen in Polen heeft de moeder aangegeven dat zij niet zou meewerken en dat zij tegen de uitspraak van de Poolse rechter in hoger beroep zou gaan. Evenwel is niet gebleken dat de moeder, ongeacht of zij in appel zou gaan, niet op 6 juli 2019 aan het door de Poolse rechter bepaalde contact had moeten meewerken. Daar komt nog bij dat ook niet is gebleken dat de moeder in appel is gegaan tegen de bedoelde uitspraak van 28 juni 2019. Daarmee stelt de rechtbank vast dat de moeder aan dit geplande fysieke (eerste) contact zonder goede grond niet heeft meegewerkt.

2.18.

Vervolgens heeft het eerste fysieke contact tussen de kinderen en de vader in Polen op de eerste zaterdag van augustus 2019 plaatsgevonden. Onbestreden heeft de vader over de inhoud van dat eerste contact (na eind oktober 2018) gesteld dat na 10 minuten het contact weer als vanouds was, dat de kinderen blij waren om hun vader te zien, met hem leuk hebben gespeeld en aan het einde niet wilden weggaan.

2.19.

De eerste zaterdag van september 2019 is de vader naar Polen gereden voor het volgende fysieke contact, maar 100 kilometer voor aankomst kreeg hij te horen dat de kinderen ziek waren (met een doktersverklaring) waardoor de moeder het contact niet heeft toegestaan. Zonder toelichting van de vader gaat de rechtbank ervan uit dat de vader op grond van de doktersverklaring begreep dat het geplande contactmoment met reden niet kon doorgaan en dat de vader niet om een vervangend omgangsmoment heeft gevraagd.

2.20.

Het in oktober 2019 geplande contact, vader was om een andere reden reeds in Polen, is niet doorgegaan waarbij de moeder zich op de gezondheidstoestand van de kinderen heeft beroepen maar zonder zich daarbij te beroepen op een verklaring van een dokter. Nu de moeder in deze procedure niet aannemelijk heeft gemaakt dat er een gegronde reden was dat het geplande fysieke contact niet kon doorgaan, moet de rechtbank vaststellen dat de moeder een tweede keer zonder goede grond niet heeft meegewerkt aan het recht van de vader op fysiek contact met zijn kinderen.

2.21.

De vader heeft onbetwist gesteld dat het laatste fysieke contact met de kinderen op 4 januari 2020 heeft plaatsgevonden. De vader heeft samenvattend gesteld dat er in totaal slechts 3-4 fysieke contacten met de kinderen zijn geweest. Daaruit kan, gelet op hetgeen in de vorige alinea’s is overwogen en geoordeeld, worden afgeleid dat de vader stelt dat ten minste één van de contacten in november-december 2019 zonder goede grond niet zou zijn doorgegaan. Evenwel heeft hij die stelling niet gemotiveerd onderbouwd zodat deze stelling niet voor juist kan worden gehouden. Anders gezegd: aangenomen moet worden dat in die maanden de fysieke contacten met de kinderen wel zijn doorgegaan of op goede gronden niet zijn kunnen doorgaan.

2.22.

Waar het laatste fysieke contact in januari 2020 heeft plaatsgevonden, kan daaruit in het licht van het betoog van de vader worden afgeleid dat de geplande contacten in februari en maart 2020 zonder goede grond door de moeder niet zijn nagekomen. Daarna zijn fysieke contacten door de maatregelen als gevolg van het Covid-19 virus niet steeds kunnen doorgaan.

2.23.

Na het arrest van het Hof van Beroep te Warschau heeft de moeder aan de vader kenbaar gemaakt dat de juridische grond voor de door de Poolse rechter opgelegde bezoekregeling niet meer geldig was en dat zij nu bepaalde wanneer en op welke momenten de vader de kinderen mocht spreken waarbij de moeder helemaal niets meer heeft gezegd over fysieke contacten tussen de kinderen en hun vader. Die fysieke contacten hebben dan ook niet meer plaatsgevonden.

2.24.

