Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBLIM:2020:6522

Instantie
Rechtbank Limburg
Datum uitspraak
02-09-2020
Datum publicatie
10-09-2020
Zaaknummer
C03/279544/HA ZA 20-340
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

Onbevoegdheidsincident en verzoek tussentijds hoger beroep.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

vonnis

RECHTBANK LIMBURG

Burgerlijk recht

Zittingsplaats Maastricht

zaaknummer / rolnummer: C/03/279544 / HA ZA 20-340

Vonnis in incident van 2 september 2020

in de zaak van

1 [eiser in het verzet, eiser in het incident sub 1] ,

wonende te [woonplaats] ,

2. de besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid

W&N BEHEERSMAATSCHAPPIJ BV,

gevestigd te Geleen (gemeente Sittard-Geleen),

eisers in het verzet (oorspronkelijke gedaagden in de hoofdzaak),

eisers in het incident,

advocaat mr. L.M. Noordzij te Amsterdam,

tegen

1. de besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid

MATCH INTERNATIONAL B.V.,

gevestigd te Sittard (gemeente Sittard-Geleen),

2. de besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid

BELLA PARTICIPATIES BV,

gevestigd te Rijen (gemeente Gilze en Rijen),

gedaagden in het verzet (oorspronkelijke eisers in de hoofdzaak),

verweersters in het incident,

advocaat mr. A.J. Exterkate te 's-Hertogenbosch.

Partijen worden hierna [eiser in het verzet, eiser in het incident sub 1] , W&N Beheer, Match en Bella Participaties B.V. genoemd. [eiser in het verzet, eiser in het incident sub 1] en W&N Beheer worden gezamenlijk [eisers in het verzet, eisers in het incident] genoemd. Match en Bella Participaties B.V. worden gezamenlijk Match International B.V. c.s. genoemd.

1 De procedure

1.1.

Het verloop van de procedure blijkt uit:

  • -

    de verzetdagvaarding van 11 mei 2020 tevens houdende exceptie tot onbevoegdheid met producties 1 en 2,

  • -

    de conclusie van antwoord in incident houdende exceptie van onbevoegdheid.

1.2.

Ten slotte is vonnis bepaald in het incident.

2 De feiten waarvan bij de beoordeling van het incident wordt uitgegaan

2.1.

[eiser in het verzet, eiser in het incident sub 1] is bestuurder en aandeelhouder van Stichting Administratiekantoor van Aandelen W&N Beheermaatschappij B.V. Van 18 april 2003 tot 30 december 2010 was de Stichting Administratiekantoor van Aandelen W&N Beheermaatschappij B.V. enig aandeelhouder van W&N Nederland Holding B.V. [eiser in het verzet, eiser in het incident sub 1] en zijn voormalige echtgenote, mevrouw [naam voormalige echtgenote] , waren tot 30 december 2010 bestuurders van W&N Nederland Holding B.V.

2.2.

W&N Nederland Holding B.V. is enig aandeelhouder en enig bestuurder van Match International Holding B.V. Match International Holding B.V. is op haar beurt enig aandeelhouder en enig bestuurder van Match. Match houdt zich bezig met de exploitatie van uitzend- en detacheringsbureaus, specifiek gericht op de steigerbouw en isolatietechniek.

2.3.

Op 30 december 2010 is W&N Beheermaatschappij B.V. (verder: W&N Beheer) opgericht. Enig aandeelhouder van W&N Beheer is de Stichting Administratiekantoor van Aandelen W&N Beheermaatschappij B.V. [eiser in het verzet, eiser in het incident sub 1] is tot 3 juli 2017 enig bestuurder van W&N Beheer. Sinds 3 juli 2017 is Stichting Administratiekantoor van Aandelen W&N Beheermaatschappij B.V. enig bestuurder van W&N Beheer.

2.4.

