Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBLIM:2020:6596

Instantie
Rechtbank Limburg
Datum uitspraak
03-09-2020
Datum publicatie
04-09-2020
Zaaknummer
03/702626-18 en 03/661138-18 (ter terechtzitting gevoegd)
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

Poging doodslag niet bewijsbaar. Bewezenverklaring teweegbrengen ontploffing met gemeen gevaar voor goederen en personen in en bij de woning van een politieagent. Bewezenverklaring voor stalking van ex-vriendin. De rechtbank veroordeelt de verdachte tot een gevangenisstraf van 4 jaar, waarvan 6 maanden voorwaardelijk met een proeftijd 3 jaren en bijzondere voorwaarden.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK LIMBURG

Zittingsplaats Roermond

Strafrecht

Parketnummer: 03/702626-18 en 03/661138-18 (ter terechtzitting gevoegd)

Tegenspraak

Vonnis van de meervoudige kamer d.d. 3 september 2020

in de strafzaak tegen

[verdachte] ,

geboren te [geboorteplaats] op [geboortedatum 1] 1992,

wonende te [adresgegevens verdachte] .

De verdachte wordt bijgestaan door mr. M.F.M. Geeratz, advocaat kantoorhoudende te Venlo.

1 Onderzoek van de zaak

De zaak is inhoudelijk behandeld op de zitting van 20 augustus 2020. De verdachte en zijn raadsman zijn verschenen. De officier van justitie en de verdediging hebben hun standpunten kenbaar gemaakt.

2 De tenlastelegging

De tenlastelegging is als bijlage aan dit vonnis gehecht.

De verdenking komt er, kort en feitelijk weergegeven, op neer dat de verdachte:

03/702626-18

feit 1: opzettelijk een vuurwerkbom tot ontploffing heeft gebracht bij een woning met gemeen gevaar voor goederen en levensgevaar en/of gevaar voor zwaar lichamelijk letsel voor personen. Subsidiair is dit ten laste gelegd als vernieling;

feit 2: heeft geprobeerd [slachtoffer 1] , [slachtoffer 2] en [slachtoffer 3] van het leven te beroven door met opzet een ontstoken vuurwerkbom door een raam van de voordeur naar binnen te gooien. Subsidiair is dit ten laste gelegd als het opzettelijk teweegbrengen van een ontploffing in een woning met gemeen gevaar voor goederen en levensgevaar en/of gevaar voor zwaar lichamelijk letsel voor personen. Meer subsidiair is dit ten laste gelegd als vernieling;

feit 3: in de periode van 1 maart 2018 tot en met 19 juli 2018 [slachtoffer 4] heeft belaagd. Subsidiair is dit ten laste gelegd als vernieling van de banden van de auto toebehorende aan [slachtoffer 5] .

03/661138-18

een of meer wapens en munitie van categorie III voorhanden heeft gehad.

3 De beoordeling van het bewijs

3.1

Het standpunt van de officier van justitie

De officier van justitie heeft zich primair, overeenkomstig het overgelegde schriftelijke requisitoir, op het standpunt gesteld dat de feiten 1 primair, 2 primair en 3 primair van de zaak met parketnummer 03/702626-18 wettig en overtuigend kunnen worden bewezen. De officier van justitie heeft zich voorts ten aanzien van parketnummer 03/661138-18 op het standpunt gesteld dat het feit wettig en overtuigend bewezen kan worden verklaard.

3.2

Het standpunt van de verdediging

De raadsman heeft, overeenkomstig de overgelegde schriftelijke pleitnota, het volgende bepleit.

De raadsman stelt ten aanzien van feit 1 van parketnummer 03/702626-18 dat de verdachte moet worden vrijgesproken van het onder 1 primair en subsidiair tenlastegelegde, nu het dossier onvoldoende wettig en overtuigend bewijs bevat.

Ten aanzien van feit 2 van parketnummer 03/702626-18 heeft de raadsman vrijspraak bepleit met betrekking tot de primair tenlastegelegde poging tot doodslag. Hij heeft daartoe ten eerste aangevoerd dat op basis van de bewijsmiddelen in het dossier niet wettig en overtuigend kan worden bewezen dat sprake was van een aanmerkelijke kans op de dood van de slachtoffers. De raadsman heeft ten tweede bepleit dat de verdachte integraal zal moeten worden vrijgesproken van het onder feit 2 tenlastegelegde omdat het dossier onvoldoende wettig bewijs bevat dat verdachte dit feit heeft gepleegd, nu de verdachte een alibi heeft rond het tijdstip van het incident. Verder heeft de raadsman ten aanzien van het subsidiair tenlastegelegde opzettelijk teweegbrengen van een ontploffing nog aangevoerd dat het dossier onvoldoende bewijs bevat voor de tenlastegelegde gevolgen, met uitzondering van het gemeen gevaar voor goederen.

Ten aanzien van feit 3 van parketnummer 03/702626-18 heeft de raadsman bepleit dat het feit wettig en overtuigend bewezen kan worden verklaard.

De raadsman stelt zich ten aanzien van het onder parketnummer 03/661138-18 op het standpunt dat de verdachte moet worden vrijgesproken, nu het dossier onvoldoende wettig en overtuigend bewijs bevat dat de verdachte de beschikkingsmacht had over de aangetroffen goederen.

3.3

Het oordeel van de rechtbank 1

3.3.1

Ten aanzien van parketnummer 03/702626-18

Bewijsmiddelen ten aanzien van feit 1 en 2

In de nacht van 25 december 2017 omstreeks 02:11 uur zit [slachtoffer 1] in de woonkamer van zijn woning aan de [adres] te Horst, en hoort hij een harde knal. In de gang ruikt hij kruitdamp en ziet hij een wolk van rook bij de voordeur. Tevens ziet hij glas in de gang liggen.2

Tijdens het sporenonderzoek wordt door verbalisanten waargenomen dat er schade is aan de onderste en bovenste ruit in de voordeur van de woning en de ruit naast de voordeur. Op de grond voor de voordeur en op de vloer aan de binnenzijde van de voordeur liggen diverse glasscherven afkomstig van de gebroken ruiten. Door de explosie is de voordeur ontzet en aan de buitenzijde van de voordeur, aan de linker onderzijde is een zwart en lichtbruin gekleurd waaierpatroon zichtbaar. Zeer waarschijnlijk betreffen dit kruitresten van het gebruikte explosief. Verspreid in de voortuin liggen diverse kleine stukjes papierrestanten.3

In de nacht van 12 februari 2018 omstreeks 01:40 uur wordt [slachtoffer 1] wederom wakker van een luide knal in zijn woning aan de [adres] te Horst. Hij ruikt een soort van brand-/kruitlucht en ziet beneden in de hal alles overhoop liggen.4

Tijdens het sporenonderzoek constateren verbalisanten dat de voordeur van de betreffende woning volledig is vernield. De houtverbindingen van de voordeur zijn vernield en het glas uit de deur is kapot. De deur van de gang naar de woonkamer is ontzet. Ook ruiken verbalisanten kruitdamp. In de gang van de woning en op het trottoir van de openbare weg worden glasscherven en diverse kartonnen fragmenten, zeer waarschijnlijk afkomstig van het gebruikte explosief aangetroffen. Op het plafond, de muren en vloer van de gang bevinden zich kruitresten. Gezien de zwartbruine verkleuring op de vloer, halverwege de gang, lijkt het zeer aannemelijk dat het gebruikte explosief naar binnen is gegooid.5