Samenvattend heeft de vader vanaf juli 2019 tot en met maart 2020 van de 9 door de Poolse rechter toegekende omgangscontacten 4 keer daadwerkelijk fysiek contact met zijn kinderen gehad, 4 keer is dat contact zonder goede grond door de moeder niet toegelaten en 1 keer heeft de moeder op goede grond niet aan het contact meegewerkt. Ook na maart 2020 heeft de moeder niet meer meegewerkt aan fysieke contacten. Deze contacten hebben tijdelijk door de maatregelen als gevolg van het coronavirus niet kunnen plaatsvinden maar zijn, zo begrijpt de rechtbank, na versoepeling van de maatregelen, niet meer hervat omdat de moeder daar niet aan heeft willen meewerken. Tot de zitting op 31 juli 2020 was de status quo ongewijzigd. De wel doorgegane contacten zijn voor de kinderen en de vader steeds positief verlopen en er is geen steekhoudende reden door de moeder aangevoerd dat de contacten niet moesten of konden worden gecontinueerd

2.25.

De vader heeft onder verwijzing naar onder meer zijn productie 3 onbetwist gesteld dat het beeldbellen of telefonische contact met zijn kinderen (zoals door de Poolse rechter bepaald is) van de kant van de moeder vanaf het begin structureel is bemoeilijkt en tegengewerkt en ook niet van haar kant richting de kinderen is gestimuleerd. Het laatste (beeld)bellen contact heeft de vader op 24 maart 2020 gehad, zo heeft de vader ook onbetwist gesteld, en sedertdien heeft de vader geen enkel contact met zijn kinderen meer gehad. Vele pogingen van zijn kant om telefonisch of via whatsapp (via de moeder) met de kinderen in contact te komen, zijn vruchteloos geweest. Daarbij heeft de vader de moeder op het belang van de kinderen om ook het contact met hun vader te kunnen houden gewezen en haar verzocht het belang van de kinderen voorop te stellen.

2.26.

Verder heeft de vader in dezelfde productie 3 onbetwist duidelijk gemaakt dat hij door de moeder, anders dan toen partijen in Nederland samen een gezin vormden, sedert oktober 2018 niet wordt betrokken bij beslissingen met betrekking tot de kinderen en evenmin door haar wordt geïnformeerd over het wel en wee van de kinderen, zoals of en waar ze naar school gaan, wanneer ze ziek zijn, hoe vaak ze naar de dokter moeten, waar ze wonen, spelen en wat hun hobby’s zijn en met wie de kinderen omgaan.

2.27.

De rechtbank komt op basis van hetgeen is overwogen en geoordeeld tot het volgende oordeel. De moeder is in de periode vanaf juli 2019 tot de mondelinge behandeling op 31 juli 2020 ernstig in gebreke gebleven jegens de vader én jegens de kinderen. Zij heeft in strijd met haar gezagspositie gehandeld én in strijd met het belang van de kinderen. Juist in een situatie dat de moeder van de een op de andere dag in oktober 2018 met de kinderen naar Polen is vertrokken en de kinderen plotsklaps verstoken werden en zijn gebleven van het normale dagelijkse contact met hun vader en van zijn aandeel/aanwezigheid in hun verzorging en opvoeding, hetgeen, zoals ook de raad stelt, een traumatische ervaring voor deze jonge kinderen moet zijn geweest, had de moeder loyaal aan de beperkte omgangs- en contactregeling van de vader uitvoering en medewerking moeten geven. Dat de moeder dat de eerste maanden na haar vertrek, gelet op de aanleiding daarvoor, nog niet kon opbrengen (de vader heeft daar in die maanden kennelijk ook niet op aangedrongen) is haar niet euvel te duiden. Maar ruim een half jaar na vertrek en met de beslissing van de eerste Poolse rechter in de hand (die de teruggeleiding van de kinderen naar Nederland heeft afgewezen), had van haar als ouder van de kinderen een andere opstelling mogen worden verwacht.

2.28.

