Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBLIM:2020:6462

Instantie
Rechtbank Limburg
Datum uitspraak
01-09-2020
Datum publicatie
12-11-2020
Zaaknummer
AWB - 19 _ 2224
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Bodemzaak
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

Eiser heeft bezwaar gemaakt tegen de weigering om een omgevingsvergunning te verlenen voor het aanleggen van een grondwal op zijn terrein. In het bezwaarschrift is verzocht om met een gewijzigde planopzet rekening te houden. Verweerder heeft vervolgens het primaire besluit ingetrokken en een ontwerpbesluit tot weigering van de initiële aanvraag genomen. Eiser voert in de zienswijze tegen het ontwerpbesluit en in beroep tegen het definitieve besluit aan dat verweerder ten onrechte niet op de gewijzigde aanvraag heeft beslist. De rechtbank overweegt dat verweerder terecht op de initiële aanvraag heeft beslist omdat geen sprake is van een wijziging van ondergeschikte betekenis nu aan de nieuwe aanvraag nieuwe toetsingsmomenten zijn verbonden en verklaart het beroep ongegrond.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK limburg

Zittingsplaats Roermond

Bestuursrecht

zaaknummer: AWB/ROE 19/2224

uitspraak van de enkelvoudige kamer van 1 september 2020 in de zaak tussen

[eiser] , te [woonplaats] , eiser,

(gemachtigde: mr. R.P.H. Sangers),

en

het college van burgemeester en wethouders van de gemeente Voerendaal, verweerder,

(gemachtigde: mr. A.J. Likkel).

Als derde-partijen hebben aan het geding deelgenomen: [belanghebbende 1] en [belanghebbende 2], te [woonplaats] .

Procesverloop

Bij besluit van 16 juli 2019 (het bestreden besluit) heeft verweerder – voor zover hier van belang – geweigerd eiser omgevingsvergunning te verlenen voor het aanleggen van een grondwal op het [adres eiser] , [sectieletter] , [sectienummers] .

Eiser heeft tegen het bestreden besluit beroep ingesteld. Onder meer is een memo van 23 september 2019, opgesteld door ir. P. Venbruex van bureau Kragten, in het geding gebracht.

Verweerder heeft een verweerschrift ingediend.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 9 juli 2020.

Eiser is verschenen, bijgestaan door zijn gemachtigde. Als deskundige heeft eiser

P. Venbruex opgeroepen die die ter zitting is verschenen en gehoord. Verweerder heeft zich laten vertegenwoordigen door zijn gemachtigde. De derde-partijen zijn eveneens verschenen.

Overwegingen

1. Eiser heeft op 8 augustus 2017 bij verweerder een aanvraag ingediend voor het uitbreiden van een rundveestal en het aanleggen van een grondwal (ophoging) weiland op het [adres eiser] , [sectieletter] , [sectienummers] . Na verlenging van het bestaande talud heeft dit een lengte van circa 60 meter, een breedte van 8 meter en een maximale hoogte van 2.20 meter. Daarbij is vermeld dat de grond die vrijkomt bij de realisatie van mestputten wordt gebruikt voor de ophoging van het aangrenzend weiland tot maaiveldhoogte. De derde-partijen wonen in de nabijgelegen monumentale hoeve [naam] , aan [adres blh 2] ( [belanghebbende 2] ) en [adres blh 1] ( [belanghebbende 1] ).

2. Bij besluit van 8 november 2017 heeft verweerder vergunning verleend voor de uitbreiding van de rundveestal, maar de aanleg van een grondwal geweigerd. Tegen die weigering heeft eiser bezwaar gemaakt bij verweerder.

3. Bij besluit van 9 oktober 2018 heeft verweerder het bezwaar van eiser gegrond verklaard en het besluit van 8 november 2017 herroepen. Tevens heeft verweerder een ontwerpbeschikking vastgesteld en ter inzage gelegd, ten behoeve van verlening van de omgevingsvergunning voor het uitbreiden van de rundveestal en weigering van het uitbreiden van de grondwal met toepassing van artikel 2.11, tweede lid, en artikel 2.12, van de Wet algemene bepalingen omgevingsrecht (Wabo). In de beslissing op bezwaar is het standpunt ingenomen dat na het doorlopen van de uniforme openbare voorbereidingsprocedure (opnieuw) op de aanvraag van 8 augustus 2017 moet worden beslist en dat de door eiser in bezwaar ingediende aanvulling een ander project betreft. Dit is volgens verweerder een wezenlijke wijziging van de aanvraag die hij niet in de lopende besluitvorming betrekt.