Op basis van het aanvullend explosievenonderzoek concludeert het Nederlands Forensisch Instituut (NFI) dat de explosie bij de woning aan de [adres] te Horst op 25 december 2017 vrijwel zeker veroorzaakt is door een Cobra 6. Het waaierpatroon op de voordeur en op de grond wijst uit dat de Cobra 6 op de stoep tegen het hout van de voordeur ontploft is. De glasscherven hebben hierbij onvoldoende kracht/snelheid meegekregen om tot dodelijk letsel door secundaire scherfafwijking te kunnen leiden. Voorts heeft het NFI geconcludeerd dat de explosie op 12 februari 2018 is veroorzaakt door een geïmproviseerd explosief dat vermoedelijk bestond uit een Cobra 6 die met zwarte tape aan een baksteen was bevestigd. De werking is hetzelfde maar de baksteen gedraagt zich tijdens de explosie als extra toegevoegd verschervingsmateriaal. Door de explosie spat de baksteen uiteen in vele scherven met diverse maten en met hoge snelheden. De explosie van de Coba met baksteen kan leiden tot dodelijk letsel wanneer de Cobra 6 zich tegen het hoofd, de nek of de romp van een onbeschermd persoon bevindt tijdens de explosie. Ook bestaat er voor een rechtopstaand persoon in de hal tijdens de explosie een kleine maar niet verwaarloosbare kans op dodelijk letsel door rondvliegende steenscherven. Buiten de hal van de woning is de kans op dodelijk letsel voor de steenscherven verwaarloosbaar, omdat muren, deuren en plafond de scherven opvangen. Door de explosie zijn ook glasscherven gevormd, maar die hadden onvoldoende kracht en snelheid om iemand dodelijk te kunnen treffen. Tot slot geeft het afsteken van de Cobra 6 in de woning brandgevaar.6

Getuige [slachtoffer 4] heeft verklaard dat de verdachte tegen haar heeft verteld dat hij op 25 december 2017 een vuurwerkbom zou gooien en dat hij haar om 03:00 uur ’s nachts zou bellen. Toen zij omstreeks 03:00 uur contact met hem had, vertelde hij dat hij het had gedaan, dat het gelukt was en dat hij thuis was. De verdachte had gezegd dat het om een Cobra 6 ging en dat hij de vuurwerkbom naar binnen zou gooien. Getuige [slachtoffer 4] heeft voorts met betrekking tot het gooien van een vuurwerkbom op 12 februari 2018 verklaard dat de verdachte tegen haar heeft verteld dat hij dit zou doen en dat hij het gedaan heeft.7

Vrijspraakoverweging ten aanzien van feit 2 primair

De rechtbank is, met de raadsman, van oordeel dat de verdachte moet worden vrijgesproken van de hem tenlastegelegde poging tot doodslag, omdat de vereiste aanmerkelijke kans op het overlijden van de slachtoffers niet uit de gebezigde bewijsmiddelen kan volgen. De rechtbank overweegt daartoe als volgt.

Nu vader, moeder en zoon zich op het moment van de ontploffing alle drie op de bovenverdieping bevonden, was er geen sprake van een aanmerkelijke kans dat zij door de ontploffing (en daaropvolgende verscherving) in de hal zouden komen te overlijden. De verdachte zal daarom worden vrijgesproken van de primair tenlastegelegde poging tot doodslag.

Bewijsoverwegingen ten aanzien van feit 1 primair en feit 2 subsidiair

Opzettelijk een ontploffing teweeg brengen

De rechtbank acht, gelet op het bovenstaande, bewezen dat zowel op 25 december 2017 als op 12 februari 2018 opzettelijk een ontploffing teweeg is gebracht bij de woning gelegen aan de [adres] te Horst. De vraag die de rechtbank dient te beantwoorden is of uit bovengenoemde bewijsmiddelen kan worden afgeleid dat de verdachte hiervoor verantwoordelijk is.

Getuige [slachtoffer 4] verklaart over de betrokkenheid van de verdachte bij beide voorvallen. De rechtbank acht de verklaring van getuige [slachtoffer 4] betrouwbaar nu deze op een aantal punten wordt bevestigd door andere bevindingen in het dossier. Zo verklaart getuige [slachtoffer 4] over een geheim nummer dat zij van de verdachte heeft gekregen zodat ze via dat nummer over ‘het bommen gooien’ konden spreken. In een WhatsApp-conversatie van 1 december 2017 tussen het nummer van de verdachte en het nummer van getuige [slachtoffer 4] zegt de verdachte dat hij haar eerder heeft proberen te bereiken omdat hij haar wat wilde zeggen met zijn geheim nummer. Als getuige [slachtoffer 4] vraagt wat hij dan wil zeggen, antwoordt de verdachte dat hij het net zo goed ‘hier’ (dus niet op het geheime nummer concludeert de rechtbank) kan zeggen en dan zegt hij ”ik ga vanaaf cobra gooien”. Als getuige [slachtoffer 4] vraagt of het al oudjaar is, antwoordt de verdachte: “voor die wout wel haha”. Later zegt hij dan nog “Ik ga zo naar Horst (…) moet nog ff wat afhandelen” (zie bladzijde 1184 van het dossier). Uit deze bevindingen is duidelijk af te leiden dat de verdachte van plan was met een Cobra 6 naar de woning van een politieman te Horst te gaan. Ook het bestaan van een geheim nummer waarmee hij hierover met getuige [slachtoffer 4] wil communiceren, wordt door vorenstaande berichten bevestigd. Verder wordt de verklaring van getuige [slachtoffer 4] ondersteund door het feit dat zij in de nacht van 25 december 2017 rond de klok van 3 uur daadwerkelijk WhatsApp contact met hem heeft gehad (zie bladzijde 184 en 191).

Gelet op het vorenstaande is de rechtbank van oordeel dat wettig en overtuigend bewezen is dat de verdachte tweemaal opzettelijk een ontploffing teweeg heeft gebracht bij de woning gelegen aan de [adres] te Horst. De eerste maal door op 25 december 2017 willens en wetens een ontstoken vuurwerkbom tegen de voordeur van genoemde woning te gooien, althans daar te deponeren. De tweede maal door op 12 februari 2018 een ontstoken vuurwerkbom door een raam van de voordeur van genoemde woning naar binnen te gooien.

De verdachte stelt een alibi te hebben omdat hij ten tijde waarop de delicten gepleegd zijn lange telefoongesprekken zou hebben gevoerd met zijn beste vrienden. Nu de telefoon van verdachte zich niet hoeft te bevinden op de plek waar de verdachte zich bevindt, levert deze omstandigheid op zichzelf genomen geen sluitend alibi op. De rechtbank acht het beroep op het hebben van een alibi niet geloofwaardig nu uit onderzoek is komen vast te staan dat beide gesprekken precies na 7200 seconden zijn afgebroken. Gebleken is dat dit door de provider automatisch gebeurt. De rechtbank betrekt bij het verwerpen van het alibi de omstandigheid dat na het afbreken van de gesprekken door de provider geen contact meer is geweest tussen de verdachte en degene met wie hij belde. Het verweer van de verdachte dat hij een alibi voor beide feiten heeft, wordt dan ook verworpen.

Gemeen gevaar voor goederen

De rechtbank is van oordeel dat bij beide voorvallen door de ontploffing gemeen gevaar voor goederen te duchten was, zoals bedoeld in artikel 157 van het Wetboek van Strafrecht. Door op 25 december 2017 een ontstoken vuurwerkbom, vrijwel zeker een Cobra 6, tegen de voordeur van de woning te gooien, althans daar te deponeren, was schade aan de woning voorzienbaar. Dit was eveneens het geval op 12 februari 2017, toen een ontstoken vuurwerkbom, vermoedelijk een Cobra 6 bevestigd aan een banksteen, door een raam van de voordeur in de woning werd gegooid. Het genoemde gevaar heeft zich ook verwezenlijkt nu er bij beide voorvallen aanzienlijke schade aan de voordeur, en op 12 februari 2018 ook in de gang van de woning is ontstaan.

Levensgevaar en gevaar voor zwaar lichamelijk letsel

Met de officier van justitie en de raadsman is de rechtbank van oordeel dat met betrekking tot feit 1 primair niet gesproken kan worden van te duchten levensgevaar en gevaar voor zwaar lichamelijk letsel voor personen, nu de ontploffing buiten bij de voordeur van de woning heeft plaatsgevonden. De verdachte zal van dit onderdeel van de tenlastelegging worden vrijgesproken.

Ten aanzien van feit 2 subsidiair heeft de raadsman zich op het standpunt gesteld dat niet bewezen kan worden dat door de ontploffing van de ontstoken vuurwerkbom in kwestie levensgevaar of gevaar voor zwaar lichamelijk letsel te duchten was.

De rechtbank verwerpt dit verweer en overweegt daartoe als volgt.