Dat de vader, zoals de moeder heeft aangevoerd, na de beslissing van het Hof te Warschau, zich medio 2020 andermaal tot de Poolse rechter had moeten wenden om zijn recht op omgang en contact verzekerd te krijgen, is naar het oordeel van de rechtbank de wereld op zijn kop zetten van de kant van de moeder. De moeder had er inmiddels blijk van gegeven dát door de Poolse rechter eerder al toegekende recht van de vader feitelijk niet te respecteren. Sterker nog, de moeder heeft gaandeweg haar verblijf in Polen het recht van de vader om omgang en contact met de kinderen te hebben met voeten getreden. Uiteindelijk heeft ze de vader niet meer toegelaten bij de kinderen, ook niet via (beeld)bellen. Zij heeft zelfs aan de vader bericht (11 mei 2020) “de kinderen hebben een vader niet nodig”, “de kinderen vragen niet eens naar jou” en “dat ze een andere vader gaat zoeken”.

2.29.

Het kan de vader onder die omstandigheden niet euvel worden geduid dat hij die juridische weg niet nogmaals heeft gevolgd maar zich heeft geconcentreerd op en zijn hoop heeft gevestigd op de echtscheidingsprocedure in Nederland die in juli 2020 verder zou worden behandeld.

2.30.

Bovendien is het moeders’ verantwoordelijkheid en taak geweest om de kinderen het contact met hun vader te gunnen en te geven; zeker waar zij in de tussentijd, gelet op de inspanningen van de vader, zich moet hebben gerealiseerd dat de vader zeer aan het contact met zijn kinderen bleef hechten én zij ook aan de hand van de informatie van degene die de contacten officieel in Polen begeleid heeft, wist dat ook de kinderen zeer van het contact met hun vader genoten en daar wel bij voeren.

2.31.

Verder heeft de moeder door de vader niet te betrekken bij belangrijke beslissingen over de kinderen in Polen (school / kinderdagverblijf kinderen, inschakelen psycholoog voor [minderjarige 1] ) en hem niet te informeren over het wel en wee van de kinderen ook in strijd gehandeld met haar verantwoordelijkheid en daarmee de gezagspositie van de vader in feite uitgehold.

2.32.

De moeder heeft op 31 juli 2020 tijdens de mondelinge behandeling aangegeven dat zij niet tegen omgang van de vader met de kinderen is, dat zij aan herstelcontacten zal meewerken maar dat zij daaraan de voorwaarde verbindt (gelet op het verleden met de vader) dat de vader eerst psychotherapie gaat volgen en dat de contacten in Polen (omwille van de veiligheid van de kinderen) onder begeleiding plaatsvinden.

2.33.

De vader heeft de door de moeder gestelde voorwaarden verworpen en aangevoerd dat er geen gegronde reden is om hem dergelijke voorwaarden op te leggen. Volgens de vader wijst een en ander er juist op dat het afwijzen van het hoofdverblijf van de kinderen bij de vader ertoe zal leiden dat de moeder elk contact met de kinderen, zelfs in Polen zal tegenwerken.

2.34.

De rechtbank is van oordeel dat de moeder haar stelling, dat bepaalde voorwaarden aan de vader moeten worden opgelegd in verband met het hebben van omgang met zijn kinderen, tegenover de gemotiveerde betwisting door de vader (dat wil zeggen de noodzaak ervan), niet nader heeft onderbouwd en daarmee ook niet aannemelijk heeft gemaakt. Niet gesteld noch gebleken is dat de vader in het verleden niet goed voor zijn kinderen zou hebben gezorgd en de kinderen zou hebben mishandeld of voor zijn kinderen structureel een onveilige en in zijn gedrag onvoorspelbare vader is geweest.

2.35.

Voor zover de (advocaat van de) moeder heeft verwezen naar het onherroepelijke arrest van het Hof van Beroep te Warschau doelt deze op de door de Poolse rechter genoemde mishandeling(en) van de moeder door de vader in 2014 en 2018. Daarbij verdient aantekening dat de vermeende mishandeling in 2014 sedert november 2018 in Polen opnieuw voorwerp van strafrechtelijk onderzoek is (in behandeling bij de rechtbank te Poznan) en nog niet tot een eindvonnis heeft geleid. Blijkens mededeling van de vader heeft de arts die het vermeende letsel destijds bij de moeder zou hebben vastgesteld nog niet willen getuigen in de zaak en is een nieuwe zitting bepaald waar die arts als getuige dient te verschijnen. Gelet op die stand van zaken en de betwisting van de mishandeling in 2014 kan niet worden aangenomen dat de vader destijds de moeder heeft mishandeld.