4. Eiser en de derde-partijen hebben hun schriftelijke zienswijzen over de ontwerpbeschikking naar voren gebracht. Eiser heeft in zijn zienswijze vermeld dat hij in de bezwaarfase zijn aanvraag heeft aangepast en de verruiming van de grondwal heeft beperkt tot de helft van de initiële aanvraag. De gewijzigde aanvraag is verwerkt in de Landschappelijke inpassing bouwplan ‘ [adres eiser] ’ die als bijlage 3 bij de bezwaargronden was gevoegd. Eiser betoogt dat verweerder daar ten onrechte geen rekening mee heeft gehouden bij het vaststellen van het ontwerpbesluit.

5. Bij het bestreden besluit heeft verweerder opnieuw op de aanvraag beslist, na het volgen van de uniforme openbare voorbereidingsprocedure, en daarbij (zoals eerder al op 8 november 2017 was besloten, toen echter zonder het volgen van de uniforme openbare voorbereidingsprocedure) de door eiser gevraagde omgevingsvergunning als bedoeld in artikel 2.1, eerste lid, onder a, van de Wabo voor het bouwen van de rundveestal verleend en de omgevingsvergunning voor het uitvoeren van aanlegwerkzaamheden als bedoeld in artikel 2.1, eerste lid, onder b, van de Wabo (het aanleggen van de grondwal) geweigerd.

6. Eiser voert aan dat een van derde-partijen, [belanghebbende 2] , ter plaatse geen eigendommen heeft en vanuit de gehuurde woning (aan de zuidzijde van de monumentale hoeve) geen zicht heeft op de projectlocatie. Mede gezien de afstand is hij geen belanghebbende volgens eiser.

7. Inhoudelijk voert eiser aan dat hij in eerste instantie een vergroting van het terrein met talud heeft aangevraagd over de volledige diepte van het perceel van circa 60 meter met een breedte van 8 meter en een maximale hoogte van 2,20 meter. Die aanvraag is aangepast door aan de zuidoostzijde van het talud, de zijde die het dichtst bij de buren aan [adres blh 2] is gelegen, geen verruiming te vragen. In noordoostelijke richting loopt de verbreding uit tot maximaal 8 meter, waardoor een ‘vlaaipunt’ ontstaat. De uitbreiding is daardoor minder omvangrijk en de aanpassing komt daarom aan de belangen van derden tegemoet. Eiser voert aan dat hij deze wijziging al in de bezwaarprocedure tegen het eerste besluit kenbaar heeft gemaakt en daarna heeft herhaald in zijn zienswijze op het ontwerpbesluit. Verweerder heeft nagelaten bij het definitieve besluit deze aanpassing te beoordelen en is ten onrechte uitgegaan van de initiële aanvraag die uitgaat van een aanzienlijk groter talud, aldus eiser. De gewijzigde aanvraag is, mede gelet op de in opdracht van eiser opgestelde memo van bureau Kragten van 23 september 2019, zonder meer vergunbaar, aldus eiser.

8. Verweerder stelt zich op het standpunt dat de besluitvorming terecht is gebaseerd op de tekening bij de aanvraag van 8 augustus 2017. Er is geen gewijzigde aanvraag of een gewijzigde tekening van een ‘vlaaipunt’ ingediend. Wel is in het bezwaarschrift de bedoeling van de uitbreiding nader toegelicht. Deze redenen voor de uitbreiding waren bij de aanvraag niet gegeven. Verweerder wijst erop dat de aanleg van verharding op het talud ten behoeve van de routing binnen/om het bedrijf, zoals die in het bezwaarschrift wordt beschreven, niet is aangevraagd, terwijl daar wel een omgevingsvergunning voor is vereist. Dat geldt ook voor de beplantingen die in het landschapsplan zijn opgenomen dat tijdens de bezwaarprocedure is overgelegd. Verweerder heeft het advies van de bezwaarschriftencommissie overgenomen dat de in bezwaar ingediende aanvulling een wezenlijke, niet ondergeschikte wijziging van de aanvraag is. Eiser had daarvoor een nieuwe aanvraag (in een zelfstandig stuk) moeten indienen. Verweerder merkt op dat de uitbreiding van de aanvraag kennelijk verband houdt met praktische gevolgen van de nieuwe stal en dat eiser met die gevolgen in zijn aanvraag rekening had kunnen en moeten houden dan wel een nieuwe aanvraag had moeten indienen.