Bij dagvaarding van 4 december 2017 hebben Match International B.V. en Bella Participaties B.V. W&N Beheer, [eiser in het verzet, eiser in het incident sub 1] , [naam] en Esperanza België B.V.B.A. gedagvaard.

2.5.

W&N Beheer is ten tijde van het uitbrengen van de dagvaarding gevestigd in de gemeente Sittard-Geleen.

2.6.

Bij vonnis van 7 maart 2018 zijn W&N Beheer, [eiser in het verzet, eiser in het incident sub 1] , [naam] en Esperanza België B.V.B.A. bij verstek veroordeeld. Bij verzoek van 14 maart 2018 hebben eiseressen de rechtbank verzocht om aanvulling van het vonnis van 7 maart 2018, in die zin dat de rechtbank alsnog beslist op de kosten van een tweetal conservatoire beslagen op onroerende zaken. De rechtbank heeft op dit verzoek bij vonnis van 11 april 2018 geoordeeld.

3 De vorderingen

In de hoofdzaak

3.1.

Match International B.V. c.s. hebben in de hoofdzaak gevorderd dat de rechtbank bij vonnis, voor zover mogelijk uitvoerbaar bij voorraad:

Terzake de onttrekkingen aan Match ten gunste van [eiser in het verzet, eiser in het incident sub 1] :

i. W&N Beheer en [eiser in het verzet, eiser in het incident sub 1] hoofdelijk, althans gezamenlijk, althans ieder voor

zich veroordeelt tot betaling aan Match van een bedrag van in totaal

€ 655.242,99, te vermeerderen met de daarover verschenen wettelijke rente steeds

vanaf het moment van iedere onttrekking aan het vermogen van Match tot

12 oktober 2017 ad € 20.149,64, alsmede te vermeerderen met de wettelijk rente

vanaf 12 oktober 2017 tot de dag der algehele voldoening;

Terzake de onttrekkingen aan Match ten gunste van Esperanza in 2017:

ii. W&N Beheer, Esperanza, [eiser in het verzet, eiser in het incident sub 1] en [naam] hoofdelijk, althans gezamenlijk,

althans ieder voor zich veroordeelt tot betaling aan Match van een bedrag van in

totaal € 919.147,--, te vermeerderen met de daarover verschenen wettelijke rente

steeds vanaf het moment van iedere onttrekking aan het vermogen van Match tot

12 oktober 2017 ad € 5.595,40, alsmede te vermeerderen met de wettelijk rente vanaf

12 oktober 2017 tot de dag der algehele voldoening;

Terzake de onttrekkingen aan Match ten gunste van Esperanza in 2016 en 2015:

iii. W&N Beheer, Esperanza, [eiser in het verzet, eiser in het incident sub 1] en [naam] hoofdelijk, althans gezamenlijk,

althans ieder voor zich veroordeelt tot betaling aan Match van een bedrag van in

totaal € 726.392,58, te vermeerderen met de daarover verschenen wettelijke rente

steeds vanaf het moment van iedere onttrekking aan het vermogen van Match tot

12 oktober 2017 ad € 13.171,79 alsmede te vermeerderen met de wettelijk rente vanaf

12 oktober tot de dag der algehele voldoening;

Terzake de vordering van de Belastingdienst op Match:

iv. W&N Beheer en [eiser in het verzet, eiser in het incident sub 1] hoofdelijk, althans gezamenlijk, althans ieder voor

zich veroordeelt tot betaling aan Match van een bedrag van in totaal

€ 5.309.644,--, te vermeerderen met de wettelijke rente vanaf de datum der

dagvaarding tot de dag der algehele voldoening;