Wat betreft de gevaarzetting voor personen overweegt de rechtbank dat de ontploffing van de vuurwerkbom, vermoedelijk bestaande uit een Cobra 6 bevestigd aan een baksteen plaatsvond in de woning van de slachtoffers. In eerder genoemd aanvullend deskundigenrapport explosievenonderzoek staat vermeld dat de baksteen zich tijdens de explosie gedraagt als extra toegevoegd verschervingsmateriaal. In de processtukken wordt beschreven en is te zien dat deze verscherving voldoende krachtig was om gaatjes in de wc-deur, de halmuur en het plafond van de hal te slaan en dat de steenscherven tot op de bovenverdieping zijn geraakt. De explosie van een dergelijke vuurwerkbom kan leiden tot dodelijk letsel wanneer de Cobra 6 zich tegen het hoofd, de nek of romp van een persoon bevindt tijdens de explosie. Ook bestaat er voor een rechtopstaand persoon in de hal tijdens de explosie een kleine maar niet verwaarloosbare kans op dodelijk letsel door rondvliegende steenscherven. Uit de verklaring van aangever blijkt dat hij, zijn vrouw en zijn zoon zich op het moment van de ontploffing in de woning bevonden. Dit was ook volgens verwachting, gezien het tijdstip waarop de explosie teweeg is gebracht. De rechtbank is dan ook van oordeel dat het risico bestond dat een van de aanwezigen levensgevaarlijk dan wel zwaar gewond had kunnen raken, in ieder geval indien deze zich in de buurt van de hal of de wc had begeven. Bovendien bestond door de explosie het reële risico op het ontstaan van brand in de woning wat ook een kans op levensgevaar of zware verwonding met zich brengt. De rechtbank is gelet hierop van oordeel dat daarmee levensgevaar en gevaar voor zwaar lichamelijk letsel voor de zich in die woning bevindende personen te duchten was.

Ten aanzien van feit 3 primair

De rechtbank acht feit 3 primair, wettig en overtuigend bewezen, voor de periode van 1 april 2018 tot en met 19 juli 2018. De rechtbank zal volstaan met een opgave van de bewijsmiddelen, omdat de verdachte deze feiten heeft bekend en namens hem geen vrijspraak is bepleit (artikel 359, derde lid, Wetboek van Strafvordering).

De rechtbank acht het feit wettig en overtuigend bewezen gelet op:

  • -

    de bekennende verklaring van de verdachte afgelegd ter terechtzitting;

  • -

    het proces-verbaal van aangifte d.d. 30 april 2018;8

- het proces-verbaal van ontvangst klacht d.d. 30 april 2019;9

- het proces-verbaal van verhoor aangeefster d.d. 27 mei 2018;10

- het proces-verbaal van aangifte d.d. 6 juli 2018;11

3.3.2

Vrijspraakoverweging ten aanzien van parketnummer 03/661138-18

De rechtbank is van oordeel dat voor het tenlastegelegde feit wettig en overtuigend bewijs ontbreekt, zodat de verdachte hiervan moet worden vrijgesproken. De rechtbank overweegt hiertoe het volgende.

Op 19 juli 2018 werd tijdens de doorzoeking bij [naam bedrijf] in een afgeschermde ruimte in één van de loodsen een compleet ingerichte woning aangetroffen. Door verbalisanten werden in de woning onder andere twee gasrevolvers en munitie aangetroffen. Tevens werden in de woning goederen toebehorende aan de verdachte aangetroffen.

De verdachte heeft verklaard dat hij niet de bewoner van de woonruimte was. Wel kwam hij er geregeld met zijn ouders en met vrienden.

De rechtbank is van oordeel dat het dossier onvoldoende aanwijzingen bevat dat de verdachte de beschikkingsmacht had over de aangetroffen wapens en munitie. Op basis van de gebezigde bewijsmiddelen kan derhalve niet worden vastgesteld dat het ging om een permanente bewoning door verdachte. Ook werd door meerdere personen gebruik gemaakt van de woning en werden van meerdere personen spullen aangetroffen. De rechtbank zal de verdachte daarom vrijspreken van het tenlastegelegde voorhanden hebben van wapens en munitie van categorie III.

3.4

De bewezenverklaring

De rechtbank acht bewezen dat de verdachte

feit 1 primair:

op 25 december 2017 te Horst opzettelijk een ontploffing teweeg heeft gebracht door een ontstoken vuurwerkbom tegen de voordeur van een woning gelegen aan de [adres] te gooien, althans bij de voordeur van genoemde woning te deponeren, terwijl daarvan gemeen gevaar voor goederen, te weten voor die woning en de

zich in die woning bevindende goederen, te duchten was;

feit 2 subsidiair:

op 12 februari 2018 te Horst opzettelijk een ontploffing teweeg heeft gebracht door een ontstoken vuurwerkbom door een raam van de voordeur van een woning gelegen aan de [adres] naar binnen te gooien terwijl daarvan gemeen gevaar voor goederen, te weten voor die woning en de zich in die woning bevindende goederen en levensgevaar en gevaar voor zwaar lichamelijk letsel voor een ander of anderen, te weten voor de zich in

die woning bevindende personen, te duchten was;

feit 3 primair:

in de periode van 1 april 2018 tot en met 19 juli 2018 in elk geval in de gemeente Horst aan de Maas, althans in Nederland, wederrechtelijk stelselmatig opzettelijk inbreuk heeft gemaakt op eens anders persoonlijke levenssfeer, te weten die van [slachtoffer 4] ,

door meermalen

- telefonisch contact op te nemen met genoemde [slachtoffer 4] en

- SMS, whatsapp en e-mail berichten te sturen naar de GSM van genoemde

[slachtoffer 4] en

- genoemde [slachtoffer 4] met een door hem, verdachte, bestuurde auto (hinderlijk) te

volgen en

- één of meer band(en) van de door genoemde [slachtoffer 4] bestuurde auto, althans de

auto die deze [slachtoffer 4] ter beschikking had, te weten een personenauto merk

Ford, type Fiesta, kenteken [kenteken] , lek heeft gestoken althans geprikt

met het oogmerk die [slachtoffer 4] , te dwingen iets te doen, niet te doen, te dulden

en vrees aan te jagen;

De rechtbank acht niet bewezen hetgeen meer of anders is ten laste gelegd. De verdachte zal daarvan worden vrijgesproken.

4 De strafbaarheid van het bewezenverklaarde

Het bewezenverklaarde levert de volgende strafbare feiten op:

Ten aanzien van parketnummer 03/702626-18:

feit 1 primair:

opzettelijk een ontploffing teweeg brengen, terwijl daarvan gemeen gevaar voor

goederen te duchten is;

feit 2 subsidiair:

opzettelijk een ontploffing teweegbrengen, terwijl daarvan gemeen gevaar voor

goederen te duchten is en terwijl daarvan levensgevaar en gevaar voor zwaar lichamelijk letsel voor een ander te duchten is;

feit 3 primair:

belaging

Er zijn geen feiten of omstandigheden aannemelijk geworden die de strafbaarheid van de feiten uitsluiten.

5 De strafbaarheid van de verdachte

De klinisch psycholoog E.J. Muller en de psychiater T.W.D.P. van Os hebben in de zaak met parketnummer 03/702626-18 over de geestvermogens van de verdachte op 9 augustus 2019 een rapport uitgebracht. Zij hebben bij de verdachte een verstandelijke ontwikkelingsstoornis, mild van ernst geconstateerd. Deze beperking uit zich met name zodra de verdachte is overvraagd in complexe situaties. Door het einde van de relatie met [slachtoffer 4] is voor de verdachte een deel van zijn structuur weg gevallen en werd hij plots geconfronteerd met een onverwachte en emotionele gebeurtenis. Vanwege de dreiging van het wegvallen van die structuur is hij alles op alles gaan zetten om de oude situatie te herstellen. Dit is passend bij zijn gebrek aan zelfvertrouwen en gebrek aan begripsvermogen. De psycholoog en psychiater hebben daarom geadviseerd om de in feit 3 tenlastegelegde belaging in (licht) verminderde mate aan de verdachte toe te rekenen. De rechtbank is, mede op grond van dit advies, van oordeel dat de verdachte voor wat betreft feit 3 als licht verminderd toerekeningsvatbaar moet worden beschouwd.

De verdachte is derhalve strafbaar.