9. De rechtbank overweegt als volgt.

10. De rechtbank overweegt ten aanzien van de vraag of [belanghebbende 2] als partij in de zin van artikel 8:26 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) aangemerkt kan worden het volgende.

10.1.

Ingevolge genoemd artikel kan de bestuursrechter tot de sluiting van het onderzoek ter zitting ambtshalve, op verzoek van een partij of op hun eigen verzoek, belanghebbenden in de gelegenheid stellen als partij aan het geding deel te nemen. Ingevolge artikel 1:2, eerste lid, van de Awb wordt onder belanghebbende verstaan: degene wiens belang rechtstreeks bij een besluit is betrokken.

10.2.

Uitgangspunt in het omgevingsrecht is dat degene die rechtstreeks feitelijke gevolgen ondervindt van een activiteit die een besluit, zoals een omgevingsvergunning, toestaat, in beginsel belanghebbende is bij dat besluit. Het criterium ‘gevolgen van enige betekenis’ dient als correctie op dit uitgangspunt. Gevolgen van enige betekenis ontbreken indien de gevolgen wel zijn vast te stellen, maar de gevolgen van de activiteit voor de woon-, leef- of bedrijfssituatie van betrokkene dermate gering zijn dat een persoonlijk belang bij het besluit ontbreekt. Daarbij wordt acht geslagen op de factoren afstand tot, zicht op, planologische uitstraling van en milieugevolgen (o.a. geur, geluid, licht, trilling, emissie, risico) van de activiteit die het besluit toestaat, waarbij die factoren zo nodig in onderlinge samenhang worden bezien. De rechtbank verwijst naar de uitspraak van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State van 23 augustus 2017 (ECLI:NL:RVS:2017:2271). Als zicht bestaat op de locatie waarop het besluit ziet, leidt dit in beginsel tot het aannemen van belanghebbendheid, tenzij dit zicht van zeer geringe betekenis is. Ontbreekt zicht op de locatie waarop het besluit ziet, dan leiden afhankelijk van de aard van de zaak afstanden groter dan zo’n 100 meter over het algemeen niet tot het aannemen van belanghebbendheid. Ook bij kortere afstanden en het niet aanwezig zijn van zicht kan belanghebbendheid ontbreken. Dan is de ruimtelijke uitstraling van de vergunde activiteit van belang.

10.3.

In het onderhavige geval ligt de hoeve [naam] , waarin [belanghebbende 2] woont, binnen 100 meter afstand tot de projectlocatie en heeft [belanghebbende 2] vanaf de binnenplaats zicht daarop. Gelet hierop kan [belanghebbende 2] als belanghebbende als bedoeld in artikel 8:26 van de Awb worden aangemerkt.

11. Inhoudelijk worden partijen verdeeld gehouden door de vraag of verweerder terecht heeft beslist op de aanvraag van 8 augustus 2017 zonder daarbij de aanvulling/wijziging te betrekken die eiser stelt te hebben ingediend bij zijn bezwaarschrift.

11.1.

Volgens eiser heeft hij bij het maken van bezwaar tegen verweerders besluit van 8 november 2017, die aanvraag gewijzigd en heeft verweerder daar bij het thans bestreden besluit ten onrechte niet op beslist. Onder punt 10 van zijn bezwaar tegen genoemd besluit heeft eiser namelijk verwezen naar de gewijzigde planopzet, zoals die blijkt uit de als bijlage bij het bezwaar gevoegde ‘Landschappelijke inpassing bouwplan “ [adres eiser] ” van 3 februari 2018’. Daarin is de ontwikkeling beperkt, ingepast in de omgeving en is rekening gehouden met de belangen van derden en het door verweerder gestelde in zijn besluit van 8 november 2017, aldus eiser. Aan het slot van punt 10 van het bezwaarschrift verzoekt eiser verweerder “in het kader van dit bezwaar de gewijzigde planopzet integraal in de afweging van belangen mee te nemen”.

11.2.

Verweerder stelt zich op het standpunt dat eiser geen gewijzigde aanvraag heeft ingediend, althans niet kenbaar, en dat – voor zover van een wijziging van de aanvraag sprake is geweest – een nieuwe aanvraag had moeten worden ingediend omdat volgens verweerder geen sprake is van een wijziging van ondergeschikte betekenis die in de lopende procedure meegenomen kon worden.

