Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBLIM:2020:6554

Instantie
Rechtbank Limburg
Datum uitspraak
03-09-2020
Datum publicatie
03-09-2020
Zaaknummer
20/2054 en 20/2055
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Voorlopige voorziening
Inhoudsindicatie

Sluiting van bedrijfspand met bijbehorend erf voor de duur van twaalf maanden op grond van artikel 13b Opiumwet. Verweerder was bevoegd het perceel te sluiten. De sluiting voor twaalf maanden is in overeenstemming met de beleidsregels. De exploitanten betogen dat de gevolgen voor het bedrijf en de werknemers onevenredig zijn. De voorzieningenrechter acht het niet op voorhand uitgesloten dat verweerder de sluiting van het perceel zal terugbrengen tot een kortere periode dan twaalf maanden en/of zal beperken tot een deel van het perceel. Hij ziet echter geen reden om te oordelen dat de periode van schorsing korter moet zijn dan de tijd die nodig is om een besluit op bezwaar te nemen. Verzoek om voorlopige voorziening is afgewezen.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK limburg

Zittingsplaats Roermond

Bestuursrecht

zaaknummer: AWB/ROE 20/2054 en 20/2055

uitspraak van de voorzieningenrechter van 3 september 2020 op het verzoek om voorlopige voorziening in de zaak tussen

[bedrijf 1] BV, te [vestigingsplaats] , verzoekster

[bedrijf 2] BV, te [vestigingsplaats] , verzoekster, gezamenlijk te noemen verzoekers

(gemachtigde: mr. A.H. Gaastra),

en

de Burgemeester van de gemeente Venlo, verweerder

(gemachtigde: J.M.G. Vincken).

Procesverloop

Bij afzonderlijke besluiten van 11 augustus 2020 (hierna samen aangeduid als het bestreden besluit) heeft verweerder met toepassing van artikel 13b van de Opiumwet aan verzoekers een last onder bestuursdwang opgelegd om het bedrijfspand met bijbehorend erf, gelegen aan de [adres] (hierna: het perceel) voor de duur van twaalf maanden te sluiten.

Verzoekers hebben tegen het bestreden besluit bezwaar gemaakt. Zij hebben beiden de voorzieningenrechter verzocht een voorlopige voorziening te treffen.

Verweerder heeft de rechtbank medegedeeld dat de sluiting van het perceel wordt opgeschort totdat de voorzieningenrechter uitspraak heeft gedaan.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 25 augustus 2020. Verzoekers hebben zich laten vertegenwoordigen door hun gemachtigde, diens kantoorgenoot mr. [naam 1] , [naam 2] , [naam 3] en [naam 4] , bijgestaan door hun adviseur ir. [naam 5]

Overwegingen

1. Het oordeel van de voorzieningenrechter heeft een voorlopig karakter en bindt de rechtbank in een (eventueel) bodemgeding niet.

2. De voorzieningenrechter treft op grond van artikel 8:81, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) alleen een voorlopige voorziening als “onverwijlde spoed” dat vereist. Gelet op de aard van de zaak, sluiting van een perceel op korte termijn, neemt de voorzieningenrechter spoedeisendheid aan en gaat hij over tot inhoudelijke behandeling van het primaire besluit.

3. De voorzieningenrechter zal zich een voorlopig oordeel dienen te vormen over de rechtmatigheid van het besluit inzake de sluiting van het perceel. Daarbij acht de voorzieningenrechter de volgende feiten van belang.