6 De straf en/of de maatregel

6.1

De vordering van de officier van justitie

De officier van justitie heeft op grond van hetgeen zij bewezen heeft geacht, gevorderd aan de verdachte op te leggen een gevangenisstraf voor de duur van 5 jaren. De officier van justitie heeft daarnaast gevorderd aan de verdachte een contactverbod met [slachtoffer 4] en de familie [familenaam] op te leggen voor de maximale duur van vijf jaar, als bedoeld in artikel 38v van het Wetboek van Strafrecht, met twee weken hechtenis per overtreding.

De officier van justitie heeft voorts verzocht tot opheffing van de schorsing van het bevel van voorlopige hechtenis van de verdachte.

6.2

Het standpunt van de verdediging

De raadsman heeft verzocht om de verdachte bij een bewezenverklaring te veroordelen tot een gevangenisstraf, korter of gelijk aan de duur die de verdachte in voorlopige hechtenis heeft doorgebracht.

6.3

Het oordeel van de rechtbank

Bij de bepaling van de op te leggen straf is gelet op de aard en ernst van hetgeen bewezen is verklaard, op de omstandigheden waaronder het bewezenverklaarde is begaan en op de persoon van de verdachte, zoals een en ander uit het onderzoek ter terechtzitting naar voren is gekomen.

Opzettelijk teweegbrengen ontploffing

De verdachte heeft zich tweemaal schuldig gemaakt aan het opzettelijk teweegbrengen van een flinke ontploffing door middel van een ontstoken vuurwerkbom. De verdachte heeft hierbij de eerste keer, op 25 december 2017 gebruik gemaakt van een zwaar explosief, vrijwel zeker een Cobra 6, die hij tegen de voordeur van de woning gelegen aan de [adres] te Horst heeft gegooid of heeft gedeponeerd. De tweede keer, op 12 februari 2018, heeft de verdachte gekozen voor een zwaarder middel door de Cobra 6 te verzwaren met een baksteen. De verdachte heeft het explosief door een ruit van de voordeur naar binnen gegooid, waardoor de ontstoken vuurwerkbom in de woning tot ontploffing is gebracht. De explosies vonden plaats midden in een woonwijk en midden in de nacht. Bovendien waren de acties van de verdachte gericht tegen een politieagent, die samen met zijn gezin in de genoemde woning woont. Hoewel de materiële schade aan de woning bij de eerste explosie op 25 december 2017 nog enigszins beperkt bleef tot de voordeur, richtte de tweede explosie op 12 februari 2018, mede door het bevestigen van de Cobra 6 op een baksteen, grote schade aan in de woning van de politieagent en zijn gezin. Voorts heeft de verdachte door het naar binnen gooien van het explosief de tweede keer een gevaarlijke situatie in het leven geroepen, waardoor levensgevaar en gevaar voor zwaar lichamelijk letsel voor de politieagent en zijn gezin is ontstaan, die op dat moment in de woning aanwezig waren. De acties van de verdachte hebben voor het gehele gezin ernstige gevoelens van angst en onveiligheid veroorzaakt. Bovendien hadden de gevolgen van het handelen van de verdachte vele malen ernstiger kunnen zijn, wanneer door de explosie bijvoorbeeld brand in de woning was ontstaan. Het is geenszins de verdienste van de verdachte dat er geen lichamelijk letsel is veroorzaakt.

Belaging

De verdachte heeft daarnaast zijn ex-vriendin [slachtoffer 4] gedurende een periode van ruim vier maanden belaagd. Hij deed dit onder andere door veelvuldig telefonisch contact te zoeken en SMS-, WhatsApp- en e-mailberichten te sturen. Daarnaast heeft hij haar in die periode ook (hinderlijk) gevolgd met de auto en heeft hij meermalen de banden van de auto die zij tot haar beschikking had lek gestoken. Hiermee wilde de verdachte afdwingen dat [slachtoffer 4] contact met hem had.

De verdachte heeft met zijn gedragingen zijn ex-vriendin angst aangejaagd en bij haar gevoelens van onveiligheid opgeroepen.

Oriëntatiepunten voor straftoemeting

Voor belaging en het opzettelijk teweegbrengen van een ontploffing heeft de rechtbank geen vaste oriëntatiepunten voor de straf. Afhankelijk van de ernst en de gevolgen van de belaging en het opzettelijk teweegbrengen van een ontploffing kan de strafsoort van een taakstraf oplopen naar een gevangenisstraf. Verder wordt doorgaans bij belaging een deel van de straf voorwaardelijk opgelegd. Als een van de voorwaarden wordt dan een behandeling ter voorkoming van recidive opgenomen.

Strafverzwarende omstandigheden

Nu de verdachte meerdere ernstige feiten heeft gepleegd, vallen taakstraffen en geldboetes als strafsoort af. Alleen een deels onvoorwaardelijke gevangenisstraf vindt de rechtbank voldoende om recht te doen aan de ernst van de feiten en de gevolgen voor de slachtoffers. Voor wat betreft de ontploffingen werkt strafverzwarend dat ze teweeg zijn gebracht midden in de nacht in een woonwijk, dat het tot twee keer toe is gebeurd waarbij verdachte de tweede keer ook nog eens heeft gekozen voor een zwaarder middel waarbij de ontploffing in een woning plaatsvond. Verder werkt strafverzwarend dat de acties van de verdachte waren gericht tegen een politieagent die eerder tijdens de uitvoering van zijn werkzaamheden met de verdachte in aanraking was gekomen. Het ging toen om een andere belaging van een eerdere ex-vriendin waarvoor de verdachte strafrechtelijk is veroordeeld. De bedoeling om een agent voor het verrichten van zijn werkzaamheden ‘terug te pakken’, is zeer kwalijk en kan absoluut niet getolereerd worden. Dat hierbij zelfs het gezin van de agent wordt betrokken werkt eveneens strafverzwarend.

De rechtbank zal voorts in het nadeel van de verdachte rekening houden met het feit dat hij blijkens zijn justitiële documentatie eerder is veroordeeld voor belaging.

Strafverminderende omstandigheden

De psycholoog en psychiater hebben in hun rapport de rechtbank geadviseerd de verdachte ten aanzien van de belaging van zijn ex-vriendin (licht) verminderd toerekeningsvatbaar te achten.

Voorwaardelijk strafdeel

Reclassering Nederland heeft op 13 mei 2020 een rapport over de verdachte opgemaakt. De reclassering adviseert een (deels) voorwaardelijke straf op te leggen met als bijzondere voorwaarden een meldplicht bij de reclassering, een ambulante behandeling en een contactverbod met de slachtoffers.

Klinisch psycholoog E.J. Muller en psychiater T.W.D.P. van Os hebben op 9 augustus 2019 in hun rapport gesteld dat ter voorkoming van recidive een behandeling op een forensische polikliniek geïndiceerd is. Zij adviseren deze behandeling in ambulante vorm op te leggen als bijzondere voorwaarde bij een voorwaardelijk strafdeel.

De rechtbank zal, gelet op het advies van de reclassering en het rapport van de psycholoog en psychiater, een deel van de voorgenomen straf voorwaardelijk opleggen en de verdachte reclasseringstoezicht opleggen. Dit voorwaardelijk strafdeel dient er toe de verdachte ervan te weerhouden in de toekomst opnieuw strafbare feiten te plegen. De rechtbank zal conform het advies van de reclassering een meldplicht en de ambulante behandeling als voorwaarden opnemen.

De rechtbank ziet conform het advies van de reclassering ook aanleiding om aan de verdachte contactverboden op te leggen nu het gedrag van de verdachte ten aanzien van de slachtoffers gestopt moet worden.

Straf

De rechtbank acht, alles afwegende, een gevangenisstraf voor de duur van 4 jaren, waarvan 6 maanden voorwaardelijk met aftrek van het voorarrest en met een proeftijd van 3 jaren op zijn plaats voor de door de verdachte gepleegde strafbare feiten. De rechtbank zal aan de voorwaardelijke straf de bijzondere voorwaarden verbinden als hierboven genoemd.

De op te leggen straf is lager dan door de officier van justitie geëist omdat de rechtbank anders dan de officier van justitie niet tot bewezenverklaring van een poging doodslag komt.

De rechtbank zal voorts beslissen tot opheffing van het geschorste bevel tot voorlopige hechtenis van de verdachte.