De mishandeling door de vader in augustus 2018 in het bijzijn van de kinderen is door de vader betwist maar in het arrest van het Hof van Beroep te Warschau, na onderzoek van de feiten, als vaststaand aangenomen. Het terechte beroep van de moeder op het gezag van gewijsde van deze uitspraak heeft tot gevolg dat ook in deze Nederlandse procedure die mishandeling als een vaststaand (bewezen) feit moet worden aangenomen.

Evenwel gaat het daarbij evident niet om een mishandeling door de vader van zijn kinderen maar om, overigens bepaald niet goed te keuren, gedrag van de vader gericht tegen zijn thans ex-partner. Dat de kinderen met name van die mishandeling in augustus 2018 getuige zijn geweest (en volgens de Poolse rechter daarbij ook zelf een kneuzing of een andere lichte verwonding hebben opgelopen) maakt dat het gedrag van de vader weliswaar hoogst onverantwoordelijk is geweest naar zijn kinderen, maar leidt niet tot een andere conclusie met betrekking tot het belang van het regelmatige contact tussen de kinderen en hun vader.

Daarbij weegt mee dat het eenmalig gedrag van de vader is geweest (vlak voor het einde van de relatie) en dat in de recente contacten tussen de kinderen en hun vader niet is gebleken dat een herinnering daaraan bij de kinderen aan het contact in de weg heeft gestaan.

2.36.

Kennis nemend van het arrest van het Hof van Beroep te Warschau moet worden aangenomen, hetgeen door partijen is erkend, dat de relatie tussen partijen enige tijd na hun huwelijk meer en meer onder spanning is komen te staan. Uit het gevoerde debat is de rechtbank duidelijk geworden dat die opgelopen spanning aan beide partijen heeft gelegen. Voor de thans te nemen beslissing is niet relevant wat exact heeft geleid tot de opgelopen spanningen. Een spanningsvolle relatie van ouders met jonge kinderen is, zeker als deze langer duurt en bij tijd en wijle tot escalaties leidt, slecht voor hun evenwichtige sociaal-emotionele ontwikkeling. Als die spanning verder toeneemt en de oorzaak ervan niet wordt weggenomen, zoals in deze zaak, is het voor de kinderen te verkiezen dat de ouders, zoals hier in oktober 2018 de facto is gebeurd, uit elkaar gaan zodat de kinderen uit die voor hen slechte situatie worden gehaald.

2.37.

Onder de door het Hof van Beroep te Warschau vastgestelde feiten en omstandigheden in de periode eind augustus 2018 tot het vertrek van de moeder met de kinderen eind oktober 2018 is het de moeder, anders dan de vader bepleit, niet te verwijten dat zij met de kinderen naar Polen is vertrokken en voorlopig in Polen is gebleven totdat de rechterlijke autoriteiten in Polen en Nederland over de kinderen hebben beslist.

2.38.

Ook het gedrag van de vader, kort na de “verdwijning” van de kinderen, om zijn kinderen zelf in Polen op te sporen, in de ogen van de Poolse rechters “extreem onverantwoordelijk” en een “ernstige bedreiging voor het welzijn en de veiligheid van de kinderen”, moet worden bezien tegen de achtergrond van het plotselinge vertrek van de kinderen zonder dat de vader van of via de moeder of derden te horen kreeg dat zij “veilig” in Polen verbleven. Inmiddels heeft de vader in feite afstand genomen van zijn handelwijze zowel kort vóór eind oktober als van die direct na eind oktober 2018 en zowel in Polen als in Nederland uitsluitend nog langs juridische weg geprobeerd te kinderen terug naar Nederland te krijgen. Verder heeft hij geprobeerd het contact met de kinderen en de moeder (als ouder) te herstellen zonder dat hij zich daarbij dwingend of manipulerend heeft opgesteld.