4. [bedrijf 1] BV is een metaalrecyclingsbedrijf en gebruiker van het perceel met bedrijfspand en [bedrijf 2] BV is zakelijk gerechtigde op het perceel. In een op 23 juli 2020 op basis van processen-verbaal en andere politiegegevens opgemaakte bestuurlijke rapportage is beschreven dat door de politie naar aanleiding van een strafrechtelijk onderzoek door de FIOD en de politie, onder leiding van het functioneel parket te ’s-Hertogenbosch, op 11 juli 2020 een doorzoeking van het perceel heeft plaatsgevonden. Tevens zijn drie woningen van de bestuurders en het accountantskantoor van het bedrijf onderzocht. In de rapportage is vermeld wat bij het door de politie ingestelde onderzoek van het perceel is aangetroffen. In het kantoorgedeelte van de bedrijfsruimte op het perceel betreft dit 3233 druppelflesjes met olie, in totaal 24,13 liter, verpakt in afgesloten dozen en ook henneptoppen met een totaal gewicht van 51 gram. Daarnaast zijn op het perceel onder meer wapens en munitie, (vermoedelijk) van diefstal afkomstige goederen en valse identiteitsbewijzen aangetroffen. Ook is melding gemaakt van overtredingen van milieuwetgeving. Voornoemde druppelflesjes met olie zijn steekproefsgewijs geanalyseerd door het forensisch onderzoeksbureau Eurofins. In het verslag van dat onderzoek van 17 juli 2020 is geconcludeerd dat de flesjes een olie bevatten met een gehalte THC totaal dat is gelegen boven 0,2%.

5. Op 23 juli 2020 heeft verweerder wegens aanwezigheid van ruim 24 liter hennepolie en 51 gram henneptoppen het voornemen uitgebracht om het perceel te sluiten op grond van artikel 13b van de Opiumwet. Verzoekers hebben op 31 juli 2020 hun zienswijze gegeven.

6. Verweerder heeft bij het bestreden besluit krachtens het bepaalde in artikel 13b van de Opiumwet en zijn daarop gebaseerde beleidsregels van het perceel sluiting gelast voor de duur van twaalf maanden met een begunstigingstermijn tot 27 augustus 2020.

7. Verzoekers hebben gezamenlijk bezwaar gemaakt tegen het bestreden besluit en tevens de voorzieningenrechter verzocht een voorlopige voorziening te treffen.

Wat is het standpunt van verzoekers?

8. Hetgeen verzoekers schriftelijk en ter zitting hebben aangevoerd komt op het volgende neer. Verzoekers betogen dat met het laboratoriumrapport niet aangetoond is dat het om olie afkomstig uit hennep gaat. Ook zijn er maar tien flesjes getest hetgeen de representativiteit van het onderzoek aantast. Ten onrechte is volgens hen geen onderscheid gemaakt tussen THCA en THC, zodat niet duidelijk is of enkel het (niet legale) THC boven de norm van 0,2% uitkomt. Voorts stellen verzoekers dat de aanwezige middelen niet voor de handel waren; zij hebben een aantal dozen slechts een tijdje op het perceel gestald zonder deze open te maken. Zij waren niet op de hoogte van de inhoud van de dozen en dachten dat het om legale CBC-olie ging. De bedoeling was om de flesjes te zijner tijd in samenwerking met een ander bedrijf te gaan verkopen als CBC-olie. Van handel in drugs of een voornemen daartoe is geen sprake. De beperkte hoeveelheid aangetroffen henneptoppen rechtvaardigt in elk geval niet een zware maatregel, aldus verzoekers.

Bovendien is er volgens verzoekers geen sprake van verstoring van de openbare orde of aantasting van het woon- en leefklimaat, terwijl dat toch het belang is dat artikel 13b van de Opiumwet beoogt te beschermen. Het perceel ligt op een afgelegen locatie en van een loop naar het perceel is geen sprake, evenmin van bekendheid als drugspand. Ook van de overige in de Beleidsregels genoemde geschonden belangen is volgens verzoekers geen sprake.

Verzoekers wijzen er voorts op dat er inmiddels ook diverse maatregelen zijn getroffen, waarmee een nieuwe wind gaat waaien; er heeft een bestuurswissel plaatsgevonden die inhoudt dat [naam 6] de leiding van het bedrijf overdraagt aan zijn zoon [naam 2] . Ook wordt er een extern adviseur aangesteld die het beoogde veranderingsproces en met name de naleving van wet- en regelgeving gaat begeleiden.