7 De benadeelde partijen en de schadevergoedingsmaatregel

7.1

Ten aanzien van de feiten 1 en 2 van parketnummer 03/702626-18

7.1.1

De vordering van de benadeelde partij [slachtoffer 1]

De benadeelde partij [slachtoffer 1] heeft een vordering ingediend met betrekking tot de geleden schade als gevolg van de onder feit 1 en 2 van de zaak met parketnummer 03/702626-18 ten laste gelegde feiten. Hij heeft een schadevergoeding gevorderd van € 3.000, bestaande uit immateriële schade. Tevens heeft de benadeelde partij verzocht de schadevergoedingsmaatregel op te leggen en het bedrag te vermeerderen met de wettelijke rente.

7.1.2

De vordering van de benadeelde partij [slachtoffer 2]

De benadeelde partij [slachtoffer 2] heeft een vordering ingediend met betrekking tot de geleden schade als gevolg van de onder feit 1 en 2 van de zaak met parketnummer 03/702626-18 ten laste gelegde feiten. Zij heeft een schadevergoeding gevorderd van
€ 2.000, bestaande uit immateriële schade. Tevens heeft de benadeelde partij verzocht de schadevergoedingsmaatregel op te leggen en het bedrag te vermeerderen met de wettelijke rente.

7.1.3

De vordering van de benadeelde partij [slachtoffer 3]

De benadeelde partij [slachtoffer 3] heeft een vordering ingediend met betrekking tot de geleden schade als gevolg van de onder feit 1 en 2 van de zaak met parketnummer 03/702626-18 ten laste gelegde feiten. Hij heeft een schadevergoeding gevorderd van
€ 1.000, bestaande uit immateriële schade. Tevens heeft de benadeelde partij verzocht de schadevergoedingsmaatregel op te leggen en het bedrag te vermeerderen met de wettelijke rente.

7.1.4

De vordering van de benadeelde partij [benadeelde]

De benadeelde partij [benadeelde] heeft een vordering ingediend met betrekking tot de geleden schade als gevolg van de onder feit 1 en 2 van de zaak met parketnummer 03/702626-18 ten laste gelegde feiten. Zij heeft een schadevergoeding gevorderd van
€ 1.000, bestaande uit immateriële schade. Tevens heeft de benadeelde partij verzocht de schadevergoedingsmaatregel op te leggen en het bedrag te vermeerderen met de wettelijke rente.

7.1.5

Het standpunt van de officier van justitie

De officier van justitie heeft gerekwireerd tot onverkorte toewijzing van alle voornoemde vorderingen. De officier van justitie heeft voorts verzocht ten aanzien van alle voornoemde vorderingen de wettelijke rente en de schadevergoedingsmaatregel op te leggen.

7.1.6

Het standpunt van de verdediging

De raadsman heeft ten aanzien van alle voornoemde vorderingen verzocht de benadeelde partijen niet-ontvankelijk in de vordering te verklaren, gelet op de bepleite vrijspraak.

7.1.7

Het oordeel van de rechtbank

De onder feit 1 primair en feit 2 subsidiair ten laste gelegde feiten zijn bewezen verklaard. Dit zijn strafbaar feiten en aan de verdachte zal voor deze feiten een straf worden opgelegd. De rechtbank is van oordeel dat aannemelijk is geworden dat door de benadeelde partijen als gevolg van de bewezenverklaarde strafbare feiten immateriële schade is geleden en dat deze schade het rechtstreeks gevolg is van het tweemaal opzettelijk teweeg brengen van een ontploffing bij de woning van de slachtoffers. Alle voornoemde benadeelde partijen zijn dan ook ontvankelijk in hun vordering.

Totale schade en wettelijke rente

Nu is komen vast te staan dat aan de benadeelden als gevolg van de bewezenverklaarde strafbare feiten rechtstreeks schade is toegebracht en de verdachte de omvang van de immateriële schade niet heeft betwist zal de schade worden toegewezen zoals gevorderd.

De rechtbank zal de verdachte daarom veroordelen tot betaling van alle gevorderde, hierna in het dictum te melden bedragen, te vermeerderen met de wettelijke rente over die bedragen, te rekenen vanaf 18 januari 2017 tot de dag der algehele voldoening.

Schadevergoedingsmaatregel

De rechtbank zal tevens aan de verdachte de verplichting opleggen aan de Staat de gevorderde, hierna in het dictum te melden bedragen te betalen, bij gebreke van betaling en verhaal te vervangen door gijzeling van hierna in het dictum te melden duur, te vermeerderen met de wettelijke rente over dat bedrag te rekenen vanaf 25 december 2017 tot de dag der algehele voldoening, te betalen ten behoeve van voornoemde benadeelde partijen, zoals hierna in het dictum genoemd.

Kostenveroordeling

De rechtbank zal over de vorderingen van de benadeelde partijen, overeenkomstig het hiervoor overwogene, beslissen zoals hierna is vermeld, alsmede over de kosten die door de benadeelde partijen zijn gemaakt, tot op heden begroot op nihil.

7.2

Ten aanzien van feit 3 van parketnummer 03/702626-18

7.2.1

De vordering van de benadeelde partij [slachtoffer 4]

De benadeelde partij [slachtoffer 4] heeft een vordering ingediend met betrekking tot de geleden schade als gevolg van het onder feit 3 van de zaak met parketnummer 03/702626-18 ten laste gelegde feit. Zij heeft een schadevergoeding gevorderd van € 19.434,15 aan materiële schade en € 1.600,-, bestaande uit immateriële schade. Tevens heeft de benadeelde partij verzocht de schadevergoedingsmaatregel op te leggen en het bedrag te vermeerderen met de wettelijke rente.

7.2.2

Het standpunt van de officier van justitie

De officier van justitie acht de gevorderde materiële schade voor wat betreft de vervanging en reparatie van autobanden volledig toewijsbaar. Zij acht de gevorderde materiële schade voor wat betreft het eigen risico, de vergoeding ingezette tijd en de opgelopen studievertraging, niet-ontvankelijk. De officier van justitie acht de gevorderde reiskosten toewijsbaar tot een bedrag van €26,44. Zij acht de gevorderde reiskosten met betrekking tot de bezoeken aan de psycholoog en Veilig Thuis niet-ontvankelijk. De officier van justitie acht immateriële schade geheel toewijsbaar voor een bedrag van € 1.600,00. Voorts heeft de officier van justitie verzocht de wettelijke rente en de schadevergoedingsmaatregel op te leggen.

7.2.3

Het standpunt van de verdediging

De raadsman heeft verzocht de benadeelde partij niet-ontvankelijk in haar vordering te verklaren, nu de behandeling hiervan een onevenredige belasting van het strafgeding oplevert.

7.2.4

Het oordeel van de rechtbank

Het onder 3 ten laste gelegde feit is bewezen verklaard. Dit is een strafbaar feit en aan de verdachte zal voor dit feit een straf worden opgelegd. De rechtbank is van oordeel dat aannemelijk is geworden dat door de benadeelde partij als gevolg van het bewezenverklaarde strafbare feit zowel materiële als immateriële schade is geleden en dat deze schade het rechtstreeks gevolg is van de belaging. De benadeelde partij is dan ook ontvankelijk in haar vordering.

Materiële schade

De rechtbank is van oordeel dat de gevorderde materiële schade voor wat betreft de vervanging en reparatie van de autobanden van € 1.194,35 geheel voor toewijzing in aanmerking komt, nu verdachte ter zitting heeft bekend meermaals de autobanden van het slachtoffer te hebben lek gestoken zodat vast is komen te staan dat deze kosten een rechtstreeks gevolg zijn van het door de verdachte gepleegde feit.

De rechtbank is van oordeel dat de gevorderde materiële schade voor wat betreft het eigen risico, de vergoeding ingezette tijd en de opgelopen studievertraging, niet-ontvankelijk moeten worden verklaard. Niet is eenvoudig vast te stellen of deze kosten verbonden aan de door de benadeelde partij beschreven psychische gevolgen een rechtstreeks gevolg zijn van het door de verdachte gepleegde feit. Hierbij betrekt de rechtbank dat het slachtoffer ook voorafgaand aan het strafbare feit al psychische klachten had.

