Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBLIM:2020:6598

Instantie
Rechtbank Limburg
Datum uitspraak
18-08-2020
Datum publicatie
04-09-2020
Zaaknummer
C/03/277879 / JE RK 20-1068
Rechtsgebieden
Personen- en familierecht
Bijzondere kenmerken
Beschikking
Inhoudsindicatie

Machtiging uithuisplaatsing verleend.

Ouders hebben niet aan de voorwaarden voldaan. Zij hebben niet, althans onvoldoende, meegewerkt. Het wordt tijd dat nu voortvarend diagnostiek en daarop gerichte hulp gaan plaatsvinden, zodat een start kan worden gemaakt met het wegnemen van de ernstige bedreiging van de ontwikkeling van de minderjarige.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

beschikking

RECHTBANK LIMBURG

Familie en jeugd

Zittingsplaats: Maastricht

Zaakgegevens : C/03/277879 / JE RK 20-1068

datum uitspraak: 18 augustus 2020

beschikking uithuisplaatsing

in de zaak van

de gecertificeerde instelling STICHTING BUREAU JEUGDZORG LIMBURG,

hierna te noemen de GI,

gevestigd te Roermond,

betreffende

[minderjarige] , geboren op [geboortedatum] te [geboorteplaats] ,

hierna te noemen [minderjarige] .

De kinderrechter merkt als belanghebbenden aan:

[de moeder] ,

hierna te noemen de moeder,

wonend op een geheim adres binnen het arrondissement van de rechtbank Limburg,

advocaat: mr. B.M.A. Jegers, kantoorhoudend te Heerlen,

[de vader] ,

hierna te noemen de vader,

wonend op een geheim adres binnen het arrondissement van de rechtbank Limburg,

advocaat: mr. B.H.S. Brinkman, kantoorhoudend te Heerlen.

Wederom gezien de stukken, waaronder de beschikking van de kinderrechter van

24 juni 2020.

Het verdere procesverloop


Het procesverloop blijkt uit de volgende stukken:

- een door de GI overgelegde voortgangsrapportage, met bijlagen, ingekomen bij de rechtbank op 12 augustus 2020;

- een door de GI overgelegd voortgangsrapport van Xonar, ingekomen bij de rechtbank op

14 augustus 2020.

Op 18 augustus 2020 heeft de kinderrechter de behandeling van de zaak voortgezet ter zitting met gesloten deuren.

Gehoord zijn:

- de vader,

- mr. L.H.G. Pelzer, waarnemend voor mr. Brinkman en mr. Jegers,

- een vertegenwoordiger van de GI.

Opgeroepen en niet verschenen is:

- de moeder.

De verdere beoordeling

In navolging van de beschikking van de kinderrechter van 24 juni 2020 heeft de GI een door hem opgesteld voortgangsverslag overgelegd dat betrekking heeft op de periode van 19 juni 2020 tot en met 7 augustus 2020. Daarnaast heeft de GI nog overgelegd:

  • -

    voortgangsverslag van dagbehandeling Xonar met daarbij een overzicht van contact momenten vanaf 22 juni 2020 tot en met 6 augustus 2020;

  • -

    incidentenregistratie [naam school] ( school van [minderjarige] ) vanaf 22 juni 2020 tot en met 9 juli 2020;

  • -

    terugkoppeling logopedie d.d. 24 juli 2020;

  • -

    terugkoppeling ergotherapie d.d. 29 juli 2020;

  • -

    voortgangsverslag diagnostiek/behandeling van 6 augustus 2020 van Xonar.

De GI handhaaft het verzoek. Volgens de GI blijkt uit deze verslagen dat de moeder geen bemoeienis van wie dan ook wil, niet meewerkt met de hulpverlening, met school, met de ergotherapie en met logopedie. Zij doet er alles aan om de GI buiten de deur te houden en de moeder heeft aangegeven niet meer te willen samenwerken met de huidige gezinsvoogdijwerker. Zij weigert haar telefoonnummer aan de GI te geven.

Door mr. Pelzer is onder andere aangegeven dat de ouders ondanks de strubbelingen en het moeizame verloop van de ondertoezichtstelling vrij recent hebben meegewerkt aan de dagbehandeling van [minderjarige] en toestemming hebben verleend voor het taxivervoer. Zij beseffen ook dat er een verandering moet komen in de onderlinge samenwerking, maar dat dit met kleine stappen gaat. Wel blijven de ouders moeite houden met de huidige gezinsvoogdijwerker. De ouders zien het nut van een uithuisplaatsing van [minderjarige] niet. [minderjarige] is een kwetsbaar kind die zijn ouders nodig heeft en de ouders kunnen het beste voor [minderjarige] zorgen. De ouders willen niet meewerken aan omgang tussen [minderjarige] en zijn biologische vader. Hoewel dit onderwerp nu niet ter discussie staat, hangt het wel met deze procedure samen.