2.39.

Inmiddels is de situatie zodanig dat de relatie tussen de ouders definitief is verbroken, de echtscheiding is uitgesproken op 17 juli 2020, en van een terugkeer naar de oude gezinssituatie van de kinderen is geen sprake meer. In deze nieuwe situatie hebben de kinderen, zoals is overwogen recht en belang op contact met beide ouders waarbij beiden een rol in hun opvoeding en verzorging kunnen spelen.

2.40.

De vader heeft er in de gegeven situatie van het vertrek van de kinderen dus uiteindelijk voor gekozen om de juridische weg in Polen en Nederland te bewandelen en ook de moeder heeft de keuze gemaakt om bij de Poolse- en Nederlandse rechter haar standpunt naar voren te brengen, zodat de kinderen (in de actuele en nieuwe situatie) erop mogen vertrouwen dat zij niet meer worden geconfronteerd met een spanningsvolle relatie van hun ouders als partners. Gelet daarop en de houding en opstelling van de vader, die enkel nog met de moeder als ouder tot een vergelijk en samenwerking wenst te komen en over wie in de voorbije bijna 2 jaar geen gedrag is gesteld of gebleken dat tegen het belang van de kinderen zou kunnen ingaan, kan gevoeglijk worden aangenomen dat de onveiligheid die de Poolse rechter voor de moeder en de kinderen in de Nederlandse situatie (bij vertrek uit Nederland en bij een eventuele terugkeer naar Nederland) heeft aangenomen, niet langer meer aanwezig is.

2.41.

Daar komt bij dat de raad voor de kinderbescherming én zoals hierna zal blijken, het jeugdteam van de woongemeente van de kinderen (gemeente [woonplaats 1] ) in deze zaak betrokken is en zal zijn. De raad zal bij terugkeer van de kinderen uit Polen naast het jeugdteam van de woongemeente van de kinderen betrokken zijn bij het wel en wee van de kinderen. Dat mag van de raad worden verwacht omdat de vertegenwoordiger van de raad op de zitting van 31 juli 2020 heeft gesproken over de meerdere trauma’s die de kinderen in hun jonge leven in de afgelopen 2 jaar hebben opgelopen en de raad kennis heeft genomen van de strijd tussen de ouders en de opstelling en handelwijze daarin van zowel de moeder als de vader. Daarbij wordt ook meegewogen dat de raad in haar advies ter zitting van 31 juli 2020 in feite heeft bepleit, gezien de handelwijze en de opstelling van de moeder, dat de kinderen het hoofdverblijf bij hun vader moeten krijgen. Verwacht mag worden dat de raad ambtshalve zal nagaan of met betrekking tot de kinderen sprake is van een ontwikkelingsbedreiging en of hulp in het gedwongen kader voor de kinderen en/of de ouders in Nederland noodzakelijk is. In dit verband zal naast de betrokkenheid van de raad en de ouders ook die van het (professionele) jeugdteam van de gemeente zeker kunnen worden verwacht. In het kader van het eventuele onderzoek van de raad en de gesprekken met ouders zal de raad (en ook het jeugdteam van de gemeente) erop moeten toezien dat de moeder haar stem kan laten horen met bijstand van een tolk in haar eigen taal en met bijstand van haar raadsman indien zij dat verkiest.

2.42.

Op dit punt van de beoordeling gekomen, komt de rechtbank tot de conclusie, mede gelet op het advies van de raad, dat het hoofdverblijf van de kinderen bij hun vader in Nederland dient te worden bepaald.