De rechtbank is daarom ook van oordeel dat de gevorderde reiskosten, met uitzondering van de reiskosten met betrekking tot de bezoeken aan de psycholoog en Veilig Thuis toewijsbaar zijn. In totaal zal de rechtbank € 20,39 aan reiskosten toewijzen, voor het overige zal de vordering niet-ontvankelijk worden verklaard.

De rechtbank zal de in totaal toe te wijzen materiële schade vaststellen op een bedrag van
€ 1.214,74.

Immateriële schade

De omvang van de schade is in dit geval niet eenvoudig vast te stellen omdat het slachtoffer voorafgaand aan het strafbare feit reeds psychische klachten had. Het vaststellen welke deel van haar klachten is toe te rekenen aan het strafbare feit zou een onevenredige belasting van het strafgeding opleveren. Gelet op de aard van het bewezenverklaarde is het echter een ervaringsregel dat daardoor bij een slachtoffer in ieder geval immateriële schade van enige omvang wordt veroorzaakt. De rechtbank zal deze immateriële schade vaststellen op een bedrag van € 1.000,00 en de benadeelde partij voor het overige gedeelte niet-ontvankelijk verklaren in haar vordering. Voor dat deel van de vordering kan zij zich desgewenst tot de burgerlijke rechter wenden.

Totale schade en wettelijke rente

De rechtbank zal de hiervoor genoemde schade aldus vaststellen op een bedrag van
€ 2.214,74. De verdachte is naar burgerlijk recht aansprakelijk voor deze schade. De rechtbank zal de verdachte daarom veroordelen tot betaling van dat bedrag, te vermeerderen met de wettelijke rente over dat bedrag, te rekenen vanaf 4 september 2019 tot de dag der algehele voldoening.

Schadevergoedingsmaatregel

De rechtbank zal tevens aan de verdachte de verplichting opleggen aan de staat een bedrag van € 2.214,74, te vermeerderen met de wettelijke rente over dat bedrag te rekenen vanaf 19 juli 2018 tot de dag der algehele voldoening, bij gebreke van betaling en verhaal te vervangen door gijzeling voor de duur van 32 dagen, te betalen ten behoeve van [slachtoffer 4] , zoals hierna in het dictum genoemd.

Kostenveroordeling

De rechtbank zal over de vordering van de benadeelde partij, overeenkomstig het hiervoor overwogene, beslissen zoals hierna is vermeld, alsmede over de kosten die door de benadeelde partij zijn gemaakt, thans begroot op nihil.

8 Het beslag

De rechtbank zal conform de eis van de officier van justitie het volgende beslissen.

Onttrekking aan het verkeer

De rechtbank is van oordeel dat de inbeslaggenomen wapens en munitie vatbaar zijn voor onttrekking aan het verkeer, daar deze bij gelegenheid van het onderzoek naar de door de verdachte begane feiten bij de verdachte zijn aangetroffen en van zodanige aard zijn, dat het ongecontroleerd bezit daarvan in strijd is met de wet.

Verbeurdverklaring

De rechtbank zal beslissen tot verbeurdverklaring van de volgende inbeslaggenomen goederen:

  • -

    One touch telefoon dual sim;

  • -

    Apple iPhone 6 S;

  • -

    Apple iPad;

  • -

    simkaarthouders;

9 De wettelijke voorschriften

De beslissing berust op de artikelen 14a, 14b, 14c, 27, 36b, 36d, 36f, 57, 157 en 285b van het Wetboek van Strafrecht en de artikelen, zoals deze artikelen luidden ten tijde van het bewezenverklaarde.

10 De beslissing

De rechtbank:

Vrijspraak

- spreekt de verdachte vrij van het onder parketnummer 03/702626-18 onder feit 2 primair ten laste gelegde feit en het onder parketnummer 03/661138-18 ten laste gelegde feit;

Bewezenverklaring

  • -

    verklaart het tenlastegelegde bewezen zoals hierboven onder 3.4 is omschreven;

  • -

    spreekt de verdachte vrij van wat meer of anders is ten laste gelegd;

Strafbaarheid

  • -

    verklaart dat het bewezenverklaarde de strafbare feiten oplevert zoals hierboven onder 4 is omschreven;

  • -

    verklaart de verdachte strafbaar;

Straf

  • -

    veroordeelt de verdachte tot een gevangenisstraf van 4 jaren, waarvan 6 maanden voorwaardelijk, met een proeftijd van 3 jaren;

  • -

    beveelt dat de tijd die door de veroordeelde vóór de tenuitvoerlegging van deze uitspraak in voorarrest is doorgebracht, bij de uitvoering van deze gevangenisstraf in mindering zal worden gebracht;

  • -

    bepaalt dat het voorwaardelijke gedeelte van de straf niet ten uitvoer zal worden gelegd, tenzij de rechter later anders mocht gelasten, omdat de veroordeelde voor het einde van een proeftijd van 3 jaren zich aan een strafbaar feit heeft schuldig gemaakt dan wel de hierna te noemen bijzondere voorwaarden niet heeft nageleefd;

  • -

    stelt de volgende bijzondere voorwaarden, waaraan de veroordeelde gedurende de proeftijd heeft te voldoen:

  1. dat de veroordeelde zich binnen drie dagen na het ingaan van de proeftijd zal melden bij Reclassering Nederland. De veroordeelde blijft zich melden op afspraken met de reclassering, zo vaak en zolang de reclassering dat nodig acht om het reclasseringstoezicht uit te voeren;

  2. dat de veroordeelde zich laat behandelen door FPP De Horst of een soortgelijke zorgverlener, te bepalen door de reclassering. De behandeling start zo snel mogelijk en duurt de gehele proeftijd of zoveel korter als de reclassering nodig acht. De veroordeelde houdt zich aan de huisregels en de aanwijzingen die de zorgverlener geeft voor de behandeling. Het innemen van medicijnen kan onderdeel zijn van de behandeling.

- stelt voorts de volgende bijzondere voorwaarden, waaraan de veroordeelde gedurende de proeftijd heeft te voldoen:

dat de veroordeelde gedurende de proeftijd van 3 jaren op geen enkele wijze - direct of indirect - contact zal opnemen, zoeken of hebben met [slachtoffer 1] , geboren op [geboortedatum 2] , zolang het Openbaar Ministerie dit verbod nodig vindt. De politie ziet toe op handhaving van dit contactverbod.

dat de veroordeelde gedurende de proeftijd van 3 jaren op geen enkele wijze - direct of indirect - contact zal opnemen, zoeken of hebben met [slachtoffer 2] , geboren op [geboortedatum 3] , zolang het Openbaar Ministerie dit verbod nodig vindt. De politie ziet toe op handhaving van dit contactverbod.

dat de veroordeelde gedurende de proeftijd van 3 jaren op geen enkele wijze - direct of indirect - contact zal opnemen, zoeken of hebben met [slachtoffer 3] , geboren op [geboortedatum 4] , zolang het Openbaar Ministerie dit verbod nodig vindt. De politie ziet toe op handhaving van dit contactverbod.

dat de veroordeelde gedurende de proeftijd van 3 jaren op geen enkele wijze - direct of indirect - contact zal opnemen, zoeken of hebben met [benadeelde] , geboren op [geboortedatum 5] , zolang het Openbaar Ministerie dit verbod nodig vindt. De politie ziet toe op handhaving van dit contactverbod.

dat de veroordeelde gedurende de proeftijd van 3 jaren op geen enkele wijze - direct of indirect - contact zal opnemen, zoeken of hebben met [slachtoffer 4] , geboren op [geboortedatum 6] , zolang het Openbaar Ministerie dit verbod nodig vindt. De politie ziet toe op handhaving van dit contactverbod.