De vader heeft onder andere aangevoerd dat het met de vorige gezinsvoogdijwerker wel goed liep. Toen was afgesproken dat hulp aan [minderjarige] zou worden verleend door [naam] en dat er alles aan gedaan zou worden om de omgang met de biologische vader te stoppen.

De huidige gezinsvoogdijwerker doet dat niet. De ouders willen niet meewerken aan de omgangsregeling van [minderjarige] met zijn biologische vader.

De kinderrechter verwijst naar de beschikking van 24 juni 2020, waarbij zij heeft geoordeeld dat de houding van de ouders, waardoor nog steeds de juiste diagnose en juiste hulp voor [minderjarige] ontbreken, noodzaakt om [minderjarige] uit huis te plaatsen. Omdat deze uithuisplaatsing ingrijpende gevolgen heeft voor [minderjarige] , heeft de kinderrechter de ouders nogmaals de kans geboden mee te werken met de GI en daartoe heeft zij in die beschikking duidelijk aangegeven wat van de ouders verwacht wordt in de samenwerking met de hulpverlening om een uithuisplaatsing van [minderjarige] te voorkomen.

Uit de overgelegde stukken en uit de verklaringen ter zitting blijkt dat de ouders de gestelde voorwaarden niet, althans onvoldoende zijn nagekomen. De moeder heeft op geen enkele wijze laten zien dat zij inziet dat [minderjarige] hulp nodig heeft en dat zij wil meewerken aan de noodzakelijke hulp. Zij heeft geweigerd haar telefoonnummer aan de GI te geven, is niet bereikbaar voor de GI en is afspraken voor thuisbezoeken niet nagekomen. De vader heeft weliswaar aangegeven dat de ouders toestemming hebben gegeven voor de dagbehandeling van [minderjarige] bij Xonar, maar gebleken is dat [minderjarige] maar twee keer naar die dagbehandeling is geweest. Van een bestendige medewerking is geen sprake.

Aan het argument van de ouders dat zij niet willen/kunnen samenwerken met de huidige gezinsvoogdijwerker en dat de samenwerking met andere gezinsvoogdijwerkers wel goed was, gaat de kinderrechter voorbij. [minderjarige] staat sinds maart 2016 onder toezicht van de GI, waarbij verschillende gezinsvoogdijwerkers een rol hebben gespeeld. Er is sinds 2016 bij de ouders een patroon zichtbaar van niet willen meewerken, afspraken afzeggen en hulpverlening en diagnostiek onmogelijk maken. Dit blijkt ook uit de eerdere beschikkingen met betrekking tot verlenging van de ondertoezichtstelling.

Ook het argument dat de ouders niet willen dat [minderjarige] contact heeft met zijn biologische vader snijdt geen hout, nog afgezien van het feit dat dit argument niet naar voren is gebracht tijdens de mondelinge behandeling van 19 juni 2020. De ondertoezichtstelling is gericht op het diagnosticeren van de problematiek van [minderjarige] en op het hulp bieden voor deze problematiek. Dat is door toedoen van de ouders nog steeds niet gelukt.

Door in voormelde beschikking van 24 juni 2020 voorwaarden aan de ouders te stellen, heeft de kinderrechter een laatste poging gedaan om de ouders te doen meewerken aan de noodzakelijke hulp voor [minderjarige] , maar de ouders hebben, zo staat vast, niet voldaan aan de voorwaarden. Het wordt tijd dat nu voortvarend diagnostiek en daarop gerichte hulp gaan plaatsvinden, zodat een start kan worden gemaakt met het wegnemen van de ernstige bedreiging van de ontwikkeling van [minderjarige] .

Daarom zal het verzoek worden toegewezen.

De beslissing

De kinderrechter:

verleent machtiging tot uithuisplaatsing van [minderjarige] , geboren op

[geboortedatum] te [geboorteplaats] , in een accommodatie zorgaanbieder 24-uurs, met ingang van

18 augustus 2020 tot uiterlijk 24 september 2020;

verklaart deze beschikking uitvoerbaar bij voorraad.

Deze beschikking is gegeven door mr. M.E. Salemans-Wijnen, kinderrechter, in tegenwoordigheid van E.H.C.M. Franssen-Peeters als griffier en in het openbaar uitgesproken op 18 augustus 2020 en schriftelijk vastgelegd op 1 september 2020.

Hoger beroep tegen deze beschikking kan worden ingesteld:

- door de verzoekers en degenen aan wie een afschrift van de beschikking is verstrekt of verzonden, binnen drie maanden na de dag van de uitspraak,

- door andere belanghebbenden binnen drie maanden na de betekening daarvan of nadat de beschikking aan hen op een andere wijze bekend is geworden.

Het hoger beroep moet, door tussenkomst van een advocaat, worden ingediend ter griffie van het gerechtshof
's-Hertogenbosch