Verzoekers menen voorts dat sluiting van het perceel onevenredig is nu dit zich ten onrechte richt op het gehele perceel. De olie en de toppen zijn uitsluitend aangetroffen in het kantoor dat zich op de eerste verdieping bevindt en volledig afgesloten kan worden van de rest van de loods waarin de bedrijfsactiviteiten plaatsvinden. De loods is zonder toegang tot de kantoorruimte geheel zelfstandig bruikbaar. Verzoekers achten het mogelijk om het bedrijf los van het kantoor enkel als schroothandel open te houden, desnoods zelfs als alleen het buitenterrein daarvoor zou kunnen worden gebruikt.

Ook vanwege het effect van sluiting op het vertrouwen van klanten en relaties vinden verzoekers een gedwongen sluiting onevenredig hard, te meer omdat het bedrijf als gevolg van de doorzoeking al een week heeft stilgelegen en schade heeft geleden. Er zal sprake zijn van grote omzetschade en mogelijk faillissement. Dit treft ook de veertien werknemers, de toeleveranciers en de afnemers.

Tot slot leidt sluiting van het perceel er volgens verzoekers toe dat een aantal voorschriften die zijn verbonden aan de omgevingsvergunning voor de oprichting van een milieu-inrichting niet naleefbaar zijn omdat dit vergt dat er mensen op het terrein aanwezig zijn die zaken controleren en beheren. Niet naleving daarvan zou ernstige gevolgen voor het milieu kunnen hebben. De inrichting kan daarom niet van de ene op de andere dag worden gesloten en zeker niet voor een periode van twaalf maanden, aldus verzoekers.

Verzoekers pleiten derhalve voor schorsing van het bestreden besluit gedurende de periode tot de beslissing op het bezwaar, zodat in overleg met het gemeentebestuur kan worden gezocht naar een alternatief voor gehele sluiting.

Welke regels zijn van toepassing?

9. Op grond van artikel 13b, eerste lid, van de Opiumwet is verweerder bevoegd tot het opleggen van een last onder dwangsom, indien in woningen of lokalen, dan wel in of op bij woningen en zodanige lokalen behorende erven, een middel als bedoeld in lijst I of II van deze wet, wordt verkocht, afgeleverd of verstrekt dan wel daartoe aanwezig is. Hennep is een middel vermeld op lijst II.

Op grond van artikel 5:21 van de Awb wordt onder een last onder bestuursdwang verstaan: de herstelsanctie, inhoudende:

a. een last tot geheel of gedeeltelijk herstel van de overtreding, en

b. de bevoegdheid van het bestuursorgaan om de last door feitelijk handelen ten uitvoer te leggen, indien de last niet of niet tijdig wordt uitgevoerd.

Ter uitvoering van artikel 13b, eerste lid, van de Opiumwet heeft verweerder beleidsregels opgesteld (“Beleidsregels ter voorkoming en bestrijding van drugsoverlast, -handel en –productie”).

Is voldaan aan de voorwaarden voor de last om het perceel te sluiten?

10. De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State (de Afdeling) heeft in haar uitspraak van 1 november 2017 (ECLI:NL:RVS:2017:2933) overwogen dat mag worden aangenomen dat een meer dan geringe hoeveelheid drugs niet, althans niet uitsluitend, voor eigen gebruik van een persoon bestemd is, maar deels of geheel voor verkoop, aflevering of verstrekking aan derden. Daarbij kan in redelijkheid worden aangesloten bij de door het openbaar ministerie toegepaste criteria, volgens welke een hoeveelheid harddrugs van maximaal 0,5 gram en een hoeveelheid softdrugs van maximaal 5 gram als hoeveelheid voor eigen gebruik worden aangemerkt. Bij de aanwezigheid van een grotere hoeveelheid is in beginsel aannemelijk dat deze bestemd zijn voor verkoop, aflevering of verstrekking. Het ligt in dat geval op de weg van verzoekers om het tegendeel aannemelijk te maken. Deze lijn heeft de Afdeling in de uitspraak van 14 maart 2018 (ECLI:NL:RVS:2018:738) nogmaals bevestigd.

10.1.