Terzake de strafrechtelijke boete vanwege misdrijven [eiser in het verzet, eiser in het incident sub 1] :

v. voor recht verklaart dat W&N Beheer en [eiser in het verzet, eiser in het incident sub 1] in strijd met art. 2:9 BW,

althans onrechtmatig in de zin van art. 6:162 BW hebben gehandeld jegens Match

door het onjuist of onvolledig doen van loonbelastingaangiften bij de

Belastingdienst en ex 2:11 jo 6:102 jo 6:6 lid 2 BW hoofdelijk, althans gezamenlijk,

althans ieder voor zich aansprakelijk zijn voor de als gevolg daarvan door Match

geleden en te lijden schade;

Terzake de vordering van SNCU op Match:

vi. voor recht verklaart dat W&N Beheer en [eiser in het verzet, eiser in het incident sub 1] in strijd met art. 2:9 BW,

althans onrechtmatig in de zin van art. 6:162 BW hebben gehandeld jegens Match

door de cao-regels niet na te leven en door na te laten fouten te corrigeren en ex

2:11 jo 6:102 jo 6:6 lid 2 BW hoofdelijk, althans gezamenlijk, althans ieder voor

zich aansprakelijk zijn voor de als gevolg daarvan door Match geleden en te lijden

schade;

Terzake de onttrekkingen aan Match ten gunste van EQ Housing:

vii. W&N Beheer en [eiser in het verzet, eiser in het incident sub 1] hoofdelijk, althans gezamenlijk, althans ieder voor

zich veroordeelt tot betaling aan Match van een bedrag van € 59.681,70, te

vermeerderen met de daarover verschenen wettelijke rente steeds tot 12 oktober

2017 ad € 317,21 alsmede te vermeerderen met de wettelijk rente vanaf 12 oktober

2017 tot de dag der algehele voldoening;

Terzake de geldboete inbreuken België:

viii. W&N Beheer en [eiser in het verzet, eiser in het incident sub 1] hoofdelijk, althans gezamenlijk, althans ieder voor

zich veroordeelt tot betaling aan Match van een bedrag van € 90.000,--, te

vermeerderen met de daarover verschenen wettelijke rente vanaf de datum der

dagvaarding tot de dag der algehele voldoening;

Terzake de kosten ex art. 6:96 lid 2 sub a en b BW:

ix. W&N Beheer, Esperanza, [eiser in het verzet, eiser in het incident sub 1] en [naam] hoofdelijk, althans gezamenlijk,

althans ieder voor zich veroordeelt tot betaling aan Bella Participaties B.V. van een

bedrag van € 413.279,70, te vermeerderen met de daarover verschenen wettelijke

rente vanaf de dag der dagvaarding tot de dag der algehele voldoening;

Terzake de proceskosten:

x. W&N Beheer, Esperanza, [eiser in het verzet, eiser in het incident sub 1] en [naam] hoofdelijk, althans gezamenlijk,

althans ieder voor zich veroordeelt in de kosten van deze procedure, waaronder

de beslagkosten ex art. 706 Rv en de na het gewezen vonnis verschuldigde nakosten,

welke nakosten worden begroot op € 131,- zonder betekening, te vermeerderen met

€ 68,- in het geval van betekening van het vonnis en daarbij te bepalen dat de

proces- en nakosten binnen veertien dagen na dagtekening van het vonnis door

gedaagden aan Bella Participaties B.V. dienen te zijn voldaan, alsmede te bepalen dat

deze proces- en nakosten met ingang van de vijftiende dag na dagtekening vonnis

worden vermeerderd met de wettelijke rente.

De vorderingen zijn bij vonnissen van 7 maart 2018 en 11 april 2018 toegewezen (r.o. 2.6.).

In het incident

3.2.