  • -

    geeft aan de reclasseringsinstelling de opdracht als bedoeld in artikel 14c, zesde lid, van het Wetboek van Strafrecht toezicht te houden op de naleving van de voorwaarden en de veroordeelde ten behoeve daarvan te begeleiden;

  • -

    voorwaarden daarbij zijn dat de veroordeelde gedurende de proeftijd:

  1. ten behoeve van het vaststellen van zijn identiteit medewerking zal verlenen aan het nemen van een of meer vingerafdrukken of een identiteitsbewijs als bedoeld in artikel 1 van de Wet op de identificatieplicht ter inzage aanbiedt;

  2. medewerking zal verlenen aan het reclasseringstoezicht, bedoeld in artikel 14c, zesde lid, van het Wetboek van Strafrecht, de medewerking aan huisbezoeken en het zich melden bij de reclassering zo vaak en zolang als de reclassering dit noodzakelijk acht, daaronder begrepen;

- heft op de schorsing van het bevel tot voorlopige hechtenis met ingang van heden;

Benadeelde partijen en schadevergoedingsmaatregelen

  • -

    wijst de vordering van de benadeelde partij [slachtoffer 1], ten aanzien van de feiten 1 en 2 van parketnummer 03/702626-18 toe;

  • -

    veroordeelt de verdachte om tegen behoorlijk bewijs van kwijting aan de benadeelde partij, [slachtoffer 1], te betalen een bedrag van € 3.000,00, bestaande uit immateriële schade, te vermeerderen met de wettelijke rente te berekenen over de periode van 25 december 2017 tot aan de dag van de volledige voldoening;

  • -

    veroordeelt de verdachte in de kosten door de benadeelde partij in het kader

van deze procedure gemaakt en ten behoeve van de tenuitvoerlegging nog te

maken, begroot tot heden op nihil;

  • -

    legt aan de verdachte de verplichting om, ten behoeve van de benadeelde partij, aan de Staat te betalen een bedrag van € 3.000,00, te vermeerderen met de wettelijke rente over dat bedrag te rekenen vanaf 25 december 2017 tot de dag der algehele voldoening, bij gebreke van betaling en verhaal te vervangen door 40 dagen gijzeling, met dien verstande dat de toepassing van de gijzeling de opgelegde betalingsverplichting niet opheft;

  • -

    bepaalt dat, indien de verdachte heeft voldaan aan de verplichting tot betaling aan de Staat daarmee de verplichting tot betaling aan de benadeelde partij in zoverre komt te vervallen en andersom dat, indien de verdachte heeft voldaan aan de verplichting tot betaling aan de benadeelde partij daarmee de verplichting tot betaling aan de Staat in zoverre komt te vervallen;

  • -

    wijst de vordering van de benadeelde partij [slachtoffer 2], ten aanzien van de feiten 1 en 2 van parketnummer 03/702626-18 toe;

  • -

    veroordeelt de verdachte om tegen behoorlijk bewijs van kwijting aan de benadeelde partij, [slachtoffer 2], te betalen een bedrag van € 2.000,00, bestaande uit immateriële schade, te vermeerderen met de wettelijke rente te berekenen over de periode van 25 december 2017 tot aan de dag van de volledige voldoening;

  • -

    veroordeelt de verdachte in de kosten door de benadeelde partij in het kader

van deze procedure gemaakt en ten behoeve van de tenuitvoerlegging nog te

maken, begroot tot heden op nihil;

  • -

    legt aan de verdachte de verplichting om, ten behoeve van de benadeelde partij, aan de Staat te betalen een bedrag van € 2.000,00, te vermeerderen met de wettelijke rente over dat bedrag te rekenen vanaf 25 december 2017 tot de dag der algehele voldoening, bij gebreke van betaling en verhaal te vervangen door 30 dagen gijzeling, met dien verstande dat de toepassing van de gijzeling de opgelegde betalingsverplichting niet opheft;

  • -

    bepaalt dat, indien de verdachte heeft voldaan aan de verplichting tot betaling aan de Staat daarmee de verplichting tot betaling aan de benadeelde partij in zoverre komt te vervallen en andersom dat, indien de verdachte heeft voldaan aan de verplichting tot betaling aan de benadeelde partij daarmee de verplichting tot betaling aan de Staat in zoverre komt te vervallen;

  • -

    wijst de vordering van de benadeelde partij [slachtoffer 3], ten aanzien van de feiten 1 en 2 van parketnummer 03/702626-18 toe;

  • -

    veroordeelt de verdachte om tegen behoorlijk bewijs van kwijting aan de benadeelde partij, [slachtoffer 3], te betalen een bedrag van € 1.000,00, bestaande uit immateriële schade, te vermeerderen met de wettelijke rente te berekenen over de periode van 25 december 2017 tot aan de dag van de volledige voldoening;

  • -

    veroordeelt de verdachte in de kosten door de benadeelde partij in het kader

van deze procedure gemaakt en ten behoeve van de tenuitvoerlegging nog te

maken, begroot tot heden op nihil;

  • -

    legt aan de verdachte de verplichting om, ten behoeve van de benadeelde partij, aan de Staat te betalen een bedrag van € 1.000,00, te vermeerderen met de wettelijke rente over dat bedrag te rekenen vanaf 25 december 2017 tot de dag der algehele voldoening, bij gebreke van betaling en verhaal te vervangen door 20 dagen gijzeling, met dien verstande dat de toepassing van de gijzeling de opgelegde betalingsverplichting niet opheft;

  • -

    bepaalt dat, indien de verdachte heeft voldaan aan de verplichting tot betaling aan de Staat daarmee de verplichting tot betaling aan de benadeelde partij in zoverre komt te vervallen en andersom dat, indien de verdachte heeft voldaan aan de verplichting tot betaling aan de benadeelde partij daarmee de verplichting tot betaling aan de Staat in zoverre komt te vervallen;

  • -

    wijst de vordering van de benadeelde partij [benadeelde], ten aanzien van de feiten 1 en 2 van parketnummer 03/702626-18 toe;

  • -

    veroordeelt de verdachte om tegen behoorlijk bewijs van kwijting aan de benadeelde partij, [benadeelde], te betalen een bedrag van € 1.000,00, bestaande uit immateriële schade, te vermeerderen met de wettelijke rente te berekenen over de periode van 25 december 2017 tot aan de dag van de volledige voldoening;

  • -

    veroordeelt de verdachte in de kosten door de benadeelde partij in het kader

van deze procedure gemaakt en ten behoeve van de tenuitvoerlegging nog te

maken, begroot tot heden op nihil;

  • -

    legt aan de verdachte de verplichting om, ten behoeve van de benadeelde partij, aan de Staat te betalen een bedrag van € 1.000,00, te vermeerderen met de wettelijke rente over dat bedrag te rekenen vanaf 25 december 2017 tot de dag der algehele voldoening, bij gebreke van betaling en verhaal te vervangen door 20 dagen gijzeling, met dien verstande dat de toepassing van de gijzeling de opgelegde betalingsverplichting niet opheft;

  • -

    bepaalt dat, indien de verdachte heeft voldaan aan de verplichting tot betaling aan de Staat daarmee de verplichting tot betaling aan de benadeelde partij in zoverre komt te vervallen en andersom dat, indien de verdachte heeft voldaan aan de verplichting tot betaling aan de benadeelde partij daarmee de verplichting tot betaling aan de Staat in zoverre komt te vervallen;

  • -

    wijst de vordering van de benadeelde partij [slachtoffer 4], ten aanzien van feit 3 van parketnummer 03/702626-18 toe;

  • -

    veroordeelt de verdachte om tegen behoorlijk bewijs van kwijting aan de benadeelde partij, [slachtoffer 4], te betalen een bedrag van € 2.214,74, bestaande uit immateriële schade, te vermeerderen met de wettelijke rente te berekenen over de periode van 19 juli 2018 tot aan de dag van de volledige voldoening;

- verklaart de benadeelde partij in het overige deel van de vordering tot vergoeding van de schade niet-ontvankelijk en bepaalt dat de benadeelde partij dat deel van de vordering slechts bij de burgerlijke rechter kan aanbrengen;

- veroordeelt de verdachte in de kosten door de benadeelde partij in het kader

van deze procedure gemaakt en ten behoeve van de tenuitvoerlegging nog te

maken, begroot tot heden op nihil;

  • -

    legt aan de verdachte de verplichting om, ten behoeve van de benadeelde partij, aan de Staat te betalen een bedrag van € 2.214,74, te vermeerderen met de wettelijke rente over dat bedrag te rekenen vanaf 19 juli 2018 tot de dag der algehele voldoening, bij gebreke van betaling en verhaal te vervangen door 32 dagen gijzeling, met dien verstande dat de toepassing van de gijzeling de opgelegde betalingsverplichting niet opheft;

  • -

    bepaalt dat, indien de verdachte heeft voldaan aan de verplichting tot betaling aan de Staat daarmee de verplichting tot betaling aan de benadeelde partij in zoverre komt te vervallen en andersom dat, indien de verdachte heeft voldaan aan de verplichting tot betaling aan de benadeelde partij daarmee de verplichting tot betaling aan de Staat in zoverre komt te vervallen;

Beslag

- onttrekt aan het verkeer de volgende in beslag genomen voorwerpen:

  • -

    1 STK Revolver;

  • -

    1 STK Revolver

  • -

    5 DS Munitie

- verklaart verbeurd de volgende in beslag genomen voorwerpen:

  • -

    One Touch telefoon dual sim;

  • -

    Apple iPhone 6S;

  • -

    Apple iPad;

  • -

    Simkaarthouders.