Verzoekers hebben aangevoerd dat de bestuurlijke rapportage onvoldoende duidelijkheid biedt of de inhoud van de aangetroffen flesjes wel hennepolie betreft en of de norm voor THC is overschreden. Dit brengt volgens verzoekers met zich mee dat verweerder niet heeft aangetoond dat er (voldoende) verdovende middelen zijn aangetroffen om van zijn bevoegdheid gebruik te mogen maken.

10.2.

De voorzieningenrechter overweegt dat verweerder mag afgaan op de conclusies van onderzoek van een deskundige, tenzij dat onderzoek onzorgvuldig, niet inzichtelijk of anderszins gebrekkig is. THC is een middel dat voorkomt op lijst I bij de Opiumwet. Bij de bestuurlijke rapportage is een rapport gevoegd van Eurofins over het THC-gehalte van de vloeistof in de aangetroffen flesjes. Niet is gesteld of gebleken dat Eurofins niet over de vereiste deskundigheid beschikt. Voor de conclusie dat het onderzoek of de rapportage ervan gebreken vertoont bestaat evenmin grond. De conclusie van het onderzoek is duidelijk. Dat daarin melding gemaakt wordt van THC totaal en ook THCA wordt genoemd, leidt niet tot twijfel over de juistheid van het vastgestelde THC gehalte. Verzoekers hebben geen concreet tegenbewijs over de inhoud van de flesjes geleverd. De hoeveelheid aangetroffen flesjes hennepolie is voorts zo groot dat reeds daaruit volgt dat deze niet zijn bestemd voor eigen gebruik maar voor handelsdoeleinden. Hetgeen verzoekers ter verklaring van de aanwezigheid van de flesjes hebben aangevoerd ontkracht die conclusie niet, maar vormt veeleer een bevestiging daarvan. Verweerder is er dus terecht van uitgegaan dat er een zodanige hoeveelheid verdovende middelen is aangetroffen dat is voldaan aan de voorwaarden voor het gebruik van de bevoegdheid van artikel 13b van de Opiumwet.

Het gebruikmaken van de bevoegdheid tot sluiting van de woning

11. Dit aspect van het geschil spitst zich toe op beantwoording van de vraag of verweerder in redelijkheid gebruik heeft kunnen maken van zijn bevoegdheid. Bij de beantwoording van die vraag hanteert de voorzieningenrechter het toetsingskader, zoals de Afdeling dat heeft uiteengezet in de uitspraak van 28 augustus 2019 (ECLI:NL:RVS:2019:2912).

12. Op de eerste plaats dient aan de hand van de ernst en de omvang van de overtreding te worden beoordeeld of verweerder zich in redelijkheid op het standpunt heeft kunnen stellen dat sluiting van het perceel noodzakelijk is ter bescherming van het woon- en leefklimaat en het herstel van de openbare orde.

12.1.

Verzoekers hebben kort gezegd aangevoerd dat van schending van de openbare orde of aantasting van het woon- en leefklimaat geen sprake is geweest, omdat niet is gebleken van concrete handelsactiviteiten en omdat de aard en de ligging van het perceel zodanig is dat er geen sprake is van “loop naar het perceel” door kopers van drugs waarvan omwonenden last zouden kunnen hebben. Ook hebben zij, subsidiair, betoogd dat volstaan had moeten worden met sluiting van het kantoorgedeelte, nu de betrokken spullen daarin zijn gevonden en dat gedeelte afsluitbaar is van de rest van het pand.

12.2.