[eisers in het verzet, eisers in het incident] vorderen in incident dat de rechtbank, in een vonnis dat zoveel mogelijk uitvoerbaar bij voorraad is:

I. zich onbevoegd verklaart,

II. vernietigt het vonnis waarvan verzet en [eisers in het verzet, eisers in het incident] te verklaren tot goed opposant en hen te ontheffen van alle bij het vonnis uitgesproken veroordelingen, en opnieuw rechtdoende, Match c.s. niet ontvankelijk te verklaren in haar vorderingen, althans deze af te wijzen,

III. Match c.s. hoofdelijk veroordeelt in de kosten van het incident, onder de bepaling dat als deze kosten niet binnen 4 dagen na het wijzen van het vonnis zullen zijn voldaan, daarover vanaf de vijftiende dag wettelijke rente verschuldigd zal zijn,

IV. indien zij voor één of meer van de vorderingen jegens [eisers in het verzet, eisers in het incident] oordeelt bevoegd te zijn, op de voet van artikel 337 lid 2 Rv bepaalt dat tegen het in deze zaak te wijzen vonnis aanstonds hoger beroep kan worden ingesteld.

3.3.

Primair stelt [eisers in het verzet, eisers in het incident] dat Match International B.V. c.s. geen stellingen hebben ingenomen op het punt dat indien een verweerder geen bekende verblijfplaats heeft de EEX-Vo in beginsel buiten toepassing blijft en daarom alleen al de bevoegdheid van de Nederlandse rechter ontbreekt. Indien een verweerder geen woonplaats heeft op het grondgebied van een lidstaat, blijft de bevoegdheidsregeling van de EEX-Vo in beginsel buiten toepassing en wordt de internationale bevoegdheid in iedere lidstaat geregeld door het commune bevoegdheidsrecht van de desbetreffende staat.

Subsidiair stelt [eisers in het verzet, eisers in het incident] dat ook indien de EEX-Vo van toepassing is, de rechtsmacht op grond van dit verdrag ontbreekt. In artikel 4 EEX-Vo staat dat de rechter van het land waar de verweerder zijn woonplaats heeft bevoegd is. Op grond van artikel 59 EEX-Vo dient de rechter vast te stellen of de verweerder woonplaats heeft in het land van de rechter de lex fori toe te passen.

De hoofdregel is dan ook dat de Belgische rechter bevoegd is.

3.4.

Match International B.V. c.s. voert verweer.

3.5.

Op de stellingen van partijen wordt hierna, voor zover van belang, nader ingegaan.

4 De beoordeling

In het incident

4.1.

Artikel 7 lid 1 Rv regelt de internationale bevoegdheid van de Nederlandse rechter in het geval van verschillende gedaagden, terwijl de Nederlandse rechter niet ten aanzien van alle gedaagden zonder meer rechtsmacht zou hebben. Heeft de Nederlandse rechter in zaken die bij dagvaarding moeten worden ingeleid rechtsmacht ten aanzien van één van de gedaagden, dan is de rechter ook bevoegd om kennis te nemen van de vorderingen die zijn ingesteld tegen de andere in het geding betrokken gedaagden, mits - zo bepaalt art. 7 lid 1 Rv - “tussen de vorderingen tegen de onderscheiden gedaagden een zodanige samenhang bestaat, dat redenen van doelmatigheid een gezamenlijke behandeling rechtvaardigen”. Artikel 7 lid 1 Rv is in belangrijke mate ontleend aan dezelfde bevoegdheidsbepaling die is opgenomen in art. 6 sub 1 EEX-Verdrag (en thans in art. 8 punt 1 EEX-Vo). Een verschil is echter dat art. 7 lid 1 Rv niet vereist dat een van de gedaagden woonplaats in Nederland heeft. De rechtsmacht ten aanzien van de ‘ankergedaagde’ kan op iedere rechtsmachtgrond worden gebaseerd, dus bijvoorbeeld ook op een bevoegdheidsgrond genoemd in artikel 6 Rv of artikel 2 Rv. In artikel 2 Rv staat dat de Nederlandse rechter rechtsmacht heeft indien de gedaagde in Nederland zijn woonplaats of gewone verblijfplaats heeft.

4.2.