12. De rechtbank stelt vast dat het bezwaar ‘hinkt op twee gedachten’ omdat enerzijds gronden worden aangevoerd tegen de weigering van de aanvraag van 8 augustus 2017 en anderzijds op pagina 12 en 13 van het bezwaar wordt verzocht om een gewijzigde planopzet bij het nemen van de beslissing op het bezwaar te betrekken. Eerst bij de behandeling van het beroep ter zitting heeft de gemachtigde van eiser desgevraagd verduidelijkt dat hij enkel een beoordeling wenst van het gewijzigde plan omdat dit een beter plan is. Eiser heeft aangegeven dat hij het oorspronkelijke plan niet meer wil realiseren. Verder heeft hij desgevraagd gepersisteerd bij zijn standpunt dat het niet nodig was daartoe een nieuwe aanvraag in te dienen omdat verweerder volgens hem gehouden was de gewijzigde aanvraag in de lopende besluitvorming mee te nemen. Eiser wenst derhalve een uitspraak van de rechtbank, waarin wordt geoordeeld dat verweerder alsnog op de gewijzigde aanvraag een beslissing dient te nemen.

13. De rechtbank overweegt dat verweerder er op zich terecht op wijst dat van een in het bezwaarschrift ‘verstopte’ aanvraag sprake is geweest die niet voldoet aan eisen die in de jurisprudentie aan een ‘aanvraag’ worden gesteld (zie onder meer de uitspraak van de Afdeling van 27 maart 2019, ECLI:NL:RVS:2019:920). Dat neemt niet weg dat eiser betoogt dat hij de correct ingediende aanvraag mocht wijzigen en dat, hoewel uit het bezwaarschrift ook een vasthouden aan de oorspronkelijke aanvraag kan worden afgeleid, uit het slot van het bezwaarschrift blijkt dat eiser een beslissing wenst op basis van de daarbij gevoegde gewijzigde planopzet. Dit leidt echter niet tot het door eiser gewenste resultaat omdat de rechtbank verweerder volgt in diens standpunt dat voor de gewijzigde planopzet een nieuwe aanvraag was vereist nu geen sprake is van wijzigingen van ondergeschikte betekenis. Weliswaar wordt de grondwal ten opzichte van de oorspronkelijke aanvraag verkleind, maar aan de nieuwe aanvraag zijn nieuwe toetsingsaspecten verbonden die alsnog door verweerder beoordeeld moeten worden (vergelijk de uitspraak van de Afdeling van 10 september 2008, ECLI:NL:RVS:2008:BF0323). Zo heeft de gemachtigde van verweerder erop gewezen dat ingevolge het bepaalde in artikel 6.7.1, onder e en g, van het bestemmingsplan dient te worden getoetst of voor de in het gewijzigd landschapsplan opgenomen oppervlakteverharding en beplantingen een aanlegvergunning is vereist en of die kan worden verleend.

14. Uit het voorgaande volgt dat verweerder terecht heeft beslist op de aanvraag van

8 augustus 2017 en niet op de wijziging daarvan in het bezwaarschrift. Indien eiser het gewijzigd plan alsnog op haalbaarheid wil laten toetsen dient hij bij verweerder daartoe een nieuwe aanvraag in te dienen die voldoet aan de daaraan in de Wabo en daarop gebaseerde regelgeving en jurisprudentie gestelde eisen. De rechtbank komt derhalve niet toe aan de beoordeling van hetgeen eiser heeft aangevoerd ter onderbouwing van zijn standpunt dat voor de door hem gewijzigde planopzet een omgevingsvergunning kan worden verleend.

15. Het beroep is ongegrond. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

Beslissing

De rechtbank verklaart het beroep ongegrond.

Deze uitspraak is gedaan door mr. A. Snijders, rechter, in aanwezigheid van mr. F.A. Timmers, griffier. De beslissing is in het openbaar uitgesproken op 1 september 2020

griffier rechter

Afschrift verzonden aan partijen op: 1 september 2020

Rechtsmiddel

Tegen deze uitspraak kan binnen zes weken na de dag van verzending daarvan hoger beroep worden ingesteld bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State. Als hoger beroep is ingesteld, kan bij de voorzieningenrechter van de hogerberoepsrechter worden verzocht om het treffen van een voorlopige voorziening.