Op grond van hetgeen hiervoor over de handelwijze en het standpunt van de gezaghebbende moeder na haar vertrek naar Polen is overwogen en geoordeeld, moet worden geconcludeerd dat een andere beslissing (waarbij de kinderen het hoofdverblijf bij hun moeder in Polen zouden krijgen) ertoe zal leiden dat de moeder niet, althans slechts op onredelijke en zeer bezwarende voorwaarden, zal meewerken aan het recht van de vader op regelmatig contact/omgang met zijn kinderen. Ook is niet te verwachten dat de vader alsdan zijn gezag zal kunnen uitoefenen en dat hij door de moeder over belangrijke aangelegenheden betreffende de kinderen zal worden geïnformeerd. Te vrezen valt, mede gelet op de in mei 2020 door de moeder gedane uitspraken, dat de vader door de moeder in het leven van de kinderen wordt uitgegumd.

2.43.

Waar de moeder zich nog heeft beroepen op een met de vader naar aanleiding van een eerdere mishandeling door hem van haar in 2014/2015 in Polen gesloten overeenkomst dat zij bij een nieuwe mishandeling met de kinderen naar Polen zou kunnen terugkeren, zodat zij nu op een rechtmatige titel in Polen met de kinderen verblijft en kan verblijven, is de rechtbank het niet met de moeder eens. De Poolse rechter heeft een dergelijke afspraak niet vastgesteld, nog daargelaten welke juridische betekenis daaraan in deze zaak zou kunnen worden toegekend. Bij die stand van zaken kan niet van een dergelijke afspraak worden uitgegaan zodat het beroep daarop wordt verworpen. Daar komt bij dat, veronderstellenderwijs van die afspraak uitgaande, de daaraan door de moeder gegeven betekenis miskent dat de kinderen in de actuele situatie, gelet op hetgeen hiervoor is overwogen en geoordeeld, recht hebben op contact met beide ouders en dat dat in de actuele situatie bij de moeder niet is gewaarborgd.

2.44.

Dat deze beslissing voor de kinderen ingrijpend is, laat zich wel denken. De kinderen hebben een belangrijke periode van hun leven (na eerst in Nederland te zijn opgegroeid met beide ouders) in Polen met hun moeder doorgebracht. Zij hebben de Poolse taal geleerd of verder onder de knie gekregen, een kinderdagverblijf, kleuterschool of basisschool bezocht en vriendjes gekregen en hebben regelmatig contact met hun opa en oma moederszijde en andere Poolse familieleden kunnen hebben. Dit gezegd hebbende, mag van deze kinderen die flexibiliteit en veerkracht hebben laten zien, worden verwacht dat zij ook de stap naar hun vader in Nederland aan zullen kunnen. Het is terug naar hun andere oude vertrouwde leefomgeving met nu de vader in de hoofdrol als hoofdverzorger maar met de mogelijkheid dat hun moeder een belangrijke rol kan blijven spelen.

2.45.

Kortom, de kinderen zullen door de moeder, althans de Poolse autoriteiten, aan de vader moeten worden overgedragen. De vader wordt bij deze gemachtigd voor de terugkeer van de kinderen te zorgen en naar verwachting zal hij daarin door zijn advocaat worden bijgestaan. Dat dát alles voor de kinderen een ingrijpende gebeurtenis zal zijn, zal niemand ontkennen. De ouders hebben het in de hand om daarbij de kinderen te ondersteunen door zelf de overdracht zo spoedig mogelijk ter hand te nemen en daarmee de spanning er voor de kinderen zoveel als en zo snel als mogelijk is af te halen.

2.46.

De vader biedt in zijn opstelling richting de moeder, anders dan de moeder andersom doet, wel voldoende aanknopingspunten om aan te nemen dat het recht van de moeder op structureel en regelmatig contact met de kinderen door haar kan worden geëffectueerd. De toezegging van de vader is niet vrijblijvend en zal door hem ook moeten worden nagekomen als blijkt dat de moeder daarin wil meegaan.

2.47.

De vader heeft verzocht om middels een (eerst) begeleide contactregeling in Nederland tussen de moeder en de kinderen (om veiligheidsredenen ter voorkoming van een nieuwe verhuizing naar Polen met de kinderen) toe te werken naar een zo veel mogelijk gelijke verdeling van de zorg- en opvoedingstaken.

2.48.