Dit vonnis is gewezen door mr. R.J.M.G. Rulkens, voorzitter, mr. drs. J.M.A. van Atteveld, en mr. A.M. Koster-van der Linden, rechters, in tegenwoordigheid van mr. M.H.C. van den Munckhof, griffier, en uitgesproken ter openbare zitting van 3 september 2020.

Buiten staat

Mr. R.J.M.G. Rulkens en mr. drs. J.M.A. van Atteveld zijn niet in de gelegenheid dit vonnis mede te ondertekenen.

BIJLAGE I: De tenlastelegging

Aan de verdachte is ten laste gelegd dat

1.

hij op of omstreeks 25 december 2017 te Horst, in elk geval in de gemeente

Horst aan de Maas,

opzettelijk een ontploffing teweeg heeft gebracht door een ontstoken

vuurwerkbom, in elk geval een ontstoken explosief, tegen de voordeur van een

woning, gelegen aan de [adres] te gooien, althans bij de

voordeur van genoemde woning te deponeren,

terwijl daarvan gemeen gevaar voor goederen, te weten voor die woning en de

zich in die woning bevindende goederen en/of levensgevaar en/of gevaar voor

zwaar lichamelijk letsel voor een ander of anderen, te weten voor de zich in

die woning bevindende personen, te duchten was;

Subsidiair, althans, indien het vorenstaande niet tot een veroordeling mocht of

zou kunnen leiden, dat:

hij op of omstreeks 25 december 2017 te Horst opzettelijk en wederrechtelijk

een woning gelegen aan de [adres] , geheel of ten dele toebehorende

aan [slachtoffer 1] , althans aan een ander of anderen dan aan verdachte,

heeft vernield en/of beschadigd en/of onbruikbaar gemaakt;

2.

hij op of omstreeks 12 februari 2018 te Horst, in elk geval in de gemeente

Horst aan de Maas,

ter uitvoering van het door verdachte voorgenomen misdrijf om [slachtoffer 1]

en/of [slachtoffer 2] en/of [slachtoffer 3] opzettelijk van het leven

te beroven, met dat opzet een ontstoken vuurwerkbom, in elk geval een

ontstoken explosief, door een raam van de voordeur van een woning, gelegen aan

de [adres] , naar binnen heeft gegooid, terwijl de uitvoering

van dat voorgenomen misdrijf niet is voltooid;

Subsidiair, althans, indien het vorenstaande niet tot een veroordeling mocht of

zou kunnen leiden, dat:

hij op of omstreeks 12 februari 2018 te Horst, in elk geval in de gemeente

Horst aan de Maas,

opzettelijk een ontploffing teweeg heeft gebracht door een ontstoken

vuurwerkbom, in elk geval een ontstoken explosief, door een raam van de

voordeur van een woning, gelegen aan de [adres] , naar binnen

te gooien

terwijl daarvan gemeen gevaar voor goederen, te weten voor die woning en de

zich in die woning bevindende goederen, en/of levensgevaar en/of gevaar voor

zwaar lichamelijk letsel voor een ander of anderen, te weten voor de zich in

die woning bevindende personen, te duchten was;

meer subsidiair, althans, indien het vorenstaande niet tot een veroordeling

mocht of zou kunnen leiden, dat:

hij op of omstreeks 12 februari 2018 te Horst opzettelijk en wederrechtelijk

een woning gelegen aan de [adres] , geheel of ten dele

toebehorende aan [slachtoffer 1] , althans aan een ander of anderen dan aan

verdachte, heeft vernield en/of beschadigd en/of onbruikbaar gemaakt;

3.

hij in of omstreeks de periode van 1 maart 2018 tot en met 19 juli 2018 te

Grubbenvorst, in elk geval in de gemeente Horst aan de Maas, althans in

Nederland, wederrechtelijk stelselmatig opzettelijk inbreuk heeft gemaakt

op eens anders persoonlijke levenssfeer, te weten die van [slachtoffer 4] ,

door meermalen

- telefonisch contact op te nemen met genoemde [slachtoffer 4] en/of

- SMS, whatsapp en e-mail berichten te sturen naar de GSM van genoemde

[slachtoffer 4] en/of

- genoemde [slachtoffer 4] met een door hem, verdachte, bestuurde auto (hinderlijk) te

volgen en/of

- één of meer band(en) van de door genoemde [slachtoffer 4] bestuurde auto, althans de

auto die deze [slachtoffer 4] ter beschikking had, te weten een personenauto merk

Ford, type Fiesta, kenteken [kenteken] , lek heeft gestoken althans geprikt

met het oogmerk die [slachtoffer 4] , te dwingen iets te doen, niet te doen, te dulden

en/of vrees aan te jagen;

Subsidiair, althans, indien het vorenstaande niet tot een veroordeling mocht of

zou kunnen leiden, dat:

hij (meermalen) in of omstreeks de periode van 1-3-2018 tot en met 14-6-2018

te Grubbenvorst, in elk geval in de gemeente Horst aan de Maas en/of in de

gemeente Venlo, in elk geval in Nederland, (telkens) opzettelijk en

wederrechtelijk (een) autoband(en), in elk geval enig goed, dat geheel of ten

dele aan een ander, te weten aan [slachtoffer 5] toebehoorde,

heeft vernield, beschadig en/of onbruikbaar gemaakt;

Tenlastelegging bij gevoegde verdachte met parketnummer: 03/661138-18

1.

hij op of omstreeks 19 juli 2018 te Wanssum, in elk geval in de gemeente

Venray,

een of meer wapen(s) van categorie III, onder 1 van de Wet wapens en munitie,

te weten

- een gasrevolver (merk Zoraki, model R1, kaliber 9 millimeter R Blank) en/of

- een gasrevolver (merk Colt, type detective special, kaliber 9 millimeter R

Knal), zijnde een vuurwapen in de vorm van een pistool,

en/of

munitie van categorie III van de Wet wapens en munitie, te weten 86

(knal)patronen, kaliber 9 millimeter;

voorhanden heeft gehad;

1 Waar hierna wordt verwezen naar paginanummers, wordt - tenzij anders vermeld - gedoeld op paginanummers uit het proces-verbaal van politie Eenheid Limburg, registratienummer 2017203589 / 2018022367 / 2018063300, gesloten d.d. 8 november 2018, doorgenummerd van pagina 1 tot en met pagina 1171.

2 Het proces-verbaal van aangifte van [slachtoffer 1] d.d. 26 december 2017, p. 97-134.

3 Het proces-verbaal van sporenonderzoek d.d. 18 maart 2018, p. 217-222;

4 Het proces-verbaal van aangifte van [slachtoffer 1] d.d. 12 februari 2018, p. 226-232.

5 Het proces-verbaal van sporenonderzoek d.d. 18 juli 2018, p. 333-338;

6 De rapportage NFI explosievenonderzoek naar aanleiding van twee explosies in Horst op 25 december 2017 en 12 februari 2018, zaaknummer 2018.03.14.121, d.d. 28 maart 2019, geen onderdeel uitmakende van de doornummering.

7 Het proces-verbaal van verhoor getuige [slachtoffer 4] d.d. 10 september 2018, p. 165-182.

8 Het proces-verbaal van aangifte van [slachtoffer 4] d.d. 30 april 201, p. 372-375.

9 Het proces-verbaal van ontvangst klacht door hulpofficier van justitie d.d. 30 april 2019, p. 376-377.

10 Het proces-verbaal van verhoor aangeefster [slachtoffer 4] d.d. 27 mei 2018, p. 473-481.

11 Het proces-verbaal van aangifte door [slachtoffer 4] d.d. 6 juli 2018, p. 482-487.