De voorzieningenrechter overweegt ten aanzien van de noodzaak van de sluiting dat verweerder het aantreffen van de grote handelshoeveelheid harddrugs en de kleinere hoeveelheid softdrugs heeft mogen aanmerken als een ernstig geval waardoor sluiting ook bij een eerste overtreding is geïndiceerd. In zoverre is het bestreden besluit in overeenstemming met verweerders beleidsregels. Tevens heeft verweerder op goede gronden een groot gewicht toegekend aan de negatieve invloed van deze handel op de openbare orde en het woon- en leefklimaat. De voorzieningenrechter is met verweerder van oordeel dat reeds uit de aanwezigheid van een omvangrijke hoeveelheid illegale verdovende middelen in de vorm van een groot aantal verhandelbare flesjes volgt dat het perceel als drugsperceel onderdeel is van het criminele circuit en als zodanig bij andere deelnemers aan dat circuit bekend moet zijn. Verweerder heeft er dan belang bij om het perceel aan het drugscircuit te onttrekken. Zie de uitspraak van de Afdeling van 1 mei 2019, (ECLI:NL:RVS:2019:1435). Verzoekers hebben geen uitleg over de aanwezigheid van de drugs kunnen geven die aannemelijk maakt dat dit anders is. Daarmee is gegeven dat sprake is van een aantasting van de openbare orde, die de toepassing van bestuursdwang rechtvaardigt. Verweerder heeft bij zijn standpunt dat een langdurige sluiting in het belang van de openbare orde nodig is, bovendien in aanmerking mogen nemen dat andere illegale activiteiten op het perceel plaatsvonden. Dit wijst er immers op dat er een aanzienlijk risico op herhaling bestaat. Dat de verdovende middelen zijn aangetroffen in het kantoor maakt niet dat enkel de noodzaak bestaat om het kantoor te sluiten, nu dat kantoor is gelegen in de bedrijfsloods. Er is geen reden om te veronderstellen dat enkel het kantoorgedeelte bekend staat als locatie waar drugs worden verhandeld.

13. De volgende vraag die de voorzieningenrechter moet beantwoorden, is of hetgeen verzoekers hebben aangevoerd tot de conclusie moet leiden dat de sluiting van het perceel onevenredig is. De voorzieningenrechter wijst daarbij op de uitspraken van de Afdeling van 26 oktober 2016, ECLI:NL:RVS:2016:2840 en 28 augustus 2019, ECLI:NL:RVS:2019:2912. Daaruit volgt dat verweerder gehouden is om alle omstandigheden van het geval te betrekken in zijn beoordeling en te bezien of deze op zichzelf dan wel tezamen met andere omstandigheden, moeten worden aangemerkt als bijzondere omstandigheden in de zin van artikel 4:84 van de Awb die maken dat het handelen overeenkomstig het beleid gevolgen heeft die onevenredig zijn in verhouding tot de met het beleid te dienen doelen. Hiertoe overweegt de voorzieningenrechter als volgt.

13.1.

Persoonlijke verwijtbaarheid is niet vereist voor toepassing van artikel 13b van de Opiumwet. De vraag of verzoekers een verwijt van de overtreding kan worden gemaakt, kan daarentegen wel aan de orde komen in het kader van de beoordeling van de evenredigheid van de sluiting. De voorzieningenrechter wijst op de uitspraak van de Afdeling van 4 juli 2018, ECLI:NL:RVS:2018:2241. Het ontbreken van iedere betrokkenheid bij de overtreding kan afzonderlijk of tezamen met andere omstandigheden maken dat verweerder niet in redelijkheid van zijn bevoegdheid gebruik heeft kunnen maken. Het gaat er daarbij met name om of verzoekers redelijkerwijs op de hoogte konden zijn van de aanwezigheid van de aangetroffen drugs (zie in dit verband de uitspraak van de Afdeling van 27 juni 2018, ECLI:NL:RVS:2018:2116).

14. Verzoekers hebben in dat kader aangevoerd dat de desbetreffende dozen met hennepolie tijdelijk bij hun gestald waren en dat zij niet op de hoogte waren van de inhoud van de flesjes. Evenmin zouden zij op de hoogte zijn van de inhoud van de locker waarin de henneptoppen zijn gevonden. De voorzieningenrechter kan hen daarin niet volgen. Gelet op vaste jurisprudentie, zie de uitspraak van de Afdeling van 26 februari 2020, ECLI:NL:RVS:2020:617, moeten eigenaren concreet toezicht houden op het gebruik van hun pand. In zoverre zijn verzoekers verantwoordelijk voor wat er in hun pand gebeurt. Er is te meer reden om verzoekers in dit geval verantwoordelijk te houden, nu de dozen met flesjes hennepolie in het kantoor van het bedrijf van verzoekers waren opgeslagen.