De moeder heeft op dit verzoek in deze procedure niet inhoudelijk gereageerd. Het lijkt erop dat de moeder geen rekening houdt met de mogelijkheid dat de kinderen van de rechtbank naar Nederland terug moeten keren. De moeder is in de gelegenheid geweest om haar standpunt te bepalen en heeft er voor gekozen geen (subsidiair) verweer te voeren tegen het verzoek.

2.49.

Bij die stand van zaken is de rechtbank het met de vader eens dat er reden is (en het belang van de kinderen daarmee wordt gediend) om stapsgewijs toe te werken naar een bepaalde verdeling van de zorg- en opvoedingstaken tussen de ouders. Daartoe is wel nodig dat de moeder zich beraadt op haar keuze om in Polen te blijven of om toch dichterbij de kinderen te komen wonen; ook omdat de kinderen in deze leeftijds- en levensfase ook hun moeder heel erg nodig zullen hebben. De moeder heeft daarbij de keuze om, wil zij een (ver)zorgende rol van betekenis te kunnen spelen, in Nederland of in Duitsland, niet te ver van de woonplaats van de kinderen te gaan wonen en leven. De moeder heeft in ieder geval laten zien, sinds haar vertrek naar Polen, dat zij in staat is in korte tijd haar eigen leven op poten te zetten middels betaald werk en het verwerven van een eigen woning. Dat zij dat niet ook in Nederland of in een van de omliggende regiolanden zou kunnen anno 2020 in een vrij Europa heeft zij niet aangevoerd en acht de rechtbank ook niet aannemelijk. Of de moeder daarbij de uitgestoken hand van de vader aanvaardt om haar en de kinderen financieel en materieel te ondersteunen, is ter keuze aan de moeder. De verzochte begeleide contactregeling tussen de kinderen en hun moeder zal worden toegewezen op de in de beslissing te formuleren wijze. Het is aan de ouders, te beginnen met de vader, om met deze beslissing zich zo spoedig mogelijk te wenden tot het betreffende jeugdteam van zijn woongemeente. Het is aan de moeder om zo spoedig mogelijk, wellicht via haar advocaat, contact te zoeken met hetzelfde jeugdteam opdat met de uitvoering van de beslissing onder 3.2. zo spoedig mogelijk na aankomst van de kinderen in Nederland kan worden gestart.

2.50.

De rechtbank ziet zich voor de vraag gesteld of deze beschikking met een voor de kinderen en ouders ingrijpende beslissing en grote verandering in hun leven ook uitvoerbaar moet zijn hangende een eventueel hoger beroep van een van de ouders tegen de beschikking. De rechtbank heeft daarbij de belangen van de kinderen en partijen tegen elkaar af te wegen. De kinderen kunnen niet langer verstoken blijven van het contact met hun vader en evenmin van hun verzorging en opvoeding door hun vader. Dat heeft al bijna 2 jaar met zeer beperkte contacten en nu al weer een lange onderbreking (te lang) geduurd. Het niet denkbeeldige gevaar is dat bij een hoger beroep door de moeder (de kinderen blijven dan mogelijk in Polen) de kinderen meer en meer vervreemden van hun vader en dat is in strijd met hun belangen namelijk van een evenwichtige sociaal-emotionele ontwikkeling. Dat de moeder wel zal gaan meewerken aan structureel contact tussen vader en de kinderen moet op de gronden die hiervoor zijn uiteengezet, ernstig worden betwijfeld. Indien de kinderen naar Nederland moeten komen, ook tijdens de hoger beroepsprocedure, betekent dat dat zij niet verstoken hoeven te blijven van het contact met hun moeder. Zij heeft het in de hand, door te kiezen voor de kinderen en dichterbij de kinderen haar leven in te richten, dat de kinderen zowel met hun vader als hun moeder kunnen opgroeien. Als ex-partners hebben partijen de vrije keuze om (elkaar loslatend als ex-partners) als ouders hun positie ten opzichte van elkaar te kiezen en vorm en inhoud te geven en er zo beiden voor de kinderen te zijn. Een en ander zouden partijen met deskundige begeleiders van het jeugdteam van de nieuwe Nederlandse woongemeente van de kinderen (of door dit team in te schakelen derden-deskundigen met een tolk voor de moeder) kunnen bespreken met als stip op de horizon een ouderschapsplan waarin zij hun afspraken over de kinderen neerleggen en met hun handtekening bevestigen.