In de wetsgeschiedenis valt over art. 7 Rv het volgende te lezen (Parl. Gesch. Burg. Procesrecht, Van Mierlo/Bart, p. 108, MvT):

“Voor het eerste lid van artikel 7 (…), voorgesteld om redenen van doelmatigheid en proceseconomie, vergelijke men het huidige artikel 126, zevend lid, Rv, alsmede artikel 6, onderdeel 1, EEX/EVEX. Artikel 7 (…) is echter beperkter geredigeerd (zie het slot), omdat rechtsmacht op de grond dat ook andere verweerders in het geding betrokken zijn, exorbitant zou zijn indien er tussen de vorderingen tegen de verschillende verweerders geen verband is. In de voorgestelde tekst is in dit opzicht de rechtspraak van het Hof van Justitie verwerkt, zodat van een afwijking van artikel 6, onderdeel 1 EEX geen sprake is. Voorts valt uit de rechtspraak van de Hoge Raad af te leiden dat het hier bedoelde verband aanwezig wordt geacht wanneer “redenen van doelmatigheid een gezamenlijke behandeling wettigen”. Die formulering is nu ook in de wet opgenomen’.”

4.3.

W&N Beheer is ten tijde van het uitbrengen van de dagvaarding gevestigd in Sittard-Geleen (r.o. 2.6.). De Nederlandse rechter is dan ook bevoegd kennis te nemen van de vorderingen gericht tegen W&N Beheer. W&N beheer kan als ‘ankergedaagde’ worden aangeduid (r.o. 4.1.), mits sprake is van een zodanige samenhang tussen de vorderingen dat redenen van doelmatigheid een gezamenlijke behandeling rechtvaardigen. De rechtbank is van oordeel dat dat het geval is. De vorderingen jegens W&N Beheer zijn identiek aan die van [eiser in het verzet, eiser in het incident sub 1] (r.o. 3.1.). Match International B.V. c.s. vordert van W&N Beheer hetzelfde als van [eiser in het verzet, eiser in het incident sub 1] omdat [eiser in het verzet, eiser in het incident sub 1] (middellijk) bestuurder en aandeelhouder van W&N Beheer is (r.o. 2.1. en 2.3.). De rechtbank is dan ook bevoegd en de incidentele vordering wordt afgewezen.

4.4.

Het verzoek om tussentijds hoger beroep te mogen instellen wordt eveneens afgewezen. Nu [eisers in het verzet, eisers in het incident] zijn verzoek niet heeft onderbouwd, is er niet gebleken van zodanig zwaarwichtige redenen dat van de hoofdregel van art. 337 lid 2 Rv dat geen tussentijds appel kan worden ingesteld van tussenvonnissen dient te worden afgeweken.

4.5.

[eisers in het verzet, eisers in het incident] worden, als de in het ongelijk gestelde partij, veroordeeld in de kosten van het incident. De kosten aan de zijde van Match International B.V. c.s. worden tot op heden begroot op € 543,-, salaris advocaat (1 punt tarief II).

In de hoofdzaak

4.6.

De zaak wordt verwezen naar de rol van 14 oktober 2020 (6 weken na datum vonnis) voor conclusie inhoudende verweer tegen het door Match International B.V. c.s. gevorderde.

5 De beslissing

De rechtbank:

In het incident

5.1.

wijst de vorderingen af,

5.2.

veroordeelt [eisers in het verzet, eisers in het incident] in de kosten van het incident, aan de zijde van Match International B.V. c.s. tot op heden begroot op € 543,-,

5.3.

verklaart deze proceskosten uitvoerbaar bij voorraad,

In de hoofdzaak

5.4.

wijst de zaak naar de rol van 14 oktober 2020 (6 weken na datum vonnis) voor

conclusie inhoudende verweer tegen het door Match International B.V. c.s. gevorderde,

5.5.

houdt iedere verdere beslissing aan.

Dit vonnis is gewezen door mr. K.J.H. Hoofs en in het openbaar uitgesproken op

2 september 2020.