15. De voorzieningenrechter ziet zich tevens voor de vraag gesteld of de gevolgen die de sluiting van het perceel gedurende twaalf maanden voor het bedrijf van verzoekers met zich meebrengt, maken dat die maatregel onevenredig is.

15.1.

In dit kader heeft verweerder onderkend dat omzetschade evident is en inherent aan de sluiting van een bedrijfslocatie. Financiële schade is bij de vaststelling van het beleid betrokken en vormt als zodanig geen bijzondere omstandigheid om van sluiting af te zien. Als het financiële nadeel dusdanig is dat dit kan leiden tot beëindiging van het bedrijf en ontslag van de werknemers, wat in dit geval niet uitgesloten is, moet verweerder daaraan een aanmerkelijk gewicht hechten. Verweerder mag echter ook zwaar laten wegen dat er sprake is van een ernstige overtreding met een aanzienlijke kans op herhaling en dat hij in algemene zin een streng, door de rechter aanvaard, beleid voert wat betreft de toepassing van artikel 13b van de Opiumwet. Het voorgaande in aanmerking nemend ligt het op de weg van verweerder om bij de beoordeling van het bezwaar tegen het bestreden besluit nader in te gaan op de vraag of de geconstateerde overtreding een sluiting van het gehele perceel voor twaalf maanden rechtvaardigt. Daarbij zal hij ook moeten betrekken of de toegepaste bestuurswissel en de maatregelen ter verbetering van de bedrijfsvoering die verzoekers hebben genomen en nog willen nemen, voldoende waarborgen bieden om herhaling van de overtredingen te voorkomen. Dit geldt eveneens voor de ter zitting genoemde mogelijkheid om het bedrijf tijdelijk enkel op het buitenterrein voort te zetten. De voorzieningenrechter ziet daarin echter onvoldoende grond om het verzoek om het bestreden besluit te schorsen tot zes weken na de beslissing op bezwaar te honoreren. Hij acht het weliswaar niet op voorhand uitgesloten dat verweerder de sluiting van het perceel zal terugbrengen tot een kortere periode dan twaalf maanden en/of zal beperken tot een deel van het perceel, maar hij ziet geen enkele aanwijzing om te vermoeden dat de periode van volledige sluiting korter zal zijn dan de tijd die nodig is om tot een besluit op de bezwaren te komen.

15.2.

Verzoekers hebben nog aangevoerd dat volledige sluiting van het perceel gedurende twaalf maanden ertoe leidt dat niet alle voorschriften van de omgevingsvergunning voor milieu kunnen worden nageleefd. De voorzieningenrechter ziet ook daarin geen reden voor schorsing. Zoals verweerder ter zitting heeft aangegeven kan immers, indien uit oogpunt van milieu of anderszins de noodzaak om het perceel te betreden aanwezig is, daarvoor per geval een ontheffing worden verleend. Verweerder heeft er voorts op goede gronden op gewezen dat de door verzoekers geuite vrees voor diefstal kan worden weggenomen door beveiliging van het terrein. Het betoog van verzoekers op deze punten slaagt niet.

Conclusie

16. Het voorgaande leidt tot het voorlopige oordeel dat verweerder bevoegd was om het perceel te sluiten. Althans wat betreft de periode tot het besluit op bezwaar kan de wijze waarop verweerder deze bevoegdheid heeft gebruikt, voorshands de rechterlijke toetsing doorstaan. De beide verzoeken tot het treffen van een voorlopige voorziening worden daarom afgewezen.

17. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

Beslissing

De voorzieningenrechter wijst de verzoeken om voorlopige voorziening af.

Deze uitspraak is gedaan door mr. T.M. Schelfhout, voorzieningenrechter, in aanwezigheid van B. van Dael, griffier. De beslissing is in het openbaar uitgesproken op 3 september 020.

de griffier is verhinderd de uitspraak

mede te ondertekenen voorzieningenrechter

Afschrift verzonden aan partijen op: 3 september 2020

Rechtsmiddel

Tegen deze uitspraak staat geen rechtsmiddel open.