Indien de kinderen volgens de Nederlandse appelrechter alsnog het hoofdverblijf bij hun moeder zouden krijgen, zou dát mogelijk kunnen worden vermeden door de uitspraak niet uitvoerbaar bij voorraad te verklaren.

Evenwel hebben de kinderen veel flexibiliteit en draagkracht met elkaar ten toon gespreid in de afgelopen 2 jaar en hebben ouders het ook dan in de hand om de kinderen daarbij zoveel mogelijk te begeleiden en te ondersteunen en contact met (in die situatie) hun vader wel op regelmatige basis mogelijk te maken.

2.51.

Het leren of opnieuw leren van de Nederlandse taal hoeft voor de kinderen, zo jong als ze zijn, geen probleem te zijn; de overstap naar Polen heeft laten zien dat zij een andere taal zich makkelijk (verder) eigen kunnen maken. De impact van de beslissing “uitvoerbaar bij voorraad” is naar het oordeel van de rechtbank minder ingrijpend dan van de beslissing zonder uitvoerbaarheid bij voorraad. Door die laatste beslissing zullen de kinderen immers (mogelijk onomkeerbaar) verder vervreemden van hun vader.

2.52.

Alles afwegende komt de rechtbank tot de conclusie dat het in het belang van de kinderen is dat de beschikking uitvoerbaarheid bij voorraad wordt verklaard.

2.53.

Naast deze beschikking zal gelijktijdig aan de vader, die daar ook om gevraagd heeft en daar ook belang bij heeft, het certificaat betreffende de terugkeer van de kinderen, bedoeld in artikel 42 lid 1 Verordening Brussel IIbis, zowel in de Nederlandse als de Poolse taal worden afgegeven zodat hij de tenuitvoerlegging van deze (terugkeer)beslissing kan realiseren.

2.54.

De kosten van deze procedure zullen tussen deze ex-echtelieden worden gecompenseerd zodanig dat ieder de eigen kosten draagt.

3 De beslissing

De rechtbank:

3.1.

bepaalt dat de minderjarige kinderen:

- [minderjarige 1] , geboren op [geboortedatum 1] te [geboorteplaats] , en

- [minderjarige 2] , geboren op [geboortedatum 2] te [geboorteplaats] ,

hun hoofdverblijfplaats zullen hebben bij de vader;

3.2.

bepaalt dat de minderjarige kinderen:

- [minderjarige 1] , geboren op [geboortedatum 1] te [geboorteplaats] , en

- [minderjarige 2] , geboren op [geboortedatum 2] te [geboorteplaats] ,

in het kader van de verdeling van de zorg- en opvoedingstaken, bij de moeder zullen verblijven onder begeleiding van een door het jeugdteam van de woongemeente van de kinderen aan te wijzen professionele jeugdhulpverlenende instantie, waarbij die professionals de regie hebben over de contacten en onder meer de duur, frequentie en de plaats in Nederland van die contacten bepalen;

3.3.

verklaart de beslissing met betrekking tot de hoofdverblijfplaats en de zorgregeling uitvoerbaar bij voorraad.

Deze beschikking is gegeven door mr. P.H.J. Frénay, rechter, tevens kinderrechter, en in het openbaar uitgesproken in tegenwoordigheid de griffier, op 25 augustus 2020.

Tegen deze beschikking kan - voor zover er definitief is beslist - door tussenkomst van een advocaat hoger beroep worden ingesteld bij het gerechtshof te 's-Hertogenbosch. De verzoekende partij en verschenen belanghebbenden dienen het hoger beroep binnen de termijn van drie maanden na de dag van de uitspraak in te stellen. Andere belanghebbenden dienen het beroep in te stellen binnen drie maanden na de betekening van deze beschikking of nadat deze hun op andere wijze bekend is geworden en overeenkomstig artikel 820 lid 2 Rv openlijk bekend is gemaakt..